Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dig'd°')lder hea berustende of door hen verschul-

mitsdien de eer te concludeeren tot verwerping der ig, met veroordeeling van den eischer qq. in de kosten.

Hooge Raad enz.;

-^artijen gehoord;

gezien de stukken;

I GerechTJhT'l" ^ t6gen het °P 20 Febr- 1899 door het I als nHflrlai° 6 'S kr&venhage tussciien partijen gewezen arrest I Sch» A Van cassati« is voorgesteld :

I Wet v» _.v.erkeerdö toepassing van de artt. 7, 14 en 15 der

740 741 7/lo 1245 (Stbl' n°' z2'> 475> 476' 477> 478> 479. J is overwogen: B' E"> doordien bij het beklaagde arrest

hoezeer'(](/'t.t.V?JïW'e'ir^eresfie' derde executoriaal gearresteerde, bevoegd was er, ®nafr1zelf tegen het beslag niet was opgekomen, ! ring te betwisten ™ b« had> hare verplichting tor verkla-

der wet van 18'' s i °TOIld dat z9! niet behoorde tot de in art. 7 ningen; ' 4 edoelde houders of schuldenaars van pen-

f 's Rijks' dlrect^'k*'^ • besdaB onder derden ter invordering van hij art 7 do,. - , asüng'en alleen geoorloofd is in de gevallen,

e. dat hoezew^R^11 i845 omschr6TOn 5 der wet van 1 bjc °Pvattmg> dat voor de tospassing van art. 7 moeten behoor de penningen aan de schuldenaars zouden

i dat de pennino611' te zou z^n' tocb mo6t worden aangenomen moeten zijn. 516,11Uet adeen verschuldigd, maar ook opeischbaar

daar°mtrent:

j gingen van^tst ^ ^ beklaagde al'rest overgenomen overwei is gesteld' dat bil*1 eel'sten «uileg gewezen vonnis bij dagvaarding belastingen N.,L^es"verbaal van den deurwaarder der directe

i van een°dwanJw»fUS- te Delft van M Au§' 1895' uit kracht van o-ed tha Uitgevaardigd den 30 Mei 1895 onder handen

op alle ^geT2!rd.eres8e: executoriaal beslag is gelegd zijn of wordpji • • c>* goederen als ged. mocht verschuldigd

l vanH. Bazuin w-" i? onder zich berustende hebben of zal hebben I dat het proces r e* zaam in dienst of in dienst geweest van ged.; ! dat Bazuin den t •• °P27Aug. 1895 aan Bazuin is beteekend; verstriikpn „ 'i erln'Jn- van verzet tegen het beslag heeft laten

dat Wlo v Var' dit middel gebmik te maken;

teekend de ' dwangbevel op 2 Aug. 1895 van ged. is be-

(Stbl. n° 22)" l^!^' bedoeld bij art. 7 der wet van 2'A Mei 1845 ■ Was uite-é r. 1°'" de belastingschuld, waarvoor het dwangbevel voldoen •" Taa od> verschuldigd door Bazuin, met de kosten te I zoodat ' ®6C'' aan d^e vordering geen gevolg heeft gegeven, voor'l 1U1 vo^>ens art. 7 evengemeld de kosten van vervolging i dat dlai 6 rekenmg komen: op grond waarvan eischer vorderde, ,' or of namens ged. zal worden afgelegd eene onderteekendt ver ^1Ing van hetgeen zij van Bazuin onder zich heeft of hem ,1' sc'mhhgd is met verdere nevenvorderingen, als bij dagvaarlmg vervat ;

art't i ^ed' 'n hoofdzaak heeft geantwoord, dat gezegd

j . 7 niet van toepassing is tegen den werkgever, die slechts n ls verschuldigd aan den werkman, dat tusschen haar en d t geëxecuteerde Bazuin geene andere rechtsbetrekking bestaat; ha ^t^' -dus ontkent bet rccht van eischer om dit beslag onder verkl • leS8en en ontkent hare verplichting om de gevorderde stelrto'J11® 'e doen' ofschoon zij overigens de bij dagvaarding ge. , e feiten niet ontkent; s

vomüs 61s.obeir "P dian grond bij het in eersten aanleg gewezen vonnis eV°ntJankeliJk is verklaard in zijne vordering, welk oordeeld ^' . daartegen aangevoerde grieven ongegrond ge-

