Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat alle deze uitgaven directe gevolgen zijn van het ongeluk , dat den eisclier getroffen heeft;

dat het tusschen partijen in confesso is, dat des eisehers familie, r.a het ongeval, uit Darmstadt tot hem is overgekomen , en deze overkomst, door zijnen hulpbehoevenden toestand allezins geregtvaardifd, ten koste der ged. behoort te komen;

dat hetzelfde het geval is met het nachtverblijf te Rotterdam, omdat, hetzij hier aan den eischer zelf moet gedacht worden, dan wel of deze rekening, zoo als de ged. bij pleidooi beweerd heeft, zijne familie aangaat, deze kosten niet zouden gemaakt zijn, indien het bewuste spoorweg-ongeluk den eischer niet getroffen had;

dat mede niet is wedersproken , dat de eischer te Darmstadt eene huishouding bezat, die, ten gevolge van zijn verlengd verblijf hier te lande, is opgebroken; dat ook, al was deze uit den aard tijdelijk, dan toch deze vervroegde opbreking zeker het direct gevolg was van meergemeld onheil en dus de schade, daardoor veroorzaakt, zeker aan de ged. in rekening kan worden gebr gt;

dat derhalve de eerste post als voldoende geregtvaardigd kan worden aangemerkt, en de Regtbank geene aanleiding heeft om van het gevorderde bedrag van _ƒ 4000 af te wijken;

dat de eischer in de tweede plaats voor rijtuig, fooijen, kleine uitgaven, medicamenten enz., gedurende het verblijf te Veenenburg, Zandvoort en Haarlem van Julij 1866 tot Julij 1867, heeft gevorderd f 3100;

dat de feitelijke grondslag dezer vordering wordt weersproken door de ged. , die beweert den eischer met zijn gezin gedurende dien tijd geheel onderhouden te hebben, en daaromtrent door den eischer geen bewijs is aangeboden ;

dat het dan ook niet aannemelijk is , terwijl de ged. gedurende dien tijd J 9104.96 % aan logementen verpleegkosten en J 1274.05 aan genees- en heelkundige diensten ten behoeve des eisehers heeft uitgegeven, hij zelf nog bovendien J 3100 voor kleine uitgaven en medicamenten zou hebben besteed ;

dat de ged. daarentegen voor onkosten , porto's, verzending enz. / 200 heefc aangeboden, maar uit dien hoofde niets door den eischer is gevraagd en dus niets behoeft te worden toegewezen ;

dat de eischer eindelijk heeft gevorderd f 900 wegens betaalde verblijfkosten in het hotel Frunkler te Haarlem van 31 Mei tot 2 Julij 1867, en ƒ 4000 wegens vertrek naar Londen, verblijf aldaar eerst in logement gedurende eenige weken , daarna inrigting, woning, geneeskundige behandeling aldaar, rijtuig en buitengewoon dienstpersoneel van den 2 Julij tot 29 Aug. 1867 , certificaat en legalisatie;

dat de ged. teregt hiertegen heeft aangevoerd, dat deze kosten niet als een direct gevolg der verminking kunnen beschouwd worden en dus niet door haar vergoed behoeven te worden;

dat door den eischer niet is bewezen, dat zijn verlengd verblijf te Haarlem volstrekt noo lig is geweest voor zijn herstel en hij zoowel de verblijfkosten van dien tijd, als de reiskosten en de inrigting te Londen zoude hebben moeten betalen, ook al had hem nimmer een ongeval als het onderhavige getroffen;

dat zijne aanspraken voor extra-uitgaven op de gedaagde maatschappij dus in die weken geene andere waren, dan zij gedurende zijn verder leven zullen zijn, en het daarom billijk voorkomt, daarvoor een evenredig deel uit te trekken van het jaargeld, hetwelk hem voor de toekomstige schade zal worden toegekend;

