Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 17 Januari 1900.

N°. 7376.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADYERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET YERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belijnfante, te 's-Gravenhage ('Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Openbare Algemeene Vergadering,

van 11 Januari 1899, des namiddags ten 2 ure,

ter installatie van Mr. J. J. van Meerbeke, als vice-président.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

De voorzitter verleent na opening der vergadering liet woord aan den Procureur-Generaal Mr. C. Polis, die in eenige welgekozen woorden, welke hij aan zijn bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk requisitoir deed voorafgaan, in de eerste plaats hulde bracht aan den afgetreden vice-president Mr. J. Kalee, die dat l0(>oe ambt, waaruit hem om redenen van gezondheid op de meest eervolle wijze ontslag was verleend, slechts een tweetal jaren had waargenomen, maar diei in de 28 jaren, gedurende welke •J aan den Hoogen Raad verbonden was, zoowel als in vroegere rechterlijke betrekkingen, zioli door zijne bekwaamheid en groote humaniteit de algemeene achting in ruime mate had verworven. Daarna heette de Procureur-Generaal den heer van Meerbeke, Z1jn ouden vriend, wiens uitnemende gaven hij had leeren kennen efi waardeeren reeds lang vóór liet veeljarige tijdperk, waarin Z1J gezamenlijk bij den Hoogen Raad werkzaam waren geweest, van harte welkom als vice-president van dit college, daarbij den v ensch uitsprekende, dat het hem gegeven moge zijn dit ambt jarenlang in gezondheid uit te oefenen.

Na voorlezing der akten van benoeming en eedsaflegging door den Griffier, hield de president de volgende rede:

Het heeft Hare Majesteit, onze geëerbiedigde Koningin, behaagd, J>ij besluit van 11 October 1899, aan onzen hooggeaehten Vice-

Mi. Jaco], Kalf* op zijn verzoek eervol ontslag te verleenen, onder dankbetuiging voor de vele en gewichtige diensten, door hem in rechterlijke betrekkingen aan den lande bewezen.

l)at ontslag werd door hem aangevraagd ten gevolge der ernstige ongesteldheid,

opgekomen tijdens zijn verblijf te Quisisana aan ' Rhedensteeg, waarheen liij zich in de laatste dagen van Juni had begeven, ten einde aldaar zijne vakantiemaand Juli door ':e brengen. Aanvankelijk was het voornemen, dat hij in het nu Jjfgeloopen jaar in de maand Juli de vaeantiekamer zou presideren en gedurende Augustus zijn rusttijd zou hebben. Een gevoel van zwakheid en groote vermoeidheid op het einde van het zittingsjaar maakte het voor hem wenschelijk, in deze voorloopig gemaakte schikking verandering te brengen en de maand Juli als uVM1 ont;sPanuing voor hem aan te wijzen.

Hij zelf en wij met hem hadden goede verwachting, dat deze U< van rust de vermoeidheid zou doen wijken en geheele hers elhng zou brengen. Vóór het einde der jnaand kwam echter leeds de tijding, dat zijn toestand niet verbeterd was en werd uetnoodig, de schikking te maken, dat hij'ook de maand Augustus Ui Gelderland zou kunnen doorbrengen.

Lij zijn terugkeer werd door zijn geneesheer de raad gegeven, om zich uit liet ambtelijk leven terug te trekken, opdat zijne gezondheid zich weder zou kunnen herstellen, en liij zijne verdere levensjaren bij tamelijken welstand in eervolle rust zou kunnen «lijten. Dientengevolge rijpte weldra het besluit, in overleg met zijne kinderen genomen, om tegen het einde van liet jaar ontsla^ uit den dienst te vragen.

Wij moesten dat besluit eerbiedigen en mochten onzen ambtgenoot op zijn hoogen leeftijd de welverdiende rust na een langdurig bedrijvig leven niet misgunnen.

