Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbezoldigd veldwachter der gemeente Stad- en Ambt-Vollenhove, staat vermeld, dat deze beambte op 29 Nov. jl., 's morgens tusschen kwart voor negen en tien uur, den bekl. met een jagtgeweer in zijne handen zag staan , in een bosch gelegen onder Ambt-Vollenhoven , toebehoorende aan den heer Baron Sloet van Toutenburg, en dat de bekl., toen hij den beambte Grevenstein bemerkte, onmiddellijk ging vluchten; d it deze beambte alstoen den bekl. toeriep; //ik moet uwe acte, buitengewone permissie zien , alsmede het geweer of het geladen is" , doch dat de bekl. niet naar zijn roepen luisterde , maar de vlucht nam en ging loopen ;

O , dat genoemde beambte ter teregtzitting onder eede gehoord , ter toelichting van genoemd proces-verbaal en met bevestiging daarvan heeft verkiaard, dat, toen hij den bekl. in gemeld bosch bemerkte , deze ongeveer honderd passen van hem verwijderd was , en dat hij niet kan verklaren, dat de bekl. zijn roepen heeft gehoord of zijne vragen om acte, buitengewone magtiging en overgifte van het geweer heeft verstaan , daar de bekl.. onmiddellijk nadat hij den getuige bemerkte , zoo hard ging loopen, dat het hem onmogelijk was hem in te halen ;

O., dat mitsdien alleen is gebleken , dat bekl. zich op genoemden datum bevond in een bosch van den heer Baron Sloet te Ambt-Vollenhoven , met een geweer, maar niet dat dit geladen was ; daar toch de omstandigheid alleen , dat de bekl. met een geweer in de hand, ging vluchten op het zien van een veldwachter, zonder dat is gebleken , dat hij de vraag om * overgifte van het geweer// , heeft verstaan , niet voldoende is , om aan te nemen dat hij de afgifte van een geweer heeft geweigerd en mitsdien dat geweer als geladen moest worden beschouwd;

O., dat derhalve dit eerste ten laste gelegde feit niet door de genoemde middelen is bewezen, en de bekl. daarvan behoort te worden vrijgesproken ;

O., dat 2°. den bekl. is ten laste gelegd: dat hij op 27Dec. 1867, 's namiddags tusschen twaalf uur en half een, op een stuk bouwland van de weduwe H. van der Linde onder Ambt-Vollenhoven, met een geweer een schot heeft gelost op een duif, zonder voorzien te zijn van de vereischte jagt-acte of buitengewone magtiging, in art. 26 der jagtwet bedoeld, noch van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende;

O. hieromtrent, dat uit een op den ambtseed opgemaakt procesverbaal door K. Hoeve, rijks-veldwachter, opziener der jagt en visscherij te Ambt- Vollenhoven, nader toegelicht door zijne ter teregtzitting onder eeie afgelegde verklaring, wettig en overtuigend is gebleken, '/dat de bekl. op 27 Dec. jl., 's namiddags tusschen twaalf uur en half een, staande op een openbaar voetpad onder de gemeente Ambt-Vollenhoven , loopende langs een stuk bouwland van de weduwe H. van der Linde, een schot heeft gelost op een tilduif of zoogenaamden veldvluchter, zonder dat hij was voorzien van eene jagt-acte, buitengewone magtiging of schriftelijk bewijs van vergunning, afgegeven door den eigenaar of regthebbende:

O., dat dit bewezen feit door den heer ambtenaar van het Openb. Min. is gequalificeerd als : het bejagen van gronden, zonder voorzien te zijn van de vereischte jagt-acte of de buitengewone magtiging, in art. 26 der jagtwet bedoeld, en zonder voorzien te zijn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende, om die gronden bij vergunning, huur ol pacht te bejagen ;

O. hieromtrent, dat onder het bejagen van gronden , volgens de wet op de jagt en visscherij , alleen moet worden verstaan het bemagtigen , dooden en opsporen van wild;

dat bij art. 17 dier wet expressis verbis wordt gezegd , wat de wetgever onder wild wil hebben begrepen ;

dat daaronder duiven niet worden genoemd, waarom die dan ook niet voor wild mogen worden gehouden, en mitsdien hij , die op duiven heeft geschoten, niet kan worden gezegd te hebben gejaagd ;

O., dat overigens bij de wet op de jagt en visscherij in het algemeen niet wordt verboden, orn op tilduiven of veldvluchters te schieten, noch bij eenige andere wet of wettelijke verordening, en dat mitsdien de bekl. wegens dit tweede hem ten laste gelegde feit moet worden ontslagen van alle regtsvervolging;

De kantonregter voornoemd, regtdoende enz.,

Wat betreft het sub n'. i , den bekl. ten laste gelegde feit, Verklaart de schuld van den bekl. G. Nieuwenhuis daaraan niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

Wat aangaat het sub n°. 2 ten laste gelegde en bewezen feit: Verklaart dat dit noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding daarstelt, en ontslaat den bekl. G. Nieuwenhuis te dezer zake van alle regtsvervolging.