O. alsnu, wat betreft die vaststelling dezer laatstgenoemde schade, dat de eischer heeft gevorderd: a. voor geneeskundige behandeling 'sjaars f 600 ; b. voor bijzonder dienstpersoneel 'sjaars medey'600 ;

dat de regtmatigheid dezer vordering wordt gestaafd door de overgelegde attesten der geneeskundigen, allen daarin overeenstemmende, dat de eischer in den zomer van 1867 nog niet hersteld was, en een volledig herstel van zijn linkerbeen onzeker en onwaarschijnlijk, doch niet geheel onmogelijk te achten was;

dat de ged., in die veronderstelling, dat dit feit zoude vaststaan , tegen de beide hier gestelde posten geen bezwaar heeft ingebragt, doch, alleenlijk het bedrag verminderende, uitdien hoofde /' 100 en f 300 'sjaars heeft aangeboden ;

dat echter, bij het ongemotiveerde van alle deze cijfers, de Regtbank geene aanleiding vindt om van het gevraagd bedrag af te wijken, en dus de vordering des eisehers uit dien hoofde toestaat;

dat de eischer verder heeft gevorderd: c. voor equipage of rijtuig f 3000 'sjaars; dat deze vordering ongegrond is , daar, indien hij vroeger geen rijtuig hield, hij thans, in plaats van schadevergoeding, voordeel zoude genieten, indien hij in de gelegenheid was gesteld een eigen rijtuig te houden ;

dat hem evenmin vergoeding behoeft te worden toegekend voor zoodanige rijtoeren, als hij anders toch gewoon was geweest te doen, daar die niet als een gevolg van het ongeval te beschouwen zijn; ^ dat het echter, op grond der meergemelde attesten, als waarschijnlijk kan worden aangenomen, dat hij meer dan vroeger in de noodzakelijkheid kan moeten zijn om rijtuig te nemen, en daarvoor eene vergoeding van f 500 'sjaars voldoende voorkomt;

dat hij eindelijk d. voor hoogere premiën van te sluiten levensverzekering en uitzigt op nieuwe functiën heeft gevorderd f 1000 's jaars;

dat deze schade echter zoo onbepaald en onzeker is, dat zij niet als een noodzakelijk gevolg van het onheil, dat den eischer getroffen heeft, kan beschouwd worden, en de ged. dus niet verpligt is daarvoor eenige vergoeding te voldoen;

dat de jaarlijksche uitkeering dus naar de omstandigheden begroot moet worden op eene som van f 1700;

dat dien ten gevolge de reeds geleden schade voor de maanden Junij, j Julij en Aug. 1867 gesteld behoort te worden op f 425 , en voorde nog te lijden schade van den eischer gedurende zijn leven een jaargeld ten bedrage van f 1700 moet verzekerd worden;

dat het immers niet aangaat, dit jaargeld, volgens den ged., te beperken tot den tijd, dat het noodig zal zijn, daar de schade juist in het algemeen genomen en in den vorm van een jaargeld wordt bepaald, ten einde later alle verder onderzoek naar eene moge- :> lijke vermeerdering of vermindering dier werkelijke uitgaven af te 1 snijden;

O. eindelijk, dat tegen de vordering der proceskosten ad ƒ 343.65 en de vermelding der kosten, op het opmaken en vereffenen van den staat gevallen, pro memorie, geene bezwaren door den ged. zijn ingebragt, en de vordering des eisehers te dien aanzien dus behoort te worden toegewezen;

Gezien de artt. 1401 en 1407 li. W., 56, 612 volg. B. W.; Verleent der ged. acte van haar gedaan aanbod;

Verklaart, dat zij daarmede niet kan volstaan ;

Stelt het bedrag der kosten, schade en interessen, tot welker vergoeding aan den eischer de ged. bij geregistreerd vonnis van 30 Dec. 1867 is veroordeeld, vast op eene som van ƒ4768.653, wat betreft de reeds geledene schade en de proceskosten bij gemeld vonnis, ten laste der ged. gebragt, en op eene jaarlijksche som van ƒ 1700, wat betreft de nog te lijden schade;

Veroordeelt _de ged. om aan den eischer, tegen behoorlijke kwijting, te betalen de voormelde som van / 4768.655 , met de renten van dien k 5 pet. 'sjaars, sedert den 29 Aug. 1867 , tot de volle voldoening;

