Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3041

\

Donderdag, 8 October 1868.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

dertigste jaargang.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt, geregeld twee malen per week. Prijseer jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met ƒ1.20 verhooging. — Prijs der adoertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van IIII. gewone correspondenten, franco.

WETGEVING.

adres van antwoord op de troonrede.

In de zitting van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 24 september 11. is beraadslaagd over paraokaaph 5, luidende:

" De toezegging van wetsvoordragten, welke ten doel hebben het regtswezen te verbeteren , de regterlijke inrigting aan te vallen, de *°o tang gewenschte regeling van het hooger onderwijs tot stand te Jrengen , den landbouw van den last der tienden te ontheffen , is ons een vernieuwd bewijs van Uwer Majesteits voortdurende zorg voor <»eze gewigtige staatsbelangen.»

De heer van der Lek de Ciercq: Het is mijn voornemen niet, Mijnheer de Voorzitter, aanmerkingen te maken op deze paragraaph. Maar daarin komt eene zaak voor, die mij en, naar ik geloof, ieder onzer ter harte gaat. Ik wenschte die met een enkel woord te bespreken, ten einde, zoo mogelijk, de inlichtingen, die ik verlang, te verkrijget>- Ik bedoel de zaak van de afschaffing der tienden. In de troonde is aangekondigd, dat de wet tot afschaffing, dat is vernietiging Van de tienden , wederom zal worden ingediend. Dit is mij zeer aangenaam geweest te zien. De vroegere ontwerpen, die geen vernieti^"g of afschaffing, maar afkoopbaarstelling der tienden ten doel hade" > zijr., voor zoover zij in deze Kamer gekomen zijn , hier niet gunstig ontvangen. Ik heb daaraan mijn deel gehad; en het zal mij 11118 aangenaam zijn , als wij te eeniger tijd een wets-ontwerp ontvanSen om de tienden op de eene of andere wijze te vernietigen.

W at ik nu wenschte te weten, is dit. Mij is niet regt duidelijk de "edoeling der troonrede; daarin wordt gezegd: » De wet, houdende van de tienden , zal wederom worden ingediend." Wij heben tot dusverre, bedrieg ik mij niet, geene ontwerpen tot afschaffing, jhaar slechts tot afkoopbaarstelling der tienden gehad, en daartusschen 'estaat, mijns inziens, verschil. Ik zou intusschen met deze toezeg^'ng in de troonrede vrede hebben, indien daaruit bleek de bedoeling er Regering om de tienden af te schaffen tegen behoorlijke verbeding

van de tegenwoordige eigenaren der tienden. Ik veronderstel ,Vel, dat dit de bedoeling is ; maar zoo als het daar staat, zou het vergoeden kunnen rijzen van het tegendeel. Ik veronderstel, Mijnheer c Voorzitter , dat ten spoedigste een ontwerp van wet zal worden '"gediend , houdende vernietiging van de tienden bij wijze van afkoopbaarstelling ; maar zoo het de bedoeling der Regering mogt zijn een van ^9 vroegere ontwerpen , die of niet in deze Kamer gekomen, of hier Terworpen zijn , weder onveranderd in te dienen, dan moet ik nu 'Ceds'verklaren, dat, hoe gaarne ik ook wil medewerken tot vernietiging de'' tienden, ik mij daarmede waarschijnlijk niet zal kunnen veree"igen.

Ik zal de Vergadering niet vermoeijen met eene breede uiteenzetting, hoe ik zou verlangen de zaak der tienden geregeld te zien. Dit s'el ik alleen op den voorgrond, dat ik wensch, dat zoodanig ontwerp tot ons kome en aangenomen worde, dat de tienden werkelijk vernietigt.

dusverre heb ik altijd in de ontwerpen gevonden geen halven, Zel|,s geen kwart maatregel voor eene werkelijke vernietiging; want ^'are een der vroegere ontwerpen tot wet verheven , dan zouden de ''enden sleehts door zeer weinigen afgekocht zijn kunnen worden , en ae vernietiging alzoo was slechts voor een klein gedeelte te verkrijgen geweest.