MENGELWERK.

JAAGPADEN.

(Uit de Stoompost.)

Bij een vonnis van den kantonregter te Kampen van den 4 Julij 1865, opgenomen in het Weekblad van het Regt, n°. 2703, is, opgrond van art. 7 van titel XXVIll der ordonnance du Roi d'Aoüt 1 669 pour les eaux et forests de son Royaume, in verband met de Keizerlijke decreteu van 22 Jan. 1808 en van 6 Jan. 1811 , de bevoegdheid erkend van een schipper, om, zijn schip aan eene lijn voorttrekkende, langs \ eene bevaarbare rivier binnen de breedte van 24 voet van den waterkant , ook over een met gras bezet perceel van een ander te loopen, als zijnde die breedte voor publiek jaagpad ten gebruike der schipperij.

Cassatie van dit vonnis aangeteekend, is door den Jtloogen Raad bij arrest van den 14 Oct. 1865 (Weekblad van het Regt n'. 2740) verworpen; de Raad heeft daarbij beslist, dat men geregtigd is, bij wijze van jaagpad, een vaartuig te trekken over een in den oogst staanden grond langs eene openbare rivier, op 3 el afstands van den waterkant, zonder vergunning van den eigenaar van den grond , wanneer niet blijkt, dat het openbaar gezag, krachtens art. 4 van het Keizerlijk dekreet van 22 Jan. 1803 , eene beperking heeft gemaakt in de verpligting van den oever-eigenaar, om eene ruimte van ten minste 24 voet open te laten voor een jaagpad.

Onlangs Is in tegenovergestelden zin een vonnis gewezen. Een gedeelte van het lijnpad langs de Waal onder llulhuizen was door het water afgeslagen; langs dit afgeslagen gedeelte werden jaagpaaiden over den aangrenzenden moesgrond geleid ; de geleiders dier paarden werden daarop, bij vonnis van den kantonregter te Eist van 11 Junij jl., op grond van art. 475, 10, Strafregt, veroordeeld wegens het laten loopen van trekbeesten over eens anders bezaaide gronden.

i;it geval heeft tot de vraag geleid , of het Bestuur van den waterstaat bevoegd is de hinderlijke voorwerpen, die zich op de jaagpaden bevinden , te doen opruimen , of een onbruikbaar gemaakt jaagpad in bruikbaren staat te doen herstellen ?

Deze vraag schijnt, met het oog op de wet en op het arrest van den Hoogen Raad van 24 Oct. 1865 bevestigend te moeten worden beantwoord.

Zoowel art. 7 van titel XXVIII der ordonnantie van 1669, als art. van het Keizerlijk decreet van 22 Jan. 1808 , 't welk het artikel der ordonnantie van toepassing verklaart op alle bevaarbare rivieren van het Keizerrijk, bepa'en , eat de oever-eigenaren de ruimte voor

het jaagpad moeten vrij laten, en dat hun verboden is , daarop beplantingen of bepootingen te doen. Eene voorafgaande aanwijzing van regeringswege van de plaatsen , voor jaagpad bestemd of in te rigten, is derhalve niet noodig. Het jaagpad is d£ar waar de schepen getrokken worden. Het Rijk nu, regt hebbende op het gebruik van den oever voor jaagpad , moet ook noodwendig de middelen hebben, zonder welke dit regt niet kan worden uitgeoefend.

De Hooge Raad heeft dan ook in het aangehaalde arrest van 1865 met volkomen juistheid beslist, dat de oever-eigenaren door ongeoorloofde beplantingen of bepootingen van het jaagpad, het geoorloofd gebruik daarvan niet kunnen verhinderen en even weinig de bestemming tot chemin royal et trait de chevaux kunnen veranderen.

Moest het Rijk , wanneer het boomen of andere beletselen op de jaagpaden vindt, telkens in regten de opruiming daarvan vorderen en derhalve, hetgeen hieruit volgt, die beletselen laten bestaan tot na de eindbeslissing van den regter, dan zou ieder oever-eigenaar het in zijne magt hebben , om, door zijne willekeurige handelingen, ieder oogenblik, voor eenige maanden, misschien voor eenige jaren, de scheepvaart feitelijk te stremmen; dit ware in strijd zoowel met de woorden als met de bedoeling der wet. Van eigen rigting schijnt hier volstrekt geene sprake te kunnen zijn. Het Rijk heeft voor de scheepvaart een wettig regt op het gebruik van den oever, en , wanneer nu op dat regt inbreuk wordt gemaakt door den oever-eigenaar, wanneer dezen op den oever, voor jaagpaden bestemd, boomen of heggen plaatst op grond van zijn eigendomsregt, dan zou alleen in die handelingen van den eigenaar , maar zeker niet in die van het Rijk, dat eenvoudig van zijn regt gebruik maakt, eene daad van eigen rigting kunnen gezien worden.