Op 5 October 1821 te Zwolle geboren, was hij op 21 Juni 1843 aan de Academie te Utrecht gepromoveerd. Hij lieeft betreffende zijne opleiding aldaar hooge achting betoond voor de Professoren Brubys Vhkki)m en Aokersdijk, doch in zijne privaatrechtelijke stuchen trok hem liet meest de leiding van den sclierpzinnigen, ustorisch gevormden, hoogleeraar Holtitjs. Onder diens toezicht schreef hij zijne dissertatie over de reclame in zaken van koophandel. Merkwaardig is, m de uiteenzetting van dat recht naar aanleiding der daarop betrekking hebbende artikelen van het Wetboek van Koophandel, de wetenschappelijke aansluiting aan Uet algemeen stelsel der rechtsvordering tot opvordering van eigendom. Dit leidde tot enkele niet onbelangrijke opmerkingen, °- a- dat de bepaling van art. 1507 B. W. omtrent nietigheid van verkoop van eens anders goed (die door te absolute opvatting leeds tot menige dwaling in de rechtspraktijk aanleiding gaf) voor poerende goederen niet zonder groote beperking: kan o-elden. Hier ls (le vinger gelegd op de groote wijziging, die in het ptelsel der overeenkomsten betreffende roerende goederen is gebracht door (fen regel van art. 2014 B. W. — De geheele dissertatie „De v 1 n d i c a t i o n e in rebus merc» torii s" draagt liet kenjuerk van nauwkeurige bewerking, waarbij ook is gelet op <:e 'andelsgebruiken in andere landen, o. a. in Engeland.

■Na zijne promotie zette hij zijne eerste schreden in het maatj iappelijk leven als advocaat te Zwolle, terwijl in de rechtsPraktijk in Overijssel destijds uitblonken de beroemde advocaten • A. van Royen te Zwolle en P. A.van Steenbergen in j.^entlie. Overijssel leverde destijds uitstekende juristen en staats.leden. Gelijktijdig met van Royen, latei' Commissaris des Konings j? kroningen, en van Steenbergen, later lid van den Hoogen , aad, leefden in Deventer Brtjce en Dtjymaer van Twist, die , l(le als Gouverneur-Generaal in Ned'erlandsch-Indië zijn opgeien, nadat zij een belangrijk aandeel lxadden genomen in de

Tweede Kamer der Staten-Generaal aan den poltieken strijd, o. a. gedurende de belangrijke jaren van 1844 en i845. Terwijl kort daarna de meest verdienstelijke van de bekwame O ver ij sel aars dier dagen. Jan Rtjdolj? Thorbeckk die terstond na zijne promotie in de letteren zijne geboortestad Zwolle verlaten had, aan liet hoofd van de leidende partij was opgetreden, schaarden zich de bekwame jonge lieden in Overijssel meerendeels onder zijn vaandel. Ook de jeugdige Kalff trad destijds als medestrijder in die richting op en nam als redacteur van de Overijsselsehe Courant deel aan den strijd.

Naar zijn aanleg en karakter voerde hij dien strijd met groote gematigdheid1 en was dan ook bij, de verschillende partijen, vooral de verschillende fractiën onder de liberalen, zeer geacht. Met goed gevolg de praktijk als advocaat uitoefenende, maakte hij op 28 Juli 1854 als recliter-plaatsvervanger in de Arrondissements-Rechtbank te Zwolle zijne intrede in de magistratuur.

Op betrekkelijk jeugdigen leeftijd werd hij' op voordracht van den Minister Donker Curtius op 6 Februari 1856 benoemd tot President van de Arrondissements-Rechtbank te Almelo, waar hij zich de algemeene achting verwierf en in Juli 1861 tot schoolopziener werd aangesteld. Zijne bekendheid met liet geheele district en de algemeene achting, die men hem toedroeg, deden weldra bij de verkiezingen voor de Staten-Generaal het oog op hem vestigen. Weldra werd liij tot lid der Tweede Kamer gekozen, welk lidmaatschap, tegelijk met zijne rechterlijke betrekking waargenomen, veel van zijne werkkracht eischte.

