Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet kan strekken tot opvoeding, voortvloeit dat het kind goed aan de moeder, met aan den vader kan worden toevertrouwd;

rn ln«denteele, eischer in zijn incidenteelen eisch nietontvankelijk moet worden verklaard ;

O- wat de hoofdzaak betreft: lani^iv.'6 rï j ^oeptie van nietigheid van- dagvaarding eerst

de wfT- heeft voorgesteld en de exceptie alzoo krachtens

u<3 wet is vervallen ;

ve^hi^^ °f 1?itndei wettelljke bepaling volgt, dat bij zuini vi f f Iv' 6Ü -r> dagvaarding, op grond van het verden niSi, n aiï' i ' voorgeschrevene, slechte kam worambtehlg verklaard, aJs ged. die nietigheid inroept) hier van zto t g V6rkiarlnS Jf1 de dagvaarding geen sprake kan

Hik'meroSichtrTvZ1 gr°n,dde °P °VerSPel Sturende: het huwelijk met ged., welke grond haar eisch' rechtvaardigt "en ook al

gebleken, dat er verzoening van het overspel dat eestelri was, had plaats gehad, de daeva'irdWirr ^ ± , , ' , . & , . dendie feiten niet nietig kon worden, vefklaLd • ^ mg

weer'vooirfraaet bericht'1 ^ ®JltlWoard twee middelen van verdat liii omtrent "het egen de ontvankelijkheid dei- vordering; dit bewiisaanbod mort™te ™ld(M getuigenbewijs aanbiedt, maar worp7n ;J 61 W°rden ^P^eerd en dit middel ver-

zenad™rait1Sill°0k ^ aJ' Wat S613' hieromtrent stelt, bewesed óTZt Z°U V°lSen dat d0l0r toedom van eischeres, de

schiïnen P 0epm£ ,om Toor den president dezer Rechtbank teverbevrediging te beproeven, niet zou hebben ont1 + ^ l daardoor met op oie, comparitie is versohenen; dat de wetgever het verlof tot dagvaarding bij echtscheiding Met g e 1 y k bij scheiding van, goederen afhankelijk \ai1 nlet vereemgmg bij verschijning of als de man niet verschijnt, van z ij ii e b e b. o. o r 1 ij. k e oi p r o e p i n g, maar alleeni van- het al of niet slagen van pogingen tot verzoening, welke ook wanneer de ged. niet verschijnt moeten geschieden;

dat uit het door toedoen van eischeres' niet verschijnen van den &ed.. niet volcrt dp> ver7n,PTvino- var. rrJ ~ 1 1

- ' o — & en aizoo

aast het verlof tot dagvaarding zou zijn achterwege gebleven als ae ged. was verschenen ; dat alzoo niet door gedaagdes stellingen wj bewijs zou volgen, dat het persidiaal verlof is verkregen or bedrog of arglist van eischeres, daargelaten, dat de conclusie van ged., niet strekkende tot nietiging of nietigverklaring van, de presidiale beschikking, waarbij dit verlof is verleend, die beschikking zou laten bestaan;

dat het tweede middel van niet-ontvankelijkheid evenmin kan opgaan;

dat immers waar de eischeres stelt, dat ged. herhaaldelijk overspel pleegde tijdens het huwelijk zij feitelijke gronden opgaf, die tot het gevraagde gevolg konden leiden;

dat dè eischeres ook nadat zij tengevolge van gedaagdes stellingen erkende, dat er eene verzoening in Oct. 1896 had plaats gehad, geheel in overeenstemming met den eisch nader verduidelijkte, dat het door haar geposeerde overspel plaats had tusschen -Nov. 1895 en het mtroductieve request (5 Maart 1899), terwijl kenilereeilS ^ ant,WOOTd en °lt>lc in de verdere dingtalen dit ont-

dat mitsdien ook uit de verdere dingtalen niet is gebleken dat de erkentenis van eischeres omtrent de verzoening aan de ontvankelijkheid van dte vordering in den weg staat;

dat alzoo de feitelijke grondslag van dit middel ontbreekt; dat de eischeres na ontkentenis van den ged., dat hil overspel pleegde na verzoening de feiten die zij stelde, behalve het huwelijk tussctem partijen op den 4 Juni 1890, hetwelk door het overgelegd extract van den Burgerlijken Stand der gemeente 'sGravenhage is Bewezen zal moeten bewijzen gelijk is bewezen, gelijk zij aanbiedt Jor getuigen te doen, terwijl aan ged1. als tegenbewijs van rechts"wege vrijstaat het be wijs tei leveren, dat hij met eischeres na dit overspel, zoo het bewezen wordt, is verzoend:;

dat hetgeen de eischeres te bewijzen aanbiedt nl. : dat de ged. tusschen Nov. 1896 en den 5 Maart 1899 overspel heeft gepleegd, is ter zake dienende en afdoende en beiwijs door getuigen ten deze is toegelaten;

dat de Rechtbank in het door eischeres gemelde termen vindt om van hare bevoegdheid, haar bij art. 337 al. 2 B. B. geseven gebruik te maken; 6 6

