Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KANTONGERECHTEN.

KANTONGERECHT TE ZWOLLE.

Zitting van den 28 November 1899.

Kantonrechter, Mr. H. G. Jordens.

Art. 925 B. IV. geeft geen recht tot opvordering van makingen aan armen-inrichtingen ten behoeve van door haar bedoelde armen.

Het door het eischend bestuur gedaan beroep op dit artikel mist bovendien in deze procedure alten grond, omdat de erfstelling is gemaakt niet aan de armen zonder nadere aanduiding, maar aan de R. K. armen te Zwolle.

Wij kantonrechter enz. ;

Gezien de stukken des gedings;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien, van zijde des eischers bij monde van Mr. P. A. v. d. Biesen en van zijde der gedaagden bij monde van Mr. J. v. Setten;

Ten aanzien der feiten :

Overwegende dat het eischend bestuur bij dagvaarding heeft gesteld, dat nu wijlen Philip, ook genaamd Pliilippus de Horst, bij testament dd. 5 Sept. 1892, voor notaris Wicherlink te Zwolle verleden, heeft gelegateerd aan de roomsch-katholieke armen te Zwolle de som van f 150, uit te keeren drie maanden na het overlijden van zijne bij gemeld testament ingestelde erfgename M. Polak; dat Ph. de Horst is overleden te Zwolle 30 Oct. 1898 en zijne echtgenoote en erfgename M. Polak eveneens te Zwolle den 6 Nov. 1898; dat door de erfgenamen van M. Polak, als getreden in de rechten en verplichtingen van deze en als zijnde derhalve op hen de verplichting tot uitkeering van het door Ph. de Horst besproken legaat, aan de roomsch-katholieke armen te Zwolle overgegaan meergenoemd legaat ad f 150 aan den legataris moest zijn uitgekeerd drie maanden na het overlijden van M. Polak, te weten 6 Febr. 1899; dat aan den eischer'den len Febr. 1899 de koninklijke machtiging is verleend tot aanvaarding van meergemeld legaat; dat de erfgenamen van M. Polak tot heden onwillig', immers in gebreke zijn gebleven gemeld legaat aan den eischer af te geven, niettegenstaande sommatie van den deurwaarder B. de Marcas dd. 6 Sept. 1899; dat mitsdien de ged. bij vonnis van s. dit kantongerecht, uitvoerbaar bij voorraad, zullen worden ver¬

oordeeld om aan den eischer tegen kwijting af te geven de som van f 150 met de wettelijke renten daarvan van den dag der dagvaarding tot aan de voldoening toe en in de proceskosten;

O. dat de gemachtigde van het eischend bestuur ten dienende dage overeenkomstig deze dagvaarding heeft geconcludeerd, waarop door den gemachtigde der gedaagden is geantwoord, dat het den eischer — het roomsch-katholiek parochiaal armbestuur te Zwolle — gelust heeft eene rechtsvordering in te stellen tegen de gezamenlijke erfgenamen en in eens van wijlen mej. M. Polak, in leven weduwe van den heer Philip, ook wel genaamd Ph. de Horst, hiertoe strekkende „dat de gedaagden bij vonnis van dit

Jvantongereclit, uitvoei-Daar dij voorraad, zuilen worden veroordeeld om aan den eischer tegen kwijting af te geven de som, van f 150, cum usuris et expensis, en zulks op grond, dat genoemde Ph. de Horst, wiens plaats de gedaagden als erfgenamen zijner na hem overledene, door hem tot universeele erfgename ingestelde

r vrouw rechtens innemen, aan de roomsch-katholieke armen te Zwolle een legaat ten bedrage van genoemd bedrag van f 150 heeft gemaakt''; — dat deze vordering, zooals zij' is ingesteld, zeer zeker is niet-ontvankelijk ; dat immers een eischer slechts dan zijn eisch zal kunnen volgen, wanneer de door hem, aangevoerde feiten het rechtsgevolg hebben, dat zijn eisch moet worden toegewezen — maar aan de onderhavige vordering obsteert het rechtsmiddel van niet-ontvankelijkheid, bekend als het ,,non tibi competit actio" ; — dat gedaagden ten betooge van de juistheid dier stelling 's rechters aandacht vestigen op het feit, dat aan de roomsch-katholieke armen te Zwolle een legaat is gemaakt, welk feit nog volstrekt niet aan eenig armbestuur, veelmin aan het eischend armbestuur, het recht geeft de bij art. 1005 B. W. bedoelde actie in te stellen; dat immers noch op art. 925 ibidem, noch op eenig ander artikel van het B. W. daarvoor met vrucht een beroep kan worden gedaan ; dat de testator, een legaat makende aan de roomsch-katholieke armen, zich daarbij duidelijk heeft uitgesproken, id est, daarbij op onomwonden wijze zijnen wil heeft

