Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordig recht inderdaad door den bril van de toekomst die hij wenscht heeft bekeken en aldus op een dwaalspoor is gekomen, dat te ernstiger is omdat dit spoor voor hem zeiven wetenschappelijk heet.

Zijne klacht blijkt mij er nog te meer ongerechtvaardigd door Zooals men weet. was zijne conclusie „dat nimmer de administratieve rechtspraak door de administratie minder waarborgen opleverde dan thans". Ik trachtte aan te wijzen dat deze conclusie door den S. volstrekt niet was bewezen, noch zijn beweren dat de verhouding der Begeering tot het advies der Afdeeling van den Raad van State zeer sterk van kaïakter veranderd was en evenmin zijne uitspraak dat door de „Regeeringspraktijk" de deugdelijkheid en vastheid der administratieve rechtspraak heeft geleden. ..... ■

Mr. Tos beweert nu, vooreerst, dat ik, bij myne erkenning dat 's wetgevers bedoeling is geweest dat de _Regeering_ slechts zeer exceptioneel van het advies der Afdeeling zou afwgken, ook zou erkend hebben dat men zich die bevoegdheid der Kroon in 1861 gedacht heeft als eene t h e o r e 11 sc li e bevoegdheid. Hierin vergist de S. zich.

Daarmede valt tevens zijne bewering, dat ik zou moeten erkennen, dat de praktijk van de Regeering der laatste jaren deze bedoeling miskent. .

Ook in het betoog, dat na 1 Juli 1895 het getal afwijkingen belangrijk stijgt en na 1 Juli 1897 buiten verhouding groot wordt, was de S., meende ik, niet geslaagcL Want dle verhouding was door hem niet aangewezen. Dat hg de cijlers van het aantal beslissingen noemde, was niet door mij over het hoofd gezien, maar dat bewees niets, omdat hij het aantal afwijkingen over andere tijdvakken genomen heeft. En uit de door mij genoemde cijfers volgt — ik meen dit thans te moeten opmerken — dat er, in plaats van een buiten verhouding stijgen, eene vermindering is waar te nemen van het getal afwijkingen van 1 Juli 1897 tot 1 Juli 1899 in vergelijking met dat van 1 Juli 1895 tot 1 Juli 1897, zoomen ze maar in de juiste verhouding brengt, n.1. tot het geheel getal over die tijdvakken genomen beslissingen.

Doch een en ander is niet de hoofdzaak. De hoofdzaak is, dat Mr. Vos nu beweert, dat, afgezien van de deugdelijkheid i .. j of,rk i/inir vtiii het advies der Atdee-

uei UUUl UB XIX . .

ling genomen beslissingen, „ook al is elke beslissing op zich zelve wèl deugdelijk", de administratieve rechtspraak^ als instituut — niet deugdelijk is, wanneer de Regeering in steeds meer gevallen van het advies der Afdeeling afwr)kt.

De kracht dier onderscheiding ontgaat mij. Vooreerst is het minder juist dat S. nergens gesproken zou hebben van de deugdelijkheid der beslissingen maar van de deugdelijkheid der rechtspraak; ik verwijs hem naar blz. 135, ldfa en 137 van zijn opstel in Themis. Maar ten andere is mij zijne onderscheiding onverklaarbaar. Is het dan niet zoo, dat de deugdelijkheid van het instituut der rechtspraak zich openbaart in de deugdelijkheid der beslissingen ? Ligt dan bijv. de deugdelijkheid van de rechtspraak van den Hoogen Ixaad daarin dat ze zoo min mogelijk afwijkt van do beslissingen van den lageren rechter ? Heeft men bij de beoordeeling der rechtspraak als instituut in 't geheel niet te maken met de vraag of de Afdeeling bij den Raad van State onjuiste beslissingen voordroeg ? En de laatste geeft nog maar een advies, en de volle verantwoordelijkheid voor het volgen van dat advies rust uitsluitend bij de Regeering. Niet dat is het instituut m quaestie, zooals Mr. de Tos het zich denkt, dat de Raad van State beslist, en de bevoegdheid der Kroon daartegenover slechts theoretisch is, maar dat de Kroon beslist na openbare behandeling van het geschil, mondelinge voordracht, he hooren van beide partijen en kennisneming van dat alles, en, bii afwijking: van het advies, met motiveering der afwijking

, ° i • . 1 1 nnfurovn flpr Afrlpft-

en openoaarmaKing van ue ueanssiug, x±*v — ——

ling en het rapport van den Minister. Zie, dat is een schoon, onwaardeerbaar instituut; en de waarde van art. 40 der wet op den Raad van State ligt daarin, en niet hierin dat de Kroon van hare bevoegdheid met inachtneming van dat artikel nimmer of hoogst zelden gebruik maakt.