Rechtdoende op het incident:

Verklaart den incidenteel eischer niet-ontvankelijk in zijne inciaenteele vordering;

Veroordeelt hem in de kosten vani het incident, aan zijdei van de

—ve. weeroeres Degroot tot cüt vonnis op de som-van f 30 • Omtrent de hoofdzaak: '

d^Hlet ™S6Stelde 6xcePtie van nietigheid van de dagvaar-

nieT^te wMare;fe6n de gaarding ambtshalve

Verklaart dei eischeres ontvankelijk in hare vordering •

Laat, alvorens bij eindvonnis te beslissen, de eischeres toe om door getuigen te bewijzen de hiervoren geformuleerde daadzaak • Bepaalt dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden * ter terechtzitting van de Rechtbank van den 31 Jan. 1900 ten lli uur voormiddag;

Verklaart, dat heit hooger beroep van dit interlocutoir vonnis niet dan tegelijkertijd met dat van het- eindvonnis zal kunnen Worden ingesteld ;

Reserveert de uitspraak omtrent de kosten tot het eindvonnis.

ARRONDISSEMENTS-RE CHTBANK TE ZIERIKZEE. Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 13 Juni 1899.

Voorzitter, Mr. J. P. Cau.

^iïrs', v ?r' ^de Jonge van Ellemeet en lr- J. W. D. Schtjurbeqtte BOeije.

Vordering van een gewezen minderjarige tegen zijn toezienden voogd tot schadevergoeding, op grond dat hij zijne meerderjarigheid zijn voogd niet bij machte was een oor hem voor den minderjarige ontvangen erfdeel uit te keeren.

Ontzegging dier vordering op grond dat de schade, die de 'minderjarige daardoor heeft geleden, niet een gevolg van de nalatigheid van zijn toezienden voogd.

jj''' broodbakker, wonende te Zierikzee, eischer, procureur Mr.

~ • van dek. Vliet,

j tegen

''' landbouwer, wonende te Zierikzee, gedaagde, pro-

«toeur Mr^ j_ F_ p0KKER. P

De Rechtbank emz. ;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Wat de feiten betreft:

Overwegende dat blijkens de tusschen partijen gewisselde conclusiën als vaststaande mag worden aangenomen:

dat op 13 Dec. 1892 is overleden C. den B., weduwe van J. H., wonende te Duivendijke,, van wie de eischer, welke destijds minderjarig was en onder de voogdij van zijn vader M. V., toen landbouwer te Kerkwerve, stond, een der erfgenamen was;

dat op 29 Dec. d.a.v. de ged., die gehuwd was met een zuster van den eischer, door den kantonrechter te Zierikzee als toeziende voogd over den eischer is benoemd en beëedigd;

dat in Februari 1894, toen eischer nog minderjarig was, de nalatenschap van, genoemde erflaatster bij ondterhandsche akte tusschen de erfgenamen is gescheiden en verdeeld, waarbij de ged. als toeziende voogd van den eischer partij is geweest;

dat bij die scheiding door notaris B., die de onroerende goederen der nalatenschap verkocht en de kooppenningen onder zich had, liet aandeel van eischer in die nalatenschap ten bedrage van f 1186.30, aan diens voogd heeft uitgekeerd, maar daarvan heeft afgehouden gelden, die hij zelf en notaris F. van dien voogd zeiven te goed hadden, zoodat de voogd bij slot van rekening zoo goed als niets ontving;

dat op 25 Aug. 1897 de ged. op raad van genoemden notaris B. gezorgd heeft, dat de voogd ten behoeve van den eischer eene tweede hypotheek ten bedrage van f 1200 gaf op zijne vaste goederen, waarop reeds eene eerste hypotheek stond;

dat, toen op 3 Nov. 1897 de eischer doorzijn huwelijk meerderjarig was geworden, zijn voogd onmachtig was en thans nog is iet hem toekomende saldo der rekening en verantwoording uit te keeren;

