Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

saamhangt en alles wat organisch of werktuigelijk met de oppervlakte van den grond is verbonden den eigenaar van den grond behoort; dat dus liet wier vastzittende op een zeedijk toebehoort aan dien eigenaar van dien dijk (hier het waterschap Bruinisse) al heeft de eigenaar nog geen eigenlijk gezegde daad van toeëigening gedaan; dat dit niet in strijd is met de geschiedenis van art. 314 Strafrecht; dat de in het artikel zelf genoemde voorwerpen wier wegneming met bedoeling van wederrechtelijke toeëigening ,,strooperij" genoemd wordt, dit bewijzen;

0. dat feitelijk vaststaat: dat het wier (de klappers), waarvan hier sprake is, niet ronddreef of geworteld lag in de zee, maar dat het van nature bevestigd was op, met zijne wortels gehecht was aan en groeide, op de steenglooiing van den dijk, die aan het waterschap Bruinisse toebehoort;

O. dat volgens art. 626 B. W., de eigendom van den grond bevat den eigendom van hetgeen op en in den grond is, hetwelk in dien zin is te verstaan, dat hetgeen op den grond is, om aan den eigenaar van den grond toe te behooren, met den grond verbonden of daaraan gehecht moet zijn; dat, waar, zooals hier, sprake is van planten, eene verbinding met of aanhechting aan den grond door middel van wortels, de plant deel doet uitmaken van den grond (artt. 556, 562 B. W.), en mitsdien de eigendom zijn van den eigenaar van den grond ; dat het onverschillig is op welke bijzondere wijze de plant door hare wortels, op of in den grond bevestigd is en evenzeer of ze haar voedsel trekt uit den grond, de lucht of het water daar de wet die onderscheidingen niet kent; dat in dat alles ook geen verandering gebracht wordt doordat de natuur en niet de menschenha-nd de plant, het wier op de steenglooiing heeft bevestigd, daar zoowel de plant, die het voortbrengsel is alleen van de. natuur, als die welke het voortbrengsel is van bebouwing, deel uitmaakt van den grond waaraan ze gehecht is, zoolang ze er aan gehecht is; ° 0 dat mitsdien het op den dijk vastzittende wier, waarvan hier sprake is, op het oogenblik dat het werd afgesneden met wa-see-.e aan niemand toebehoorende zaak, maar als geworteld op den dijk, waarvan het waterschap Bruinisse eigenaar was, het eigendom van dat waterschap;

O. dat nu de Rechtbank het tegendeel heeft aangenomen ze daardoor genoemd art. 626 heeft geschonden ;

O. dat dit echter geen grond voor cassatie en rechtspraak ten principale zal kunnen opleveren, daar het bestreden vonnis in verband daarmede, en wel wegens gebrek in den vorm, zal behooren

te worden vernietigd; . ..

O. toch, dat de Rechtbank heeft geoordeeld, dat het ^sdrijf van strooperij hier niet aanwezig was, omdat hier ontbrak het bestanddeel van dat misdrijf: dat de weggenomen zaak aan een ander toebehoorde ; dat zij in verband met deze onjuiste uitspraak niet is getreden in een onderzoek en beslissing of des daders oogmerk op° wederrechtelijke toeëigening gericht was, hetgeen mede een bestanddeel van het misdrijf van stroo-per^ uitmaakt en uitdrukkelijk in de dagvaarding was ten laste ge.egd; dat zoodanig oogmerk niet in de bewezen verklaarde feiten ligt opges o e , allerminst hier, waar de bekl., zooals de Rechtbank deed, het wier dat hij afsneed en zich toeëigende kan gehouden hebben voor eene aan niemand toebehoorende zaak, die hij gerechtigd: was als zoodanig zich toe te eigenen ; dat de Rechtbank mitsdien het onderzoek en de beslissing omtrent het oogmerk van wederrechtelijke toftëisening dat zij naar aanleiding van de dagvaarding had behooren te doen plaats hebben, ten onrechte heeft achterwege gelaten en daardoor niet heeft nageleefd wat bij de artt, All,AZL, 223, 253 en 257 Strafvord. in verband met art. 314 Strafrecht, op straffe van nietigheid is voorgeschreven ;

Vernietigt het vonnis, door de Arrond. -Rechtbank te Zierikzee op 29 Sept. 1899 in deze zaak* gewezen ;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te S Gravenhage, om op het bestaande hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

arrondissementsrechtbank te zutphen. Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van dien 20 April 1899.