„o ivciiuci, gegeven, dat de door nem gelegateerde som aan ben ten goede zal komen — maar dit nog in geenen deele medebrengt, dat daarom die som aan het roomsch-katholiek parochiaal armbestuur zoude moeten worden uitgekeerd, vermits des erflaters bedoeling zeel goed kan beieikt worden zonder eenige de minste inmenging van zijde van dat bestuur; — dat, mogen ook meerdere malen daarmede strijdende meeningen verkondigd zijn, zoo in doctrina, als rechtspraak, gedaagden, met bescheidenheid'maar met overtuiging, een tegenovergestelde leer aan 's rechters uitspraak onderwerpen;

dat gedaagden verder zeer subsidiair, voor het geval de kantonrechter het voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid niet gegrond mocht oordeelen, de aandacht er op vestigen, dat het legaat is gemaakt aan de roomsch-katholieke armen te Zwolle, id est, aan alle roomsch-katholieke armen aldaar, dus niet enkel A aan d i e armen, die het eischend bestuur bedeelt; — dat ook deze omstandigheid aan toewijzing van de ingestelde vordering in den weg staat, vermits het eischend bestuur slechts nagenoeg de helft der roomsch-katholieke armen bedeelt en de andere helft ten laste der gemeente Zwolle laat, die die andere helft dan ook bedeelt; — dat nu te vergeefs het beweren gevoerd zoude worden, dat de erflater slechts de door het roomsch-katholiek parochiaal armbestuur bedeelde armen heeft willen begiftigen, vermits 1°. de hoogst algemeene woorden van het testament zich daartegen verzetten en 2°. 's erflaters bedoeling daarmede blijkbaar in strijd is; — dat toch ten tijde dat hij zijn testament maakte (1892) alsnog de op den 13 Maart 1855 tusschen het gemeentebestuur van Zwolle en het eischend bestuur getroffen regeling van kracht was, luid welke laatstgenoemd college tegen het ontvangen van de gemeente van een jaarlijksche subsidie, welke bijvoorbeeld in 1896 f 3543.75 bedroeg, alle tot zijne gezindte behoorende armen bedeelde — doch het eischend bestuur die regeling tegen r " 1 Jan. 1897 aan de burgerlijke gemeeflte heeft opgezegd — vooi <Je subsidie heeft bedankt — maar dan ook sedert dien tijd nagenoeg de helft der roomsch-katholieke armen onverzorgd en onbedeeld ten laste van de burgerlijke gemeente heeft gelaten, welke laatste die andere helft der roomsch-katholieke armen dan ook ge. regeld bedeelt; dat deze bijzonderheden, uit den aard der zaak winder of in het geheel niet aan den erflater bekend zijn geweest en die zoo voor de hand liggende onbekendheid hem, zijne testamentaire beschikking ten aanzien van de roomsch-katholieke armen van 1892 dan ook niet heeft doen wijzigen, zoodat moet ■worden aangenomen, dat slechts overeenkomstig zijne bedoeling , Wordt gehandeld, wanneer het gemaakte legaat naar evenredig¬

heid, van de respectievelijk ten laste van de burgerlijke gemeente

en ten laste van het eischend bestuur komende roomsch-katholieke armen, wordt verdeeld; — dat de benoemde executeur-testamentair, de heeir H. Gosschalk, indertijd zulks aan het eischend college heeft aangeboden, maar dit liever alles wilde hebben, waarop het echter om de aangevoerde redenen geen recht heeft; zoo contra-concludeeren gedaagden ; dat het eischend college nietontvankelijk zal worden verklaard in zijne vordering, immers dat deze aan het zelve zal worden ontzegd met zijne veroordeeling in de kosten der proceduren;

O. dat de gemachtigde van het eischend bestuur bij repliek nader de vordering heeft aangedrongen en onder verwijzing naar art. 925 B. W. als -grondslag der vordering heeft betoogd, dat in verband met de bepalingen der wet van 28 Juni 1854 (Stbl. 100) het eischend bestuur alléén recht tot opvordering van het legaat heeft, en dat door niemand anders kan geschieden, daar het gemeentebestuur geen armen-inrichting is;

O. dat partijen over en weder nader hunne sustenuen hebben toegelicht, waarna door ons vonnis is bepaald op heden ;

Ten aanzien van het recht:

O, dat naar aanleiding der gevoerde litis contestatie door ons allereerst de vraag behoort beantwoord te worden: Heeft het eischend bestuur op grond van art, 925 B. W. recht om het door den erflater aan de roomsch-katholieke armen besproken legaat van de gezamenlijke erfgenamen te vorderen ?

