Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet weersproken posten der rekening te verminderen, de Rechtbank hare bevoegdheid te buiten gegaan en afgeweken is van de lijdelijke rol door den rechter volgens onze wet te vervullen in gevallen als het onderhavige, waar inderdaad geen rechtsstrijd tusschen partijen bestaat;

dat het Hof zich met deze beschouwingen niet kan vereenigen; dat app. ten onrechte aan eene referte aan 's rechters oordeel gevolgen toekent, waardoor zij den ged., die zijn verweer daartoe bepaalt, in een minder gunstigen toestand zou brengen dan wanneer hij niet verschenen ware, in welk geval toch des eischers conclusiën niet worden toegewezen indien zij den rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen;

dat zoodanige referte niet anders is dan eene bereidverkaring om te berusten in de beslissing door den rechter te geven na behoorlijk onderzoek der rechten van partijen, waarbij hij zelfs van ambtswege de rechtsgronden, die door haar niet mochten zijn aangevoerd, moet aanvullen;

dat zulks te meer klemt in casu, waar de ged. qq. de hiervoren vermelde zeer gewichtige redenen heeft aangevoerd, waarom hij, te zijner verantwoording, ten aanzien der tegen hem ingestelde vordering, welke hij niet kon beoordeelen, het wenschelijk achtte door een vonnis der Rechtbank gedekt te zijn;

O. wat die vordering zelve betreft, dat. de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, dat, voorzoover die de erkende schuld van f 392 te boven gaat, de app. geenerlei bewijs heeft geleverd, en zelfs niet gesteld, wat aangaat den eersten post ad f 1500, dat tusschen hem en den overledene Peacock eenige overeenkomst was aangegaan;

dat dan ook geen termen aanwezig zijn om. den app., gelijk hij geheel subsidiair verzoekt, daaromtrent een suppletoiren eed op te leggen, veelmin dien, door hem geformuleerd, „dat de overledene Peacock hem belooning heeft toegezegd voor zijne diensten en zorgvuldige oppassing en verpleging, en het daarvoor door hem opgegeven bedrag hem naar billijkheid toekomt" ;

dat toch eene dergelijke onbestemde belofte geen rechtsband schept, evenmin als eene beëedigde verklaring van app. omtrent het hem naar billijkheid toekomende bedrag eenige waarde in rechten kan worden toegekend ;

dat de 2e en 4e posten den app. onverminderd zijn toegewezen, en het Hof, bij gebreke van eenige nadere toelichting ook in appel, geen aanleiding vindt om van de begrooting van den 3en post door den eersten rechter af te wijken;

dat mitsdien de app. door het vonnis a quo niet is bezwaard en dit behoort te worden bevestigd;

Rechtdoende:

Gezien art. 56 B. R.;

Bevestigt het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Utrecht den 22 Febr. 1899 tusschen partijen gewezen;

Veroordeelt den app. in de kosten van het hooger beroep, aan zijde des geintimeerden qq. begroot ter somma van f 54.50.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND.

Rechtdoende in Strafzaken.

Zitting van den 17 Augustus 1899.

Voorzitter, Mr. P. M. O. H. Beerenbroek.

Rechters, Mrs. : A. M. A. Hanlo en Jhr. Mr. C. Quarles

van üm'ord.

Officier van Justitie, Jhr. Mr. P. A. 3. van den Brandeler.

Verdediger, Mr. F. J. Verscheure Jr.

nlet-strafbare poging tot bigamie.

Er bestaat geene strafbare poging tot bigamie, wanneer een gehuwd persoon, wetende dat zijn huwelijk op geenerlei wijze is ontbonden, met het oogmerk om een nieuw huwelijk aan te gaan, de vereischte aangifte doet bij den ambtenaar van den Burgerlijken Stand, die daarvan eene akte opmaakt en daarop de bij de wet voorgeschreven afkondigingen doet volgen, terwijl de voltrekking van het huwelijk achterwege blijft alleen tengevolge van de omstandigheid dat de ambtenaar van den Burgerlijken Stand, van het bestaan van het eerste huwelijk onderricht, aan den aandrang van den persoon om het huwelijk te voltrekken weigert gevolg te geven.