Voorzitter, Jhr. Mr. D. O. Engelen.

Rechters, Mrs. : Jhr'. J. H. J. C. Mabtens van Sevenkoven en J. I.. A. Stolk.

Officier van Justitie, Jhr. Mr. M. W. C. DE JüNGE.

De Rechtbank, en niet de Kantonrechter, is competent in zake de benoeming van den bij art. 315 B. W. bedoelden bij zonderen voogd.

J. Ie H., wijnhandelaar, wonende te Deventer, eischer, procureur Mr. W. A. Oost Budde,

tegen

1° J le H., wijnhandelaar, wonende te Deventer, in zijne hoedanigheid! van bijzonderen voogd door den heer kwt^gfe te Deventer aan na te noemen kind toegevoegd, blijkens g g . streerd proces-verbaal van 11 Juni 1898, gedaagde, procureui

Mr. O. E. van Makle ; , .... , .„

2°. G. S. gescheiden echtgenoote des eischers, gedomicilieerd 's Gravenhage, doch verblijf houdende te Amsterdam,, mede-gedaagde, procureur Mr. H. C. Pennink.

De Rechtbank enz. ;

Gezien d/stuëken, voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd; Gehoord den heer Officier van Justitie in zijne conclusie strekkende, dat het der Rechtbank behage : met voorbijgang van het

. . 1 1 ... . -l h/.vm vnnPi PAKT 1 L6 OUl*

door eischer aangeooaen geiiugtviucwij*, — zeggen met veroordeeling in de kosten dezer procedure;

Wat de feiten betreft: RPo

Overwegende dat eischer heeft doen dagvaarden op 28 Juni 189d, 1° J ie H., in zijne hoedanigheid, van bij zonderen voogd, door den kantonrechter te: Deventer, bij beschikking vun 1 Juni j.898 aan na te noemen kind toegevoegd, om met en benevens G. S gescheiden echtgenoote van eischer voor deze Rechtbank te ver schijnen, ter zake als nader hieronder wordt omschreven, en op

222°U G T gescheiden echtgenoote van den eischer om met J. le H in zijne voormelde hoedanigheid voor deze- Rechtbank te verschijnen, ter zake als nader hieronder wordt omschreven;

O. dat eischer bij dagvaarding en condus^e s elt dat eiscliers lmweliik met de 2e ged. bi} vonnis dezer Rechtbank van 5 Mei 1898 is ontbonden door echtscheiding, op grond van overspel door