Veroordeelt de ged. om aan den eischer gedurende zijn leven uit te keeren een jaargeld van /' 1700, gewaarborgd door eene inschrijving op het grootboek der Nederlandsche nationale 2 % pet. werkelijke schuld, van zoodanig bedrag als noodig zal zijn om eene jaar¬

lijksche rente te geven van gelijk bedrag als dat jaargeld , aan te vangen met den 29 Aug. 1867 ;

Ontzegt aan den eischer het meerdere door hem gevorderde ;

Veroordeelt de ged. in de kosten, op het opmaken, doen registreren en beteekenen van den ingedienden staat gevallen ;

Compenseert de overige kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. S. van Nierop, en voor den gedaagde Mr. J. A. Molster.)

MENGELWERK.

TWEE MAAL VIER-EN-TWINTIG UREN.

{Ingezonden.)

iMijnheer de redacteur 1 In het Weekblad van gisteren deelt gij het een en ander mede over de zaak der valsche Mexicanen en geconfe'dereerden ; eene zaak, die hier nog al gerucht gemaakt heeft, ea die nu is uitgegaan als eene nachtkaars. Dat is misschien ook maar het best. Gij maakt van die gelegenheid gebruik om uw hart nog eens lucht te geven in klagten tegen ons stelsel van preventieve gevangenis en zijne toepassing, die zeker niet ongegrond zijn, maar waar, voor het oogenblik, vooral wat het eerste betreft, niet veel aan té doen zal zijn.

Er is echter iets anders gebeurd , wat zeer mijne aandacht getroffen heeft, wat mij ten minste al zeer vreemd, om niet te zeggen onbehoorlijk voorkomt, en waartegen wel kan en behoort gewaakt te worden. Gij verhaalt onder anderen, dat het arrest van het hof, waarbij bevolen wordt de beklaagden dadelijk in vrijheid te stellen, is van 17 Aug., en dat de beklaagden zijn ontslagen op 19 Aug. — En dit is volkomen juist. Men zegt hier met zekerheid te weten, dat het arrest van 17 Aug. is gewezen des morgens ten 11 ure, en dat bet ontslag op 19 Aug. is gegeven om 12 & uur. Dus ruim 2 maal 24 uren ; dat nu komt mij onverklaarbaar en onverschoonbaar voor. Niemand weet natuurlijk, aan wien de schuld lio-t maar die twee maal vier-en-twintig uren zijn zeker veel minder te verdedigen dan de elf maanden. Gij zegt van het laatste: «zulke dingen moesten niet kunnen gebeuren. >/ — Toegegeven, maar van het eerste zou ik zeggen: «zulke dingen moesten niet gebeuren.»

Misschien bestaan er goede redenen van voorzigtigheid om van zulke dingen geen gebruik te maken van de te'le'graaph, waarvan echter de justitie en de politie zich wel bedienen , als er arrestatiën of huiszoekingen moeten plaats hebben. Maar er kon toch zeker niets tegen geweest zijn met den eerstvolgenden trein een veldwachter of een politie-agent naar Rotterdam te zenden met het bevel van ontslag. En dan waren de beklaagden binnen twee uren, in plaats van na negen-en-veertig uren , in vrijheid geweest. Mij dunkt, dat het zoo zou behoord hebben.

Rotterdam , 28 Augustus. ^ jj

CORRESPONDENTIE.

De inzenders van vonnissen en arresten worden herinnerd aan een vroeger gedaan verzoek , om die te voorzien van de daarin behanhandelde regtsvragen. Vonnissen van kantongeregten moeten, indien aan dit vereischte niet voldaan is, in den regel, worden ter zi-de gelegd.

liUüüK RAAD. — Hainer van Vacaittie.

Zitting van Vrijdag , 28 Augustus.

Voorzitter, Jhr. Mr. b. van den Velden.

Uitspraak gedaan in zake:

1». den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Steenwijk, tegen een vonnis in zake A.Steffens. Niet-ontvankelijk verklaard.

2". den proc.-gen. bij het Hof in Noordholland, tegen een arrest in zake J. C. Blomvliet. Het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Zuidholland.