De huwelijksaangifte en de daarop gevolgde afkondigingen zijn te beschouwen als voorbereidende handelingen en niet als een begin van uitvoering van de voltrekking of van het aangaan van het huwelijk.

L. H. de B., oud 52 jaren, timmerman, geboren te Roermond, wonende te Venray, gedetineerd te Roermond, is gedagvaard ter zake, dat hij gepoogd heeft te Venray opzettelijk een dubbel huwelijk aan te gaan, door terwijl hij wist, dat zijn op 24 Nov. 1873 te Baexem gesloten huwelijk met M. C. H., op geenerlei wijze was ontbonden en hij dus met haar die nog in leven was nog gehuwd was, desniettemin het voornemen op te vatten om een wettig huwelijk aantegaan met A. S., weduwe van M. H. B„ wonende te Venray, aan wie hij opzettelijk verzwegen had, dat hij nog gehuwd was en ter uitvoering van dat voornemen met deze vrouw op 14 April 1899 van hun voorgenomen huwelijk aangifte te doen bij den Ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray, immers op diens bureau ten gemeentehuize te Venray aan den beambte die voor hen de aangiften ontvangt en inschrijft, aan welken beambte zij hunne aangifte van hun voorgenomen huwelijk deden, opdat daarvan door den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray de vereischte akte van huwelijksaangifte zou worden opgemaakt en deze de bij de wet voorgeschreven huwelijksafkondigingen zoude doen en de desbetreffende akten van huwelijksafkondiging zoude opmaken, waarbij beklaagde valschelijk opgaf dat hij ongehuwd was en opzettelijk zijn gehuwden staat verzweeg ten einde dien ambtenaar van den Burgerlijken Stand van het wettig beletsel, dat er voor hem, bekl. bestond om met genoemde A. S. in den echt te treden, opzettelijk onkundig te laten en zoodoende de bij de wet voorgeschreven huwelijksafkondigingen te doen plaats hebben, die dan ook op Zondagen 16 April 1899 en 23 April 1899 hebben plaats gehad en zonder stuiting zijn afgeloopen, terwijl op verzoek van bekl. en van A. S. de dag voor hunne huwelijksvoltrekking is vastgesteld op Zaterdag 29 April 1899 en bekl. zich dan ook herhaaldelijk ten bureele van den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray heeft vervoegd en heeft aangedrongen, dat het voorgenomen huwelijk zoude worden voltrokken en toen het op dien Zaterdag niet voltrokken was, alsnog op Maandag 1 Mei 1899 heeft aangedrongen op die huwelijksvoltrekking en zelfs gedreigd heeft

zich te zullen beklagen, indien aan lijn verlangen geen gevolg werd gegeven, zijnde echter zijn boven omschreven voornemen, waaraan hij in voege voorschreven begin van uitvoering had gegeven, niet voltooid, doordat de ambténaar van den Burgerlijken Stand te Venray, bij geruchten vernomen hebbende, dat bekl. nog gehuwd zou zijn ondanks beklaagde's stellige bewering dat dit gerucht valsch was en ondanks zijner besliste ontkentenis toen hij met M. C. H. bovengenoemd werd geconfronteerd, dat hij met deze gehuwd was en zijn herhaalden aandrang om zijn huwelijk met A. S. te voltrekken, weigerde tot die huwelijksvoltrekking, die partijen in de gemeente Venray wenschten te doen plaats hebben, over te gaan alvorens een nader onderzoek zou zijn ingesteld, hetgeen tot beklaagde's aanhouding' heeft geleid, alzoo alléén door omstandigheden van beklaagde's wil onafhankelijk ;

