Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 13 Julij 1868. N\

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

&

f

dertigste jaargang.

JUS ET VERITAS.

*0*

Dit blad verschijnt aereaeld twee maten ver week. Prijs ver jaaraana f 20 ; voor de

zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van jjh.

franco ver vost, met ƒ 1.20 verhoooina. — Prins d«r

—- •* - • v t/ v —ixi

correspondenten, franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 5 Junij 1868.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Afzonderlijk jagtregt. — Eigendom. — Bezit. — Verjaring.

Verbiedt art. 64 1 B. W., zoowel als art. 3 der wet tot regeling der jagt en visscherij, voor het vervolg daar te stellen een afzonderlijk jagtregt, aj'gescheiden van den eigendom van den grond? — Ja.

Kan de actie tot handhaving bij stoornis in de uitoefening van jagtregt dus thans alleen worden ingesteld ingeval van een getituleerd bezit, waarvan het bestaan dagteekent vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek 9 — Ja.

Is onder regeling van verjaring in art. 2030 B. W. ook begrepen de beslissing der vraag, of verjaring al dan niet is toegelaten ?— Neen.

•A- M. F. G. Baron de Woelmont, heer van Ammerzoden, Well en Wordragen, eischer in cassatie, procureur Mr. M. Eyssell ,

tegen

C. P. Lenshoek, verweerder, procureur Mr. C. J. Fran^ois.

De adv.-gen. Karseboom heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtb. Heeren! In de tweede overweging quoad jus ordt de aard der in deze ingestelde vordering omschreven, als strekende ^tot handhaving in het bezit van het gesustineerde jagtregt P -Ü. ^e gronden, gelegen onder de gemeenten Ammerzoden, Well

^°l"dragen, met vergoeding van schade voor de geleden stoornis;

er w°rdt bijgevoegd: »zonder dat de aard van dit beweerde jagt-

S" nadfiT" cl r\r\r rlon nienliov MTAvdt nln ^ ^^,1,

_ i — viüvuvi >i uiuu umuvyuitvcn, txia uau uuxs. yucil

stuk , daartoe strekking hebbende, ten processe is overgelegd." Uit de vermelding van de gronden, waarop het jagtregt wordt beweerd over drie gemeenten, waarvan de eischer zich heer noemt zou

runnen worden algeieia , dat de bedoeling was de bewering van een

meerlijk jagtregt, waaromtrent alsdan zou te vergelijken zijn het

^iest van ö üeor. iöd /, met ae conclusie van den adv.-gen. Ijregory, te vinden in Weekbl. n°. 2878 en de Regtspr. 85, 190; doch noch de feitelijke beslissing, noch het middel van cassatie, leveren gronden op om op ^ie stelling, als in facto gebleken, in te gaan; de aard van het jagtregt

was, volgens het bestreden vonnis, met nader omscnreven.

Uit de 6de overweging quoad jus blijkt, dat de eischer bij dagvaarding, en ook bij de daadzaken, door hem te bewijzen aangeboden (welk aangeboden getuigenbewijs, als niet ter zake dienende, is v°orbijgegaan), heeft aangevoerd, dat zijn bezit van het beweerde Jagtregt reeds zou zijn aangevangen vóór den I Oct. 1837, en dus öieer dan e'e'n jaar vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek ; "och het vonnis is van oordeel, /'dat die stelling alleen iets zou kunafdoen , indien, zoo die bewezen ware, daaruit moest worden ^geleid, dat hij daardoor bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek had een verkregen regt.'/

Het bestreden Tonnis heeft dan ook den eischer verklaard niet°ntvankelijk in zijn eisch , met veroordeeling van hem in de kosten.

Als ée'nig middel van cassatie is daartegen aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van de artt. 606 en 613, in verband met artt. 5S4 en 585, en van art. 610, in verband met art. 1990, B. W.; v°orts van artt. 1 en 47 der wet op den overgang, art. 3 der wetten Va« 6 Maart 1852 (Stbl. n'. 47), en 13 Junij 1857 (.Stbl. n°. 87), art. 2030, in verband met artt. 1988 en 641, in verband met art. ®93, B. W., mitsgaders der bijna gelijkluidende artt. 543 , 2228 en '•226 C. N., in verband met art. 23 Proc. Civ., zoomede van art. ®l > in verband met artt. 2219, 546, 551 en 715 C. N.