Niet daardoor gaat de deugdelijkheid van de tegenwoordige administratieve rechtspraak als instituut te niet, wanneer de Regeering in steeds meer gevallen van het advies der A.ideeling afwijkt, maar ze gaat te niet indien zij maar steeds dat advies volgde zonder met eigen verantwoordelijkheid te rekenen en van de uitnemende instructie der zaak bij dat college niet gebruik te maken op zulk eene wijze dat hare eigen verantwoordelijkheid er door gedekt wordt.

De S. acht verder geen bewijs noodig voor zijne stelling, die hij nu in dezer voege uitdrukt: „dat in elk geval aldus (door de Regeeringspraktijk) die rechtspraak de vast h e ï d verliest, die zij door het instituut der Afdeeling verkrijgen kan en naar de bedoeling van den wetgever ook verkrijgen

moes t". ... , n

Het instituut der Afdeeling! Ziet men wel hoe voor Mr Vos het ideaal van eene georganiseerde administratieve rechtspraak (dat ik met hem mits juist geregeld deel en waarvoor ik meermalen heb gepleit) zijne uitlegging van het tegenwoordig, stellig recht beheerscht? Volgens hem was er mzijn opstel sprake van de deugdelijkheid der rechtspraak als instituut, en nu identificeert hij daarmede die van het instituut der Afdeeling, alsof de Raad van State thans uitspraak had te doen in plaats van slechts de zaak te instrueeren en

advies te geven. ,

Doch nu de stelling zelve : door de Regeeringspraktijk verliest de rechtspraak zijne vastheid: „de praktijk zelve van het afwijken heft die vastheid op". tj

Heeft S. wel eens gedacht aan de mogelijkheid dat de Kegeering tot steun van haar advies tot afwijking wijzen moest op Koninklijke beslissingen van vroegeren datum, waarbij het advies der Afdeeling geheel werd gevolgd, maar waarvan de Afdeeling thans is afgeweken? Geeft dan de door hem veroordeelde Regeeringspraktijk niet juist meer vastheid —- zooals S. ze opvat — aan de rechtspraak dan indien deze het later advies der Afdeeling had opgevolgd ?

Maar buitendien de stelling zelve gaat in t geheel niet op. Is afwijking noodig — en de S. is in gebreke gebleven — en hii wil zich ook niet in die vraag begeven — om aan te toonen zelfs van één enkele beslissing, dat de afwijking onnoodig, verkeerd was, — dan verkrijgt de rechtspraak juist daardoor de rechte vastheid, gelijk de rechtspraak van den Hoogen Raad de ware vastheid verkrijgt, niet wanneer hij zijne bevoegdheid tot afwijking van de beslissingen des lageren rechters theoretisch opvat of haar zoo min mogelijk toepast, maar wanneer hij haar altijd toepast als afwijking noodig is.

Er is meer. Niet in eeuwigdurende consequentie der beslissingen ligt de vastheid der rechtspraak, zoomin als in het altijd maar volgen van het advies eener Afdeeling van den Raad van State, die zichzelve gelijk blijft, maar de ware vastheid wordt geboren waar, tegenover soms langdurige, haranekkige handhaving eener eenmaal gegeven beslissing, de

ware meening veld wint en overwint, al moet dat dan ook een geheele terugkeer van vroegere meening kosten. Niet daarin ligt de vastheid van de rechtspraak van den Hoogen Raad, dat hij bijv. vasthoudt aan zijne uitlegging van „w e ttelijk voorschrift" in art. 184 Sr., of van het wezen van delegatie (1), maar daarin dat [hij zichzelven herneemt als het noodig blijkt.