De vordering van den heer Officier van Justitie, strekt dat het der Rechtbank heilage den bekl. schuldig te verklaren aan het hem bij de dagvaarding ten laste gelegde feit te qualificeeren ais :

poging tot bigamie, terwijl het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen tengevolge van omstandigheden van zijn wil onafhankelijk niet is voltooid, en te veroordeelen tot één jaar gevangenisstraf onder aftrek van den tijd door hem in preventieve hechtenis doorgebracht ;

De beslissing der Rechtbank luidt:

De Rechtbank enz. ;

Gehoord den bekl. in zijne antwoorden en in zijne middelen van verdediging;

Gezien de stukken van het rechtsgeding;

Overwegende, dat de bekl. bij zijn verhoor voor den rechtercommissaris belast met de instructie van Strafzaken bij deze Rechtbank, blijkens het daarvan door dezen opgemaakt, ter terechtzitting voorgelezen proces-verbaal, heeft bekend, dat hij, ofschoon hij wist dat zijn op 24 Nov. 1873 te Baexem gesloten huwelijk met M. C. H. op geenerlei wijze was ontbonden en hij dus met haar, die nog in leven is, nog gehuwd was, desniettemin opzettelijk gepoogd heeft een dubbel huwelijk aan te gaan en het voornemen heeft opgevat om een wettig huwelijk aan te gaan met A. S„ weduwe van M. H. B„ wonende te Venray aan wie hij opzettelijk had verzwegen, dat hij nog gehuwd was, vermits hij haar had medegedeeld, dat hij sinds meerdere jaren weduwnaar was met feén kind; dat hij ter uitvoering van evengemeld voornemen zich op 14 April 1899 met gemelde A. S'. heeft begeven naar het gemeentehuis te Venray en daar tegelijk met die vrouw op het bureau van den ambtenaar van den Burgerlijken Stand aan den beambte ter gemeente-secretarie, den getuige P. A. V., de aangifte heeft gedaan van hun voorgenomen huwelijk, opdat daarvan door den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray de vereischte akte van huwelijksaangifte zou worden opgemaakt en deze de bij de wet voorgeschreven huwelijksafkondigingen zou doen en de desbetreffende akten van huwelijksafkondiging zou opmaken; dat hij zich reeds den 13 April 1899 ter gemeente secretarie te Venray had vervoegd bij genoemden V. om dezen kennis te geven dat hij met voornoemde S. op 14 April 1899 de voorbedoelde huwelijksaangifte zou komen doen en alstoen aan V. valschelijk opgaf, dat hij ongehuwd was; dat hij ook op voormelden 14 April 1899 bij voorbedoelde huwelijksaangifte aan meergenoemden V. opzettelijk zijn gehuwden staat heeft verzwegen, teneinde den ambtenaar van den Burgerlijken Stand van het wettig beletsel, dat er voor hem, bekl. bestond om met genoemde A. S_ in den echt te treden, opzettelijk onkundig te laten en zoodoende de bij dë wet voorgeschreven huwelijksafkondigingen te doen plaats hebben, die dan ook op Zondagen 16 en 23 April 1899 hebben plaats gehad en zonder stuiting zijn afgeloopen ; dat op meergenoemden 14 April 1899 voornoemde V. naar aanleiding der door hem en genoemde A. S. gedane huwelijksaangifte in een register de akte van huwelijksaangifte heeft ingeschreven, welke liij, bekl., daarna evenals die vrouw heeft geteekend; dat zoowel op zijn verzoek als op dat van evengenoeinde vrouw de dag voor hunne huwelijksvoltrekking is vastgestéld op Zaterdag 29 April 1899 en hij zich herhaaldelijk ter gemeente-secretarie te Venray heeft vervoegd en bij den gemeentesecretaris heeft aangedrongen, dat het voorgenomen huwelijk zou worden voltrokken en toen het op dien Zaterdag niet voltrokken was, bij dien secretaris heeft aangedrongen dat de huwelijksvoltrekking zou plaats hebben op Maandag 1 Mei 1899 en zelfs gedreigd heeft zich te zullen beklagen, indien aan zijn verlangen geen gevolg werd gegeven ; dat hij en meergenoemde A. S. bij den pastoor te Venray de noodige aangifte hebben gedaan voor de voltrekking van het kerkelijk huwelijk en dat alle toebereidselen waren gemaakt om de genoodigden bij de huwelijksvoltrekking te kunnen onthalen; dat hij zich echter met voornoemde A. S. niet naar den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray heeft begeven en derhalve ook niet voor dezen is verschenen, teneinde het huwelijk aldaar te doen voltrekken, omdat deze ambtenaar bij geruchten vernomen hebbende, dat hij, bekl., gehuwd zou zijn, ofschoon hij aan dien ambtenaar daarover ondervraagd opgaf, dat dit gerucht valsch was en zelfs ontkende met voornoemde M. C. H. gehuwd te zijn, toen hij door dien ambtenaar met deze geconfronteerd werd hem te kennen gaf, dat hij tot de huwelijksvoltrekking niet zou overgaan, welke huwelijksvoltrekking in de gemeente Venray zou hebben moeten plaats hebben, alvorens een nader onderzoek zou zijn ingesteld en dat hij middelerwijl is aangehouden en overgebracht naar het huis van bewaring te Roermond;