Ik doe reeds dadelijk opmerken, dat bij het bestreden vonnis alleen-

znn toecenast de artt. filO. .593. 641. 1990 en 2030 R. W. p.n

artt. 3 der aangehaalde jagtwetten , zoodat bij de overige aangellde artikelen wel van sphp.ndincr . niet van verkeerde toenassino .

sprake zou kunnen zijn.

, Het is buiten twijfel en betwisting, dat de vordering betrekking eeft in deze tot een jagtregt, afgescheiden van den eigendom van grond, welke laatste niet is beweerd. Wanneer wij nu art. 641 • W. inzien, dan blijkt daaruit, dat het regt om zich het wild °e te eigenen, behoort bij uitsluiting aan den eigenaar van den lond; en art. 82 1 B. W. kent daarom ook aan den vruchtgebruiker ^ genot toe der jagt en visscherij , als behoorende tot de regten,

aa»van de eigenaar genot kan hebben.

, '' ''ij uitsluiting" kan wel niet anders beteekenen, dan dat geen derde, Uiten den eigenaar of die in diens regten door huur als anderzins tijdelijk ^ get^eden, genot kan hebben> volgens ons tegenwoordig burger-

-Bij datzelfde artikel worden echter uitgezonderd de regten, door erden verkregen, waarvan zij tegenwoordig het genot hebben , en onverminderd de wetten en verordeningen op dat stuk. . Zoo erkennen ook de artt. 3 der beide aangehaalde jagtwetten het Jagtregt, dat derden op gronden van anderen hebben, doch met wetelijke afkoopbaarheid, en zulks ten einde niet, gelijk de Regering U art. 3 der wet van 1852 (Mr. J. Tak , bl. 28) het uitdrukte: " eeuwen lang met de overblijfselen van een vorigen staat van zaken belast e blijven.» en zij voegen er bij: "bij vervreemding kan het jagtregt öïet van den eigendom van den grond worden afgescheiden; " waar- |

~r aizoo overeenstemming met het Burgerlijk Wetboek ontstond. Kan nu het beweerde jagtregt worden gezegd te zijn een regt, door en eischer als derde verkregen ? Ik geloof het niet. Ik zou achten, at men het jagtregt moet hebben gehad in patrimonio ; niet dat

de

men hebbe gehad eene beweerde detentio, alsof het regt hem toebehoorde, zoo als art. 585 B. W. dit aangeeft, ook niet eene verwachting , dat na zeker tijdsverloop de praesumtio juris et de jure ontsta, dat men eigenaar is, dat men eigendom zal verkrijgen door verjaring.

liet bestaan van dat van den eigendom afgescheiden jagtregt moet blijken te hebben bestaan, tijdens de invoering van het Burgerlijk Wetboek , om als uitzondering te kunnen gelden van het beginsel van onafscheidelijkheid, vastgesteld bij art. 641 B. W.

Dat is dan ook reeds uitdrukkelijk beslist bij arrest van den Raad van 28 Junij 1861 ( Weekbl. n°.22s8, v. d. Honert, B. R., 25, 361, Regtspr. 68, 334), waarbij de thans behandelde vraag totidem verbis is uitgemaakt en waarbij wordt overwogen, //dat, ter beslissing der vraag, of de eischer in zijne vordering tot handhaving in het onderwerpelijk door hem beweerd bezit is ontvankelijk, met juistheid is vooropgesteld, dat bij art. 641 B. W. en art. 3 der beide aangehaalde wetten tot regeling der jagt en visscherij is verboden het voor het vervolg daarstellen van een afzonderlijk jagtregt, afgescheiden van den eigendom van den grond; dat daaruit almede teregt is afgeleid, dat onder de werking van dat wetboek het jagtregt niet meer ais afzonderlijk regt, afgescheiden van den eigendom van den grond, kan worden gebragt in den handel en verkregen, en het alzoo, voor zooverre het niet reeds vóór dat wetboek heeft bestaan, naar art. 593 B. W. niet meer een voorwerp van bezit kan opleveren."

Het voormelde arrest nam daarbij aan in de volgende overweging, dat daarmede niet zou strijden "het beginsel, dat het jagtregt in het algemeen is een zakelijk regt en mitsdien eene zaak in commercio , en dat alzoo, volgens art. 606 B. W., bij stoornis in deszelfs bezit, de wet toekent de regtsvordering tot handhaving daarin, omdat dit beginsel behoort te worden beperkt tot het geval, waarbij de rede is van een getituleerd bezit, waarvan het bestaan dagteekent vóór dat wetboek, en waar het alzoo geldt het bezit van een vóór de invoering daarvan bestaan hebbend jagtregt;" van hoedanig vroeger bestaan hebbend getituleerd bezit in deze niet is gebleken.

