Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7397.

mendaal, is requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Haarlem van den 2 Nov. 1899, waarbij hij is schuldig verklaard aan het door iemand tot aangifte voor de personeele belasting, gehouden niet volledig nakomen zijner verplichting' en hij te. dier zake, met toepassing van de artt. 25, 41 ie lid, 45, 72 § 1, le en 2e lid der wet van 16 April 1896 (Stbl. n°. 72), de artt. 23 Strafrecht, 211 en 214 Strafvord., is veroordeeld tot eene geldboete van f 80, met bepaling dat de geldboete, bij gebreke van betaling binnen twee maanden na den dag, waarop het vonnis kan worden ten uitvoer gelegd, zal worden vervangen door 20 dagen hechtenis.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Eijssell, heeft de adv.-gen. Patijn de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heertn!

Req. in deze werd door de Arrond.-Rechtbank te Haarlem veroordeeld ter zake van het door iemand, tot aangifte voor de personeele belasting' gehouden, niet volledig nakomen zijner verplich-

ting. ......

Tempore utili gekomen in cassatie stelde hij bij memorie als

cassatie-middelen voor :

1°. Schending of verkeerde toepassing van art. 398 Strafvord. in verband met de artt. 391 en 392 en niet-toepassing van de artt. 406 en 407 van dat Wetboek.

2°. Schending immers onvoldoende toepassing van de artt. 221 en 211 Strafvorcl.

a. omdat uit de motieven van het vonnis, hoegenaamd met blijkt, of en waarom hij krachtens artt. 25 of 26 der wet van 16 April' 1896 (Stbl. n°. 72) belastingplichtig wordt geacht;

b. omdat de Rechtbank geen acht heeft geslagen, althans met lieeft gemotiveerd de verwerping van het door req. blijkens proces-verbaal der terechtzitting gedaan beroep op het zijn belastingplicht en diensvolgens zijne strafbaarheid, wegens het niet doen van aangifte, uitsluitend feit, dat requirant s zoon als belastingplichtig houden van hetzelfde paard dit voor de personeele belasting voor het jaar 1899 heeft aangegeven, te dier zake voor het belastingjaar 1899 in die belasting is aangeslagen en de veischuldigde belasting voor de helft heeft voldaan.

Het zijn alle vormmiddelen en aangezien m. i. zeer stellig het sub 2°. b. aangevoerde op zich zelf voldoende is om tot cassatie van het in deze gewezen vonnis te leiden, veroorloof ik mij daarbij uitsluitend stil te staan.

Uit het proces-verbaal der terechtzitting blijkt in de daad, dat bekl. ter zijner verdediging heeft aangevoerd hetgeen in het middel vermeld wordt, maar uit het vonnis blijkt hoegenaamd niet, dat de Rechtbank op die verdediging heeft acht geslagen en op welken grond zij die heeft verworpen.

De Rechtbank heeft daardoor artt. 221 j°. 211 Strafvord. geschonden en ik heb mitsdien de eer te concludeeren, dat uw Raad het in deze gewezen vonnis zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshot te Amsterdam, om op de bestaande dagvaarding te worden berecht en afgedaan.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

1°. Schending of verkeerde toepassing van art. 398 btraivora. in verband met de artt. 391 en 392 en niet-toepassing van de artt. 406 en 407 van dat Wetboek;

2°. Schending, immers onvoldoende toepassing van de artt. 221 en 211 Strafvord. ;