Intusschen valt op te merken , dat een spaarzaam gebruik van dit regt, in dien zin, dat alleen worde opgeruimd , hetgeen noodig is I om het gebruik van het jaagpad mogelijk te maken, in de bedoeling j van den wetgever heeft gelegen, waar hij in art. 4 van het Keizerlijk j decreet van 22 Jan. 1808 bepaalt, dat het Bestuur van den water- j staat, wanneer de dienst er niet door lijdt, de breedte van het jaag- i pad kan beperken, bepaaldelijk wanneer reeds vroeger aanwezige j levende heiningen of heggen , muren of kunstwerken of huizen zouden moeten worden opgeruimd.

HOOGE RAAD. — Burgerlijke Hamer»

Zitting van Donderdag, 5 November.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Gepleit in zake:

J. A. Jansen, eischer, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. J. Kappeyne van de Coppello, tegen den burgemeester van Schiedam r. o., verweerder, procureur *Vir. C. J. Fran^is, advokaat jVlr. G. M. van der Linden. Conclusie van het Openb. Min. 10 November.

Zitting van Vrijdag, 6 November.

I. Uitspraak gedaan in zake :

(j. van Meurs c. s., eischers, procureur P. J. van der Burgh , tegen Jhr. W. L. J. von Daehno von Varick c. s.t verweerders , procureur Mr. C. J. Franss. Verworpen.

II. Conclusie door partijen genomen in zake:

[kol.) de Regering van ISederlandsch Indië , als vertegenwoordigende den lande, gevestigd te Batavia, appellante, tegen E. Francis, geïntimeerde, procureur Mr. M. Eyssell. Fleidooijen 15 Januarij.

III. Uitgesteld tot 20 November het nemen van conclusie door partijen in zake :

T. M. C. C. Graaf de Geloes c. s., eischers, procureur Mr. M. Eyssell , tegen den Staat der Nederlanden , gedaagde, procureur Mr. C. J. Franpois.

IV. Gepleit in zake:

E. O. M. N. Gravin d'Outermont de Warfusé, douairière V. J. G. Baron van der Linden d'Hoogvorst, eischer, procureur Mr. P. J. van der Burgh, advokaat Mr. E. H. Karsten , tegen het Bestuur der Registratie en Domeinen, verweerder, procureur Mr. C. J. Francis, Lanusadvokaac tMr. A. de Pinto. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 19 November.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 7 November.

In een open brief aan het collegie van gedeputeerde staten van Drenthe over de zorg en het onderhoud der Hunnebedden, uitgegeven bij van Gorcum en Comp., te Assen, worden door den heer L. OLDtNHUis Gratama , naar aanleiding van hetgeen in den laatsten tijd over dat voor geschiedenis en oudheidkunde zoo belangrijk on derwerp in de vergaderingen van de provinciale staten is verhandeld , o. a. de beide volgende stellingen verdedigd : l». dat de Staat is eigenaar van de Hunnebedden; 2°. dat, in ieder geval, het provinciaal bestuur van Drenthe aangewezen , bevoegd en verplio-t is, in het belang van geschiedenis en oudheidkunde van Drenthe, de Hunnebedden te onderhouden.

— In het antwoord van den minister van Koloniën op het voorloopig verslag der Tweede Kamer van de Staten-Generaal, ten aanzien van de ontwerpen, uitmakende de begrooting van Nederlandsch Indië voor 1869, komt o. a. het volgende voor:

// Onder-afdeeling 7. Het standpunt waaruit de minister de oprigting eener directie van justitie beschouwt, is in de noot naast den betrekkelijker! post aangewezen. Zoo ook de reden , die aan voorbereiding boven dadelijke oprigting de voorkeur deed geven. Deze directie tevens te bestemmen voor de zaken der buitenbezittingen in het algemeen, schijnt niet aan te bevelen. De onzekerheid, die bevreemding wekte, spruit uit de Indische rapporten.

Onder-afdeelingen i0 en 11. Ook zonder den overigens welkomen aandrang zou de verbetering van het gewestelijke regtswezen de hooge belangstelling van den minister getrokken hebben. Zijne algemeene gezindheid daaromtrent is voor de leden, die zijne geschriften plegen aan te halen, geen geheim (Aanteekeningen XII, bl. 2 44). Er ligt nu een bundel over dit gewigtig onderwerp op des ministers tafel, wachtende tot dat de afdoening der begrooting (Indische, Staats-, en West-Indische) hem vergunne zich weder aan zulken arbeid te begeven

//Aangaande de oprigting eener school tot vorming van inlandsche officieren van justitie waren volgens recente mededeelingen de betrokken Indische autoriteiten in overleg getreden//.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

ENGELSCHE LITERATUUR.