O. dat deze bekentenis vajj den bekl- is bevestigd geworden door de aanwijzingen gelegen in :

ii. de verklaringen van na te noemen getuigen, voorzooverre deze bij hun verhoor ter terechtzitting ieder voor zich onder eed hebben verklaard te hebben waargenomen én bevonden;

1°. A. S., weduwe M. H. B., wonende te Venray; dat, nadat de bekl. haar onder voorgeven dat hij weduwnaar was met eene dochter en dat zijne vrouw reeds acht jaren dood was, ten huwelijk had gevraagd en zij daartoe hare toestemming had gegeven, zij met den bekl. op 14 April 1899 zich heeft begeven naar de gemeente-secretarie ten gemeentehuize te Venray, teneinde aldaar de huwelijksaangifte te doen aan den ambtenaar van den Burgerlijken Stand; dat alstoen zij en de bekl. aan den getuige P. A. V„ ambtenaar ter voormelde secretarie, de vereischte aangifte van hun voorgenomen huwelijk hebben gedaan; dat V. daarvan in een register de akte heeft ingeschreven, welke akte zij en de bekl. hebben geteekend en dat daarbij de bekl. niet opgaf dat hij weduwnaar was ; dat zij de aangifte van hun voorgenomen huwelijk deed, opdat daarvan door den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray de vereischte akte van huwelijksaangifte zou worden opgemaakt en deze de bij de wet voorgeschreven huwelijksafkondigingen zoude doen en de desbetreffende akten van huwelijksafkondiging zou opmaken, welke afkondigingen -ook hebben plaats gehad ; dat de dag voor de voltrekking van het huwelijk op verzoek van haar en van den bekl. is vastgesteld op Zaterdag 29 April 1899; dat zij met den bekl. zich ook heeft vervoegd bij den pastoor te Venray en daar de noodige aangifte voor hun voorgenomen huwelijk hebben gedaan ,dat voor de vol¬

trekking van het kerkelijk huwelijk was bepaald Dinsdag 2 Mei 1899 en dat ook alle toebereidselen, ook voor het huwelijk en voor het onthalen der genoodigden waren gemaakt; dat zij echter vóór de voltrekking van voormeld huwelijk vernomen hebbende, dat de bekl. nog gehuwd was, daa-r zijne echtgenoote nog leefde, dit aan den bekl. heeft medegedeeld, die dit evenwel ontkende onder bijvoeging, dat hij ter gemeente-secretarie zijne papieren zou gaan opvragen om daarmede naar Roermond te gaan naar de heeren van Justitie, zeggende: „dan zal ik eens kijken of wij binnen den tijd van twee dagen ook getrouwd zijn" ; dat zij zich met den bekl. niet naar den ambtenaar van den Burgerlijken Stand heeft begeven en ook niet voor dezen is verschenen om hun voorgenomen huwelijk te doen voltrekken en dat de bekl. op 1 Mei 1899 op het gemeentehuis te Venray is aangehouden ;

