Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 14 Mei 1900.

N°. 7426.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE EN-ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. advertentiën, 20 cent» per regel. — Bijdragen, brieven, ens., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, fe 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. ti°. 124).

ijs der

Strafrecht en strafproces nor „jeiilip personen".

v.

{Slot).

De geheel exceptioneele procedure voor «jeugdige personen», in Hoofdstuk II van Ontw. 31 geregeld in den vorm van partieele wijzigingen en aanvullingen vaneen groot aantal artikelen van het "Wetboek van Strafvordering, biedt een niet minder uitgebreid veld voor bespiegelingen aan dan het bijzondere strafrecht voor de jeugd, in Hoofdst. I van het ontwerp omschreven. Het proces is zelfs uit zijn aard rijker aan belangrijke détails dan het materieele recht. Toch laten wij deze ook hier rusten om ons te bepalen tot eenige korte beschouwingen over de hoofdbeginselen der procedure, die aan de hand der memorie van toelichting (§9) kunnen worden samengevat in de drie volgende:

1°. Uitbreiding van het rechterlijk onderzoek tot «de verwijderde oorzaken der daad en dus (tot) alles wat over opvoeding en karakter, omgeving en antecedenten (van den beklaagde) licht kan verspreiden»;

2°. stelsel van vertegenwoordiging, uitgebreide bevoegdheid van den vertegenwoordiger of den raadsman;

3°. uitsluiting van openbaarheid;

waarbij wij nog meenen te moeten voegen, ofschoon in § 9 M. v. T. niet genoemd:

4°. Discretionaire bevoegdheid des rechters om de terechtstelling van den verdachte te voorkomen (1).

Ad Ium:

Ter bevordering van dit doel, waarmede wij volgaarne onze instemming betuigen, strekken vele voorschriften van het ontwerp, o. m. verplichte oproeping van ouders of voogden en van den vertegenwoordiger van den verdachte of beklaagde reeds bij de voorloopige informatiën en nader in de instructie (art. 6Iter, art. 60bis) ; verplichting van den rechter-commissaris «zooveel mogelijk inlichtingen in (te winnen) omtrent de opvoeding, het karakter, de ontwikkeling en het doorgaand gedrag van den beklaagde, ook door het hooren van getuigen, die hem door de ouders of den voogd van den beklaagde zijn opgegeven» (nieuw 2e lid van art, 100); oproeping en verhoor ter terechtzitting van de ouders of den voogd van den beklaagde, verder van «zijn meester en een of meer zijner onderwijzers tot het geven van inlichtingen omtrent de opvoeding, het karakter, de ontwikkeling en het doorgaand gedrag van den beklaagde» (nieuw 4e lid van art. 162).

Principieel bezwaar hebben wij tegen niet een dezer middelen om het goede doel te bereiken. Men kan echter vragen en in de afdeelingen der Tweede Kamer is gevraagd (2), of er niet onder zijn, die een te imperatief karakter dragen, zoodat het beter ware geweest hier iets meer aan 's rechters inzichten over te laten. Dit

(1) Aanvulling van art. 121 Sv., 4e lid: „Insgelijk stelt zij den minderjarigen beklaagde, wegens het feit, begaan voordat hij den leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, te dier zake buiten vervolging, indien zij zulks om redenen van algemeen belang raadzaam acht of van oordeel is dat art. 38 van het Wetboek van Strafrecht behoort te worden toegepast".

Art. 252bis. Indien de minderjarige beklaagde vóór het begaan van het feit den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wordt de dagvaarding niet aan hem beteekend alvorens de kantonrechter daarop zijn visum heeft gesteld.