Overwegende dat bij het bestreden vonnis ten laste van den req. bewezen is verklaard „dat hij te Overveen, gemeente Bloemendaal in de maanden Febr. en Maart 1899 heeft gehouden een paard vosruin, waarvan de laatste melktand is vervangen door een snijtand, niet uitsluitend gebezigd wordende voor de uitoefening van een beroep of bedrijf ten aanzien van welk paard de volgende bevindingen zijn gedaan: dat bekl. met genoemd paard, gespannen voor een rijtuig op veeren en zelf het paard mennende reed op 13 Febr. 1899 des voormiddags 10 uur op den Zijlweg te Haarlem (volgen nog 5 dergelijke opgaven van tijd en plaats van gebruik); dat bekl. met betrekking tot het belastingjaar 1899 voor de personeele belasting geen aangifte heeft gedaan van genoemd paard vos ruin" ;

dat de Rechtbank het bewijs van „de feiten aan den bekl ten laste gelegd, zoomede zijne scliuld er aan ontleend heeft, behalve aan requirants bekentenis en aan eene ambtseedige verklaring van den ontvanger der directe belastingen te Haarlem, aan een „ter terechtzitting voorgelezen door de commiezen der directe belastingen E. en v. d. H. op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal dd. 17 Maart 1899 waarin staat gerelateerd al hetgeen in de dagvaarding omtrent de bevindingen dezer beambten betrekkelijk het gebruik van een paard door bekl. in de maanden Febr. en Maait van dit jaar is vermeld" ; .

O. dat tot toelichting van het tweede middel onder letter U is aangevoerd, dat de daarbij genoemde artikelen geschonden of verkeerd toegepast zouden zijn: „omdat de Rechtbank geen acht heeft geslagen op, althans niet heeft gemotiveerd de verwerping van het door den req. blijkens het proces-verbaal der terechtzitting gedaan beroep op het zijn belastingplicht en diensvolgens zijne strafbaarheid wegens het niet doen van. aangifte uitsluitend telt, dat requirants zoon als belastingplichtig, houder van hetzelfde paard dit voor de personeele belasting over het jaar 1899 heelt aangegeven, te dier zake over liet belastingjaar 1899 m die belasting is aangeslagen en de verschuldigde belasting voor de helft heeft voldaan";

O. hieromtrent, dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt, dat de req. aldaar heeft verklaard als volgt:

„Ik erken het hier besproken paard niet voor de personeele belasting aangegeven te hebben en wil eenvoudig om deze reden dat het paard het eigendom is van mijn zoon" ;

dat hierop in genoemd proces-verbaal volgt:

„Bekl. legt aan de Rechtbank een aanslagbiljet voor de personeele belasting over waaruit blijkt dat zijn zoon is aangeslagen en die belasting voor de helft heeft betaald;

„Bekl. verklaart verder bedoeld paard nog al eens bestuurd te hebben omdat zijn zoon eenigszins bang was .om met dat paard te

11 dat hieruit volgt, dat de req. aan zijn erkentenis, het paard o-ebruikt en niet voor de belasting aangegeven te hebben, heeft toegevoegd : dat dit paard aan zijn zoon toebehoorde en door dezen voor de belasting aangegeven was ;

dat hij, req., overgelegd heeft een aanslagbiljet voor de personeele belasting' ten name van zijn zoon en hieruit bleek, dat door dezen de verschuldigde belasting voor de helft betaald was ,

O dat onder deze omstandigheden het door den req. aangevoerde, dat zijne verplichting tot aangifte geheel zoude kunnen doen wegvallen, een onderwerp van 's rechters onderzoek had be-

hooren uit te maken; , ,,

dat nu in het vonnis met geen woord daarover gesproken wordt, het vonnis niet voldoende met redenen is omkleed en de m het middel aangehaalde artikelen zijn geschonden;

O. dat vermits uit dien hoofde het bestreden vonnis moet worden vernietigd, alle verder onderzoek naar het al of niet gegronde van het tweede middel onder letter a en van het eerste middel komt te vervallen;

Vernietigt het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te haarlem, den 2 Nov. 1899 in deze zaak gewezen;

Rechtdoende krachtens art. 106 R. O. :

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam om op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 4 December 1899.

Voorzitter, Mr. J. Spook.

Raadsheeren, Mrs. : J. C. J. Ridder van Rappard, J. B. J. N. Ridder de van der Schueren, H. van Manen en A. van Laer.

