Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben aangevoerd om aan te toonen: de eischer, dat zijn aanbod allezins voldoende was, en de ged,, dat hem meerdere schadevergoeding toekw am ;

0■, dat het op die bijeenkomst betrekkelijke proces-verbaal, met "et Uitgebragt advies van deskundigen, gedurende veertien dagen op lle griffie ter inzage heeft gelegen, gedurende welken termijn de ged. jHjue bezwaren daartegen, na die aan de wederpartij te hebben beteekend, aan den regter-commissa,ris heeft ingediend.;

dat in de teregtzittiug van den 10 Junij 11., na het rapport van :1, regter-commissaris, door den ged. nog is geconcludeerd, dat hij tot het bewijs zou worden toegelaten van eenige door hem gestelde ieiteii, met verzoek, dat de Regtbank andere deskundigen zal benoemen en onder opmerking, dat de eischer slechts heelt aangeboden f 290, zpnder aanbod van op eigen kosten te zullen doen liggen een afvoer"<-<01; persisterende bij zijne conclusie van antwoord;

In regten:

. dat de vordering tot onteigening geene tegenspraak ontmoet hebbende en al de daartoe gevorderde formaliteiten behoorlijk in acht genomen zijnde, 's regters onderzoek zich alleen kan bepalen tot de vaststelling van het bedrag der toe te kennen schadeloosstelling;

te dien aanzien, dal de deskundigen in hun advies verklaren geleid te zijn door de navolgende beschouwingen en overwegingen:

!"■ dat het onteigend wordend gedeelte sloot over de halve breedte steeds heeft gediend tot ontvangst en afvoer van foeeale en andere stoften, waardoor het water van die sloot een onaangenamer! reuk verspreidt en dus van geene waarde is te achten dan alleen als middel Van eenige meerdere beveiliging;

2°. dat het te onteigenen erf of achterland als teel- of tuingrond geene voordeelen afwerpt; ....

3°. dat door het dempen van de perceelen sloot eenige wijzigingen in de vloeren, steenen voet der vertrekken enz. zullen vereischt Worden, waarvoor schadeloosstelling moet worden toegekend;

4-i. dat de naast aangelegen erven, waarachter de sloot reeds geknipt is, geen overlast van regen- of dakwater te lijden hebben, zoodat de deskundigen van meening waren, dat het onderwerpelijk ei"f insgelijks geene nadeelen door demping zal ondergaan ;

5". dat de ter wederzijden in de reeds gedamde sloot gelegd 2'jnde houten duikers of riool tot heden voldoende aan zijne bestemming heeft beantwoord en bij voldoend onderhoud geacht moet worden daaraan te zullen blijven beantwoorden;

0., dat de deskundigen op deze gronden van meening waren, dat °an den ged. als schadeloosstelling voor de te onteigene perceelen , henevens voor te doene verrigtingen, als een gevolg vau de demping, aan de niet onteigend wordende panden behoorde toegekend te

Worden •

voor de te onteigenen halve sloot, ten bedrage van 48 ellen,

! 1 per el, dus • • ■ • ' ' ' ' ' .' J

voor het erf- of achterland, groot 16 ellen, ad/3 de el, is - 48 voor verrigtingen aan de bestaande steenen voeten, regenbak of ton, het rijzen van vloeren, het maken van riolen enz. . - 153

terwijl de deskundigen bovendien, voor het geval, dat in de te dempen sloot van wege den eischer qq. geen duiker werd gelegd, van oordeel waren, dat alsdan nog benoodigd zou zijn Voor het maken van riolen en meerdere middelen van waterafvoer, eene som van " ^

0., dat het ten gedinge vaststaat, dat de te onteigenen halve sloot dient tot het ontvangen van foeeale en andere stoffen , die daarin worden afgevoerd van de niet onteigend wordende goederen des ged.; terwijl verder, op grond van de bevinding der deskundigen , mag worden aangenomen, dat het water van die sloot een onaangenamen reuk verspreidt en van geen waarde is te achten;

0., dat voor de onteigening van die 48 ellen halve sloot in den toestand , waarin zij zich bevindt, en afgescheiden beschouwd van de niet onteigende goederen, eene som van f 48 , dat is J 1 per el , eene allezins voldoende schadeloosstelling is te achten , die aan den ged wordt toegekend;

O dat het mede buiten geschil is , dat het te onteigenen erf of achtêrlandie in zijn geheel groot 16 ellen, als teel- of tuingrond, geene voordeelen oplevert, uit aanmerking waarvan, volgens de deskundigen voor de onteigening van dit perceel op zich zelf genomen , eene schadeloosstelling behoort toegekend te worden vau J 48, met welk advies de Regtbank zich vereemgt;