die ged., welk overspel door haar is erkend geworden; dat die ged. is bevallen van een kind op 5 Mei 1898 te 's Gravenhage, waaraan zij verklaarde den naam van G. te geven ; dat eischer de vader van dat kind niet kan zijn, omdat hij sedert, meer dan 300 dagen vóór de geboorte va.n dat kind, met de 2e. ged. geen gemeenschap heeft gehad; dat de geboorte van het kind voor hem verborgen is gehouden, daar die ged. nimmer kennis heeft gegeven van hare zwangerschap en die heeft verzwegen, en nimmer mededeeling heeft geoaan van de geboorte, wat de eischer bij toeval slechts heeft vernomen, zoodat eischer het recht heeft de wettigheid van genoemd, kind te ontkennen, dat het overspel door1 G. S. gepleegd vóór althans op 8 Oct. 1897 mitsdien 208 dagen vóór de geboorte van gemeld kind is bewezen door hare erkentenis in, bovengemeld geding tot echtscheiding, en eischer bovendien aanbiedt door alle middelen rechtens speciaal door getuigen te bewijzen, dat zij in den zomer van 1897 en wel in de maanden Juni, Juli en Aug., wanneer eischer op reis was en zij met de meid: en kinderen alleen te huis was, de meid en de kinderen naar bed stuurde en N. V. bij zich ontving en deze menigmaal tot in den nacht bij haar bleef, dat zij ua,n vooraf de: deur van de slaapkamer van haren stiefzoon W. op slot draaide, zoodat die zijn kamer niet verlaten kon; dat zij in dienselfden tijd meermalen een bezoek bracht bij N. V. in diens woning, terwijl deize geheel alleen in huis was, en van daar terugkeerendë direct naar haar slaapkamer ging om haar toilet in orde te maken en dat zij in het begin van Oct. 1897 met N. V. op ééne kamer heeft geslapen in een hotel te Wiesbaden;

Redenen wa'arom eischer Vordert, dat de Rechtbank van waarde verklare des eischers ontkenning van de wettigheid van het kind waarvan G. S., de 2e ged., is bevallen te 'sGravenhage op 5 Mei 1898, met bijkomende vorderingen, ook omtrent de kosten;

O. dat de eerste ged., namelijk de bijzondere, voogd, aan het voornoemde kind toegevoegd, heeft geantwoord, dat hij de feiten niet kan ontkennen en zich refereert aan het oordeel van. de Rechtbank, onder protest tegen, kosten ;

O. dat, de 2e of mede-ged^, heeft geantwoord, dat de rechtsvordering ter ontkenning van die wettigheid, van een kind moet, worden gericht tegen ee.n aan het kind toegevoegde-n bijzonderen voogd; dat bij gebreke van bepalingen in de wet, wie die toevoeging moet doen, de: Rechtbank als de gewone rechter alleen tiot die benoeming gerechtigd is, en niet zooals hier is geschied) door den kantonrechter ; dat dus de eisch niet tegen den overeenkomstig de: wet benoemden bijzonderen voogd' is ingesteld, en de eischer niet is ontvankelijk ; dat verder ged. erkent te zijn bevallen op 5 Mei 1898 te 's Gravenhage van een zoon en daaraan den naam van G. te hebben gegeven; dat dit kind staande huwelijk verwekt is een 1.1.1 _ 1 •„ .1 . JUJ- Anmmnr. ie flil+. pflspihpr rPPlfl SS mp.pr fbl.n 7)00

WiJl/Ug JK.IIHI , U(l.l xiw """««li.

dagen vóór dte geboorte van dat kind geen gemeenschap met haar ged. heeft gehad; dat. hét ook onwaar is dat eischer gedurende de drie maanden Juni, Juli en Aug. op reis was;

dat al moge zulks in Juni misschien ook één of twee weken van Juli het geval zijn geweest die afwezigheid in Aug. niet heeft plaats gehad; dat zij tot Oct. 1897 met eischer op één kamer heeft geslapen, dat zij bovendien uitdrukkelijk ontkent de geboorte van dat kind voor eischer den vader verborgen: te hebben gehouden ; dat zij van die geboorte volstrekt geen geheim heeft gemaakt en niets heeft verricht om die geboorte voor hem verborgen te: houden ; dat zij het kind: integendeel onmiddellijk na, dë geboorte als een wettig kind van eischer en van haar ged. heeft doen aangeven ; dat eischer, die met de zwangerschap van ged. bekend was, zich daarvan niet kan afmaken door alleen en uitsluitend: iets negatiefs als :

het niet kennis geven van de geboorte te stellen;

" dat hij daartoe moet stelle t en be-wijxen peeitiewdadfen, bejittalde feiten, maatregelen of daadzaken door of vanwege ged. verricht om die geboorte voor hem op bcdrie-gelijke wijze geheim te houden ; dat ged. ontkent vóór Oct. 1897 gemeenschap als door eischer