Waar het bestaan der garantie zelve niet bewezen is, is de actie, ingesteld wegens contra-garantie, niet voor toewijzing vatbaar.

(Zie het vonnis a quo in W. 7195).

De Handelsvennootschap onder de firma W. Schulze & Co. te Galashiels in Schotland, appellante, procureur Mr. B. M. Vlielander Hein,

tegen

J. 0. F. W. Schmid, koopman te Rotterdam, geintimeeade, procureur Mr. M. F. de Pixto, (gepleit door Mr. M. Tels uit Rotterdam).

Het Hof enz.;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken voor zooveel noodig geregistreerd;

In rechte:

Overwegende dat de oorspronkelijk ged., thans geint., de vordering op twee gronden heeft tegengesproken :

1°. dat de garantie van Faldeiz niet bewezen is;

2°. al ware het anders, dat hij ged. toch niet verplicht zoude zijn te betalen als contra-garant voor Faldeiz ;

O. dat de Rechtbank zich met het eerste verweer vereenigend de vordering van de eisclieresse thans app. heeft ontzegd, zonder in een onderzoek te treden omtrent hetgeen door partijen omtrent den tweeden grond van verweer in de stukken was aangevoerd;

O. dat de app. zich door die beslissing gegriefd acht, bepaaldelijk omdat de Rechtbank besliste : dat waar geint. in judicio het bestaan van eenen borgtocht van Faldeiz heeft betwist en app. het objectief bestaan van die garantie niet heeft bewezen, de actie op contra-garantie gegrond voor toewijzing niet vatbaar is; O. dat de app. voor haar grief twee gronden heeft aangevoerd : i°. dat, al ware het juist dat het door Faldeiz onderteekende geschrift niet bevatte eene garantie voor Athanasion ten behoeve der .-app., die borgtocht, ten opzichte van den geint. toch als bewezen moest worden aangenomen, op grond der in het proces overgelegde van dezen afkomstige brieven ;

2°. dat al ware het anders de Rechtbank niet uit het oog had mogen verliezen, dat de geint. zelf den garant voor de app. had aangenomen, zoodat hij zich tegenover de app. nooit op het ontbreken der garantie mocht beroepen ;

O. ad primum: dat bij de beoordeeling van dezen grond van het appel, zich t wee vragen ter beantwoording voordoen namelijk, of in ons recht van eene schriftelijke buiten gerechtelijke bekentenis sprake kan zijn, en of het feit dat Faldeiz zich ten behoeve van de app. borg stelde, tegenover den geint. als bewezen kan worden aangenomen op grond van hetgeen hij daaromtrent erkende in zijne aan de app. gerichte brieven ;

O. daaromtrent, dat het Hof van oordeel is, dat het omtrent die beide vragen geene beslissing behoeft te geven, omdat, al moesten beide bevestigend worden beantwoord, toch in casu het verlangde bewijs niet zoude zijn geleverd;

O. immers dat de geint. op alleszins aannemelijke gronden is teruggekomen op de erkentenis, die in zijne brieven kan zijn neergelegd;

O toch, dat hij ten processe heeft gesteld, zonder dat zulks door zijne tegenpartij is weersproken; dat de bestelling door Athanasion gedaan aan de app., door deze reiziger Beerens is afgesloten, die hem geint. daarvan kennis gaf en hem: tevens den garantie brief van Faldeiz ter hand stelde; dat hij vertrouwende op den reiziger, dat stuk, zonder het in te zien heeft weggeborgen, en op verzoek van app. aan deze heeft toegezonden, dat hij de in proces overgelegde brieven heeft geschreven, steeds in den waan verkeerende, dat Faldeiz zich op deugdelijke wijze ten behoeve der app. als borg had verbonden en dat lnj in dien zelfden waan, verkeerende zijne contra-garantie voor Faldeiz heeft aangeboden, doch dat hij geruimen tijd daarna tot de wetenschap is gekomen, dat het door Faldeiz onderteekende stuk niet was een deugdelijke garantie brief, maar een geschrift van geheel andere strekking ;