2°. H. G. H. E., ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray; dat den 14 April 1899 de getuige P. A. V., beambte ter secretarie te Venray, belast met het ontvangen der aangiften voor de akten van den Burgerlijken Stand en met het inschrijven dier akten, hem heeft medegedeeld, dat de bekl. en de getuige A. S. ter secretarie waren om de aangifte van hun voorgenomen huwelijk te doen, welke personen hij daar toen ook aanwezig zag, en dat hij daarop geantwoord heeft „zoo" ; dat hij den lo April 1899 de evenbedoelde door V. geschreven, door den bekl. alsmede door voormelde A. S., geteekende akte van huwelijksaangifte in zijne voormelde hoedanigheid van ambtenaar van den Burgerlijken Stand geteekend heeft; dat hij in zijne voormelde hoedanigheid van ambtenaar van den Burgerlijken Stand op Zondagen 16 en 23 April 1899 de huwelijksaikondigngen van het voorgenomen huwelijk van den bekl. met meergemelde A. S. op de wijze bij de wet voorgeschreven heeft gedaan, daartegen geen stuiting is geschied en, daarvan de vereischte akten heeft opgemaakt ;

dat het huwelijk van den bekl. met A. S. voornoemd op hun verzoek was vastgesteld op Zaterdag 29 April 1899 te Venray te voltrekken ; doch dat die personen niet voor hem zijn verschenen om hun voorgenomen huwelijk te doen voltrekken, omdat hij op gemelden 29 April 1899 aan den bekl. had doen zeggen, dat hij zijn huwelijk met A. S. niet zou voltrekken, daar hij had vernomen dat de bekl. reeds gehuwd was en diens echtgenoote nog in leven was, en dat hij, omdat de bekl. dit ontkende, den bekl. met zijne echtgenoote M. C. H. den 1 Mei 1899 heeft geconfronteerd ten gemeentehuize te Venray, als wanneer de bekl. ontkende met deze vrouw gehuwd te zijn, en dat hij toen den bekl. heeft doen aanhouden en overbrengen naar het huis van bewaring te Roermond; voorts dat hij van de huwelijksaangifte voormeld heeft kennis gegeven aan de ambtenaren van den Burgerlijken Stand te Boxmeer en te Helmond, laatste woonplaatsen van den bekl., ten einde ook daar de vereischte huwelijksafkondigingen te doen plaats hebben;

3°. P. A. V., beambte ter gemeente-secretarie te Venray; dat de getuige E„ in zijne hoedanigheid van ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray, hem heeft opgedragen te ontvangen de aangiften voor de akten van den Burgerlijken Stand en de daarvoor benoodigde akten in te schrijven in de registers van den Burgerlijken Stand; dat den 13 April 1899 de bekl. hem ten gemeentehuize te Venray is komen zeggen, dat hij op 14 April 1899 met de getuige A. S. zou aangifte doen van hun voorgenomen huwelijk; dat hij alstoen aan den bekl. heeft gevraagd of hij ongehuwd was en deze hem dit bevestigend heeft beantwoord dat op 14 April 1899 de bekl. en voormelde A. S. hem de aangifte van hun voorgenomen huwelijk hebben gedaan ten voor melde gemeentehuize, dat hij hiervan terstond kennis heeft gegeven aan den ambtenaar van den Burgerlijken Stand, voornoemden E„ die hem antwoordde: „zoo" ; dat hij vervolgens de akte van huwelijksaangifte in liet daartoe bestemde register heeft ingeschreven en door den bekl. benevens voornoemde A. S. heeft doen teekenen, terwijl de ambtenaar van den Burgerlijken Stand die akte hetzij op gemelden 14 April 1899, hetzij een of twee dagen daarna geteekend heeft; dat de huwelijksafkondigingen op de bij de wet voorgeschreven wijze door gemelden ambtenaai van den Burgerlijken Stand zijn gedaan op de Zondagen 16 en 23 April 1899, dat deze zonder stuiting zijn afgeloopen; dat daarvan de vereischte akten zijn opgemaakt en door den getuige E. als ambtenaar van den Burgerlijken Stand zijn geteekend, terwijl op verzoek der aanstaande echtgenooten de huwelijksvoltrekking is bepaald op Zaterdag 29 April 1899; dat het huwelijk niet is voltrokken omdat het gerucht liep, dat de bekl. reeds gehuwd was en diens echtgenoote nog in leven was; dat de bekl., tóen de getuige S. hem zeide, dat zijn voorgenomen huwelijk niet zou wórden voltrokken, gedreigd heeft zich te zullen beklagen, indien aan zijn verlangen tot de huwelijksvoltrekking geen gevolg gegeven werd ;