NB. Zaturdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 22 dezer, n°. 53, is benoemd tot regter in de Arrond.-Regtbank te Tiel, Mr. J. J.Smits, thans kantonregter te Eist.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n '. 54, is benoemd tot subst.-officier bij de Arrond.-Regtbank te Tiel, Jhr. Mr. T. Serraris, thans griffier bij het Kantongeregt te Hulst.

— Bij besluit van dezelfde dagteekening, is door Z. M. aan den heer E. de Waal, minister van Koloniën, een verlof van vier weken toegestaan tot herstel van gezondheid; en is tevens de minister van Marine, gedurende dien tijd , met het beheer van het departement van Koloniën belast.

— Op de onlangs opgemaakte voordragt voor de betrekking van raadsheer in het Prov. Geregtshof van Overijssel zijn geplaatst de navolgende heeren : I". Mr. J. C. liijsterbos, griffier der Staten van Overijssel; 2». Mr. J. E. van Nes van Meerkerk, regter in de Arrond.-Regtbank te Zwolle; 3». Mr. G. Royer, rijks-advokaat te Zwolle ; 4°. Mr. M. Sichterman , regter in voornoemde Regtbank ■ 5°. Mr. H. van Delden, regter in de Regtbank te Deventer; 6 .',\Ir. A. A. W. van Wulfften Pal the, kantonregter te Oldenzaal.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 29 Augustus.

Wij hebben eerst dezer dagen kennis gemaakt met de toespraak van den heer J. Domela Nieuwenhuis als voorzitter van het hoofdbestuur van het genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen, gehouden bij de opening zijner 44ste algemeene vergadering. De geachte spreker heeft bij die gelegenheid twee stellingen verdedigd, waarmede, zoo wij vertrouwen, aile zijne hoorders gereedelijk zullen hebben ingestemd : 1«. dat verbetering der gevangenen een niet te

bereiken doel is zonder verbetering van de gevangenis, en dat dus het genootschap volkomen binnen zijne grenzen blijft, indien het dooi raadgeving aan de regering en door andere zedelijke middelen daartoe medewerkt; en 2?. dat verbetering der gevangenen , althans na h1111 ontslag , niet ligt op den weg der regering.

Wij zijn al weder aan de hand van onzen kundigen hoofdinspecteur van 's rijks gevangenissen een hoogst belangrijk werkje verschuldigd, onder den titel van ons cellulair stelsel, een woord Mi. M. H. Godeekoi, naar aanleiding zijner rede in de rTweede Kaw® der St.-Cren. van 1) Junij 1868. De heer Alstorphius Grevelink doet zich daarbij op nieuw kennen als een voorstander van de beginselen van het Iersche stelsel. Wat hij verlangt, komt hierop neder: "die wijze van afzonderlijke opsluiting, welke in het buitenland, waar men hare overdrijving en al het verkeerde er van leerde kennen, meer en meer wordt toegepast; grootere cellen dan b. v. te Amsterdam, geheel losse ramen met doorschijnend glas, het geheel weglaten der cel-kappen, het gezamenlijk en langer wandelen op eene geschikte wandelplaats, de gemeenschappelijke school bij klassen, vooral de gemeenschappelijke godsdienst, geen kinderen in cellen, alles onder goed toezigt van bekwame en flinke beambten, hunne roeping begrijpende ; en , bij langdurige straffen , de cellulaire opsluiting als eerste période der straf; daarna, bij blijken van beterschap, gemeenschappelijke opsluiting met nachtelijke afzondering en eene période van overgang tot de vrijheid». — Wij zullen niet oordeelen tusschen de beide stelsels, die elkander nog steeds den palm der overwinuing blijven betwisten. Te ontkennen valt het niet, dat in de laatste jaren het Iersche stelsel vele proselieten gemaakt heeft, en dat het gezag van vele practische gevangenis-mannen, waaronder zeker deze schrijver eene eerste plaats bekleedt, groot gewigt in de schaal leggenOf zij echter daarom alle voorstanders der volstrekte afzondering nog zoo gemakkelijk zullen overtuigen , is eene andere vraag. Dit echter valt niet wel te betwisten , dat de schrijver zeker niet dwaalt, indien hij beweert, dat — ons cellulair stelsel lijdt aan vele en groote' gebreken. De vraag blijft evenwel over: zijn die gebreken niet weg te nemen ? en is daarmede dus ools het stelsel veroordeeld ?