, ^lijns inziens moet de vernietiging der tienden volkomen zijn, wil doel bereikt worden wat men beoogt. En nn gelooi ik, dat de 'enden door het Rijk moeten worden afgekocht; dat de eigenaren of 'eüèrs van tienden obligatiën moeten erlangen voor dien afkoop, terde tiend in eene grondrente behoort te worden veranderd, zoodag> dat de tiendpligtigen in de gelegenheid worden gesteld die grondllr"te, zoo spoedig dit hun gelegen komt, af te koopen , en dat de °''%atiën worden afgelost, naar mate suecessivelijk de tiend of grondrente wordt afgekocht, waarvoor men bijv. een termijn van dertig Ja'c" kou stellen , binnen welken de aflossing zou moeten plaats hebe" , en ook de afkoop der grondrenten,

'k geloof dat men op die wijze de zaak het best zou kuunen regelen.'

. Den ander punt, waarop ik de Regering attent zou willen maken, ls> dat zij vooral zorg drage, hetgeen, naar ik meen, in vroegere wetsvoorstellen niet in het oog was gehouden, dat de tiendpligt, wat men G novalia en de nova novalia noemt, ophoude. Door vroegere voordellen zou alleen de vernietiging van een gedeelte van de bestaande 'enden zijn verkregen , en de toekomstige zouden alle hebben blijven °ortbestaan , en daardoor zou almede de algeheele vernietiging niet 'J" verkregen, die ik wensch in het belang van den landbouw.

. De heer Hein, lid der commissie van redactie: De geachte spreker r 1 Zeeland heeft geene aanmerking op de redactie van deze paragraaph gemaakt, en geen amendement voorgedragen. Hij heeft ook ,ot de commissie geene vragen gerigt; en zij zou zich dus ontslagen "nnen rekenen van hem eenig antwoord te geven. De geachte spreheeft echter eenige denkbeelden ontwikkeld omtrent eene toekom'ge wet op de tienden, en de regeling, die hem wenschelijk zou toefijnen.

Het kwam der commissie voor, dat «afschaffing" van de tienden, ^vaarop ;n de troonrede wordt gedoeld, opgevat moet worden in dezen dat de landbouw op redelijke voorwaarden van den last der tienden ZUj Worden ontheven. Ik geloof, dat geen andere zin in de bedoeling Vatl den minister van .Justitie heeft kunnen liggen, toen hij eene aan-, gaande wet daaromtrent heeft aangekondigd. Het is evenwel niet de aak der commissie den geachten afgevaardigde in zijne beschouwing over dat onderwerp verder te volgen. Ik neem dus de vrijheid hem r>Ir' verdere inlichtingen te verwijzen naar den minister.

De heer van Lilaar, Minister van Justitie: Mijnheer de Voorzitter> ik kan gerust verklaren op de vraag, tot mij gerigt door den geachten spreker uit Zeeland , dat afschaffing van de tienden in mijn Oog hier moet beteekenen vernietigen, maar niet op zoodanige wijze,

| dat daardoor schade voor dezen of genen ontstaat; aan den tiendheffer zal schadevergoeding worden gegeven. Ik geloof, dat afschaffing juist is , want de tiend moet ophouden te bestaan; wil men het woord: «afkoopbaarstellen ,// men zou het kunnen gebruiken, want de tegenwoordige tiendheffer zal, hetzij in obligatiën, hetzij in geld, een surrogaat voor de tiend verkregen.

Ik zal natuurlijk bij de indiening van dat wets-ontwerp letten op het wets-ontwerp, dat in der tijd door de Tweede Kamer aangenomen is, maar tevens zal ik acht slaan op de gronden, die deze Kamer geleid hebben om dat wets-ontwerp af te stemmen.

De beraadslaging wordt gesloten.

Paragraaph 5 wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

BEGROOTING WEGENS DEN ARBEID DER GKVANGENEN OVER 1869.

Bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingekomen het volgende wets-ontwerp:

Wij WILLEM III enz.

Allen , die deze zullen zien of hooren lezen , salut! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen hebben , dat de begrooting der uitgaven wegens den arbeid der gevangenen over 1 Sf> 9 bij de wet behoort te worden vastgesteld, en dat tevens de middelen behooren te worden aangewezen tot dekking van die uitgaven;

Zoo is het enz. :

Art. 1. De begrooting der uitgaven wegens den arbeid der gevangenen en van jeugdige overtreders, bedoeld in art. 66 van het Wetboek van Strafregt, over 1 69 , wordt vastgesteld op de som van twee honderd drie en veertig duizend vier honderd vijf en vijftig gulden (ƒ 243,455).