Met dit arrest is te vergelijken de ook reeds bij de conclusie van den adv.-gen. Gregory aangehaalde arresten van 7 Mei 1858 (Regtspr.

59, 108, v. d. Honert, B. R. 22, 231), van 29 Oct. 1858 (Regtspr.

60, 94, v. d. Honert, 1. c., 429), bij welk laatste van een geti¬

tuleerd oezit van vroegere dagteekenirg mede bleek.

Het beroep op het arrest van 6 Jan. 1860 ( Weekbl. n°. 2135, Regtspr. 64, 3, v. o. Honert, B. R.3 24, 1) kan te dezer zake niets doen, omdat daarbij eene andere vraag, dan thans aan de orde is, werd beslist, namelijk die, of vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek de wet verbood bij titel een van den grondeigendom afgescheiden jagtregt te vestigen ; die omtrent de wettigheid eener zoodanige acte van koop en verkoop, op 10 Sept. 1823 onder de hand geteeKend.

He artt. 6iO, 593 en 641 kunnen dus, zoomin als de aangehaalde artikelen der jagtwetten, verkeerdelijk zijn toegepast en evenmin art. 1990 B. W. Het frp.hrnilr hpf.wAilr rlo .1,

n , —logiw in uu ööie

overweging quoad jus van dit laatste artikel heeft gemaakt, is geen ander dan dat, hetwelk de wet zelve aanduidt, dat namelijk men door verjaring den eigendom niet kan verkrijgen van zaken , die buiten den handel ziin. welk laatste met ep.n hp.rnp.n nn «rf i-ï w

„ ■ -f "• " uu _u. yy

» fi wil liAimn *

" 'j AagGii , teiegi ia aangenomen.

De eischer beweert echter ook schending van eenige artikelen van den Code Nan. . in verhand mfit art. 2030 R W Uii Ja won

mng, dat, nu het bezit en dus de verjaring tevens begonnen is

uo ujvueiiiiü van net ï^urtrern k vvetooat. de vraat*, nr p.r

Vp.riflrincr vnn hof inn-tw.Vft nIV.nnnVi/lidari vnr. ^1 . .1 .1 .....

. -j-. —ö jagncgi , aigco^ui/iui/u »«ii ucju eigeuuum van ueil

grond, is verkregen of kan verkregen worden, naar den Code Nap.

mnpt WAi-don

uwoi ucciu.

WTflt 7.fcrt nn oi'f ■)(!■) A R WT 9 Hat „r\e> — „ i „

& *x" 111 TT.» rwjttuugcu, wciivc XÜCUÖ

vóór de afkondiging van dit wetboek een aanvang genomen hebben, zullen Overeenkomstig Hp. hpnalintypn van hp.f-. xrr\-f\rm u,

v»ui

den p-eretrftld • ,, pvon olc «i-f oo«i al. i P. xt

ue geachte pleiter voor den eischer, ofschoon hij er zich niet op

ll floft JlQfnnrv/ivi 1, „ .1 . U 1 . , ,

X--—3 - vw» -V" ".«.IJIIUII V1IXUÜU U1J XYJ.I .

Opzoomer, het Burg. Wetb., dl. III, p. 326 en 327 , die van oordeel is, dat, ofschoon ze (namelijk de begonnen veriarine-en) met

rerkregen resten niets o-emeens hebben . hii

wuauuwi, iiio waren z 111 ae aaau vcuvretren recrr.p.n • „ tprwn Hp

schrijver er bijvoegt, bl. 327, wat de JBransche schrijvers leerden: " dat eene reeds hp.ovmnp.n vpriarinc vervalt wannoo». Aa. niamira

O ' —J f5 - 5 ".unuui U.UW1 uv/ mvuwt

wet onverjaar baarheid is ingevoerd, dat is, hoe redelijk ook, in

fitriid mfit nn« „v, mJndor mot „,.t nnoi

v„ öu xixcu mumv/. «uu eigen ari. ^oi.»