— Den 25 dezer is te Schoonoord, te Oosterbeek, in den ouderdom van zes-en-zestig jaren, overleden Mr. Jakob van Lennep, kommandeur der orde van den Nederl. Leeuw en van de Eikenkroon, officier van de Leopolds-orde, rijks-advokaat van Noordholland.

Den 27 dezer werd zijn stoffelijk overschot te Oosterbeek in pleg" tigen eenvoud ter aarde besteld. Enkele vrienden en vereerders , in den omtrek aanwezig, woonden de begrafenis bij. De hoogbejaarde van 's Gravenweert, die den ontslapene als kind, als jongeling, al* man en grijsaard heeft gekend, die dat geheele rijke, veel bewogen, maar schoone en belangwekkende leven had mogen overzien , sprak een diep treffend woord aan de stille groeve uit.

— Den i 6 dezer is te Zwolle overleden de heer Mr. A. van de Graaff, president van het Prov. Geregtshof, in den ouderdom van negen-en-zestig jaren. Door dat overlijden is bij dit Hof eene tweede vacature ontstaan.

* REGTSGELEERDE UITGAVEN.

DUITSCHË LITTliRATUUR.

Militair-Gesetz-Sammlung, preussische. [Gegründet v. Dr. Carl Fbiccros.] 7 Bd. 2 Ht't. Hrsg. v. Gen.-Auditeur Ed. Eleck. gr 4 Berlin Ni col ai. ' '

Inhalt: Die seit August 1864 bis Mai 1867 ergangenen, auf die mihtar. Rechtspflege sich beziehenden Gesetze, Verordngn. u. all^em. V erfüggn., nach der Zeitfolge geordnet u. m. Anmerkgn. versehen. [Nr. 1051 1135.J (X S. U.S. 109—296. Schluss.)

Reform, die, der Justizgesetzgebung im Königr. Wiirttemberg. GesetzesEntwiirfe m. Motiven. Nach den Vorlagen d. königl. Justizministeriums an die Standeversammlg. 2. Abh. i Thl. 8. Stuttgart, Metzleb.

Inhalt: Entwurf e. Civilprozess-Ordnung f. das Königr. Wiirttemberg m. den Motiven. 1. Thl. (VIII u. 264 S.)

ENGEL^CHE LITEUATUtTR.

Ewald (Alex Ch.), »0ur Constitution» an Epitome of our Chief Laws and System of Government, with an Introductory Essai. 1 ., p. 340. London, Waune.

IIale (W, H.), An Inquiry into the Legal History of the Supremacy of the Crown in Matters of Religion. Royal 8». Bdtterworths.

Thompson (J.) , An Essai on English Municipal History. Post 8°. London, Longmans.

Smith (Josiah W.), A Manual of Common Law, 3rd edit. 12o., p. 562. London, Stevens.

Lewin (Th ), A Practical Treatise on the Law of Trusts. 5th edit. Royal 8°., p. 244. London, Maxwell.

AUVERTENÏIEN.

Bij GEBROEDERS BELINEANTE, te \s Gravenhage, is verschenen de 2e en vermeerderde druk van

NAAMLIJSTEN

der

notarissen ej ca\diü.-notarisse\,

BENEVENS DE OPGAVEN

DER BEVOLKING DES RIJKS

op 81 december 18"6.

Prijs ƒ 0.75.

Dit werkje bevat, behalve gemelde lijsten, de opgave nopens het maximum van het getal notarissen en de vermelding der betrekkingen , waartoe de geëxamineerden als cand.-not. benoemd zijn. — De bevolking gemeente'sgewijze, en in alphabetische volgorde.

Snelpersdruk en uitgave van <Tw Si 85 BS O E 8» K H ** SïEIjIWFAiVTK , te '* ïw«,s*veaHts*>'-e.

Sluiten