Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 19 Maart 1900.

N°. 7402.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE EX-ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET YERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. advertentien, 10 cents per regel. - Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100). Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

Prijs der

Amnestie.

In W. 7387 publiceerden wij den brief van Picquart aan den Franschen minister van justitie over eene voorgenomene amnestie. Zijn waardig protest heeft niet mogen baten. Destijds was er nog slechts, en wel reeds sedert lang, een voorstel van amnestie aanhangig bij den Senaat, dat zijn oorsprong dankte aan het parlementair initiatief. Dat voorstel voldeed echter niet geheel aan de inzichten der regeering, en amendementen kon zij er niet in brengen. Van daar, dat nu onlangs van regeeringswege bij den Senaat is ingediend het volgende wetsontwerp :

Artiole unique. —• Sont (jteintes toutes les actions publiques a raiaon de faits se rattachant a 1'affaire Dreyfus et toutes poursuites commencées ou non soit en vertu de la loi du 18 avril 1886, soit en yertu de eelle du 29 juillet 1881, soit en vertu de toutes les autres dispositions pénales, sauf celles édictées par les artieles 295, 296, 297, 298, 302 et 304 du Code pénal.

Les aotions oiviles k raison des mêmes faits ne pourront être poursuivies que devant la juridiotion oivile, alors même qu'un commenoement d'instance aurait saisi la juridiotion criminelle, et sans qu'on puisse opposer au demandeur la fin de non-receyoir tirée de 1'article 46 de la loi du 29 juillet 1881 (1).

Aan het korte en onbeduidende Exposé des motifs ontleenen wij het volgende :

La olémence du Président de la République, en acoordant la grace de Dreyfus, sur la sollicitation de M. Ie ministre de la guerre, a donné le premier gage a 1'oeuvre d'apaisement réclamée par 1'opinion et oommandée par le bien de la République.

II importe au gouvernement, suivant 1'engagement pris par lui, de faire suiyre eet acte de haute humanité par des mesures de pacification dont le pays est avide. C'est pourquoi nous demandons au Parlement d'ajouter 1'oubli a la clémenoe et de voter des dispositions légales qui, tout en sauyegardant les intéréts des tiers, mettent les passions dans 1'impuissance de faire revivre le plus douloureux conflit.

Dreyfus heeft in een door de dagbladen openbaar gemaakten brief krachtig geprotesteerd tegen dezen maatregel van quasi-verzoening, waarbij door eene ironie van het lot de senator Mercier zijne eigen straffeloosheid voor wat hij in 1894 met anderen misdreef zal kunnen proclameeren. De gewezen balling van het Duivelseiland zal, vreezen wij, op dien brief al evenmin succes hebben als Picquart op den zijnen.

De hooge politiek vordert nu eenmaal vóór de opening der Parijsche tentoonstelling de spons uit te wringen over «de zaak» en al wat daarmede samenhangt. Het is treurig, dat een man als Waldeck Rousseau, die in den Senaat zoo moedig gestreden heeft tegen Lebret'S verfoeilijke loi de dêsaississement (zie het hoofdartikel van W. 7354), nu als minister de verantwoordelijkheid op zich neemt voor eene andere wet, die, met welken fraaien naam men haar ook tooie, ook al voor het recht niet wel bestaanbaar is.

Het Exposé des Motifs noemt de aan Dreyfus verleende gratie met Franschen pathos een «acte de haute humanité».

Welnu, als Dreyfus schuldig is aan landverraad, dan was de hem na zijne tweede veroordeeling verleende gratie niet eene daad van groote humaniteit, maar eene daad van groote karakterloosheid. Is daarentegen een onschuldige ten tweeden male veroordeeld, dan kon de

(1) Art. 46 van de Fransolie perswet van 29 Juli 1881 uidt. „L'action civile résultant des délits de diffamation prévus ® Punis par les ai.ticles 30 et 31 ne pourra, sauf dans le cas 6 d<5°®s de 1'auteur du fait incriminé ou d'amnistie, être poursuivie séparément de 1'action publique".

gratie aileen uit een oogpunt van humaniteit goedgekeurd worden, als zij een eerste stap was op den weg, die moest ieiden tot rehabilitatie na eene nieuwe revisie. Die nieuwe revisie nu, 't behoeft nauwelijks te worden gezegd, wordt zooal niet onmogelijk, dan toch uiterst moeilijk, indien door de amnestie de strafrechtelijke vervolging van Mercier c. s. finaal wordt uitgesloten, nadat Henri door zijn zelfmoord voor goed een einde heeft gemaakt aan z ij n e vervolging voor alles, en het was zeer veel, wat hij in zake Dreyfus op zijne rekening had.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 16 Februari 1900.

Voorzitter, Mr. F. B. Conlnck Liefsting. Raadsheeren, Mrs. : P. R. Feith, Jhr. B. C. de Jonge, Pr. van Blom, A. P. Th. Eyssell, S. M. S. de Ranitz en E. W. Guljé.