Ten aanzien van de Fransclie wetgeving kan men vergelijken Mer-

y ^jj.f v. prescripnon, s. ï, § o, n-. », waar nij zegt: "Au second crs. «1 fa n<: er\no.rliofino>nov • nn lfl. Ifïi snnc 1'om.1,. lnmi.illo

la possession a commencé, ne diffère de la nouvelle loi que par rapport a 1 espace de temps et aux conditions nécessaires pour acquerir

ia picscripuon ; ou ïi y a opposition enxre rune et 1'autre sur la nrpsnrint.ihilitp Ho I« „ TlaavKü u:;

^ 1 ACH l/liuoo - ^«"1 UIJ UCV/Ulü 111J IVCUOl UC1XC

onderscheiding aan in het tweede geval, dat praescriptie, volgens de

nieuwe wui, gtjoonoora was, waar ue uuue wet cue veroooa, or wei

nmcrp.kpprrl nn70 nno,,c nnn-nrav.iar is* //(1I1P 1q r.mnrull,» (laoloro

_ —is ; , aau.»vu.& -w . L

inprescriptible ce que l'ancienne permettait de prescrire. Au second cas, la possession qui a eu lieu sous 1'empire de 1'ancienne loi perd

encore tout son efFet par Firnprescriptibilité que la loi nouvelle eta-

hlit • „ ou liü KoIaa™)- ,ioon vnnrlip.ftlrl oon o Cd l O. AT

ontleend, waarbij hij de bedenking van retroactiviteit wederlegt, zeggende: "La loi ne rétroagit que lorsqu'elle enlève des droits acquis avant sa nronmlo-ation • p.t elle neut. sans rétroarrir. enlever des ex-

pectatives, des espérances, des droits non encore forinés, non encore acquis. Or, qu'est ce que la prescription, tant qu'elle n'est que commencée ? rien autre chose qu'une expectative, rien autre chose

qu une espérance, que peut détruire, par de simples actes interrup-

tiis, celui Ik méme contre lequel elle êgit." Men zie ook Troplong, comtn. sur la prescr., n°. 1088 , en de schrijvers en arresten, reeds door mijn ambtgenoot Gregory aangegeven in zijne conclusie bij het na te melden arrest van 21 Junij 1861. Met dien ambtgenoot

vereenig ik mij met de wederlegging vau Mr. Opzoomek's opvattingdoor Mr. Diepiiüis, Ntsd. B*r,j. Rijt, IXle dl., 2 le uitg., n». 543, waardoor ik ook het gevoelen huldig van den Hoogen Raad , uitgedrukt bij de arresten van 21 Dec. 1860 (Weekbl. u>'. 22 S6, Regtspr. 66, 332 , y. d. Hos-Ent, B. R. 24, 454 ) en van 21 Junij 1861 ( Weekbl. n'. 2 286, Rejtspr. 68, 268, v. d. hoïïeüt, B. R. 25, 33 1). De artikelen der Fransche wetgeving kunnen daarom ook niet geschonden zijn

Deze wets-opvatting is ook niet in strijd met art. 1 der wet op den overgang, hetwelk van de eerbiediging van verkregen regten bij de beoordeeling en toepassing der wetten spreekt, noch met art. 47 aldaar, hetwelk slechts bepaalt, dat de bewijsmiddelen teruggaan tot het tijdstip van het ontstaan vau regten en verpligtingen, welke alzoo mede verkeerdelijk als geschonden zijn voorgesteld. Art. 2030 B. W. is dan ook eigenlijk de overgangs-bepaling, ten aanzien van verjaring in acht te nemen.

Op de aangevoerde gronden heb ik de eer te concluderen tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van den eischer in de kosten en boete van cassatie.

De Hooge Raad enz.,

Ooerwegende, dat als e'éiig middel van cassatie is voorgesteld : schending en verkeerde toepassing der artt. 606 en 613, in verband met de artt. 584 en 585, en van art. 610, in verband met art. 1990 13. W. , voorts van de artt. 1 en 47 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, de art. .3 der wetten van den 6 Maart 1852 (Stbl. n°. 47) en den 13 Junij 1857 (Stbl. n°. 87) art. 2030, in verband met art. 1983 , en art. 641, in verband met art. 593, 13. W"., en de artt. 553, 2228 en 2226 O. N., in verband met art. 23 van den Code de Proc. Civ., alsmede van art. 2281 in verband met art. 2219, en der artt. 546, 551 eu 715 C. N. ' op grond, dat het bestreden vonnis berust op twee, met de wet'striidice stellingen: 1°. dat het jagtregt is buiten den handelen dus niet vatbaar voor bezit; en 2". dat meer dan éénjarig bezit niet kan worden gezegd daar te stellen een verkregen regt op het onderwerpelijk jagtregt, en dus niet te vallen onder de verkregen regten geëerbiedigd bij art. 641 13. W.;