Hoezeer hij door zijne medeleden in de volksvertegenwoordiging geacht werd. bleek bij de voordracht voor de' Vervulling van eene der vacatures in den Hoogen Raad, waarbij de Tweede Kamer hem als eersten candidaat aan den Koning voordroeg.

Ingevolge die voordracht door den Koning benoemd, trad hij op 17 Juni 1871 als lid van ons college op. Aanvankelijk had ik, op 2 Sept. daaraanvolgende geïnstalleerd, met hem in de kamer voor strafzaken zitting en maakte dus dadelijk kennis met zijne nette wijze van werken. Bij afwisseling zat hij later in de beide kamers, doch meestal in die van burgerlijke zaken, totdat hij bij zijne benoeming tot vice-president op 2 Sept. 1897 ais voorzitter naar de kamer van strafzaken overging. Daarbij had hij het voorrecht van openlijke erkenning zijner verdiensten gedurende zijn ambtelijke loopbaan, door zijne benoeming tot Commandeur in de Orde van O r anj e - Nass au bij Besluit van Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin. Met moed aanvaardde hij zijne nieuwe taak en verwierf zich ook bij zijne ambtgenooten in de kamer voor strafzaken door zijne gematigdheid, kalmte en voorkomendheid de hoogste achting.

Wij allen herdenken na. zoovele jaren van vriendschappelijke samenwerking, voor de twee oudsten onzer gedurende ruim 28 jaren, niet alleen zijn ijver, nauwgezetheid en onbevanghenheid maar ook zijne- bedachtzaamheid, om in bestaande toestanden en gevestigde rechtsbegrippen nooit- zonder gebiedende noodzakelijkheid in te grijpen op eene wijze, die aan de gelijkmatige ontwikkeling van het bestaande recht in den weg zou kunnen staan.

Bij dat alles staat bij ons in dankbare herinnering dè vriendschappelijke verhouding, die tusschen ons in den ambtelijken omgang steeds heeft bestaan.

Onze beste wensohen vergezellen onzen geachten ambtgenoot in zijne eervolle rust. Moge hij in zijne volgende levensjaren in tamelijke gezondheid den zegen ondervinden, om bij het terugzien op vroegere levensjaren van arbeid en inspanning zich steeds in het welzijn zijner kinderen te mogen verheugen en gelukkig te gevoelen !

Mijn waarde van Meerbeke, op Ü, rust de taak, om den man op te volgen, metwien gij in 1871 in hetzelfde Koninklijke Besluit tot raadsheer in diezen Raad en met wien gij weder in een zelfde Besluit in 1897 tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau benoemd zijt, terwijl weder op 11 Oct. van het- afgeloopen jaar eenzelfde Besluit, waarbij zijn ontslag werd verleend, U tot opvolger aanwees.

Voordat wij in 1871 als ambtgenooten in dezen Raad kennis maakten, hadt gij reeds eene belangrijke loopbaan in het ambtelijk leven achter U. Wel waart gij enkele jaren later in de magistratuur getreden, daar uwe promotie, die plaats had op 21 Jan. 1859, was vertraagd, terwijl gij aan liet einde van uwe studiejaren onder de leiding van den verdienstelijken hoogleeraar Ackersdijk en op zijn raad, als zijn particuliere secre aris, in dienst waart geweest bij de voorbereiding der Rijkscommissie voor Statistiek, bij Koninklijk Besluit van 5 Nov. 1858, n°. 75, gevestigd, en ook na die oprichting daarbij, als zoodanig, onder zijne leiding werkzaam waart gebleven ;

Wel leidde deze werkkring U destijds van uwe rechtsgeleerde studiën af; maar de werkzaamheid op economisch en statistisch gebied, zich aansluitende aan uwe algemeene philosofische studiën, verruimden den blik over het geheele maatschappelijk leven en uwe langdurige studietijd in de laatste jaren onder zulk een voortreffelijk leidsman op dat gebied was eene uitnemende voorbereiding voor uwe ambtsloopbaan, door U op 21 Jan. 1862 als substituut-officier te Nijmegen aangevangen, en in dezelfde betrekking bij benoeming van 6 Sept. 1866 te Amsterdam voortgezet.