Gemeld artikel van het B. W. luidt woordelijk: ,,De uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de armen zonder nadere aanduiding, wordt geacht gemaakt te zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke, in de

piaats waar de eriems is opengevallen, door armen-inrichtingen bedeeld worden" en in navolging van alle ons bekende meemingen van schrijvers en van de naar aanleiding' van dit artikel gewezen rechterlijke uitspraken neemt het eischende bestuur aan dat door dit artikel aan armen-inrichtingen een recht tot opvordering van makingen, aan door haar bedeelde armen besproken, zoude zijn gegeven. Deze meening is onzes inziens onjuist en in strijd met den geest en den letter van onze wet. In strijd met den geest van ons erfrecht, omdat waar de wilsuiting, de bedoeling van den erflater duidelijk is, hiervan niet mag worden afgeweken en dus bij een erfstelling ten behoeve van dearmen hiervoor niet in de

plaats mag worden gesteld ten Denoeve eener armeninrich t i li g. Had de erflater dit gewild of gewenscht, dan zoude hij zulks in zijn uitersten wil hebben kunnen bepalen, art. 947 B. W. vooronderstelt dergelijke erfstellingen. Mede is die opinie in strijd met de letter der wet, omdat art. 925 bepaalt dat makingen aan de armen zijn ten behoeve van de noodlijdenden. Ware het gevoelen des eischers iuist, dan zoude de

wet hebben moeten luiden: zijn ten behoeve der armeninrichtingen;

Het artikel beoogt alleen wegneming' van twijfel, wat de strekking is eener making aan de armen zonder nadere o mschrijving, evenals het daaraan voorafgaand artikel bepaalt, wat onder ,,naaste bloed" en ,,naaste bloedverwant" moet worden verstaan. Al mogen nu ook de bewoordingen van dit artikel wetenschappelijk moeilijk te verdedigen zijn, toch blijkt er uit dat de wetgever de makingen aan de armen toewijst niet aan armeninrichtingen, maar aan bepaalde categoriën van behoeftigen, daardoor uitsluitend b.v. onvermogenden verpleegd in godshuizen, hofjes en diergelijke inrichtingen. Mede maakte de wetgever door dit artikel een einde aan de vraag, of dergelijke makingen bij uitsluiting de armen van het kerkgenootschap des erflaters op het oog hadden.

Ook voor de mogelijkheid om de making op te vorderen behoeft geen verkrachting van de woorden van dit artikel plaats te vinden ; hoewel met eenige bezwaren gepaard, is opvordering dooide begiftigde armen alleszins denkbaar en mogelijk.

Het door het eischend bestuur gedaan beroep op dit artikel mist bovendien in de onderhavige procedure allen grond, door dat de erfstelling niet is gemaakt aan de armen zonder n a d e r e aanduiding, maar aan de roomsch-katholieke armen te Zwolle, de making is dus bepaald en begrensd en het eischend bestuur had moeten beweren of bewijzen, dat het wettig of wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de ingestelde legatarissen is om ontvankelijk te zijn in de ingestelde actie.

Vermits dit niet is geschied en ook ons geen wettelijke bepalingbekend is, welke gemeld bestuur bevoegd zoude maken voor en namens de legatarissen in rechten op te treden, behoort het nietontvankelijk verklaard te worden in de tegen de gedaagden ingestelde vordering ;

Gezien de aangehaalde wetsartikelen en art. 56 B. R.;

Verklaren het eischend bestuur niet-ontvankelijk in zijne vordering en verwijzen het in de kosten.

(Ontleend aan de Pr. Overijsselsche en Zwolsche Courant van 30 Nov. 1899).

NEDERLANDSCHE LITERATUUR.

Internationale Wetgeving voor het Vervoer op Door-Cognoscement, door W. Pi.uiigers, Lid der Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam (Rotterdam, sine die) 23 blz.

Om twee redenen, voldoe ik gaarne aan het verzoek tot aankondiging van dit geschrift. Vooreerst, is deze stem uit den handel op zich zelf een heuglijk verschijnsel. Alle recht is levensregel, en onderstelt bouwstof van buiten aangebracht. Zeer in het bijzonder geldt dit voor het verkeersrecht, met zjjne reusachtige afmetingen, zijn snellen ontwikkelingsgang, zijn onuitputtelijk scheTmins-svermoe-en. Hier moet de koon-

man den rechtsgeleerde gestadig ter zijde staan, zal deze de zekerheid hebben, dat de Proteusgestalte der practijk den van nature bedachtzamen gang der theorie niet overvleugelt.