De kantonrechter kan dat visum weigeren, indien hij om j'eclenen van algemeen belang de buitenvervolgstelling van en beklaagde raadzaam acht of van oordeel is dat art. 38 het Wetboek van Strafrecht behoort te worden toegepast, dagv ' gevallen hij daarvan door eene aanteekening op de niet bete "l'^ blÜken- In dat geval wordt de dagvaarding

'2' V ('I'slae ad art. 100 en ad art. 162.

geldt bepaaldelijk de voorgestelde aanvullingen der artt. 100 en 162. Men moet niet licht denken over den omvang van het door art. '100 in alle zaken, de eenvoudigste en die, waarin de persoon van den beklaagde reeds dadelijk in een helder licht valt, niet uitgezonderd, den rechter-commissaris opgedragen onderzoek. En wat aangaat art. 162, is mede twijfel geoorloofd, of de daar voorgeschreven enquête op breede schaal omtrent den persoon van den beklaagde en zijne antecedenten a 11 ij d noodig is, ook in kantongerechtszaken (3), bij onbeduidende overtredingen, en bij de rechtbank zelfs indien na eene voorafgegane instructie over de opvoeding, het karakter, de ontwikkeling en het doorgaand gedrag van den beklaagde door het op dit alles krachtens art. 100 in het bijzonder gerichte onderzoek van den rechter-commissaris reeds het noodige licht is opgegaan.

Ad Hum :

Reeds in het stadium der voorloopige informatiën wordt aan den verdachte na zijn eerste verhoor door den rechter-commissaris op diens verzoek een «vertegenwoordiger» toegevoegd door den president der rechtbank uit de advocaten en procureurs in het arrondissement gevestigd (art. 61 bis). Na verleenden rechtsingang blijft deze vertegenwoordiger in functie, tenzij de president een ander benoemt (art. 85bis). Bij verwijzing naar de terechtzitting wordt in het bij art, 132, eerste lid bedoelde geval volgens een aan dat artikel toe te vopgen nieuw tweede lid, de vertegenwoordiger «bij voorkeur» als raadsman aan den beklaagde toegevoegd. Deze verschijnt echter in geen geval zonder rechtskundigen bijstand ter terechtzitting, want ingevolge art. 152öis «wordt, bij gebreke van een raadsman, de bij art. 856is bedoelde vertegenwoordiger als zoodanig aangemerkt voor de toepassing van het in de volgende artikelen van dezen Titel en in den vijfden Titel bepaalde.

Bij de kantongerechten is de toevoeging van een vertegenwoordiger facultatief en beperkt tot de advocaten en procureurs benevens de gewone of buitengewone leden van den voogdijraad in het arrondissement, die zich daartoe beschikbaar stellen.

Den vertegenwoordiger, resp. raadsman van den beklaagde zijn zeer ruime bevoegdheden toegekend, die wij hier nu niet in bijzonderheden kunnen uiteenzetten, Bedenkelijk komt het ons voor, dat hem, met uitsluiting van den beklaagde, is gegeven het recht om in verzet te komen tegen het bevel van verwijzing naar de terechtzitting of om daarvan afstand te doen (art. 1316is), en evenzeer het uitsluitend recht om hooger beroep in te stellen tegen een op tegenspraaak en in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis (nieuw 4e lid van art. 230) (4).

De in het Verslag gemaakte, reeds in W. 7423 medegedeelde opmerking, dat het «te ver (gaat) aan een jongmensch van 17 è, 18 jaren een rechtsgeleerden vertegenwoordiger toe te voegen, die buiten hem om of tegen zijn wil kan handelen», welker juistheid wij in het algemeen erkennen, geldt bij name voor de keus tusschen de berusting en het door de bij de wet beschikbaar gestelde middelen opkomen tegen rechterlijke uitspraken. Het gaat niet aan beklaagden tot het volbrachte achttiende jaar hierbij zelfs geen stem in het kapittel te geven.

Ter ontzenuwing van dit bezwaar werd door den Minister blijkens het Verslag (§ 2) aangevoerd :

Terwijl een persoon tot zijn meerderjarigheid geacht wordt be hoefde te hebben, bijl gebreke van den vader, aan een voogd, die

(3) Krachtens de verwijzing van art. 253.