Voor de mindere geschiktheid van den Minister, als orgaan vaD het instituut der administratieve rechtspraak, verwijst de S. nog eens naar blz. 137 van Themis. Blijft hij dus nog bebeweren dat de Minister „van de voorlichting verstoken is" die de Raad van State, Afd. geschillen van bestuur, ontvangt? Ik verwijs naar het vroeger door mij opgemerkte en meen dat ook deze zijne conclusie op onjuiste praemissen rust. Ik neem daarbij echter dankbaar nota er van, dat Mr. Vos zich losmaakt van Mr. Rtjtgers van Rozenburg, waar deze den Minister zulk een zelfvertrouwen toeschrijft dat deze het advies van den Raad van State slechts pro forma inwint, en ten andere dat hij van de ongegrondheid „van begin tot eind" van het door mij tegen hem gericht verwijt uitzondert het verwijt over zijne apodictische, nog steeds onbewezen uitspraak: dat de opvatting die de Regeering huldigt omtrent hare verhouding tot het advies der Afdeeling sints het optreden der laatste Ministeries zeer sterk van karakter veranderd is.

30 Januari 1900.

Mr. J. M. Hoog.

ADVERTENTIEN.

(1) Zie daarover Mr. Vos in no. 2640 van zijn "Weekblad.

HOOGE RAAD. — B¥LLETIN.

(Bubgbrl. Kamer).

Zitting van Donderdag, 1 Februari.

Voorzitter. Mr. F. B. Coninck Liefsting.

I. Conclusie door het Opens. Min. genomen in zake :

(cassatie) E. Hollander, eischer, advocaat Mr. \V. A. Telders, tegen liet. College Algemeen© Armvoogden van het' dk>rp Oosterlittens, verweerder, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw. Deproo.-gen. concludeert, tot verwerping. Uitspraak 16 Maart.

II. Gepleit in zake:

(cassatie) P. L. de Vries., eischer, advocaat Mr. I'. J. Snel. tegen M. L. Schaap, verweerder, advocaat Mr. M. F. de Pinto, gepleit door Mr. Z. van den Bergh, advocaat te Amsterdam. Conclusie door het Openb. Min. bepaald op 15 Febr.

Zitting van Vrijdag, 2 Februari.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liepsting.

I. Uitspraak gedaan in zake :

(cassatie) R. E. Baron van Heeckeren van Wassenaar, eischer, advocaat Mr. H. d^ Ranitz, tegen Mr. J. B. Sölner qq., verweerder, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. Verworpen.

II. Conclusie door partijen genomen in zake •.

1°. (koloniaal) Mineraal Maatschappij ,,Suriname", te Paramaribo, app., procureur Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen. M. S. Farren, h/v. J. J. Huke c. s., geïntimeerden, procureur Mr. J. J. Bergsma. Pleidooien bepaald op 22 Maart.

2°. (cassatie) J. Hattink qq., eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen de Naamlooze Vennootschap Nederlandsche Gist en Spiritusfabriek te Hof van Delft, verweerderes, advocaat Mr. M. F. de Pinto. Pleidooien bepaald op 6 April.

3°. (id.) G. Broekema, eischer, advocaat Mr. J. Münzebrock, tegen E. Simonis, verweerder, advocaat Mr. M. de Pinto. Pleidooien bepaald op 1 Maart.

4°. (id.) C. W. A. Kreijfelt, eischer, advocaat Mr. J. J. Barnet Lvon, tegen J. van der Lip, verweerder, advocaat Mr. H. J. M. de Vries. Pleidooien bepaald op 15 Maart.

5°. (id.) J. Pestman c. s., eischers, advocaat Mr. P. J. Snel, tegen D. Forma, verweerder, advocaat Mr. J. M. vanMunnekrede.

III. Nieuwe zaak :

(cassatie) C. Smit c. s., eischers, advocaat Mr. D. van Houten, tegen D. Olij, wed. I'. Schaap, verweerderes, advocaat Mr. H. de Ranitz.

IV. Gepleit in zake:

(cassatie) C. H. W. Kreeftmeijer, eischer, advocaat Mr. H. J. M. de Vries, tegen P. W. van deGroenekan h/v. Kreeftmeijer, verweerder, advocaat Mr. J. Wolterbeek Muller en tegen de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, medeverweerderes, advocaat- Jhr. Mr. E. N. de Brauw. Conclusie bepaald op 16 Febr.

