Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gezien artt. 249 , 250 en volg. en art. 56 B. R.;

bew?SSeien^e °r ^en e^sc^er *n conventie nader aangeboden

bew'"tZe^fc aan ^6n oorsPron^e^J^en Sed« zijne conclusie tot getuigen-

^n, regt doende ten principale op de conventie,

I Veroordeelt den oorspronkelijken ged. om aan den eischer , tegen e oorlijk bewijs van kwijting, te betalen de ter zake bij dagvaarding n conclusie van eisch omschreven verschuldigde som van f 289.10 ,, ni<-t de renten ad 6 pet. sedert den dag der dagvaarding tot aan de Voldoening;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang en bij voorraad , I ■flits onder borgtogt, binnen drie dagen te stellen, en binnen gelijken er®ijn aan te nemen of te betwisten ;

■k" > regt doende op de reconventie,

Verwerpt de voorgestelde niet-ontvankelijkheid ;

Ontzegt aan den eischer in reconventie zijne reconventionnele vordering;

Kn veroordeelt eindelijk den oorspronkelijken ged., eischer in reconyentie, in de kosten zoo van conventie als van reconventie.

ARLIONDISSliME NTS-REGT1}ANK Tli AMSTERDAM.

Kerst e kamer.

Zitting van den 16 Junij 1868.

Voorzitter, Jlir. Mr. C. Dedel.

CoxTRACTlëLE SCHULD. LEGAAT. WETTELIJK VEEtMOEDEN.

Indien de erflater, bij het aangaan eener overeenkomst, de vrijwillige, doch overbodige verpligting op zich nam om zijne erfgenamen bij uitersten wil te bevelen de contractuele schulden uit te betalen, en hij vermaakte aan zijn mede-contractant een legaat van hooger bedrag , zonder dat de bewoordingen van het testament aantoonen zijne bedoeling, het legaat te doen treden in de plaats der contractuele schuld, dan zijn de erfgenamen verpligt beiden uit te betalen.

H. F. van der Ree, eischer, procureur J. G. Ivuhn ,

tegen

C. A. J. Heine, gedaagde, procureur F. E. Dammers. De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat tusschen partijen is erkend:

dat des eischers echtgenoot, met welke hij in algeheele gemeenschap is gehuwd, in de maand Nov. 1859, destijds nog ongehuwd zijnde, ■net des gedaagdes nu overleden vader en erflater eene overeenkomst heeft gesloten , waarbij eerstgenoemde zich verbonden heeft, laatstgenoemde naar Java te vergezellen , bij hem te blijven als huishoudster, hem te verzorgen en op te passen, zoolang hij in levenden lijve aanwezig zoude zijn, waartegen laatstgemelde zich verbonden heeft °m haar gedurende zijn leven te verzorgen van alles wat zij in haren stand noodi» had, en om, ter vergoeding en belooning van de diensten, door haar bewezen en nog te bewijzen, aan haar te zullen uitbetalen ceoe som vau f 10,000, welke som aan haar zoude moeten worden uitbetaald uiterlijk binnen vier weken na zijn overlijden; verbindendq hij zich, ofschoon het voor de kracht en de regtsgeldigheid der geslotene overeenkomst niet wordt vereischt, aan zijne erven, regtverkrijgenden of executeuren bij uitersten wil de verpligting op te , leggen om de uitbetaling van f 10,000 stiptelijk te effectueren;

dat almede tusschen partijen is erkend , dat des eischers echtgenoot aan alle verpligtingen, uit die overeenkomst voortspruitende, ruimschoots heeft voldaan; j dat des gedaagdes vader en erflater op don 15 Febr. 1863 te Nice | is overleden, met achterlating van een notarieel testament, waarbij | haar een legaat van '-'5,000 francs is vermaakt, ter belooning voor de gedurende vele jaren aan hem bewezene diensten , inzonderheid geurende zijne laatste ziekte, eindelijk dat dit legaat aan des eischers echtgenoot is uitbetaald;

dat de eischer, als hoofd der echtvereeniging en als beheerder der tusschen hem en zijne echtgenoot bestaande wettelijke huwelijks-gemeenschap, tegen den ged., als voor een vierde erfgenaam van wijlen zijnen vader'c A. J. Heine, eene regtsvordering heeft ingesteld tot betaling van / 2500,' zijnde een vierde gedeelte van./ 10,000 ; welke hij beweert, dat, krachtens bovenvermelde overeenkomst, aan zijne echtgenoot competeren, en zulks met renten en kosten;