Reeds op 18 Juli 1868 volgde uwe benoeming tot raadsheer in liet Provinciaal Gerechtshof van Noord-Holland. Gedurende de betrekkelijk korte jaren van uw ambtelijk leven had zich uw naam als bekwaam jurist zoodanig gevestigd, dat bij de vacature door het eervol ontslag van den raadsheer M el out in 1868 de Tweede Kamer der Staten-Generaal U reeds als eerste candidaat op de voordracht plaatste, voordat gij nog hadt voldaan aam het vereischte van art. 86 der Wet op de Recht. Org., verloop van 10 jaren na het verkrijgen van den graad van Meester in de rechten. Dit moest destijds leiden tot liet opmaken eener andere voordracht.

Toen dit wettelijk beletsel niet meer bestond, volgde in 1871 overeenkomstig aanbeveling door den Hoogen Raad en voordracht der Tweede. Kamer uwe benoeming.

Behalve aan den Hoogen Raad hebt gij ook uwe bijzondere zor¬

gen gewijd aan de pensioenregeling voor burgerlijke ambtenaren en voor de land- en zeemacht. In 1876 als lid van den Raad! van Toezicht op het fonds voor burgerlijke ambtenaren opgetreden, werdt gij bij Ivon. besluit van 1 Juni 1883 tot voorzitter van d'at college benoemd.

Bij de nieuwe regeling door de wet van 9 Mei 1890, waarbij het pensioenfonds voor ambtenaren werd opgeheven met bepaling, dat de uitgaven voortaan op de Staatsbegrooting zouden worden gebracht, werd de Raad van Toezicht ontbonden. Terwijl volgens liet voorstel der wet de adviezen alzoo zouden wegvallen, kwam de Tweede Kamer der Staten-Generaal daartegen op, van oordeel zijnde dat op de adviezen van een onafhankelijk staatslichaam, voor te verleenen pensioenen hooge prijs moest worden gesteld en werden alzoo eenige artikelen tot regeling van den pensioenraad in de wet gebracht.

De Koning benoemde U bij de invoering der wet tot voorzitter van dien Raad en herbenoemde U telkens om de twee jaren. Hoezeer deze adviezen gewaardeerd werden, bleek bij de invoering van een militairen pensioenraad, bij de wet van 21 Maart 1896, Stbl. n°. 50 vastgesteld, waarbij de voorzitter en de secretaris van den pensioenraad voor burgerlijke ambtenaren steeds als zoodanig optreden.

Van niet minder omvang was de opdracht, U bij Kon. Besluit van 28 Febr. 1880 gegeven, als algemeen voorzitter der Commissie tot het maken van een Ontwerp tot herziening van het Burger lijk Wetboek, voorwaar eene zware taak, om met een ,getal van 16 zeer bekwame leden te volbrengen.

Na eenige wisseling en aftreding van eenige leden bracht de commissie in 1886 een Ontwerp van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek tot stand, hetwelk na ontbinding der vroegere commissie en benoeming eener nieuwe commissie van 5 leden weder onder uw voorzitterschap, werd gevolgd door een Ontwerp van het tweede boek, dat op 29 Dec. 1898 aan de Koningin werd aangeboden. Na dezen gewichtigen arbeid, die ook bij partiëele herziening belangrijke vruchten kan dragen, hebt gij gemeend uw ontslag, dat U met dankbetuiging voor de bewezen diensten verleend werd, te mogen vragen, de verdere afwerking aan eene andere commissie, deels uit de oude leden samengesteld, overlatende.