Uit art. 3 van het Koninklijk Decreet van 2 Augustus 1808 volgt niet, dat de Staat onbepaald op zich nam de betaling ook van die aan geestelijken uit te keeren tractementen, welke geheel of gedeeltelijk geschiedden uit kerkelijke goederen of fondsen, die onder de administratie waren van plaatselijke besturen of andere publieke beheering.

Het is ongeoorloofd art. 194 Gw. 1815 zoo te lezen alsof de woorden „uit 's Lands kasse" (voorkomende in art. 136 Gw. 1814), die daar zijn weggelaten, ook daarin voorkwamen.

Veeleer blijkt uit de vergelijking der beide artikels, dat de bedoeling der ontwerpers van de grondwet van 1815 was terug te komen op de onbepaalde belofte van 1814 en in plaats daarvan den feitelijken toestand, daaronder begrepen hetgeen in enkele plaatsen met betrekking tot de geestelijke goederen bestond, te bestendigen.

Al valt het betalen van kerkelijke tractementen geheel buiten de gewone taak, welke de grondwetgever aan de gemeentebesturen heeft opgedragen, belet zulks niet, dat hij buiten die gewone taak aan enkele plaatselijke besturen krachtens den historischen toestand bijzondere verplichtingen kan hebben opgelegd.

(Zie het arrest a quo en de daaraan voorafgegane conoluBie van den proc.-gen. in W. nis 7295 en 7296).

Mr. J. D. A. van Blommesteijn, wonende te Kampen, in zijne hoedanigheid van Burgemeester dier Gemeente, eischer, advocaat, Mr. B. M. Vlielander Hein,

tegen

de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Kampen, verweerderes, advocaat Mr. W. Thorbecke.

De proc.-gen. Mr. C. Polis heeft in deze zaak de volgende con. clusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Het middel, waarop deze voorziening steunt, luidt:

Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1 en 4 additioneels artikelen der Constitutie van 1798, de Publicatie van het Uitvoerend Bewind van 11 Oct. 1798, art. 14 der Grondwet van 1801, de artt. 1 en 3 van het Decreet van Lodewijk Napoleon van 2 Aug. 1808 (v. d. Poll. pag. 419), het Kabinetschrijven van den Secretaris van dezen Koning van 22 Maart 1810, het Besluit van den Souvereinen Yorst van 19 Jan. 1814 (Bijv. I, 61), art. 136 der Grondwet van 1814, de aanschrijving van den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsclie Zaken van 27 Mei 1814; art. 194 der Grondwet van 1815, gelijk het voortbestaat in art. 171 der tegenwoordige Grondwet, de artt. 154—160 der Grondwet van 1815, de artt. 138—144 der Grondwet van 1848, de artt. 142—148 der tegenwoordige Grondwet; artt. 1269 en 1376 B. W., omdat, wat er ook zij van de historische en rechtskundige constructie, op grond van welke het Hof beslist, dat de goederen van het voormalig Geestelijk Kantoor van Kampen vallen onder art. 3 van het Decreet van Koning Lodewijk, en onverschillig of de verhouding tusschen het Rijk en de Gemeente na 1808 al of niet die is geweest van civielrechtelijk mandaat, — het Hof ten onrechte beslist, dat tegen de Gemeente Kampen de verweerder eene actie heeft tot uitbetaling der predikantstractenienten, hebbende verweerder die, uitwijz&ns de door het Hof zelf ingeroepen wetsbepalingen alleen tegen den Staat, behoudens alle actie, welke de Staat tegen Kampen mocht hebben uit de tusschen hen bestaande rechtsverhoudingen.

Het arrest is zeer uitvoerig, het grootste gedeelte daarvan bestaat echter uit beschouwingen van historischen aard, waartegen bij het. middel niet wordt opgekomen, en ook niet met

vrucht opgekomen zou kunnen worden, omdat dat alles feitelijk is. Hier is het voldoende te> herinneren, dat het Hof het navolgende beslist:

dat de goederen van het voormalig geestelijk kantoor te Kampen niet waren privaateigendom dier stad, maar vielen als geestelijke fondsen, waaruit de leeraren der Hervormde Kerk werden betaald, onder de bij art. 4 der additioneele artikelen van de staatsregeling van 1798 nationaal verklaarde goederen; dat Kampen zich altijd heeft gedragen naar de bevelen van hooger hand omtrent die goederen gegeven; dat alle maatregelen door dat gezag genomen omtrent de goederen van 's lands of geestelijke kantoren, van politieke kassen of van fondsen onder administratie van plaatselijke besturen dus ook toepasselijk waren op de goederen behoord hebbende tot het geestelijk kantoor te Kampen ; dat dus ook voor Kampen. gold het Besluit van Koning Lodewijk van 2 Aug. 1808, Kampen, overeenkomstig dat Decreet de onder haar berustende geestelijke goederen naar de schatkist had behooren over te brengen en op te houden met de betaling der predikants-tractementen, maar Kampen dit niet gedaan heeft en bij aanschrijving van 's Konings Kabinet-Secretaris van 22 Maart 1810, onder verantwoordelijkheid aan den Minister, met het provisioneel beheer dier goederen en het bij voortduring doen van de daarop rustende uitgaven is belast, welke last, die ook reeds voortvloeide, zoo uit de publicatie van het uitvoerend bewind van 11 Oct. 1798, als uit art. 14 der Grondwet van 1801, gesanctioneerd is in art. 136 der Grondwet van 1814; dat dus van 1798 tot 1814 de tractementen der predikanten te Kampen door die gemeente niet betaald zijn meraliberalitate, maar op last van het staatsgezag uit de door Kaïnpen beheerde, doch tot het Staatseigendom behoorende goederen van het voormalig geestelijk kantoor te Kampen; dat bij aanschrijving van den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsclie Zaken van 27 Mei 1814 die last is herhaald en sedert de gemeente Kampen provisioneel belast is gebleven met de betaling, en in het beheer der goederenis gelaten; dat art. 194 der Grondwet.van 1815 in, dien toestand geene verandering heeft gebracht, doch daarbij is gewaarborgd, dat de uitkeering van de bedoelde tractementen door Kampen zou blijven geschieden ; dat de historische ontwikkeling der zaak doet aannemen, dat de gemeente Kampen sedert 1815 niet heeft gehandeld als civielrechtelijke lasthebster van den Staat, maar als bij de Grondwet aangewezen publiekrechtelijk orgaan van den Staat, dien zij ingevolge de grondwettelijke bepalingen in dezen vertegenwoordigt en in wiens plaats zij ten deze handelt en dat hieruit volgt, dat de kerkelijke gemeente, op grond van de toezegging haar gedaan in art. 171 der Grondwet de betaling van de tractementen harer leeraren direct van de gemeente Kampen kon vorderen.

Aan de zijde van den eischer werd bij pleidooi de opmerking gemaakt, dat, indien Kaïnpen moet worden aangemerkt als het orgaan van den Staat met het doen van betaling der tractementen belast, dan van den Staat en niet van het orgaan, waardoor hij handelt, de betaling moet worden gevraagd. Ik geloof echter, dat men, aldus redeneerende, de bedoeling van het Hof miskent. De gemeente Kampen wordt in het arrest orgaan van den Staat genoemd, niet, omdat het Hof van oordeel is, dat de gemeente is de agent van den Staat, maar omdat, daar de goederen niet onder beheer van den Staat zijn gebracht, maar onder de gemeente zijn gebleven, deze in plaats van den Staat de betaling heeft te doen.

De goederen, waaruit te voren de tractementen der leeraren enz, van de voormalige heerschende kerk betaald werden, en daartoe behooren, dat staat feitelijk vast, de goederen van het voormalig geestelijk kantoor te Kampen, welke Kampen alsnog onder zich heeft, werden bij het 4e der additioneele artikelen van de Staatsregeling van 1798 nationaal verklaard om daaruit eerstel ij k te voldoen de nog blijvende tractementen en pensioenen, dus de tractementen, die volgens art. 1 der additioneele bepalingen gedurende de eerstkomende drie jaren, in afwachting van de noodige schikkingen tot verdere betaling, uit 's lands kas zouden worden betaald. Bij de publicatie van het uitvoerend bewind van 11 Oct. 1798 werd dan ook te kennen gegeven, dat het le der additioneele artikelen van de Staatsregeling, voorzoover de betaling uit 's lands kas aangaat, niet eerder kon in werking worden gebracht, dan nadat van de geestelijke goederen en fondsen, in het 4e der additioneele artikelen omschreven, behoorlijke overdracht gedaan en dezelve onder nationale administratie zouden gebracht zijn.

En daar men toch wilde, dat de in art. 1 der additioneele bepalingen toegezegde tractementen zouden betaald worden, werden bij deze publicatie de administratieve besturen der voormalige gewesten, de gemeentebesturen en in het algemeen alle córporatiën en personen de administratie hebbende over zulke goederen en fondsen, uit welke inkomsten de tractementen der leeraren enz. tot de aanneming der Staatsregeling toe, geheel of gedeeltelijk waren betaald, gelast en geautoriseerd om, provisioneel met de betaling daarvan te continu e e r e n op den v o r i g e n voet, tot dat deswegens na gedane overdracht van die goederen en fondsen eene nadere schikking zou zijn gemaakt.

Het stelsel was dus: betaling der tractementen enz. uit de inkomsten der nationaal verklaarde goederen en fondsen, waaruit zij ook vroeger betaald werden, door degenen welke die goederen en fondsen onder zich hadden en beheerden, en nu werd dat stelsel, waarin door art. 14 deiGrondwet van 1801 geen wijziging werd gebracht, gehandhaafd bij liet Decreet van Koning Lodewijk van 2 Aug. 1808, waarbij wel bepaald werd, dat alle betalingen, welke aan de geestelijken der verschillende gezindheden werden gedaan, uit de publieke schatkist zouden geschieden, maar tevens werd gelast, dat de kerkelijke goederen en fondsen, welke waren onder de administratie van plaatselijke besturen of andere publieke beheering, en

Sluiten