dat de ged. daartegen heeft aangevoerd . dat de erflater, door het legaat van f 25,000, de bepalingen van de overeenkomst had nageleefd , ja zelfs meer had gedaan dan waartoe hij verbonden was ; dat door de uitbetaling van het legaat des eischers echtgenoot meer dan volkomeu was betaald; concluderende mitsdien tot ontzegging van de vordering met de kosten;

dat de eischer bij repliek het beweren des gedaagden breedvoerig heeft bestreden en is blijven persisteren bij zijne conclusie tot toewijzing zijner vordering ;

dat de ged. niet heeft gedupliceerd;

O. in regten :

dat de overeenkomst, welke tusschen partijen in con/'esso is, regtsgeldig is , omdat erfgenamen gehouden zijn te voldoen aan de verpligtingen, welke de erflater bij overeenkomst op zich genomen heeft;

dat dus' deze overeenkomst van kracht blijft, hetzij de wederpartij aan zijne vrijwillige , doch overbodig op zich genomen verpligting om zijne erfgenamen bij uitersten wil te bevelen die schuld uit te betalen voldoet, hetzij hij daaraan niet voldoet;

dat mitsdien de eischer qq. is schuldeischer van den boedel van des gedaagdes vader ;

dat de éénige vraag ten deze kan zijn , of het gemaakte en uitbetaalde legaat van fr. '25,000 strekt tot afdoening van de contractuele

schuld ;

O. daaromtrent, dat een legaat, aan eenen schuldeischer gemaakt, "iet gerekend wordt tot afdoening der schuld te zijn nagelaten ;

dat uit deze wetsbepaling volgt, dat er een wettelijk vermoeden bestaat, dat bet legaat van fr. 25,000 de contractuele schuld van / 10,000 niet heeft gedelgd;

dat echter tegen dat vermoeden tegenbewijs kan worden toegelaten , doch dat dan ook duidelijk moet bewezen worden, dat de bedoeling van den erflater eene andere is geweest dan het wettelijk vermoeden medebrengt;

dat de woorden van het testament zeer duidelijk zijn en dus daarvan door uitlegging niet mag worden afgeweken; dat die bewoordingen niet aantoonen, dut liet de bedoeling van den erflater geweest is het legaat 'e doen treden in de plaats van contractuele schulden ; dat veeleer het tegendeel uit die bewoordingen volgt, vermits daaruit blijkt, dat het legaat besproken is met het kennelijk doel om vooral de zorgen , i" de laatste zware en uioeijelijke ziekte van den erflater bewezen , te beloonen;

dat het beweren van den ged., alsof de erflater door het legaat slechts had voldaan aan zijne vrijwillige, doch overbodig op zich genomen verpligting om zijne erven bij uitersten wil te noodzaken

de schuld te betalen, niet kan opgaan, omdat, indien dat de bedoeling van den erflater ware geweest, niets hem zoude belet hebben in zijn testament melding te maken van zijne gehoudenheid om aan des eischers echtgenoot f 10,000 uit te betalen en daartoe zijne erven aan te sporen , en daartoe niet volstrekt noodzakelijk was een nieuw legaat en dat nog wel van een hooger bedrag te bespreken ;

dat alzoo de argumenten, door den ged. aangevoerd , om aan den testateur eene andere bedoeling toe te schrijven dan hij in zijn testament heeft uitgedrukt, niet krachtig genoeg zijn om vau het wettelijk vermoeden af te wijken;

Gezien artt. 1374, 932, 101S B. W., 56 B. R.;

liegt doende enz.,

Veroordeelt den ged. om aan den eischer, in zijne betrekking, tegen behoorlijke kwijting, te betalen de somma van / 2,500, zijnde 54gedeelte der som vau f 10,000 , welke des eischers echtgenoot, krachtens de tusschen partijen in confesso zijnde overeenkomst, toekomt, en zulks met de renten & 5 pet. 's jaars, van den dag der dagvaarding van 3 April 1867 tot de voldoening toe;

Veroordeelt den ged. in de kosten van het geding.

(Gepleit voor den eischer Mr. Ph. A. Haas Az., en voor den gedaagde Mr. J. A. Molster.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE SNEEK. ilurgerlijhe hamer.

Zitting van den 7 Mei 1868.

voorzitter, Mr. M. van Heloma.