4°. J. H. M. H. S., gemeen te-secretaris te Venray; dat den 13 April 1899, terwijl hij ter gemeente-secretarie ten gemeentehuize te Venray werkzaam was, de bekl. ter voormelde secretarie is gekomen en aan den getuige V. heeft te kennen gegeven, dat liij den volgenden dag zich ten gemeentehuize te Venray zoude aanmelden met de getuige A. S„ met welke hij in het huwelijk wilde treden, teneinde de vereischte huwelijksaangifte te doen; dat de bekl. alstoen aan den getuige V. op diens daartoe gedane vraag, heeft gezegd, dat hij ongehuwd was; dat de getuige V., die belast is !|iet het ontvangen der aangiften benoodigd voor en het inschrijven van de akten in de registers van den Burgerlijken Stand op 14 April 1899, nadat de bekl. en voornoemde getuige A. S. hem de aangifte van hun voorgenomen huwelijk hadden gedaan, die akte in het daartoe bestemde register heeft ingeschreven, welke akte door den ambtenaar van den Burgerlijken Stand den getuige E. denzélfd'en of den volgenden dag is geteekend; dat de huwelijksafkondigingen van het voorgenomen huwelijk van den bekl. met de getuige A. S. hebben plaats gehad te Venray op de Zondagen 16 en 23 April 1899, zonder stuiting zijn afgeloopen en daarvan de vereischte akten door den ambtenaar van den Burgerlijken Stand voornoemden E. na opmaking zijn geteekend ;

dat op verzoek van den bekl. en meergenoemde getuige A. S. de dag voor hunne huwelijksvoltrekking is vastgesteld op Zaterdag den 29 April 18t-, doch dat dit huwelijk niet is voltrokken, omdat meergenoemde getuige E. hem had doen zeggen, dat het voorgenomen huwelijk zou worden uitgesteld, omdat bekl. gehuwd was, hetgeen hij getuige den bekl. toen ook heeft medegedeeld ; dat bekl. dit echter ontkende en zelfs bleef ontkennen, toen gemelde E. hem op 1 Mei 1899 met M. C. H„ die te kennen gaf, dat hij haar echtgenoot was, confronteerde; dat de bekl. den 1 Mei 1899 en ook enkele malen vóór dien dag bij hem getuige is gekomen en hem gedreigd heeft zich bij den Officier van Justitie te Roermond te zullen beklagen, indien zijn huwelijk met meergenoemde A. S. niet spoedig werd voltrokken; dat de bekl. met ovengenoemde A. S. echter niet voor den ambtenaar van den Burgerlijken Stand zijn verschenen om hun voorgenomen huwelijk te doen voltrekken, doch dat de bekl. op den 1 Mei 1899 is aangehouden en den daarop volgenden dag naar het huis van bewaring te Roeimoiid is overgebracht;

5°. J.L., onbezoldigd rijksveldwachter te Venray; dat de bekl. den 1 Mei 1899 den getuige S. om zijne papieren vroeg om daar-

Sluiten