O. dat thans de eischer op de hierna te vermelden gronden van den ged. vordert vergoeding der schade, die hij door de nalatigheid van dezen als toezienden voog zou hebben geleden, ^ e. V01'(ïering door den ged. als niet-ontvankelijk en ongegrond

Wat het recht betreft:

O. dat de vordering van den eischer in de eerste plaats hierop berust, d'at de ged. als toeziende voogd heeft medegewerkt tot de bovenbedoelde onderhandsche scheiding en niet heeft gezorgd, dat deze volgens de wet bij notarieele akte in tegenwoordigheid en onder goedkeuring van den kantonrechter werd verleden; T> ?at verzuim van den ged. evenwel naar het oordeel der Rechtbank hier buiten beschouwing: kan blijven, omdat tusschen partijen vaststaat dat liet erfdeel van den eischer werkelijk aan zijn voogd is uitgekeerd en de eischer niet beweert dat zijn erfcleel grooter was dan het aan zijn voogd uitgekeerde bedrag, zooclat het m dit geding niet ter zake doet, of dat erfdeel al dan niet met inachtneming der wettelijke formaliteiten was vastgesteld ;

0. dat de tweede grief van den eischer hierin bestaat, dat de ged. met heeft gezorgd, dat zijn voogd bedoeld erfdeel belegde op de wijze, voorgeschreven bij art. 449, lid 2, B. W. ;

O. hieromtrent, dat de owl volo-pn» nrf. aqq tj w

' O ' —-TUyJ AJ. H . 11ICU UC"

voegd was van, den vader-voogd rekening en verantwoording te vorderen en zich de effecten en bescheiden, toebehoorende °aan den eischer, te doen vertoonen, en dus niet in staat was zich te vergewissen, of het erfdeel van den eischer door zijn voogd overeenkomstig de wet was belegd ;

dat nu wel de ged. heeft erkend, -geruimen tijd-nadat de voogd het erfdeel van den eischnr harl

uuuucn vciiiiwiicu

dat deze dit ten eigen bate had aangewend, maar dat tevens vaststaat, dat hij toen, of althans spoedig daarna, ten behoeve van den eischer eene tweede hypotheek op de reeds bezwaarde goederen van diens voogd heeft genomen en daardoor, voor zoover zulks nog mogelijk was, dezen voor schade heeft gevrijwaard, terwijl de eischer niet beweerd, veel minder bewezen heeft, dat zijn voogd tijdens of onmiddellijk na de ontvangst van het erfdeel meerdere onroerende goederen had dan bij het nemen der bedoelde hypotheek, noch ook dat die goederen destijds niet of minder bezwaard waren;

dat derhalve de ged. niet aansprakelijk kan gesteld worden voor de schade, welke de eischer heeft geleden door het verzuim van zijn vader en voogd, om. bedoelde gelden, overeenkomstig de wet te beleggen;

O. dat de eischer ten slotte heeft beweerd, dat de bovenvermelde handelingen van zijn voogd opleverden ,,onbekwaamheid

#>n nnirniiw in nm r,-^ -i _ . j:,-» -i ï _ -i , . .

— ^ w cucnuer vooguij en ae geu. ais toe-

ziende voogd nalatig is gebleven ingevolge art. 430, lid 2, in verband met art. 437, n°. 3, B. W., de afzetting van zijn voogd te eischen, waardoor hij de door den eischer geledene schade liad kunnen voorkomen;

O. te dien aanzien, dat — ook al neemt men aan dat de onwettige scheiding van bedoelde nalatenschap en het niet overeenkomstig de wet beleggen van eiscliers erfdeel door zijn voogd, grond voor diens afzetting opleverden — de ged. die afzetting toch

eerst 1 lri.d 1mnr»PTï "XTnrrl oren rui/lol A1. 1-, <1 rvlin rron /] /-^V. ,1av%

.... r , iiumoh; U.C IlcflJ-U.tiliXigv.il. U.V_»U1 UCU V

waren gepleegd, alzoo nadat de scheiding liadi plaats gehad, en, nu vaststaat dat de voogd bij gelegenheid van of onmiddellijk na die scheiding, zich de gelden van den eischer heeft toegeëigend, zoodanige vordering die toeëigening niet had kunnen voor'omen en dus den eischer niet voor de geleden schade had kunnen vrijwaren ;