0. alsiW'Uen' bet beklaagde, arrest is bevestigd;

middel d^*"6'' k^^kking tot het daartegen gerichte cassatie den zijn • ** naar ^"leiding daarvan drie vragen te beantwoor-

ring te^betV6rWeerderesse bevoegd hare verplichting tot verklader wet v-an 'p?1* Srond dat zij niet behoort tot de ,in art. 7 penningen?11 1 45 bedoelde houders of schuldenaars van

2<D 200 '

denaare*'0 'A' beb(K>rt de verweerderesse tot. die houders of schul-

anderen hoofd™' Was 'ngestelde vordering toelaatbaar uit O- ad Ium:

zekere vernl' ?®™eld art- 7 bepaald omschreven personen Weert n7t»t2® °Plegt' Uit den aard der zaak 1'U die be-

nakomen dier VeralichtinD-en ^ 1 b6booren en dus niet tot het

moet hebben om. de bewerino- üi re iT Zljn' de =elegenheid

dat bovendien, indien dT W» t te voeren;

gebreke blijft aan de vordering des^^011 1 °f 8ckH®Mr in door dezen bij executoriaal beslag vervolg^wordt ..llij

bfl het Tweede Boek, tweeden titel tweede a ivi.. r ^ WBZ® Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald0 mfoodlt a^rf W5 van dat Wetboek op hem toepasselijk is ''

gcarrestetrdef "ll d°°^ iS dat de derd6

te doen als he'^^ bTskf Tl - T ^ zoodanig® betwisting ii°. 5) ' ■Met beslag zooals bij de wet van 24 Jan. 1815 (Stbl

■■ «elven; "C C" ,S m belang van den derden schuldenaar

noch i^deeVoorfeir^1artbT4e5king-nOCh .d.en aard der zaak en liet dus voldoende is inrlïa e6n>ge aanleiding te vinden is, matig belang heeft om z'iirip, „.„y, ? derde, beslagene een reclitdanig belang hier zeker bestond nheid teSen te spreken, hoe dat verweerderesse loopt om de i Ware iet aUeein in het gevaar den belastingschuldige te kunnen vwhaL™11 vervolgin8' lliet °P dat ae eerste vraag dus toestemmend

ad Hum: beantwoord moet worden;

dat meergemeld art, 7 de verplicht;,,™

den belastingschuldige, voorzooverre de « 0™ VtM>r rekeninS van tustende of door hen verschuldMT?tretl.-^^M1?geD onder hen b6" d°or dezen verschi ldild fw.fi! S, kke"' de directe belasting, denaars van penn^f ^ K , ! °'P alle houders of schuldat Uit d«rs°; b ?s ^schuldige toekomende;

gemeen rust op .,ii„ , , i, Ca' cle verplichting niet in het voorzoover zij Zt « s^uld^re^ maar alleen op hen. die, gezegd kunnen wordeln™ ^ J ^ artlkel genoemd worden, schuldige onder zich t~ i,gtï®n behoeve van den belastingdat dit vohn ènnit, S hebben;

6 verplichting in dei o v!)<>rafoaan(ie lijst van porsonen op wie hebben, indien de gelegd wordt' die geen zin

uit den eiscli dat rlo r' lc . S op alle schuldenaars rustte,

SS* toekomen, hetgeen aan im, ^lastingschnldige

/en; ° iet van gewone schulden gezegd kan

der W'et0Z?e '>'|p1a';t™| 111 overeenstemming is met de geschiedenis r v<>n IHW ?tde Uitdrukking ontleend is aan art. 2 der ' 11 chef (]6 „ waar sprake is van ,,deniers provenant

au es ; als omdat bij de behandeling der wet

Vreesde, (];l, '; nister van Financiën, tegenover een lid, dat en aan het woord „schuldenaars" eene te ruime

uitlegging zou geven, uitdrukkelijk verklaard heeft, dat in de uitdrukking „houders van penningen van belastingschuldigen' allen, die hier in aanmerking komen, vervat zouden zijn geweest, en de uitdrukking „schuldenaars" verdedigd heeft met de opmerking dat de houder van eens anders penningen rechtens als diens schuldenaar moet worden beschouwd;

dat de werkgever tegenover den werkman is een gewoon schuldenaar en niet beschouwd kan worden, als ten behoeve van dezen het verschuldigde loon onder zich te hebben, zoodat de tweede vraag ontkennend beantwoord moet worden;