(Strafkamer) .

Maandag, 5 Februari.

Uitspraak. J. H. F. J. G., tegen een vonnis van het Kantongerecht te Hoorn.

Id. C. H., wed. E. de K-, tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch.

Id. L. v. d. 8., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

Id. J. M. S., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

ConCL. O. M. C. P., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch.

(Btjrgerl. Kamer).

Vrijdag, 9 Februari.

Bij GEBR. BELINFANTE te 's Gravenhage, ziet thans compleet het licht :

JOAN VAN DEN HONERT Thz.

FORMULIERBOEK

der

onderscheidene Aeten behoorende tot de

Burgerlijke Rechtsvordering,

(herzien en yerieerderl door Irs. I. Heemskerk Az, en G. Belinfaite)

VIERDE DRUK Omgewerkt, met inachtneming van de jongste wijzigingen in het Wetboek gebracht,

door

Mi'. J. A. FOEST, Advocaat en Procureur te Amsterdam, Mr. D. E. LIONI, Advocaat en Procureur en Privaat-Docent aan de Universiteit te Amsterdam en

Mr. Lod. S. BOAS, Advocaat en Procureur te Amsterdam. Prijs : gebonden f 11.

Bij GEBR. BELINFANTE, te 's Gravenhage, is verschenen :

DE ARRESTEN EN VONNISSEN

UIT het

WEEKBLAD VAK HET RECHT

aangeteekend bij de betrekkelijke artikelen of titels, wetten, Kon. Besluiien enz.

OVER TIEN JABEN

(A's 1889—1898) N>s 5648—7212)

door

Jhr. Mr. W. II. Hoeufft

Griffier bij het Kantongerecht te Zierikzee.

Dit register (dat voor de inteekenaren van het Weekblad is gevoegd achter het Register over 1898) is in boekformaat afzonderlijk verkrijgbaar a f 1.—.

Uitspraak. K. Melis, eischer, advocaat Mr. P. F. L. Verschoor, tegen C. J. Huvers, verweerder, advocaat Mr. M. de Pinto.

Concl. O. M. J. H. Kerbusch, eischer, advocaat Mr. D. 8. van Emden, tegen den Staat der Nederlanden, verweerder, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw.

Pleidooi. Het Waterschap Surhuisterveen, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen R. G. van der Heide, verweerder, advocaat Mr. J. D. Veegens.

HOF-, Rijks- en Resiientie-ALIANAK

voor het

Koninkrijk der Nederlanden en zijne Koloniën.

De 75e jaargang (1900) is verschenen.

De daarin voorkomende opgaven betreffende de Koninklijke Hofhouding zijn geschied met machtiging van Hare Majesteit de Koningin.

Bij de namen der autoriteiten zijn in den Hofalmanak de woonplaatsen in de residentie gevoegd.

Prijs f 4 OO

den Haag. — GEBR. BELINFANTE.

Bij GEBR. BELINFANTE te 's Gravenhage, zijn verkrijgbaar:

Het Burgerlijk Wetboek,

verklaa rd door Mr. O. W. Opzoomor.

Deel I—XII afl. 1—4 en Algemeene Bepalingen. Prijs: f 60.60 ing. en f T'ü.eO geb.

Werken van Mr. J. G. KIST.

De bepalingen der Ned. Wet omtrent tweede en verdere

huwelijken, 2e druk f 0.90

De Kantonregter en zijne werkzaamheden . . . 1.40 De Algemeene Maatregelen van Inwendig bestuur . . 0.30 Beginselen van Handelsregt, volgens de Nederl. Wet: Dl. I. Handelsregt. Handel. Handelaar f 1.65 ing. f2.65 geb. » II. Handelsverbindtenissen uit schrift 5.75 » 6.75 » » III. » uit overeenkomst 4.40 » J g gQ #

» III. Supplement (Coöp. Vereenigingen) 0.90 » ! » IV. Handelsverbindtenissen uit overeenkomst. Overeenkomst van verzekering 3.60 » 4.60 » » V. Zeeregt 4.90 » 5.90 » Compleet in 5 dn f21.20 ing. f26.20 geb.

Gedrukt bij F. J. BELINFANTE, voorh. : A. D. SCHINKEL.

Sluiten