O. dat derhalve de eischer niet heeft bewezen, dat de ged. oor nalatigheid hem schade heeft veroorzaakt, weshalve zijne V°0 6 jln® 'ol vergoeding dier schade hem moet worden ontzegd; . dat de Rechtbank wegens de aanverwantschap van partijen evoegd is en in de omstandigheden van het geding aanleiding vhk t om de proceskosten te compenseeren :

Rechtdoende:

Verleent aan den eischer akte van zijn bij conclusie van repliek subsidiair gedaan bewijsaanbod;

Ontzegt aan den eischer zijne vordering;

Compenseert de proceskosten in dier voege, dat elke partij hare eigene kosten zal dragen.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE UTRECHT. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 13 December 1899.

Voorzitter, Mr. F. A. R. A. Baron van Ittebstjm.

Rechters, Mrs.: R. Melvil Baron van Lijnden en R. D. Baart de la Faille.

Is gedaagde als vervoerster, na de afgifte der goederen en het beschikbaar stellen van den wagen ter lossing aan

N°. 7373.

de losplaats, van elke aansprakelijkheid ontheven? — Neen.

Moet echter niet, indien de schade is ontstaan uit het gevaar verbonden aan het lossen, de schuld der gedaagde worden bewezen?

Heeft de eischeres het bewijs daarvan geleverd f — Neen.

Kon. Ned. Papierfabriek, procureur Mr. D. A. P. N. Koolen advocaat. Mr. Savelbebg,

tegen

Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, procureur Mr A. A. Pit, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw.

De Rechtbank;

Gezien die dagvaarding en de overige stukken van het geding; Gehoord de door partijen genomen conclusiën;

Gehoord de pleidooien;

In facto:

Overwegende dat de eischeres stelt: dat de heer Neizert te Antwerpen aan haar heeft verkocht een wagon citerne gasolie, netto gewicht 12000 KG. leverbaar te Maastricht-, voor den prijs van frs. 9.75 de 100 kilo, uitmakende te samen i't-s. 1170- rls.t.

wagon door hem aan de eischeres afgezonden, den 19' April 1898, van uit Duit-schland over de spoiorweglijnen door ged. geëxploiteerd, via Yenlo tei Maastricht is aangekomen; dat vervolgens, nadat edsoheres den vrachtbrief had' ontvangen, den vrachtprijs betaald en de kennisgeving van aankomst had geteekend, de wagon, door ged. op haia-r terrein ter lossing aan de eischeres beschikbaar werd gesteld tot op het sluitingsuur van dat terrein, zijnde 7 uur 's avonds ;

d-''t dei eischeres nog denzelfden dag een begin heeft gemaakt met het aftappen van voormelde gasolie in vaten, welke zij daarna naar hare1 fabriek heeft vervoerd, doch het niet verder heeft kunnen brengen dan tot 40 vaten met een netto inhoud: va-n 6343 KG., zoodat er 5657 kilo s in den wagon bleven; dat de werkieden, der eischeres op het sluitingsuur, ingevolge het reglement der gedaagde Maatschappij1, het terrein hebben moeten verlaten, doch alvorens zich te verwijderen den wagon, citerne hebben afgestoten, niet alleen van buiten, maar ook van binnen, zoodat het niet mogelijk was hem te openen, zonder boven op den wag'on te klimmen , een zwaren deksel weg te schuiven en daarenboven inwendig een. kraan open te draaien; dat tusschen het sluitingsuur en het tijdstip, dat het terrein wederom voor dè werklieden der eischeres werd opengesteld', de wagon geheel ledig is- geloopen of ledig is gemaakt, zoodiat, toen de werklieden der eischeres onmiddellijk na het openen van het terrein kwamen, om de lossing voort te zetten, zij den wagon ledig vonden; dat ged. verplicht was die goederen, gedurende de uren waarin zij, zijn verloren, te' bewaken en te bewaren en voor het behoud daarvan zorg' te dragen,; dat ook buiten het vervoer-contract ged. verplicht is om aan de eischeres de dbor haar geledene schade te vergoeden, als zijnde die schade door nalatigheid en onvoorzichtigheid aan zijde van ged., en door haar verzuim van voldoende bewaking of bewaring veroorzaakt ; dat de door eischeres geledene schade bedraagt minstens frs. 551.55;

O. dat eischeres op grond dier feiten, vordert betaling dier som, desverkiezende in Nedërlandseh geld volgens den koers van den dag;