' - ° .r «. , 111 t» „ J' .

gesteld met JN. v. ra neo^a geuciu,;

Goncludeerende deze ged. dat de eischer met-ontvankelijK zal worden verklaard, en althans dezen diens eisch zal worden ont-

^öl'dat eischer hierop verder heeft gesteld : dat de beschikking van den kantonrechter is rechtsgeldig, totdat zij is vernietigd en de eed. dësgewenscht, tegen die beschikking welke haar bij exploit van dagvaarding van 22 Juni 1898 is beteekend, krachtens art. 345 B. R-, bij request aan deze Rechtbank had moeten opkomen en niet bij conclusie in het rechtsgeding tot, ontkenning der wettigheid ; dat de kantonrechter bevoegd is de benoeming in casu te doen, zoodat hij eischer wel is ontvankelijk, dat wat de hoofdzaak betreft, uit gedaagde» eigen beweringen in dit, proces en in het proces omtrent de echtscneiding volgt, dat het kind werkelijk het product van X. V. kan zijn; dat ged. niet ontkent dat zij eischer nimmer heeft kennis gegeven van hare zwangerschap en die heeft verzwegen voor eischer en evenmin mededeeling van hare bevalling

k'dat gedaan hem eischer en aan den geneesheer op. 11 Sept. 1897, als oorzaak van ongesteldheid hoofdpijn heeft opgegeven, opzettelijk de. zwangerschap verzwijgend; dat waar ged « bevallen, te 's Gravenhage en eischer woont te Deventer, het toch zeer zeker haar plicht ware geweest, eischer van die bevalling kennis te geven en dit niet doende, gelijk zij heeft ^kend,ze® ^

bevalling voor den eischer heeft verborgen gehouden, dat nierbij rZ komt, dat ged. haar verblijfplaats steeds voot eischer heeft Verzwegen; dat ten tijde van het uitbrengen der dagvaarding tot echtscheiding, omdat ged. haar verblijfplaats met wilde bekend hebben, tus£hen haren advocaat Mr. B. L. en den advocaat des eischers werd overeengekomen, dat ged'. zou verschijnen ten kantore van Mr. B. L. te 's Gravenhage, om haar daar de dagvaarding m persoon te kunnen ÏKe« beteekeiieo ; dat eischer nadat men hem had medegedeeld, dat ged. op 5 Mei 1898 zou zijn bevallen te s Gravenhage, ten gemeentehuize te Deventer heeft geïnformeerd naar hare verblijfplaats, doch toen heeft vernomen dat die was onbekend ; dat ged. nog steeds stond ingeschreven te Deventer,; dtet eischer eenden tijd daarna, op het gemeentehuis vernam dat ged. op 3 Juni 1898 heeft verzocht om een verhmsbiljet naar Amsterd im zoodat ware haar dat, gegeven haar verblijf te s Gravenhage geheel zou zijn uitgewischt; dat het gemeentebestuur te Deventer wegerde te geven een verhuisbiljet naar Amsterdam doch op 7 Juni 1898 heeft afgegeven een ^h^et naar s Gravenha^,

1898 ingeschreven te 's Gravenhage daar omstreeks dien tijd ruet was te vinden, en eischers advocaat haar met groote moeite heeft opgespoord te Amsterdam om haar het vonnis van echtscheiding en de dagvaarding, van het kind te kunnen laten beteekenen; dat door het bovenstaande vaststaat, zoowel het voor eischer verboiuoOT v , K „i het overspel 211 dagen voor de geboorte" van het kind, mitsdien op een tijdstip dat het kind boorte eischer ook overlegt een brief var».