I

j The Practice of the Court of Probate , in Common Eorm Business. By h. Ch. Coote, Proctor in Doctors' Commons. Also a Treatise on the Practice of the Court in Contentious Business, by Th. HTristram, Advocate in Doctors' Commons, and of the Inner Temple. 5th Kdit., with great Additions. Bondon, Butterworth.

«The profession will be glad to welcome the publication of this most valuable work. AVhen the monopoly which the proctors and advocates enjoyed in Doctors' Commons was abolished, and the practice in probates and letters of administration was thrown open to the general profession, the uninitiated derived greather benefit and instruction from this book than from any other which published for their guidance. It has become an acknowledged Dfl* cessity in the library of every practioner». Law Magazine.

A Treatise on the Law of Partnership, by J. Dixon, Barr. at LaW' Bondon, id.

»It is with considerable gratification that we find the subject treated by a writer of Mr. Dixon's reputation for learning, accuracy and painstaiking, Mr. Lindley's view of the subject is that of » philosophical lawyer, Mr. Dixon's is exclusively practical fro® begining to end». Law Magazine.

ADVERTENTIEN.

WEEKBLAD VAN HET REGT TE KOOP.

Een Weekhlnd van het Regt 1839 tot en met 1853, ingenaaid; 1854. toten met 1859, 1865, 1866 en le half jaar 1867 in losse bladen.

Ontbreken de nummers 1954 en 2001 (1858).

Aanbiedingen worden franco ingewacht bij den Boekhandelaar E. E. von Munchen , te Haarlem.

Bij de Boekhandelaren GEBR. BELINEANTE, te Gravenhage, ligt ter perse :

DE STAATSWETTEN

MRLAMSMT- ENWESHIIE:

In een bundel met alphabetisch Begister, of ook elke wet afzonderlijk.

inhoud:

I. De Grondwet.

II. Staatsblad n". 129. Wet van 2 September 1854 , houdende vaststelling van het Reglement op het beleid der regering van Ned. Indië.

III. Staatsblad n". 35. Wet van 23 April 1864, tot regeling van de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen•

IVa. Staatsblad n°. 75. Wet van I Mei 1854, tot regeling van het

Muntwezen van JVed. Indië.

IVè. Staatsblad n°. 12. Wet van 20 April 1855, tot regeling van de koperen pasmunt in Ned. Indië.

IVc. Staatsblad n™. 173. Wet van 24 December 1857 , tot verdere regeling van het Muntwezen in Ned. Indië.

IVd. Staatsblad n°. 126. Wet van 22 Junij 1862 , houdende verlenging van den termijn,' omschreven bij art. 3 der wet van 24 December 1857 (Staatblad n». 173) nopens het Indisch Muntwezen.

V. Staatsblad n°. 71. Wet van 10 Junij 1864, tot regeling van het Onderwijs van Rijkswege in Indische taal-, land■ en volkenkunde.

VI. Staatsblad n°. 76. Wet van 3 Julij 1865, houdende vaststelling der Tarieven van in-, uit■ en doorvoer in JVed. Indië.

VII. Staatsblad n°. 55. Wet van 31 Mei 1865, houdende vaststelling van het Reglement op het beleid der regering in de kolonie Suriname.

VIII. Staatsblad n'. 56. Wetvan31 Mei 1865, houdende vaststelling van het Reglement op het beleid der regering in de kolonie turaca0,

IXa. Staatsblad n°. 164. Wet van 8 Augustus 186'2, houdende

opheffing der slavernij in de kolonie Suriname.

IXJ. Staatsblad n». 165. Wet van 8 Augustus 186i , houdende opheffing der Slavernij op de eilanden Curagao, Bonaire, Aruba* St Eustatius, Saba en St. Martin (Ned. Ged. i.

IXc. Staatsblad n°. 83. Wet van 5 Julij 1864, houdende verhoogd der tegemoetkoming van de slaveneigenaren op het eiland St. Marti"'

Bij dezelfden wordt uitgegeven:

METIIOMËKE VERZIHELIXG

van

de wetsbepalingen, de administratieve besli*' singea en de regtspraak omtrent liet

ZEGELREGT

op Drukwerken en Advertentiën en hetgeen verder betrekking heeft op den Boekhandel.

Prijs . . . J 1.35.

SsieJpersdrJiU en Uitgave vüïi

te 'n U.-aveaii»ge.

Sluiten