Den aldus wij gevallen tijd kunt gij in ruime mate aan uwe taak in den Hoogen Raad geven, doch zult gij ook niet ophouden te blijven wijden aan uwe studiën van de rechtswetenschap in haren breederen omvang. Door die breede richting in uwe rechts beoefening zal liet U ook geenszins zwaar vallen, U weder evenals bij den aanvang van uwe rechterlijke loopbaan te bewegen op het gebied der strafzaken, waarin dagelijks meer hoogst gewichtige vragen voor het maatschappelijk verkeer ter beslissing komen, zoowel op het terrein der misdrijven, als op het uitgebreide veld van het politierecht.

Bij al uwe ambtgenooten, die uwe werkkracht, uwe bedaardheid, uwe. onbevangenheid, uwe wetenschappelijke zin en vriendschappelijke gezindheid kennen, kunt gij' op de meest welwillende samenwerking rekenen.

Blijf in de kamer voor strafzaken met denzelfden ijver en dezelfde toewijding en opgewektheid arbeiden, als wiji mochten opnierken, terwijl wij te samen in vroegere jaren in die kamer hadden recht te spreken en Zooals wij U in de laatste twee'jaren hebben zien samenwerken in de kamer voor burgerlijke zaken.

Gij zult in uwe kamer thans het voorzitterschap overnemen van ons oudste raadslid, A. A. de Pinto, een man, die in de rechtswetenschap in wijden omvang hoogst ervaren en bovenal doorkneed is inliet strafrecht, dat hij niet enkel voor ons Nederlandscli recht beoefend heeft, maar ook bijzonder met het oog op vreemde wetgevingen. Nog onlangs gaf hij daarvan bewijs door eene grondige critische behandeling van het proces Dreyfus.. Hiji gaf in dat geschrift eene proef van juridischen stijl, door helderheid en nauwkeurigheid uitmuntende en deed door den bedaarden rustigen toon, die den jurist betaamt, de ernstige bede rijzen, dat de Nederlanders steeds mogen waken, dat nimmer dergelijke toestanden op den vaderlandschen bodem mogelijk worden.

Met hem en de overige verdienstelijke leden zij het U gegeven in de af deeling van strafzaken nauwkeurige en juiste rechtsspraak voor Nederland te blijven bevorderen !

Namens den Hoogen Raad, verklaar ik U, Julius Jacobus van' Meerbeke, wettig geïnstalleerd, als Vice-P resident van den Hoogen Raad der Nederlanden, en verzoek ik U op te treden als Voorzitter der Kamer van Strafzaken.

De vice-president, liet woord1 bekomen hebbende, spreekt als volgt:

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Het is mij voor alles een behoefte hulde te brengen aan onze Koningin en blijk te geven van mijne dankbaarheid jegens Haar, die mij tot het hooge ambt, dat ik ga vervullen, heeft benoemd, alsmede jegens den Minister van Justitie, die mij daartoe heeft voorgedragen, en — wat ik insgelijks op hoogen prijs stel — mij wel heeft willen te kennen geven, dat hij tot het dben dier voordracht zonder eenige aarzeling is overgegaan.

In deze zitting mocht ik al dadelijk uit den mond van mijn vriend Polis een gelukwensch vernemen, ingekleed! in bewoordingen, die mijne eigenliefde streelen, maar waaruit tevens spreekt de oprechte vriendschap, die hij mij toedraagt. Het komt mij voor, dat ik naar aanleiding daarvan en van het 28 jarig tijdvak, gedurende hetwelk wij tezamen deel van den H. R. hebben uitgemaakt, mij1 mag veroorloven, met een woord te schetsen wat dezen Procureur-Generaal, als zoodanig, kenmerkt en siert. En dan houd ik mij van de instemming van al mijne ambtgenooten overtuigd, wanneer ik hem dit toevoeg. Uw scherp juridisch denkvermogen, gepaard aan groote vlijt, heeft U toegerust met reclitsbegrippc n van

Sluiten