"rfl^Voet 1897' d'at ged. bij dien brief erkent, dat het beged. dd. • > , gaan, reeds lang was genomen, en

daarhij TOgt d. »1«'^

met ontgaan zouc e^i > voor haar vlucht, en dat

l°1ietÜt^ü Ï gewe^ zoo duidelijk mogelijk redelijk volgt uit gedaagde? brief van 7 Oct., slaande de opmerking daarin

voorkomende juist hierop dat zij in ongeveer 4 maanden geen intiemen omgang zame:n hadden gehad ; dat de waarheid is dat eischer en ged. sliepen op één kamer, ieder in een afzonderlijk bed, dat zij met hun dochtertje sliep in een bed en eischer met hun zoontje, en dat gedi. den eischer onaangenaam heeft bejegend en van zich afgiestooten gedurende ongeveer 4 maanden vóór 7 Oct. 1897 den dag van hare misdadige vlucht; dat het verder eene waarheid is, dat ged. met N. V. op den loop is gegaan, omdat zij moest bevallen en ged. wist dat dit van V. moest- zijn en niet van haren man kon zijn, omdat deze. geen gemeenschap met haar had gehad; dat eischer voor het geval de Rechtbank alsnog nader bewijs mocht noodig achten, aanbiedt te bewijzen door alle middelen rechtens speciaal door getuigen de navolgende, daadzaken :

a. ged. heeft haar verblijfplaats voor eischer verzwegen, zoodat eischer haar voor het eohtscheidingsproces door tusschenkomst, van haren advocaat, Mr. B. L. heeft moeten laten dagvaarden;

b. ge,d. heeft op 11 Sfept. 1897 ongeveer 8 maanden vóór hare bevalling tegenover haren d'octer haar zwangerschap verzwegen en haar slecht uitzien en onpasselijkheid toegeschreven aan hoofdpijnen ;

c. ged. is tot 7 Juni 1898 ingeschreven geweest in het bevolkingsregister te Deventer en heeft- 3 Juni 1898 getracht haar verhuisbiljet van Deventer naar Amsterdam over te brengen ;

d. ged. is 7 of 8 Juni 1898 ingeschreven in het bevolkingsregister te 's Gravenhage en is omstreeks dien tijd naar Amsterdam vertrokken, zonder haar verhuisbiljet daar in te leveren;

e. ged. ging in den zomer v<~a 1897 speciaal in Juiii, Juli en Aug., terwijl haar man op reis was, herhaaldelijk 'smorgens omstreeks 8 uur en 's avonds ongeveer van 6—8 uur naar V., terwijl deze geheel alleen zijin huis bewoonde;

f. ged. sloop dan door de tuindeur, zoodat geen mensch haar zien kon;

g. wanneer ged,. omstreeks 8 uur van haar bezoek aan V. tehuis kwam zag zij er vreemd uit, waren, haar en kleeding in wanorde,;

h. op een avond, toen de meid uit zou gaan en ged:. niet te huis kwam heeft de: meid twee malen gebeld, aan de voordeur van V.'s huis en werd toen door ged. opengedaan, die haar aanzag met, verwilderde oogen en een hoogroodë kleur, in één woord, er geheel ontdaan uitzag;

i. wanneer ged'. van V. kwam ging zij naar haar slaapkamer om haar toilet te maken ;

j. de meid heeft ged. eenmaal, na een bezoek bij V., aangetroffen op haar slaapkamer, terwijl zij bezig was zich te reinigen op eene eigenaardige plek van haar lichaam ;

le. de meid werd in den zomer van 1897 als eischer op reis was des avonds om 10 uur naar bed gestuurd, omdat ged. vroeger naar bed wilde;

l. eenigen tijd, nadat dè meid naar bed was gegaan, ging ged:. de trap op om te luisteren of alles rustig was en sloot dan die, deur van de slaapkamer van haar stiefzoon W., die zijn kamerdeur gewoonlijk openhad;

m. om ongeveer 11 uur des; avonds werd op het raam van de voorkamer getikt, opende ged. de voordeur, draaide het ganglicht uit, en liet V. binnen, die zacht en fluisterend binnenkwam en tot in den nacht bij haar bleef;

n. na. zijn vertrek ging ged. heel zacht en voorzichtig naar haar slaapkamer en opende onderweg wederom de deur van de slaapkamer van- haar stiefzoon W. ;

dat deze daadzaken tot de beslissing der zaak kunnen leiden;