B hslag. — Oppositie. — Bewijs van eigendomsregt. — Bruikleen. — Bemeijering. — Bezit.

Is de bepaling van art. 1902 jB. W. ook van toepassmg op hem, die, naar aanleiding van art. 4 56 8. R., zich verzet tegen den verkoop van in beslag genomen goederen , waarvan hij beweert eigenaar te zijn ? — .7a.

Heeft de opposant, door overlegging der bewuste acte van bruikleen , zijn eigendomsregt bewezen ? — Neen.

J. F. Wijma, eischer en opposant, procureur Mr. H. 11. Hiddinga,

tegen

P. O. Piersma, gedaagde en geopposeerde, procureur Mr. F. J. Kappeyne van de Coppello,

en tegen

B. T. Wijnia, mede-gedaagde, procureur Mr. H. H. Hiddinga. De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusiën van partijen en hetgeen tot adstructie is aangevoerd door den procureur Mr. Hiddinga voor den opp. en door deu advokaat Mr. Telting voor den geopp.;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat als vaststaande tusschen partijen kunnen worden gehouden de navolgende :

dat, bij vonnis dezer Regtbank dd. 10 Sept. 1867, bij verstek gewezen , de thans gearresteerde is veroordeeld tot betaling aan den thans arrestant eener som van f 1300 , met de interessen naar 4% pet., sedert den 12 .vlei ^867, en in de proceskosten, en zulks ter zake door den thans gearresteerde op den 15 Jan. 1867 aan den thans arrestant schuldig erkende geiden , met acceptatie tot betaling op den 12 Mei daaraanvolgende;

dat, bij deurwaarders-exploit dd. 4 Nov. 11., voormeld vonnis aan den thans gearresteerde is beteekend;

dat, bij deurwaarders-exploit dd. 6 Dec. daaraanvolgende, aan den thans gearresteerde bevel is gedaan om, ter voorkoming van arrest op zijne roerende goederen , binnen twee dagen en, ter voorkoming van arrest op zijne onroerende goederen, binnen dertig dagen, te voldoen aan den inhoud van meergemeld vonnis ; hebbende de arrestant bij hetzelfde exploit, tot aan bet uiteinde der executie , woonplaats gekozen binnen de gemeente, waar de executie moet plaats hebben ;

dat, bij dergelijk exploit dd. 14 Dec. 1867, aan den thans gearresteerde herhaald bevel is gedaan om alsnog aan het vonnis te voldoen , en dat, toen daaraan niet gevolg werd gegeven , in arrest zijn genomen de roeiende goederen, vermeld bij het proces-verbaal van evengenoemdeu datum; dat dit, behalve door den exploiterenden deurwaarder , is geteekend door twee getuigen, en dat bij hetzelve over de goederen een bewaarder is aangesteld en wijders is bepaald, dat de verkoop der in beslag genomene goederen zoude plaats hebben op Maandag den 23 Dec. 1867 , des voormiddags ten tien ure;

dat, bij deunvaarders-exploit dd. 21 Dec. i 867, de eischer en opp. aau ged. en arrestant heeft beteekend en afschrift gelaten

1". van eene acte van bruikleen, gepasseerd en verteekend in de maand Febr. 1867 tusschen hem opp. als eigenaar en in-gebruikgever van de in beslag genomen goederen en den gearresteerde als gebruiknemer , behoorlijk geregistreerd ;

2°. van eene acte of overeenkomst van bemeijering, mede verteekend tusschen opp. en gearresteerde den 6 Aug. 1867, behoorlijk geregistreerd , met sommatie wijders om aan opp. of aan den exploiterenden deurwaarder af en over te geven de in beslag genomene goederen bij deurwaarders-exploit dd. 14 Dec. 1867 , en zulks op grond, dat hij opp. is eigenaar der goederen en de gearresteerde, ingevolge de beteekende acten, die goederen slechts in gebruikleen en als zetmeijer bezit;