0., dat verder behoort te worden gelet op de mindere waarde, die voor de niet onteigende perceelen het noodzakelijk gevolg is van de onteigening der sloot en van het achterlandje; ■

0., dat daarbij in aanmerking komt het gebruik, waarvoor de sloot dient, zoo als hierboven is gezegd, alsmede dat op het achterlandje een regenton staat, waarin, de dakgaten uitloopen, en dat ook overtollig hemelwater uit den tuin in de sloot loopt;

0, dat bij de schadeloosstelling, te dier zake te bepalen, met, zoo als de deskundigen hebben gedaan , in aanmerking mogen genomen Worden de gevolgen der demping van de sloot, omdat die demping een gevolg zal zijn, niet van de onteigening, maar van de uitvoering van het werk ter zake waarvan de onteigening gevorderd wordt en ar voor, volgens de wet, geene schadeloosstelling mag worden toegekend ; .

dat het ook geen punt van 's regters onderzoek kan uitmaken of de duiker of het riool, waarvan de deskundigen m liun rappoit 'helding maken al of niet aan zijne bestemming beantwoordt, daar 'och die vraag, of de eischer qq. bij de verbreeding van den weg in de onteigende te dempen sloot een riool zal liggen en van welke afmetingen dit zijn zal, almede de uitvoering van het werk betreft, dle op de schadeloosstelling van geen invloed kan zijn;

f; dat de schade, die ten gevolge der onteigening door den ged. zal geleden worden, bestaat in de kosten, benoodigd om eene nieuwe of veranderde inrigting te maken tot afvoer en ontvangst van foeeale stoffen enz., alsmede tot berging en afvoer van regenwater uit de dakgaten, alsmede dat welligt voor afwatering van den tuingrond zal boeten gezorgd worden ;

dat de deskundigen, die eene som van J 283 als schadeloosstelling voor een en ander voldoende achten, echter ten onregte m 'lunne berekening hebben acht geslagen op verrigtingen aan de bestaande steenen voeten der gebouwen en liet rijzen der vloeren, daar toch, indien schadeloosstelling wordt toegekend voor behoorlijken afvoer van water uit den tuin, eene verhooging van vloeren, als gevolg eener onvoldoende afwatering, niet noodig kan zijn en eene versterking Van iie steenen voeten geen noodzakelijk gevoig van de onteigening kan zijn en buiten aanmerking moet blijven , voor zooverre de deskiindigen haar noodzakelijk hebben geacht ten gevolge der demping Van ae 8ioot 0p|10oging van den weg;

(J- nog, dat, naar het oordeel der deskundigen, waarmede de liegtoank Zich vereenigt, de middelen tot water-afvoer uit den tuin, indien Z(! al noodig zulien zijn, slechts zeer geringe uitgaven ten gevolge Zu"en hebben , en evenzeer dat de sloot als middel van beveiliging Voor de niet onteigende goederen slechts vai: weinig beteekenis is ;

dat, met het oog op een en ander, eene som van ƒ 190 voor de mindere waarde, die voor het niet onteigende het noodzakelijk gevolg van de onteigening is, door de Kegtbank als eene allezins Voldoende schadeloosstelling wordt aangenomen en toegekend; , <J; dat die som, gevoegd bij de hierboven reeds toegestane schadeloosstelling voor de"sloot en het achterlaiidje, uitmaakt het aanbod Van den eischer qq.;

0-) dat dit aanbod derhalve voldoende is;

0., dat de conclusie tot getuigenbewijs , in den stand van het geding, waarin zij is genomen , volgens de wet op de onteigening, voor geene toewijzing vatbaar is , en daarenboven feiten betreft , die, op grond van het hierboven overwogene., noch ter zake dienende noch afdoende zijn te achten;

Gezien artt. 37, 40, 41, 50 en 54 der wet van den 29 Aug. 1851 {Stbl. n'. 125);

Passerende het aangeboden bewijs door getuigen,

Spreekt uit de onteigening en den eigendoms-overgang op de gemeente Schiedam van de navolgende perceelen en wel:

1°. 21 el halve sloot van het op den kadastralen legger der gemeente Schiedam, vroeger Oud- en Nieuw-Mathenesse , voorkomend perceel n". 5 76, voor het geheel groot 12 roeden, 90 ellen;

2°. 27 el, insgelijks halve sloot, van het op dien legger vermelde perceel n°. 536 , voor het geheel groot 1 roede, 25 el, en

3>. het erf of achterland, ter grootte van 16 el, van hetzelfde laatstvermelde perceel;

Bepaalt de som, die door den eischer qq., als onteigenende partij, tot schadeloosstelling daarvoor aan den ged. zal moeten worden uitbetaald, op f 290;

Veroordeelt den ged. in de kosten van het regtsgeding , ook die, welke bij vroeger vonnis zyn gereserveerd;

Wijst aan de Schiedamsche Courant, als het dagblad, waarin dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst.