O. dat, waar zooals boven reeds is overwogen het Hof oor deelt, dat de geint. door deze niet weersproken verklaring, op aannemelijke gronden is teruggekomen op den inhoud der geproduceerde 'brieven de eerste grond voor liet appel moet worden verworpen ;

O. ad 2um: dat het Hof in de ten processe overgelegde correspondentie tusschen app. en geint. het bewijs niet vindt van het door app. in de 2e plaats aangevoerde feit; dat de geint. zelf voor de app. Faldeiz als garant heeft aangenomen ■,

O. dat de app. dit bewijs volledig geleverd acht door den brief door geint. aan haar geschreven op 24 Juni 1892, waarin hij schrijft: dat Faldeiz naar alle ingekomen berichten goed was, en dat hij (geint.) hem niet als borg zoude hebben aangenomen, zoo de berichten omtrent hem niet zoo gunstig waren geweest, welke berichten hij eigenlijk zelfs niet noodig had, omdat hij den man sinds lang genoeg kende; , ,

O. dat de geint. aan den inhoud van dien brief deze beteekems hecht, dat zoo liij Faldeiz niet goed achtte, hij den reiziger Beerens zoude hebben gezegd, den man niet als borg aan te nemen, en den hem ter opzending overhandigden garantie brief niet zoude hebben geaccepteerd;

O. dat deze uitlegging door den geint, aan den inhoud van zijn eigen brief gegeven, den Hove alleszins aannemelijk voorkomt, daar toch de app. in haar brief van 5 Mei 1892 aan den geint. gericht (zijnde de eerste brief tusschen partijen over deze zaak gewisseld) schrijft:

„Herr Beerens sendet uns verschiedene orders von dort und bemerken wir foJgendes : Athanasion—Danon : diese beide orders künnen wir nicht in Angriff nehinen bis wir die Garantie briefen der Garanten in Handen haben", waaruit moet worden afgeleid, dat Beerens vóórdat nog geint. in de zaak was gemoeid, bestellingen had ontvangen en daarvoor borgen had aangenomen;

O. dat hieruit volgt, dat het Hof niet bewezen acht, dat de geint. zelf den borg voor app. heeft aangenomen, zoodat een onderzoek naar de gevolgen van dat feit zoo het bewezen ware, kan achterwege blijven;

O. dat het Hof op deze gronden den tweeden grond voor het appel aangevoerd, verwerpt;

O. dat uit het voor overwogene volgt, dat het Hof van oordeel is, dat de Rechtbank op goede gronden de vordering der eischeres thans app. heeft ontzegd, daar waar het bestaan der garantie niet bewezen is, de actie ingesteld wegens contra-garantie niet vooi toewijzing vatbaar is;

O. dat bij' deze beslissing het Hof niet behoeft te treden in een onderzoek naar hetgeen verder in de stukken tusschen partijen is gedebatteerd;

O. dat de app. nog bij incidenteele conclusie heeft verzocht, zoo het Hof dit noodig mocht achten te worden toegelaten tot het bewijs van drie in die conclusie geformuleerde feiten;

O. daaromtrent, dat het Hof die feiten niet ter zake dienende en afdoende acht, omdat zij geen verband houden met hetgeen hier boven is overwogen, zoodat zij, al ware zij bewezen, geene verandering in de beslissing van het Hof zoude brengen;

Gezien art. 56 B. R. ;

Rechtdoende op het hooger beroep :

Passeert het door de app. aangeboden bewijs;

Bevestigt het vonnis waarvan is geappelleerd ;

Veroordeelt de app. in de kosten in hooger beroep gevallen;

Begroot die kosten aan zijde des geint, met inbegrip der verschotten tot op deze uitspraak op f 182.99^.

De app. is van dit arrest in cassatie gekomen.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede Kamer.

Zitting van den 9 Maart 1899.

Voorzitter, Mr. A. Wichers Hoeth.

Rechters, Mrs.: W. G. Loeff en C. W- Vollgraff.