dat, daar aan deze sommatie niet is voldaan , aan den arrestant, aan den gearresteerde en aan den bewaarder is kennis gegeven, dat hij opp. in verzet komt tegen den verkoop der in beslag genomene goederen, waarna hij den arrestant en den gearresteerde heeft doen dagvaarden voor deze Regtbank, ten einde den opp. te hooren verklaren goed opp. tegen den verkoop der goederen , waartegen verzet is gedaan; dienvolgens te hooren gelasten, dat die goederen uit het daarop bij voormeld proces-verbaal gelegd beslag zullen worden ontslagen en aan den eisciier en opp. door den daarover gestelden bewaarder zullen worden afgestaan en overgegeven, onmiddellijk na insinuatie van het in deze te wijzen vonnis, welk vonnis hem, bij gebreke van dien , tot titel zal verstrekken om zich in het bezit daarvan te mo"-en stellen , en tot afgifte waarvan de bewaarder des noods uit kracht van dat vonnis zal worden gedwongen , en, hetwelk doende , hij wel en wettig zal zijn verantwoord; alles met condemnatie van den arrestant in de kosten , schaden en interessen , door dit onregtmatig arrest aan den eischer en opp. reeds veroorzaakt of nog te veroorzaken, volgens den daarvan nader op te maken staat, en m de kosten van het regtsgeding; wijders te hooren gelasten, dat de medeged. en gearresteerde gehouden zal zijn zulks alles te geheugen en te gedoogen , en ingeval van tegenspraak mede met veroordeeling

in de kosten ; .

dat de opp. heeft geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding, terwijl de mede-ged. en arrestant heeft geconcludeerd daartoe, dat het der Regtbank behage, den eischer te verklaren met-ontvankelijk in zijnen eisch , immers hem dien te ontzeggen , met veroordeeling in de kosten , ontkennende hij hot eigendomsregt der in execuriaal i beslag genomen goederen bij den opp. en bewerende, dat dit

I door den eischer en opp. zal moeten worden bewezen; dat de | mede-ged. en gearresteerde heeft geconcludeerd daartoe, dat hij zich ten deze geen partij in het geding stelt en overigens zich refereert aan het arbitrium judicis, des echter, dat de kosten, aan zijne zijde gemaakt en gevallen, door de succumberende partij worden gedragen ;

dat de eischer en opp. de gronden voor zijne oppositie bij conclueio van repliek nader beeft uiteengezet en voorts geconcludeerd, dat het der Regtbank behage, hem acte te verleenen van zijne verklaring, dat hij persisteert bij zijne primitief genomen conclusie, met condemnatie van geopp. in de kosten van het proces; terwijl deze, bij conclusie van dupliek , de gronden van den eischer en opp. heeft bestreden en ten slotte verklaard te persisteren bij zijne genomene conclusie;

dat eindelijk door partijen nog in het geding zijn gebragt eene onderhandsche acceptatie, door den gearresteerde aan deu geopp. afgegeven, gedateerd 15 Jan. 1867 , behoorlijk geregistreerd , en eene onderhandsche quitantie , door deu geopp. aau den opp. afgegeven , gedateerd 12 Jan. 1867, behoorlijk geregistreerd:

O. in regten:

dat, terwijl tusschen partijen geen verschil bestaat over de identiteit der goederen, welke in beslag zijn genomen, en die, van welke de opp. zegt eigenaar te zijn, de beslissing van het geding alleen afhankelijk is van de beantwoording der beide volgende vragen: of de opp. , gelijk hij beweert, moet bewijzen eigenaar te zijn der goederen en of de opp. zulks bewezen heeft;

O. ad Ium., dat de verpligting om in de onderwerpelijke zaak vóór alles zijn eigendom te bewijzen, ligt opgesloten in de duidelijke bewoordingen der wet;

0. toch , dat dit volgt uit de bepaling van art. 1902 B. W., krachtens welke een iegelijk, die beweert eenig regt te hebben, het bestaan van dat regt moet bewijzen, en welke bepaling, als algemeene regel van regt geldende , ook zeker van toepassing is op hem, die, naar aanleiding van art. 456 B. R., zich verzet tegen den verkoop van iu beslag genomen goederen, als bewerende daarvan te zijn eigenaar;

O., dat deze leer te meer klemt, wanneer men in het oog houdt, dat bij art. 608 God. de Proc. Civ. bij de beteekening wordt vereischt eene opgave der bewijzen van eigendom , welke bepaling , hoezeer niet woordelijk overgenomen in het Nederlandch Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, echter door art. 456 van dat wetboek is vervangen; terwijl wijders uit de beraadslagingen, over dit laatste artikel gehouden, is gebleken , dat, wel verre van af te wijken van het Fransche regt, de Nederlandsche wetgever heeft gewild , dat hij, die beweert te zijn eigenaar, de middelen ten bewijze van zijn eigendom moet bijbrengen;

0., dat alzoo de eerste vraag toestemmend moet worden beantwoord ;