(Gepleit voor de gemeente Schiedam Mr. K. A. Poortman, en voor de onteigende partij Mr. W. H. Jansbn.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE BREDA, ■lurgerlijlie bannier.

Zitting van den 8 September 1868.

Voorzitter, Mr. J. J. Loke.

Onteigening. — Art. 50 en 22 dek wet op de ontisioening ten

algemeenkn nutte. aanbod. aannkm1ng van hetzelve

a limine litis. — VeROOROEELING van de eischi-rs in de kosten.

De Regtbank enz.,

Gehoord partijen , benevens den heer officier van justitie in zijne verklaring, dat hij zich aan het oordeel der Regtbank refereert;

Overwegende, dat de eischer , optredende voor den Staat, den ged, bij exploit van den 1 Julij 1868 , tegen den 1 Sept. daaraanvolgende voor deze Regtbank heeft doen dagvaarden om de onteigening te hooren uitspreken van 1 bunder, 73 roeden, 66 ellen weiland, onder de gemeente Hooge en Lage Zwaluwe , uitmakende een gedeelte van de perceelen, aldaar bij het kadaster bekend sectie A, n'». 151 en 15U , daartoe bij voormeld Kon. besluit aangewezen, alsmede om het bedrag der schadeloosstelling, daarvoor aan den ged. te betalen , te hooren vaststellen ; terwijl bij hetzelfde exploit te dier zake is aangeboden eene som van f 7590, daaronder begrepen een bedrag van f 90 voor den tiendhelfèr, alsmede het daarstellen en onderhouden van zekere werken, ten gerieve van de niet te onteigenen gedeelten van evengenoemde perceelen ;

dat voorts van wege den eischer aanvankelijk is geconcludeerd, dat, om tot de bepaling der even bedoelde schadeloosstelling te geraken , een onderzoek door deskundigen zon worden bevolen; doch dat de ged., onmiddellijk na het voordragen dezer conclusie, heeft doen verklaren , dat hij bereid is het hiervoor genoemd weiland, tegen den aangeboden prijs, en mits de bij dagvaarding omschreven werken worden tot stand gebragt, aan den Staat af te staan , en, meenende hiermede te kunnen volstaan, heeft beweerd, dat de eischer in Üe gerezen kosten zal moeten worden veroordeeld; terwijl deze, van zijnen kant, acte verzoekende van die verklaring, nader heeft gesustineerd, dat de onteigening, ten gevolge daarvan, zonder nader onderzoek , kan en moet worden uitgesproken , doch dat de kosten voor rekening van den ged. zullen behooren te blijven:

dat er inderdaad in de gegeven omstandigheden , dat is nadat de noodzakelijkheid der onteigening door de bevoegde magt is uitgemaakt , en nadat de ged. zulks erkennende, met de hem aangebodene schadeloosstelling genoegen heeft genomen, tot eene voortzetting vau het geding, dat hoofdzakelijk ten doel heeft tot eene bepaling dier schadeloosstelling te geraken, geene aanleiding kan bestaan, maar alleen overblijft te beslissen , door welke der partijen de gerezene kosten zullen moeten worden gedragen ;

dat ten dien aanzien in aanmerking komt, dat bij art. 50 der wet op de onteigening ten algemeenen nutte niet is voorzien in het geval ten deze in quaestie, maar dat bij art. 22 derzelfde wet, op straffe van nietigheid is voorgeschreven, dat de dagvaarding moet vermelden de som, welke de onteigenende partij bereid is als schadeloosstelling te betalen ; en dat zoodanig voorschrift zonder doel zoude wezen , indien het niet medebragt de bevoegdheid van dengene , die onteigend wordt om dat aanbod a limine litis te accepteren, en zich langs dien weg voor contestatiën en kosten te vrijwaren;