Goncludeerende eischer, dat hij blijft volharden bij zijn reeBs genomen conclusie, en subsidiair verzoekt om tot bewijs der gestelde, of andere daadzaken door alle middelen ruchceub n.

laten;

In rechte:

O. dat in de eerste plaats te onderzoeken valt de ontvankelijkheid van den eischer, waar deze de onderhavige rechtsvordering heeft ingesteld tegen den persoon, die: door den kantonrechter als bijzonderetn voogd' is toegevoegd aan het kind wiens wettigheid in dit geding wordt ontkend;

O. daaromtrent dat art. 315 B. W. voorschrijft dat de rechtsvordering tot ontkennen van de wettigheid van een kind gericht moet worden tegen eenen bij zonderen aan dat kind toe te voegen voogd ; dat benoemingen van voogden zijn bij den kant-onrechter ;

dat echter die toegevoegde persoon met een gewonen voogd alleen den naam gemeen heeft en niet diens werkkring, omdat het hier niet geldt een minderjarig kind over wien moet worden benoemd' iemand belast met de zorg over zijn persoon, en niet het bestuur over zijne goederen, daar èn vader èn moeder in leven zijn, rnaa-r een minderjarig kind aan hetwelk, in het bijzondere geval van art. 315 B. 'W., een bijzonderen vertegenwoordiger ad hoe moet worden toegevoegd; dat bij art. 315 B. W. niet uitdrukkelijk is bepaald door w i e n die toevoeging moet geschieden ; dat echter de Rechtbank, die overigens tot velerlei benoemingen van vertegenwoordigers is aangewezen, als de gewo-ne rechter geacht moet, worden hiertoe bevoegd te zijn en niet d,e: kantonrechter wiens rechtsmacht van exeptioneelen aard is (cf. arrest Hof Leeuwarden W. 7132 en Asser en van Heusden, blz. 323. 3e (niet 1ste druk), dat dit te meer klemt, als men in het oog houdt, dat dezelfde wetgever, namelijk de wetgever van 1838 in art. 365 B W wat een vrij overeenkomstig geval regelt, nl. het geval dathet kind een tegenstrijdig belang heeft met zijn vader, dë Arrond.Rechtbank als de rechter die moet optreden,, aanwees, zoodat veeleer mag worden aangenomen, dat die wetgever in art. 31b, de Rechtbank op het oog had, dan dat hij den kantonrechter bedoelde; terwijl bovendien, nu de wetgever geen bepaalden rechter aanwijst, het rationeele is dat, waar het rechtsgeding voor de Rechtbank wordt gevoerd, ook de Rechtbank de vöörïoopige regeling, m casu de bedoelde toevoeging, in handen hebbe; dat dus de kantonrechter niet bevoegd is die bedoelde toevoeging te doen ;

O. verder, dat de toevoeging en de regeling daarvan zijn van publieke orde; dat, waar die, toevoeging, volgens vorenstaande overwegingen, is gedaan door een onbevoegde en zulk eene benoeming zonder waarde is; de onderhavige benoeming als niet beri,..worden aauo-emerkt: dat dus gerekend moet W'oiden,

dat er geen benoeming is geschied', bij welke beschouwing vervalt een onderzoek naar de juistheid' van eischers beweren, dat de beschikking van den kantonrechter, in ieder geval rechtsgeldig is

totdat zij is vernietigd; .

O. dat. waar geen voogd is toegevoegd, eischer is met-ontvankelijk in zijne vordering;

Rechtdoende: . .. , .

Verklaart eischer niet-ontvankelijk in zijne voidering ; Veroordeelt hem in de kosten.

(Gepleit door de procureurs van partijen).

(Van dit vonnis is geappelleerd).

Sluiten