Artikel 1. Tractementen, toelagen en belooningen der beambten en bedienden , hetzij tijdelijk of voor vast aangesteld f 31,305

Art. 2. Tijdelijke waarneming van betrekkingen wegens ziekte of andere tijdelijke ongeschiktheid of afwezigheid van beambten of bedienden 300

Art. 3. Gratificatiën voor bijzondere pligtsbetrachting en tot verdere aanmoediging van beambten , mitsgaders belooningen aan directeuren of cipiers der huizen van verzekering en van arrest, of aan bewaarders in die gestichten voor hunne bemoeijing met den arbeid der gevangenen , naar gelang van hunnen daarbij betoonden ijver, mede bij wijze van gratificatie te verleenen .... 300

Art. 4. Reis- en verblijfkosten van beambten en bedienden , alsmede vergoedingen van kosten hunner verplaatsing ... 1000

Art. 5. Grondstoffen, bereidingsmiddelen , fabricatieen confectie-kosten , werktuigen, gereedschappen en benoodigdheden voor tuin- en landbouw, vracht-, bureauen advertentie-kosten , mitsgaders druk- en bindwerk . - 173,050 Art. 6. Arbeidsloonen aan gevangenen en jeugdige

overtreders 30,000

Art. 7. Premiën aan gevangenen, welke zich door ijver en bijzondere bekwaamheid in het werk onder- - 2500

scheiden 2500

Art. 8. Onvoorziene uitgaven - 5000

Totaal . . f 243.455 Art. 2. Tot dekking der uitgaven, in het vorig artikel vermeld, worden aangewezen de volgende middelen :

Art. I. De inkomsten over het jaar 1869 wegens uit de magazijnen van den arbeid der gevangenen te doene leverantiën en confectiewerk der gevangenen.

Art. 2. i)e inkomsten over hetzelfde jaar wegens verkoop van onbruikbare werktuigen , gereedschappen en andere fabriekvoorwerpen , den arbeid der gevangenen betreffende.

Art. 3. De sommen , die in het jaar 1869 mogten worden gestort ter zake van inkomsten als in de artt. 1 en 2 vermeld, over 1867 en vroeger.

Art. 3. Wanneer de som, bij de begrooting der uitgaven voor een der onderwerpen van uitgaaf, begrepen onder de artt. 2, 4, 5, 6 en 7 van het 1ste artikel dezer wet, ontoereikend mogt worden bevonden, kan het ontbrekende bedrag, met in-acht-neming der voorschriften van het 2de lid van art. 24 der wet van den 5 Oct. 1841 (Stbl. n°. 40), aangevuld worden door overschrijving uit den post voor onvoorziene uitgaoen, in die begrooting vermeld.

Art. 4. De in den loop van het dienstjaar opkomende behoeften, welke hare omschrijving niet vinden in de artikelen van de genoemde begrooting, worden op den post voor onvoorziene uitgaven aangewezen.

Die uitgaven worden bij de rekening, bedoeld bij akt. 5 dezer wet, omschreven en verantwoord in zoovele bijzondere posten, als zij gelijksoortige onderwerpen betreffen.

Art. 5. Het batig saldo der rekening van de ontvangsten en uitgaven wegens den arbeid der gevangenen over 1869 wordt verantwoord onder de rijks-ontvangsten van dat jaar, terwijl in een nadeelig slot nader, bij de wet, wordt voorzien.

De afgesloten rekening wordt aan de beide Kamers der StatenGeneraal medegedeeld.

Lasten en bevelen enz.

Bij dat ontwerp is gevoegd de volgende Memorie van toelichting : Bij de toelichting van de begrootingen wegens ilen arbeid der ge¬

vangenen over 1865—1868 werden bijzonderheden betreffende de bevolking der gevangenissen medegedeeld. Gelijke opgaven zullen thans over een vijfjarig tijdvak plaats hebben. Het eerste gedeelte zal eene vergelijking leveren tusschen het aantal gevangenen , aanwezig in de strafgevangenissen, huizen van verbetering en opvoeding, huizen van verzekering en huizen van arrest, op 1°. Julij van de jaren 1864 — 1868; ten tweede zal een overzigt worden gegeven van de kategoriën van gevangenen , die in de gemelde huizen werden opgenomen ; en vervolgens zullen de uitkomsten van die tabellen worden beschouwd in verband met de fondsen, voor den arbeid der gevangenen, gedurende 1869 in raming gebragt.