é 0., dat de eischer in cassatie bij het beklaagde vonnis is verklaard niet-ontvankelijk in zijnen incidentelen eisch tot bewijs door <?etuigeu, dat hij zoude zijn gestoord in het bezit van zijn beweerd jagtregt op al de gronden, gelegen onder Ammerzoden, Well en Wordragen, welk bezit reeds vóór den 1 Oct. 1837 zoude zijn aangevangen, en wel hoofdzakelijk op grond: «dat een regt van jagt op gronden van anderen niet meer is in den handel en mitsdien o-een voorwerp van bezit meer kan opleveren, behoudens het bepaalde bij art. 641 B. W. omtrent de regten, door derden wettig verkregen en waarvan zij bij de invoering van het wetboek het genot hadden waarvan in deze geene rede is;» en dat deze beslissing niet is in strijd met de aangehaalde artikelen ;

0. toch, dat (loorde Kegtbank met juistheid is vooropgesteld dat bij art. 641 B. W. en art. 3 der beide wetten tot regeling der jagt en visscherij van 1852 en 1857 is verboden voor het vervolg daar te stellen een afzonderlijk jagtregt, afgescheiden van dpn pia-o,„t™

van den grond; dat derhalve onder de werking van dit wetboek zoodanig afzonderlijk jagtregt niet meer kar, worden gebrast in den handel en verkregen; dat het bijgevolg, naar art. 593 li.°W. niet meer kan opleveren een voorwerp van bezit; dat alzoo de regtsvordenng tot handhaving in het bezit ingeval van stoornis behoort te woiden beperkt tot het geval , waar de rede is van een getituleerd bezit, muHan het bestaan dagteekent vóór de invoering van het ' urgeilijk Wetboek ; en dat eene tegenovergestelde uitlegging daartoe zoude leiden om, in strijd met de boven aangehaalde bepalingen, a snog door verjaring te kunnen doen ontstaan jagtregt, afgescheiden van den eigendom van den grond;

0., wat betreft des eischers bewering, dat uit art. 641 B. W. en art. 3 der beide aangehaalde wetten op de uitoefening der jagt en visscherij zoude volgen, dat het jagtregt, afgescheiden van den grond, zoude zijn gebleven in den handel,— dat, welverre dat dit daarbij als regel zoude zijn verondersteld, dit integendeel daaruit noodwendig alleen kan volgen, voor zoover betreft de daarbij gehandhaafde uitzondering, waarvan echter in deze geene sprake is; en dat, aangenomen , dat onder de bij art. 64 1 ü. W. uitgezonderde verkregen regten zoude zijn begrepen het bezit, dan nog dit zoude behooren te worden beperkt tot het getituleerd bezit, en alzoo niet zoude kunnen gelden in het ondfirwp.rnplHlr «mn„ j_ • __

- —&«»«"> "in gcexie reue is vaneen

m den handel zijnde, op een titel berustend jagtregt;

O., wat aangaat des eischers stelling, dat een vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek aangevangen bezit van een niet getituleerd jagtregt naar art. 2030 B. W. zoude kunnen leiden tot verjaring, en dat derhalve de aangevallen beslissing zoude ziin in strijd met dat artikel, in verhand rnp.t. <1p artt i at ,i„_. _

op den overgang, — dat deze berust op eene verkeerde opvatting van eerstgenoemd artikel, vermits onder regeling der verjaring vermeld bii dat artikel, niet is beo-i •P.nPfl rlo hooliooi",,,. °'n

. . " -v, „vouoomg ucr vraag, or ver-

jaurig al dan niet is toegelaten, en van zoodanige regeling alleen dan sprake kan zijn, wanneer de verjaring zoo vóór a^b'LfBurgerlijk Wetboek is aangenomen;

O., dat met de vooropgestelde beslissing vervalt de verkeerde

lTalzocf hlS(" 'ding Van Ul dG aangehaalde artikelen, en

dat alzoo het eenig aangevoerde middel van cassatie is ongegrond ;

Verneipt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten en boete van cassatie.

wIpSm™! n'sc'ler ^V' W. Thobbecke, en voor den verweeraer Mr. J. G. Rochussen.)

Sluiten