O. ad Illum:

dat door den eischer is aangevoerd, dat bij art. 14 der meergenoemde wet van 22 Mei 1845 in het algemeen het recht, wordt gegeven om de roerende en onroerende goederen des schuldenaars aan te tasten bij dwangbevel en dit ten uitvoer te leggen op den voet en de wijze, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van de ten uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven, en dat. onder roerende goederen, ook blijkens de plaats van de artt. 475 en volgende in dat Wetboek schuldvorderingen zijn begrepen;

dat echter de eischer niet enkel onder de verweerderesse gelegd heeft het beslag, bedoeld bij de aangehaalde artt. 475 eln volgende, maar hij zulks uitdrukkelijk gedaan heeft, in verband met en als uitvloeisel van de vordering, welke het meergemeld art. 7 der wet van 1845 geeft;

dat bij dat artikel aan de daarin genoemde, personen verplichtingen worden opgelegd, welke, indien zij in gebreke blijven daaraan te voldoen, voor hen zeiven nadeelige gevolgen opleveren, zoodat, al ware de opvatting des eischers omtrent art. 14 juist, hetgeen thans niet. behoeft te worden onderzocht, zij nog de vordering zooais die ten deze is ingesteld niet zou rechtvaardigen ;

dat op dien grond de derde vraag ontkennend beantwoord moet worden, zoodat het cassatiemiddel in zijn geheel ongegrond is; Verwerpt het ingestelde beroep in cassatie ;

Veroordeelt den eischer in zijne hoedanigheid in de kosten.

AR RONMSSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ZWOLLE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 29 November 1899.

Voorzitter, Mr. W. F. E. Baron v. Aerssen Beijeren v. Voshol.

Rechters, Mrs.: W. H. Royer en H. J. Westra.

Officier van Justitie, Mr. L. H. N. T. M. Bosch Ridder van Rösenthal.

Verzuim der bij art. 989 B. W. voorgeschreven formaliteiten heeft geen nietigheid van het testament ten gevolge. Be hiet-conformiteit van het overgelegde afschrift met het oorspronkelijk testament moet worden gelijk gesteld met eene betichting van valschheid als in art. 176 B. R. bedoeld, en vermits de gedaagde niet overeenkomstig art. 178 heeft geprocedeerd met stilzwijgen worden voorbijgegaan. _

Eene verwering, van den gedaagde, niet vermeld in de conclusien, waarin partijen al de gronden harer beweringen moeten opnemen en waarmede de zaak voldongen is, moet buiten 's rechters beschouwing blijven.

1°. C. B. O., predikant, vroeger wonende te Katwijk aan Zee,

gemeente Katwijk, thans te Rotterdam;

2°. P. van der E., Inspecteur der Exploitatie bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, wonende te Zwolle, in hunne qualiteiten, de eerste van President en de tweede van Secretaris van het Bestuur der Stichting „Zendingsstichting Huizen van Barmhartigheid te Ermelo', gevestigd te Ermelo, als zoodanig krachtens de statuten dier Stichting dat Bestuur en die Stichting in rechten vertegenwoordigend, eischers, procureur Mr. J. van Setten",

tegen

A. M., wonende te Ermelo, gedaagde, procureur Mr. H. van DER VEGTE.

De Rechtbank enz.;

Gehoord de conclusiën van partijen ;

Gehoord de conclusie van den Officier van Justitie bij deze Rechtbank, strekkende tot toewijzing der vordering;

Gezien de akte van dagvaarding van wege de eischers qq. aan den ged. beteekend bij behoorlijk geregistreerd exploit van 8 Oct, 1898, alsmede de verdere stukken der procedure;

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat de eischers bij dagvaarding en daarmede overeenstemmende conclusie van eisch hebben gesteld, dat de bovengenoemde stichting is eigenares van liet huis en erf groot 2 aren, 90 centiaren en van den tuin groot 19 are, 40 centiaren, staande en gelegen te Ermelo en in die kadastrale gemeente bekend in Sectie F, onder nos. 962 en 676; dat de ged. sedert geruimen tijd die goederen zonder eenig recht of titel gebruikt en bewoond en niettegenstaande minnelijke aanmaning en gerechtelijke sommatie van 22 Sept. 1898 nalatig blijft die onroerende goederen te ontruimen en ter vrije beschikking van eischer te stellen, dat de stichting tengevolge van dat onrechtmatig in het bezit houden van die goederen schade lijdt en dat ged. als bezitter ter kwader trouw verplicht is die schade aan de stichting of aan de eischers qq. te vergoeden en op grond van een en ander hebben gevorderd" ;

1°. te verstaan a. dat genoemde stichting is eigenares van de bedoelde onroerende goederen; b. dat door het onrechtmatig bezit van ged. door de stichting schade is en. wordt geleden, welke schade de ged. gehouden is te vergoeden;