O. dat ged. bij1 antwoord' heeft- doen zeggen, dat zij erkent de door eischeres gestelde feiten, met deze uitzonderingen, dat zij niet weet en dus niet kan erkennen, dat de dioor de zorgen van den afzender geladen wagon 12000 kilo inhield; dat zij evenmin weet en dus niet kan erkennen, diat den dag van de beschikbaarstelling slechts 6343 kilo's zijn afgetapt; dat zij evenmin weet en dus met kan erkennen, d'at de werklieden van eischeres den wagon van buiten en van binnen hebben afgesloten •

dat ged. aan hare erkentenis toevoegt, dat de wagen citerne of de kraan daarvan of de hefboom, waarmede de kraan in beweging wordt gebracht, door de werklieden van eischeres, toen die zich dies avonds verwijderden, niet met een slot is afgesloten; dat zij verzuimd hebben de moer op het tapgat te draaien; dat 'door die werklieden aan geen der beambten of bedienden van ged. is medegedeeld, dat de wagon nog niet geheel was afgetapt; en dat de eischeres heeft geteekend het bewijs van ontvangst, bedoeld in art-. 58, al. 8 van het Algemeen Reglement voor het. vervoer; dat de ged. nog verder heeft doen zeggen, dat, door het tegen afgifte van het bewijs van ontvangst, besohikbaarstellen van den wagon ter lossing aan de losplaats, de zending aan eischeres is afgeleverd, en ged. als vervoerster niet meer aansprakelijk was, en dus van haar als zoodanig geen uitlevering iof schadevergoeding wegens niet uitlevering meer kan worden gevorderd; dat bovendien, ook ai ware ged. nog als vervoerster aansprakelijk, het verlies het gevolg: kan zijn en dus moet verondersteld worden het gevolg te zijn van het gevaar, verbonden aan het lossen van deze zending olie (zie art. 68 no. 4 en 6 van het Algemeen Reglement-) en in elk geval van de eigen onvoorzichtigheid van eischeres of van haar personeel, door den wagen of de kraan niet af te sluiten, noch het personeel van, ged. te: waarschuwen; dat de wagen nog niet ledig was; dat indien ged. niet meer als vervoerster aansprakelijk was het bewijs van hare schuld of nalatigheid op eischeres rust; dat het terrein, waarop de wagen stond van wege ged. is bewaakt; maar zij betwist., dat zij daartoe was verplicht, omdat de zending niet opnieuw aan de hoede van ged. is toevertrouwd en, haar zelfs niet eens is' kennis gegeven, dat de wagen nog niet geheel ledig was.; dat. wel is bewezen dat er van de gasolie verloren is, maar niet hoeveel;

O. dat eischeres bij repliek ten bewijze harer posita in het geding heeft gebracht, enz. ;

dat uit de briefwisseling der ged. volgt, dat zij op zijn minst genomen erkend: heeft- dat, conform den vrachtbrief, gevoegd bij den brief van 21 April 1898, op 19 April van uit Duitschland over Venloi te Maastricht is aangekomen, een wagon citerne no. 503656 met 12000 KG. gasolie, bestemd voor eischeres ;

dat ged. niet betwist heeft, dat die wagon dioor haar voor eischeres ter lossing beschikbaar is gesteld, en dat uit dien wagon, ten dage der beschikbaarstelling slechts zijn afgetapt 40 vaten, met een netto inhoud van 6343 KG. gasolie; dat ged. in ieder geval uitdrukkelijk erkend: heeft-, diat het werkvolk der eischeres, na gedeeltelijke lossing is vertrokken, en dat, toen het den volgenden morgen de lossing wilde voortzetten, gebleken is, dat een groote hoeveelheid olie was weggeloopen door de niet met slot afgesloten kraan; dat de eischeres dus slechts geheel subsidiair aanbiedt, om deze feiten ge-heel of ten deele alsnog door getuigen te bewijzen; dat uit de gevoerde briefwisseling al verder blijkt, dat ged. erkent, dat de wagon citerne door de werklieden der eischeres is, afgesloten geworden, doch ontkent, dat dit. met een slot is geschied; dat de eischeres volhoudt, dat zij geenszins tot afsluiting met. een, slot gehouden was, en dat zij kon volstaan met den wagon af te sluiten zooals hij' deed ; dat eischeres voorts aanbiedt, door getuigen te bewijzen:

1° dat de werklieden der eischeres de kraan va.n den wagon citerne van buiten hebben afgesloten;

Sluiten