De tweede reden is van bij zonderen aard. In 1885, schreef de Nederl. Juristenvereniging, ter behandeling, het thema uit, in dit geschrift ontvouwd. Hare praeadviseurs legden haar een tweeledig betoog, met tweeledige conclusie, voor. Mr. Loder zag in het door-cognosoement eene bron van rechten en plichten (voor vervoerder, aflader, geconsigneerde), maar rijp voor wettelijke regeling achtte hij het niet. Door mij daarentegen werd betoogd, dat het door-cognoscement niet is de wet van, maar de wet voor het vervoer. Geleidelijke wettelijke tusschenkomst scheen mij nuttig, ten einde het te maken tot de wet van het vervoer. Na kort debat, achtte de Vergadering wettelijke onthouding raadzaam. De heer Pluijgers daarentegen kiest partij aan mijne zijde :■ hij acht voor het door-cognosecment „wettelijke regeling mogelijk en dringend noodig" (5).

In beginsel, zijn wij dus medestanders. De vraag echter is, of zijne opvatting van het rechtsinstituut, dat met den naam :

door-cognoscement wordt aangeduid, wel genoegzamen feitelijken grondslag heeft. En wanneer ik zeg: de vraag, is dit niet eene redefiguur, maar de uitdrukking eener wezenlijke behoefte aan voorlichting, die men verwachten mag van „een handelsman, die veel met door-cognoscementen °te maken heeft" (5).

Die behoefte zal duidelijk worden, wanneer ik, met de deur in het huis vallend, zeg, dat hetgeen de schrijver door-cognoscement noemt, volgens mij saamgesteld vervoer is.

Op drie hoofdbeginselen immers , is zijn schema van regeling gebouwd: ö 8

1°. Voorafgaande zekerheid, welk vervoermiddel gebruikt worden zal, met behoorlijke qualifioatie des onderhandelenden eersten vervoerders of van diens agent.

2 . Constateering van den toestand der goederen, telkenreis op ieder tusschenstation.

5°. Behoud van ieders aansDrakeliiklieid naar ,1a Har,.

rende grondstellingen, voor den zeevervoerder, met schip en vracht, voor den landvervoerder, algeheel.

Men ziet liohteljjk, dat de klem en de kracht en de ziel van dit stelsel is gelegen in het eerste punt. Dit sleept de andere zoozeer met zich, en maakt de regeling daarvan zoo natuurlijk, dat men schier geneigd is, als tot Hamlet, te zeggen : there needs no ghost come from the grave, to teil us this, milord.

Men stelle zich voor, als object van door-cognoscement: rail, steamer, rail. A, agent in Philadelphia, is door alle drie met name gemachtigd, en alle drie zijn door A met name aangewezen. Wat wonder, zoo de ontvanger in Keulen, in het bezit der eventueele schade-documenten, precies weet aan wien hij zich te houden, en welke vergoeding liij te wachten heeft? Maar is dit: vervoer op door-cognoscement?

liet kenmerkende daarvan zagen wij tot dusver hierin, dat wèl de agent is gequalificeerd, maar geenszins ge houdenwil zijn aan een bepaald vervoermiddel, terwijl het goed daarentegen „door" moet, is schip X er niet, dan met schip V. Vandaar de rechtsvragen i is het doorcognoscement : expeditie of vervoer ? — met al den aankleve van dien. Hebben wij ons nu in die feitelij ke voorstelling vergist? Is het mogelijk, is het voldoende, strookt het met des handels bedoelingen, wèl zich te binden aan, maar dan ook te wachten op een bepaald, vooraf aangewezen vervoermiddel, dan — ja dan is des schrijvers schema (dat ik nu maar en gros beschouw) zeer rationeel. Zóó rationeel, dat liet goed noch kwaad kan, want tot die regeling komen we vrijwel met algemeene rechtsbeginselen, zonder dat wij den wetgever behoeven lastig te vallen.

Ik zou er mij dan ook in verheugd hebben, dat een moeilijke vraag, door feitelijk misverstand ontstaan, opgeruimd is — wij houden er nog altijd genoeg over — ware het niet, dat de schrijver zelf mij reden tot aarzeling gegeven had.