2°. den ged. te veroordeelen a. om binnen twee dagen na beteekening van het te wijzen vonnis meergemeld vastgoed met gezin en goederen te ontruimen en ter vrije beschikking van de stichting te stellen, met machtiging op de eischers om, wanneer ged. hiermede in gebreke blijft, die ontruiming zelve te doen bewerkstelligen door een deurwaarder bijgestaan door getuigen en desnoods met behulp van den sterken arm der Justitie en zulks ten koste van ged., b. om aan de stichting of aan eischers qq. als schadevergoeding te betalen de som. van f 5 daags van af den dag der dagvaarding tot aan de ontruiming; c. in de proceskosten ;

3°. het in dezen te wijzen vonnis, wat betreft de veroordeeling ; tot schadevergoeding, voorzoover deze de som van f 150 te boven mocht gaan, te verklaren uitvoerbaar bij lijfsdwang; (

O. dat de ged. heeft geantwoord dat hij de gestelde feiten ont- i

: kent, nl. dat er te Ermelo een stichting „Zendingsstichting Huizen van Barmhartigheid te Ermelo bestaat wat in zich sluit een ontkenning van de qualiteit van eischers en dat deze stichting, indien zij mocht bestaan, eigenares is van de bedoelde onroerende goederen ; dat hij wel wil erkennen dat een gedeelte van het huis door hem. in Kwaliteit van predikant der Zendingsgemeente te Ermelo wordt bewoond, doch dat die bewoning met is onrechtmatig, en dat indien dit al zoo ware die schade nimmer de som van t 3 per week zou kunnen te boven gaan en dat de uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang geen steun vindt in de wet, op grond waarvan hij heelt geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de eischers qq. in hunne vordering,. immers tot ontzegging daarvan met veroordeeling van de eischers in privéé in de kosten ;

O. dat de eischers bij conclusie van repliek bij hunne reeds genomene conclusie persisteerende in het geding hebben gebracht, onder aanbod van mededeeling als naar de wet;

1°. een notarieel afschrift eener akte den 28 Juli 1896 gepasseerd ten overstaan van den notaris Mr. J. F. Neel te Harderwijk ;

2°. een door den bewaarder der hypotheken te Arnhem den 11 Jan. 1899 afgegeven afschrift van een ten hypotheekkantore te Arnhem den 20 Oct. 1859 overgeschreven akte, den lOen Oct. 1859 gepasseerd ten overstaan van den destijds te Harder wijk resideerenden notaris J. D. C. C. W. de Mol;

3°. een notarieel afschrift van a. een door den notaris van Osselen te Nunspeet den 20en Febr. 1884 opgemaakte akte van depot van na te melden testament; b. een olograpliisch testament door den heer H. Witteveen, destijds predikant te Ermelo, den 13en Febr. 1884 opgemaakt, en c. de waarmerking van dat testament, na doode van den testateur, door den kantonrechter te Harderwijk en diens griffier den lOen Mei 1884;

4°. een kadastraal extract van de perceelen der gemeente Ermelo Sectie F, n°. 676 en 692;

5°. twee door den bewaarder der hypotheken en van liet. kadaster te Arnhem afgegeven kadastrale kaarten van gemelde twee perceelen en wel een van den vroegeren en een van den tegenwoordigen toestand;

6°. een overlijdensakte van den heer H. Witteveen voornoemd;

7°. een door partijen voor conform, aan het origineel erkend afschrift van de notulen der vergadering van het bestuur der stichting gehouden den 28 Juli 1896;

en hebben doen zeggen, dat door die productiën de dooi' heri gestelde en door den god. ontkende feiten zijn bewezen; dat zij toegeven dat de hier bedoelde tuin niet bij den ged. in gebruik is en zij hunne vordering dan ook in dier voege verminderen, dat zij beperkt blijft tot het kadastrale perceel 962; dat zij niet willen twisten over de vraag of een schadevergoeding van f 5 per dag te veel is en daarom hun eisch in dier voege wijzigen, dat achter het bedrag der schadevergoeding in de dagvaarding en conclusie van eisch vermeld, worden gelezen de woorden: „salvo moderamine Judicis" van welke vermindering en wijziging zij akte verzoeken ; dat de gevraagde uitvoerbaarverklaring steunt op de wet, omdat de ged. door het vast goed te kwader trouw te blijven bewonen en gebruiken jegens de stichting eem onrechtmatige daad pleegt;