BEVOLKING DER GEVANGENISSEN OP f. JULIJ.

1864. 1865. 1866. 1867. 1868.

Kategoriën van gevangenissen.

Strafgevangenissen . . .

Huizen van verbetering en 1937 1785 1742 1698 1775

opvoeding 156 171 185 191 207

Burgerlijke en militaire huizen van verzekering . . 1121 1040 992 1046 1138 Huizen van arrest . . . 493 448 519 642 560

Totaal . . 3707 3444 3438 3577 3680

Kategoriën van gevangenen.

Crimineel veroordeelden . . ii83 1114 1089 1027 1027

Correctionneel veroordeelden. 1943 1746 1757 1827 20-it;

Ongevonnisden 4-25 413 407 532 "4üo v

Niet veroordeelde meisjes en jongens, ingevolge art. 66 van het Strafwetboek, te Montfoort en Alkmaar

geplaatst 156 171 185 191 207

Totaal . . 3707 3444 3438 3577 3680

Uit de eerste verzameling van de bevolking der gevangenissen blijkt, dat de getallen van lu. Julij 1863 die van 1". Julij 1867 , 1866 en 1865 slechts weinig overtreffen, en beneden die van 1°. Julij 1864 zijn gebleven ; terwijl de tweede verzameling aantoont, dat gedurendede laatste vijf jaren alleen het cijfer der correctionneel veroordeelden en dat der jongens en meisjes , opgesloten krachtens art. 66 van het Wetboek van Strafregt, zijn toegenomen.

Overigens wordt uit de voorgaande statistiek gezien , dat op 1„. Julij 1»68 103 gevangenen meer aanwezig waren dan op 1". Julij 1867. Dit verschil, op eene bevolking, welke over vijf jaren gemiddeld uit 3569 gevangenen heeft bestaan , is echter niet van dien aard, dat voor grondstoffen, bereidingsmiddelen, fabricatie- en confectiekosten of voor arbeidsloonen over 1869 hoogere sommen behooren te worden in raming gebragt, dan daarvoor over 1867 en 1868 werden toegestaan, daar met het oog op de uitgaven van 1867 mag worden verwacht, dat ook over 1869 , al is de bevolking der gevangenissen eenigzius hooger dan vroeger, met dezelfde kosten naar eisch in het verstrekken van arbeid aan de gevangenen zal kunnen worden voorzien.

De middelen tot dekking van de uitgaven wegens den arbeid der gevangenen zijn over 1369 f 1000 hooger in rekening gebragt dan over 1868. Dit is geschied, op grond, dat de confectie van kleedinc. stukken is uitgebreid met het vervaardigen van onderscheidene artikelen voor beambten der posterijen, en dat deze tak van arbeid van genoegzamen omvang is om ter zake daarvan de raming der middelen eenigermate te verhoogen.

De Minister van. Justitie, van Lil aar.

Bij deze memorie zijn gevoegd:

1°. RAMING der middelen tot dekking van de uitgaven wegens den arbeid der gevangenen over 1869.

Inkomsten wegens leverantiën uitde magazijnen van den arbeid en confectiewerk der gevangenen voor het Departement van Oorlog ƒ 80 000

Idem, voor het Departement van Marine ..... 66 000 Idem, voor het Departement van Finantiën ..... 3000

Idem, voor het Departement van Koloniën s'oOO

Idem, voor de dienst der gevangenissen ...... 9g'ooo

Idem, voor de rijks-veldwacht ' s'ooo

Idem , voor particulieren j

Idem, wegens verkoop van onbruikbare werktuigen, gereedschappen en andere fabriekvoorwerpen 300

Idem, wegens sommen, die in 1869 mogten worden gestort tot geheele of gedeeltelijke voldoening van vorderingen, den arbeid der gevangenen betreffende, over 1867 en vroeger - 300

Te zamen . . f 278,600 De Minister van Justitie, van Lilaar,

Sluiten