dat de eischer zich, ter verdediging zijner stelling, bij pleidooi inzonderheid heeft beroepen op de omstandigheid, dat hij bij dagvaarding den ged. heeft doen aanzeggen , dat hij bereid was de kosten van dat exploit voor zijne rekening te nemen , indien hij ged. binnen tien dagen aan het door hem gekozen domicilie deed verklaren , dat hij zich met het gedaan aanbod tevreden stelde; doch dat het de eene partij niet vrijstaat de regten der andere door zoodanige aanzegging te beperken;

dat in jure als regel geldt, dat er eerst bij de verschijning voor den regter tusschen partijen een zoogenaamd judicieel contract wordt geboren , met andere woorden , dat de eischer tot zoo lang zijne vordering kan wijzigen of intrekken , de ged. zich omtrent de houding, die hij zal aannemen , niet behoeft te verklaren ; en dat speciaal aan dien regel niet willekeurig kan worden gederogeerd; terwijl al verder daaruit volgen moet, dat de ged., tenzij hij zich in gebreke mogt bevinden, op deu aangewezen regtsdag verschijnende en alsdan verklarende , dat hij bereid is aan al wat van hem gevorderd wor.lt te voldoen, voor geene kosten ook van dagvaarding aansprakelijk kan worden gesteld;

dat eigenlijk het geding tot onteigening niet strekt om eene vooraf bestaande, hetzij contractuele, hetzij wettelijke verbindtenis te doen naleven , maar uitsluitend om te onderzoeken , of het bevel tot onteigening door het competent gezag, en met inachtneming van de vereischte "vormen , is uitgesproken, alsmede om in dat geval het bedrag der schadeloosstelling te bepalen; dat er mitsdien in zoodanig geding van eene mora bezwaarlijk sprake kan zijn; en dat de eischer in de kosten zal moeten worden verwezen ;

Verleent acte aan partijen van hare respectieve verklaringen enz.; Verklaart ten behoeve van den Staat onteigend enz.;

Verklaart, dat de eischer voor 't overige met het evengemeld aanbod en de praestatie van dien kan volstaan, en veroordeelt den Staat tot die praestatie;

Beveelt enz.;

Verwijst den eischer in de kosten, op dit geding gerezen.

(Gepleit Mr. A. J. KortkweguH 's Hertogenbosch, voor den eischer, en Mr. r. J. van Mierlo voor den gedaagde.)

KANTONGEB EGTEN.

KANTONGEREGT TE 'S GRAVENHAGE.

Zitting van den 16 November 1868.

Kantonregter, Mr. J. B. L. Wkntiiolt.

Aan een advokaat, die vroeger in een geding als zoodanig heeft geoccupeerd, doch later door een ander wordt vervangen , regtens als getuige worden gewraakt, ook dan, wanneer zijne declaratie van het in die zaak gementeerde nog niet is voldaan/ — Neen.

Kan het worden toegegeven, dat het winnen van een proces op zich zelf de praktijk van den met het geding belasten advokaat doet. vermeerderen ? — Neen.

E. ten Brink , tegen F. A. de liaan.

De kantonregter enz.,

Overwegende, dat bij vonnis van ons kantonregter van den 23 Oct. 11. de eischer in de tusschen partijen voor ons kantonregter aanhangige regtszaak is toegelaten om door alle middelen regtens en speciaal door getuigen het bewijs te leveren van het bij dat vonnis nader aangednide feit;

O., dat in de voor die bewijsmiddelen bepaalde teregtzitting van lieden partijen zijn verschenen, en wel de heer Mr. M. Eysskll procureur te 's Gravenhage, als gemagtigde van den eischer blijkens acte, behoorlijk geregistreerd, en de heer B. Léon , deurwaarder te 's Gravenhage, als gemagtigde van den ged., blijkens acte, behoorlijk geregistreerd; J

0., dat namens den eischer als getuige is opgetreden de heer Mr A. W. J. te 's Gravenhage, die, verschenen zijnde, heeft opgeven genaamd te zijn Mr. A. W. advokaat, oud zes-en-dertig laren en wonende te 's Gravenhage, en die, na verklaard te hebben aan o-eene der partijen in den bloede of door aanhu wel ijking te bestaan, 'noch loon- of huisbediende van een derzelve te zijn , den eed heeft afgelegd , dat hij de geheele waarheid en niets dan de waarheid zoude zeggen ;

6., dat de ged. daarop heeft verklaard den heer J. als cetuige te wraken, en wel op grond, dat, hoezeer thans de heer Eylsell voor den eischer optrad , hij getuige was diens advokaat en dus een ziidelingsch belang had bij dit geding;