O. dat de ged. bij dupliek biji zijn reeds genomen conclusie persisteerende heeft doen zeggen dat het stuk dat Ds. Witteveen heeft willen opmaken om na zijn overlijden als uiterste wil te gelden en waarin hij Mejonkvrouw van Halteren tot zijn erfgename benoemde, niet voldoet aan de voorschriften der wet daar de bepalingen van art. 989 B. W. zijn verwaarloosd; dat hij de nietigheid van dit testament inroept: dat toewijzing dezer vordering tengevolge heeft dat Jonkvrouw van Halteren geen erfgenaam van Ds. Witteveen is of is geweest; dat zij dus de ten name van deze ingeschreven goederen niet in een stichting heeft kunnen inbrengen en dat derhalve de stichting niet bestaat; dat, indien mocht worden aangenomen dat- de bepalingen van art. 989 niet oji straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, hij ged. uitdrukkelijk de identiteit van het in afschrift geproduceerde stuk met het door Ds. Witteveen opgemaakte testament ontkent; dat hij eveneens ontkent dat dat testament na het overlijden van den erflater in ongeschonden staat aan den kantonrechter is ter hand gesteld ; dat indien eischers in dit op hen rustend bewijs mochten slagen zij dan nog' slechts zullen hebben doen vaststellen dat Mejonkvrouw van Halteren is de erfgename van Ds. Witteveen onder voorwaarde dat zij de geërfde goederen zou gebruiken ten bate der kleine zendingsgemeente, waaronder niets anders kan worden verstaan dan de zendingsgemeente Ermelo en dat Mejonkvrouw van Halteren in geen geval bevoegd was die goederen tot een stichting te maken, op grond, waarvan hij mede incidenteel heeft geconcludeerd tot nietigverklaring primair van het olograpliisch testament van Ds. Witteveen van 13 Febr. 1884 en subsidiair van de akte den 28 Juli 1896 gepasseerd ten overstaan van den notaris Mr. J. F. Neeb te Harderwijk;

O. dat de eischers bij incidenteele contra-conclusie onder aanbod van mededeeling als naar de wet in het geding hebben gebracht, een expeditie van het procesverbaal dd. Mei 1884 door den kantonrechter te Harderwijk en diens griffier opgemaakt en hebben betoogd dat door het geproduceerde stuk is bewezen, niet alleen dat er geen sprake kan zijn van nietigheid van het in deze bedoelde testament op den aangevoerden grond, maar ook dat dat testament niet in ongeschonden toestand aan den kantonrechter is ter hand gesteld; dat bovendien niet nakoming der bepalingen van art. 989 B. W. geen nietigheid van het testament tengevolge heeft; dat de bewering dat het afschrift van het testament niet overeenstemt met het origineel gelijk staat met een iniputatie van vervalsching; dat ook al ware de lezing van het testament door den ged. gegeven juist dan nog de toevoeging aan de instelling elke kracht zou missen en dat de ged. in elk geval de bevoegdheid tot dit betoog mist wegens het ook naar ons recht verboden excipieeren ex jure tertii;

O. dat daarna de zaak is bepleit door der partijen procureurs; O. ten aanzien van het recht:

dat tengevolge van de door ged. bij conclusie van antwoord gedane ontkenning der door eischers geposeerde feiten nl. :

1°. dat er te Ermelo een stichting „Zendingsstichting Huizen van Barmhartigheid te Ermelo" bestaat;

2°. dat de eischers zijn de bestuurders van die stichting', en 3°. dat die stichting is eigenares van de bij dagvaarding bedoelde onroerende goederen, in de eerste plaats behoort te worden onderzocht of door de door eischers naar aanleiding dier ontkenning gedane productiën die feiten zijn bewezen;

O. hieromtrent, dat uit het hiervoren bij conclusie van repliek sub 1 vermelde afschrift eener akte den 28 Juli 1896 ten overstaan van den notaris Mr. Neeb te Harderwijk gepasseerd blijkt, dat er op dien dag een stichting te Ermelo is opgericht waaraan denaam is gegeven „Zendingsstichting Huizen van Barmhartigheid te Ermelo", terwijl door het afschrift der notulen der vergadering van het bestuur der stichting dd. 28 Juli 1896 bij de conclusie van repliek sub 7 vermeld in verband met art. 5 der stichtingsakte van den 28 Juli 1896, hiervoren mede vermeld der eischeren bevoegdheid om die stichting in rechten te vertegenwoordigen voldoende vaststaat; dat dit mede het geval is met het door ged. ontkende eigendomsrecht der stichting op het bij dagvaarding °om-

Sluiten