(4) Dezelfde bepaling zoeken wij in het ontwerp vergeefs voor het beroep in cassatie, ofschoon in het aangenomen stelsel art. 355 Sv. gelijke aanvulling schijnt te eischen als art. 230, in verband met art. 256 en 266.

voor hem alle burgerlijke handelingen, verricht en gezag over hem uitoefent, is liet niet duidelijk waarom een jongmensch van 17 jaren den rechtsgeleerden vertegenwoordiger zou kunnen missen, waar deze voor jeugdige personen in liet algemeen nuttig en wenschelijk wordt geoordeeld. Zoowel voor 17 jarigen als voor jongeren is eene strafvervolging met al hetgeen daarmede gepaard gaat eene zóó gewichtig© en ingrijpende gebeurtenis, die hem in zoo ongewone toestanden en tegenover voor hem, zoo nieuwe handelingen plaatst, dat ook eerstgenoemden daarbij de behoefte zullen gevoelen aan een met den gang der procedure bekenden, in hem belangstellenden raadsman en wachter voor hunne rechten.

Voor ons is deze argumentatie niet afdoende.

Vooreerst als de gelijkstelling van het strafrecht met het burgerlijk recht, van het strafproces met het burgerlijk proces hier opgaat, dan moet zij gelden voor alle minderjarigen, niet alleen voor hen, die den leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt,

Ten andere, en dit is beslissend, de gelijkstel1 i n g gaat niet op, omdat het verschil gelegen is in den geheel verschillenden aard van het burgerlijk recht en het strafrecht. De verplichte vertegenwoordiging van den minderjarige in alle burgerlijke rechtsgedingen, niet door een vertegenwoordiger ad hoe, maar door zijn vader, resp. zijne moeder, of zijn voogd is een gevolg van het privaatrechtelijk instituut der ouderlijke macht of voogdij. Zij heeft haar oorsprong in of, wil men liever, zij maakt een deel uit van de verplichte vertegenwoordiging van den minderjarige in alle burgerlijke handelingen (art. 441 B. W.). De burgerI ij k e rechtsvordering, waarbij de minderjarige, rechtens vertegenwoordigd, eischend of verweerend optreedt, raakt doorgaans alléén zijn vermogen, in enkele gevallen zijn burgerlijken staat. De strafactie, waarbij hij alléén verweerend optreedt, want zij komt als publieke actie alléén toe aan het Openbaar Ministerie als staatsorgaan, raakt zijne geheele persoonlijkheid, bij de verdediging van wat den mensch het meest waard is of althans moet zijn, al maakt hel geen deel uit van zijn vermogen en al is het op geld niet waardeerbaar: de vrijheid en de eer. Dat men den jongen mensch bij de verdediging van dat hoogste ideëele goed in den kamp om het recht steeds den bijstand van een «in hem belangstellenden raadsman en wachter voor zijne rechten» zooveel mogelijk verzekert, is uitmuntend. Maar hem die verdediging, inzoover zij door rechtsmiddelen wordt uitgeoefend, geheel afhandig te maken om haar geheel over te dragen op dien raadsman, schijnt ons in strijd met alle tot nu toe als juist erkende beginselen van strafrecht en proces. Het is echter mogelijk, daarin belijden wij onze onkunde, dat de «nieuwere richtingen» ook de onjuistheid van deze beginselen in het licht hebben gesteld met die van vele andere, die volgens hare leer alleen hun oorsprong hebben in een verouderd «doctrinarisme».

Ad Illum :

Waar wij opkomen tegen de uitsluiting der openbaarheid in alle strafgedingen, waarin «jeugdige personen» betrokken zijn, beginnen wij met de woorden van den heer Rink, gesproken in de vergadering der Tweede Kamer van 2 Maart 1899 (5) ter inleiding van zijn amendement op het ontwerp der nieuwe re visie-wet, om de openbare behandeling der revisie-aanvragen bij den Hoogen Raad voor te schrijven, tot de onze te maken. Deze woorden luidden als volgt:

Een betoog te leveren voor de wenschelijkheid en noodzakelijkheid van de meest mogelijke openbaarheid waar het de strafrechtspleging geldt, ik geloof dat dit onnoodig is.

Aan het einde van de negentiende eeuw een dergelijk pleidooi te houden, zou waarlijk een anachronisme kunnen genoemd worden Laat ik dus alleen dit zeggen, dat openbaarheid bij de behandeling van strafzaken mij voorkomt te zijn: de zekerste waarborg

(5) Hand. 1898—1899, bl. 831, le kolom.

Sluiten