Gronden voor echtscheiding en scheiding van tafel en bed.

De gestelde herhaalde mishandeling en grove beleediging leveren geen voor getuigenbewijs vatbare daadzaken op, doch bevatten slechts eene rechtskundige qualificatie.

Het „zich veel afgeven met andere vrouwen" behoeft niet noodwendig een buitensporigheid te zijn, nu niet gesteld wordt in welken zin en geest dat „afgeven" heeft plaats gehad of waarin het heeft bestaan.

Het herhaaldelijk bezoeken van publieke huizen kan niet per se eene buitensporigheid worden genoemd, daar er omstandigheden kunnen zijn, die het bezoeken van die huizen wettigen; het bewijs hier echter toegelaten in verband met het gestelde overspel.

Niet toegelaten het bewijs van het gestelde „afbreken door gedaagde van alle echtelijke gemeenschap met eischeres en hel niet meer met haar in dezelfde kamer slapen" ; die feiten leveren geene buitensporigheden of grove beleedigingen op en behoeven ook niet met het gestelde overspel in verband te staan.

Niet als buitensporigheden aangemerkt:

1". het reeds twee malen wegens dronkenschap en vechten op straat opgepakt zijn; 2°. het verkwisten van al het geld, ook dat van de eischeres ; 3o. het in tegenwoordigheid der eischeres aanhalen en het hof maken van andere vromven, zonder dat tevens feiten worden gesteld, waaruit van een en ander kan blijken.

J. M. v. R., eerder weduwe van H. O. Z., thans eclitgenoote van H. H. M., te Amsterdam, eischeres, procureur Mr. H. Vbrkouteben,

tegen

H. II. M., te Amsterdam, gedaagde,, procureur Mr. V. K. L.

van Os.

De Rechtbank;

Gelet op de conclusie van het O. M., strekkende daartoe dat de eischeres worde toegelaten tot, voor zooveel noodig haar ambtshalve worde opgelegd de bewijslevering der feiten bij dagvaarding en conclusie van eisch gesteld, passeerende het bewijsaanbod bij conclusie van repliek sub d gedaan als zijnde hieromtrent reeds door de Rechtbank uitspraak gedaan, ■met reserve van kosten;

Gezien de stukken;

Overwegende wat de daadzaken betreft: t

dat de eischeres met verlof van den voorzitter dezer Rechtbank en inachtneming der wettelijke termijnen en formaliteiten, de ged., met wien zij op 13 Dec. 1882 te Haarlem is gehuwd, heeft gedagvaard, ten einde bij vonnis worde verklaard het tusschen partijen bestaand huwelijk ontbonden door echtscheiding, subsidiair dat partijen worden verklaard te zijn gescheiden van tafel en bed, in beide gevallen met al de gevolgen daaraan door de wet gehecht en voorts dat de ged. worde veroordeeld en verder uitspraak gedaan, zooals in de dagvaarding nader is uiteengezet;

O. dat de eischeres tot grondslag harer vordering heeft gesteld de navolgende feiten t. w. :

dat zij op den 13 Dec. 1882 te Haarlem met den ged. in gemeenschap van goederen i* gehuwd, uit welk huwelijk geboren en nog in leven zijn drie nog minderjarige kinderen, genaamd H. H., oud 13 jaren, F. A., oud 9 jaren en M. Chr„ oud 7 jaren; dat ged. evenwel meer dan eens overspel heeft gepleegd en zich veel met andere vrouwen afgeeft; dat hij herhaaldelijk publieke huizen bezocht, alle echtelijke gemeenschap met haar heeft afgebroken en niet meer met haar in dezelfde kamer slaapt; dat hij haar ook herhaalde malen heeft mishandeld door haar in huis en op straat te schoppen, te knijpen en te slaan, zoodat zij zelfs op haar gelaat blauwe plekken had; dat hij haar ook herhaalde malen met een revolver heeft gedreigd, haar meer dan

Sluiten