0. nu ad II11"1. betrekkelijk hetgeen de eischer en opp. ten bewijze van zijn eigendom heeft bijgebragt, en of ziju eigendom daardoor is bewezen:

dat hij zich daarvoor heeft beroepen op de onder de daadzaken omschreven acte van bruikleen en van bemeijering, en zulks op grond, dat hij bij die acteu heeft gehandeld als eigenaar, en de gearresteerde, ingevolge bedoelde acten, de in beslag genomene goederen slechts in gebruikleen en als zetmeijer bezit;

O. echter ten aanzien van die acten, dat, hoewel dezelve, als zijnde de validiteit niet betwist, kracht mogen hebben tegen derden, nogtans niet uit het oog mag worden verloren, dat zij alleen bewijs kunnen opleveren van hetgeen daarin vermeld staat omtrent de bruikleen en omtrent de bemeijering ;

O. toch, dat het geen volstrekt vereischte is, dat de bruikleengever is eigenaar der in bruikleen gegeven goederen ; en dat dan ook daaruit te meer volgt, dat het te kennen gegevene iu de acte, van te zijn eigenaar, slechts daarin voorkomt als een bloot te kennen geven , dat niet in dadelijk verband staat met de acten:

O., dat zoodanig bloot te kennen geven in eene acte, wanneer men volgens de wet bepaaldelijk verpligt is zijn eigendom te bewijzen , van geene de minste kracht kan zijn tegen derden ;

0., dat dit nog te minder kan opgaan in een geval als het onderhavige , waar het is buiten geschil, dat de gearresteerde vroeger was eigenaar, zoo niet van alle, toch van de meeste der in beslag genomene goederen, en waar het evenzeer is buiten geschil, dat de gearresteerde is in het bezit der goederen, welke de opp. als zijn eigendom reclameert;

O. toch, dat men wordt geacht steeds voor zich zeiven te bezitten, zoolang het niet bewezen is, dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten;

O., dat alzoo het beroep van den opp. op de acte van bruikleen en die van bemeijering, tot staving van zijn eigendom, in deze niets kan afdoen; en dat, vermits overigens door hem niets ten bewijze van den door hem gepretendeerden eigendom van de in beslag genomen goederen is bijgebragt, en vermits ook door hem geene daadzaken zijn gesteld, uit welke, werden zij bewezen, de eigendom van den opp. zoude volgen, zijn eisch, als geheel onbewezen, behoort te worden ontzegd;

Regt doende enz.,

Verleent acte, waarvan dit is gevraagd;

Ontzegt aan den opp. en eischer zijnen eisch eu veroordeelt hem in de kosten van het proces.

MENGELWERK.

DE RECHTSSTUDIE EN RECHTSPRAKTIJK TE LONDEN.

Naar het Fransch van Alphonse Esquiros.

(Uit het Weekblad voor het Hooger Onderwijs.)

(Vervolg en slot, zie Weekbl. n°. 3031.)

Tegenwoordig leveren alle klassen der maatschappij iu Engeland studenten in de rechten op. De zoogenaamde country gentlemen die ofschoon tot den deftigen burgerstand behoorende, eene soort aristocratie ten platten lande uitmaken, zenden gaarne hunne zonen gedurende eenige jaren naar een inn of court, ten einde zij later meer geschikt zullen zijn in hun graafschap de betrekking van vrederechter te bekleeden of, als het geluk dienstig is, lid van het Lagerhuis te worden. De jongere zonen van deu adelstand hebben geene andere keus dan tusschen de kerk, het leger of de balie, en velen hunner kiezen dit laatste beroep met het oog op de plaatsen, welke hun de magistratuur belooft. Eindelijk zijn er eene menigte jongelieden zonder fortuin en zonder geboorte, die echter eene goede opvoeding hebben genoten en zich met de borst op de rechtsstudie toeleggen om zich een weg in de wereld te banen. Van welke afkomst zij ook mogen zijn, alle studenten in de rechten worden op gelijke lijn geplaatst en kunnen alleen door eigen inspanning vooruit komen. Na drie jareu in een inn of court te zijn ingeschreven, en aan de verschillende hiervoren vermelde vereischten te hebben voldaan , wordt de student eindelijk advokaat. Dan moet hij de kosten voldoen , in Engeland bekend onder den naam van call to the bar (beroep voor de balie) , en van dat oogenblik af geniet hij zekere voorrechten. De barrister alleen heeft het recht voor andereu voor de hoo^e

Sluiten