0., dat, volgens den ged., het zijdelingsche belang van dien «-etuio-e bij dit geding iiierin bestond, dat een jong advokaat belang heeft bii het winnen van een proces; dat in het algemeen het winnen van een proces de clientèle bevordert, en de advokaat meer in rekening kan brengen, wanneer hij een proces wint, dan wanneer hij het verliest ■ 0., dat de eischer heel't ontkend, dat de getuige J. thans nog was zijn advokaat, en de ged. in gebreke was gebleven eenig bewijs te leveren, dat die getuige eenig belang had bij dit geding; °

O., dat de getuige, over de redenen der wraking ondervraagd, heeft

verklaard thans geen advokaat van den eischer meer te zijn en geen belang bij dit proces te hebben, terwijl hij, des gevraagd, ten verzoeke van den ged., verklaarde, dat zijne declaratie ten laste van den eischer

nog niet was betaald;

0. wat. de aangevoerde redenen van wraking betreft, dat advokaten als zoodanig niet worden opgenoemd onder de personen die gewraakt kunnen worden;

U., dat dus moet worden onderzocht, of de getuige heeft een zijdelingsch belang bij dit geding, het bestaan van hoedanio- beian<>- een geldige reden van wraking oplevert ;

0., dat de ged. beweert, dat een jong advokaat belang heeft bii het winnen van een proces; J

0., dat de getuige echter heeft verklaard, dat hij thans geen advokaat meer is van den eischer, en deze, blijkens bovengenoemde op 4 Nov. 11. geregistreerde acte van volmagt op den heer Eyssell de procuratie op den heer Mr. A. W. •). heeft ingetrokken;

O., dat dus, zoo de getuige al mogt geacht worden vroeger eeniobelang bij dit geding gehad te hebben, dat belang zeer zeker thans° nu hij geen advokaat van den eischer meer is , niet meer bestaat •

0., dat de ged. voorts is in gebreke gebleven het bewijs te leveren , dat de getuige is^eeii jong advokaat, en zulks met het oog op den leeftijd van dien getuige valt te betwijfelen;

0. voorts, dat, zoo de wetgever dergelijke wensch om een proces te winnen, als geldige reden van wraking had willen doen geiden hij zeker vergund zou hebben alle advokaten als getuigen te wraken • O., dat ged. ook geen aanneinelijken grond heeft aangevoerd voor zijne bewering, dat het winnen van het onderwerpelijke proces genoemden getuige een grootere clientèle zou bezorgen; kunnende het toch niet worden toegegeven, dat het winnen van een proces op zich zelf de praktijk vau den met het gedierg belasten advokaat doen vermeerderen;

O., dat de ged. eveneens in gebreke is gebleven het bewijs te leveren , dat de uitslag van het proces van invloed kan zijn op de hoegrootheid van des getuigen declaratie;

0., dat dus niet is gebleken, dat de getuige ,1. heeft een zijdelingsch belang bij het tusschen partijen aanhangige regtsgeding ■ O., dat de gedane wraking alzoo niet geldig kan worden verklaard • Gezien artt. 56 en 108 B. R., art. 1950 B. W.;

liegt doende op de voorgestelde wraking,

Verklaart de wraking niet geldig;

Beveelt, dat tot het verhoor van den getuige J. zal worden overgegaan ;

Veroordeelt den ged. in de kosten van dit incident.

MENGELWERK.

Wat is een kennelijke staat van dronkenschap, of kennelijk beschonken toestand f

(Ingezonden.)

Onder de polisie-overtredingen van den nieuweren tijd komt in vele politie verordeningen, tegenwoordig voor; het zich in het openbaar vertoonen m kennelijken staat van dronkenschap of kennelijk beschonken toestand.

Over het meer of min doelmatige van dergelijk verbod spreek ik thans met—genoeg dat vele kantonregters in sommige rechtbanken (in appel) geroepen zijn uit te maken , wanneer zodanige staat of toestand aanwezig is of niet.

Dat de gevoelens , bij de zoo verschillende graden en kenteekenen van dronkenschap , hemelsbreed kunnen verschillen en de een dronken noemen zal, wat de ander misschien broodnuchter zal verklaren , wie zou er aan twijfelen? maar daaruit blijkt, hoe moeijelijk het is, in deze juist te onderscheiden.

Dat noch het verwekken van straatgerucht, noch straatschenderij noch het schelden, razen en tieren tegen anderen (hoezeer dikwijls uit dronkenschap ontstaande en daarmede gepaaid gaandei vaste kenteekenen der overtreding kunnen zijn , begrijpt ieder. Bovendien zijn

Sluiten