Hij zegt: „Ik heb dikwijls gehoord, dat eene wetgeving, die de rechten en verplichtingen van inladers-ontvangers tegenover vervoerders (en omgekeerd) en van de vervoerders onderling in bijzonderheden regelde, het voortbestaan van het doorvervoer onmogelijk zou maken of eene monopolie zou scheppen voor vaste stoomboot-liinen. Wan Tiftftr fiv ftftn wpt

kwam, waarbij ieder der vervoerders bij doorvervoer betrokken, hoofdelijk aansprakelijk zoude zijn voor het geheele vervoer, dan zouden alleen vaste lijnen aan het doorvervoer kunnen deelnemen. De spoorweg-maatschappij te Kansas City zou alléén door-cognossement ten vervoer via Philadelphia kunnen afgeven, wanneer zij met een bepaalde stoomvaartlijn of een bepaalden reeder te Philadelphia een overeenkomst had, dus niet meer zoogenaamde „wilde" booten (vraclitbooten, niet in vaste lün varende) kunnen irebruiken tot Vfti'dfir vpii'vnp.r "Hof

is m. i. geen bezwaar. Naast het wettige door-cognossement zal het tot heden gebruikte onwettige door-cognossement blijven bestaan: wanneer de wet aan de vervoerders, die goederen op door-cognossement in wettigen vorm aannemen meerdere verplichtingen oplegt, dan zal de vracht, voor zulk doorvervoer, hooger zijn dan voor doorvervoer, niet geschiedende, volgens de eischen van de wet. Naast een wettig doorvervoer over vaste lijnen, zal blijven bestaan een niet wettelijk geregeld doorvervoer, zooals tot nu toe plaats heeft, waarvoor de belooning minder zal bedragen, m. a. w. de vracht lager zal zijn, dan voor het vervoer, voldoende aan de eischen der wet. De handel zal dan de keuze hebben tusschen een door-cognossement in den zin der wet, dus met meerdere rechtszekerheid, tot hooger vracht, en een onzeker, gevaarlijk vervoercontract tot lager vracht. Verkiest men het laatste, men doet het a ses propres risques et périls" (14).

Tot meer dan éénen twijfel, geeft dit betoog aanleiding.

De schrijver wil eene wet „waarbij ieder der vervoerders bij doorvervoer betrokken, hoofdelijk aansprakelijk zoude zijn voor het geheele vervoer". Kennelijk'is bedoeld — en curieus is inderdaad, dat het teekenende woord, het woord, waarop hier alles aankomt, is uitgevallen — voor het geheele onmiddellijke vervoer. In zoodanige wet ziet de schrijver niet een bezwaar.

De schrijver stelt derhalve eene regeling voor, die, ook z ij n s er achten s, tot noodwendig gevolg heeft, dat alleen ten aanzien der zeebeurtvaart — de gevestigde lijnen — een door-cognoscement kan worden afgesloten, terwijl het doorcognoscement in „wilde" vaart, alsdan „onwettig" heeten zal.

De vraag is, wat verstaat de schrijver onder die aanduiding? Het feitelijk gevolg, dat de schrijver van zijne regeling wacht: lagere vrachten daar, lioogere hier, een gevolg, waarop lijj het volle licht doet vallen, is mij onverschillig. Dit moet de handel zelf weten, Welk rechtsgevolg echter heeft het door den schrijver verstooten door-cognoscement, zonder voorafgaande sclieepsaanwijzing ?

In rechtstaal beduidt onwettig : zonder rechtsgevolg. Heeft de schrijver daarop het oog? Ik kan hot tiiet p-eloovoo

Zijne regeling ware alsdan eene onduldbare tirannie. Met welk recht vermeet zich de wetgever, ten aanzien eener in zich zelf geoorloofde handeling, maatregelen voor te schrij ven, die uitloopen op krasse en uitsluitende bescherming der zeebeurtvaart ? Met welk recht treedt de wetgever op als tuchtmeester van den handel, en slaat dezen eigendunkelijk in een gareel? Met welk recht plaatst zich de wetgever op den stoel van partijen, en stelt hij volwassenen, die opperbest uit eigen oogen zien kunnen, onder zijne voogdij.

Of zal het „onwettige" door-cognoscement niet zijn zonder rechtsgevolg, doch alleen maar missen het rechtsgevolg, dooiden schrijver, in zijne regeling, ontwikkeld? Dan voorzeker is de zaak onschadelijk, uit liet oogpunt van wetstechniek en staatstusschenkomst, maar, dan lijkt zij ontzaglijk op een vérité de M. de Palisse. Bijaldien gij door-cognoscementen omschrijft als aaneengeschakeld vervoer met vooraf aangewezen vervoermiddelen, is het vrij duidelijk, dat aaneengeschakeld vervoer met n i e t-vooraf aangewezen vervoermiddelen

Sluiten