Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede Kamer.

Zitting van den 14 December 1899.

Voorzitter, Mr. A. Wichers Hoeth.

Rechters, Mrs.: J. Dëking Dura en Jhr. J. C. Reijnst.

Het gevolg van het niet stellen van zekerheid door den eischer-vreemdeling binnen den daartoe bij vonnis bepaalden tijd is alléén, dat de gedaagde niet behoefde te antwoorden op de tegen hem ingestelde vordering, niet de vervallenverklaring van het rechtsgeding of des eischers niet-ontvankelijk-verklaring in de voortzetting daarvan.

A. Köppelmann, huisvrouw Tan F. W. Ringel, wonende te Amsterdam, eischeres, procureur Mr. H. J. J. Post,

tegen

1°. L. M. A. Jansen, wonende te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. H. R. Gouds iut;

2°. F. W. Ringel, wonende te Amsterdam, mede-gedaagde, procureur Mr. J. Wiarda.

De Rechtbank;

Gelet op de conclusiën der eischeres en van ged. Jansen bij pleidooi toegelicht door de postuieeronde procureurs;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken:

Overwegende dat de Rechtbank zich te dien aanzien gedraagt aan — en mitsdien overneemt hetgeen daaromtrent is opgenomen in het incidenteel vonnis door deze Rechtbank en Kamer in deze zaak op den 26 Jan. 1899 gewezen, waarbij met reserve van kosten tot aan de einduitspraak, op grond, dat de eischeres vreemdelinge is, is bevolen, dat zij ten behoeve van den eersten ged. zekerheid zal hebben te stellen tot een bedrag van f 200 en dat die zekerheid zal moeten zijn gesteld binnen vier weken na de uitspraak van dat vonnis en binnen gelijken termijn zal moeten zijn aangenomen of betwist;

O. dat blijkens overgelegd exploit, gezegd vonnis den 27 Apiii 1899 ten verzoeke van den eersten ged. door den deurwaarder H. (J. Stapelveld is beteek end aan de eischeres en aan den tweeden ged., en dat daarna, de procureur van den eersten ged. de procureurs van eischeres en mede-ged. heeft gesommeerd om te verschijnen ter terechtzitting dezer Rechtbank en Kamer van 18 Mei 1899 om te hooren concludeeren, aangezien door eischeres niet aan het vonnis voldaan werd, zooals in die sommatie breeder is uiteengezet, welke sommatie aan genoemde procureurs werd beteekend, blijkens overgelegde akte den 2 Mei 1899 door den deurwaarder Oolder;

O. dat door den procureur van don eersten ged. ter terechtzitting werd geconcludeerd, dat, aangezien door de eischeres, incidenteel ged., niet is voldaan aan het meergemeld vonnis van 26 Jan. 1899 de Rechtbank moge vervallen verklaren het dooide eischeres bij exploit van 20 Juni 1898 tusschen partijen aanhangig gemaakt rechtsgeding, althans de eischeres niet-ontvankeliju verklare in de verdere vervolging van dat rechtsgeding met ontslag van de instantie met liare veroordeeling in de kosten van het rechtsgeding;

O. dat, terwijl door den procureur van den tweeden ged. niet werd geconcludeerd, door de eischeres bij conclusie van antwoord is aangevoerd, dat zij erkent, dat door haar vooralsnog niet is voldaan aan het vonnis, waarbij haar bevolen is zekerheid te stellen voor de kosten, schaden en interessen in welke zij in het tusschen haar en den ged. Jansen aanhangige rechtsgeding zou kunnen worden veroordeeld;

dat de wet echter niet kent, wat de eerste ged. vordert, dat liet eenige gevolg van haar verzuim is, dat zij hare vordering niet zal kunnen voortzetten, zoolang de bevolen zekerheid niet is gesteld, op welke gronden eischeres concludeerde den eersten ged. niet-ontvankelijk te verklaren in zijne bij conclusie gedane incidenteele vordering, immers hem. die te ontzeggen met veroordeeling van dien ged. in de kosten op dit incident gevallen; In rechte:

O. dat tusschen partijen buiten geschil is, uit de evengemelde daadzaken blijkt en dus vaststaat, dat bij vorengenoemd incidenteel vonnis is gelast, dat de eischeres, vreemdelinge, ten behoeve van den eersten ged. zekerheid zal hebben te stellen tot een bedrag van f 200 binnen vier weken na de uitspraak van dit vonnis, alsmede, dat die zekerheid door de eischeres niet is gesteld;

O. dat van dat verzuim krachtens de wet het gevolg is, dat de wederpartij, in casu de le ged., geen weer van rechten of tegenzegging behoeft te doen, dus niet behoeft te antwoorden op de tegen hem ingestelde vordering, doch dat dit gepleegd verzuim niet medebrengt, dat dientengevolge het aanhangig gemaakt rechtsgeding moet worden verklaard te zijn vervallen en evenmin, dat eischeres moet worden verklaard niet-ontvankelijk in de verdere vervolging van het rechtsgeding met ontslag van instantie;

O. dat immers eene vervallen verklaring van een aanhangig rechtsgeding, tenzij daarmee bedoeld wordt een vervallenverklaring van de instantie, waarvan de rede in het ten deze niet toepasselijk art. 279 B. R., in de wet niet is bekend, en dat moge al in sommige gevallen, zooals in de artt. 268 en 326 B. W. eene eischeres niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard in de verdere vervolging, eene analogische toepassing dier artikelen op het onderhavige geval reeds daarom is uitgesloten, omdat niet is gebleken en door ged. ook niet wordt gesteld in zijne conclusie, dat eischeres, hoewel geen zekerheid hebbende gesteld, desniettemin haar vordering voortzet, en dat die uitsluiting nog te meer dringt en zich nog te meer doet gevoelen, omdat ged. aan die gevorderde niet-ontvankelijkheid een ontslag van de instantie verbindt, die toch, tenzij als gevolg van een vervallenverklaring van de instantie, alleen bekend is in art. 75 B. R., ten deze evenmin van toepassing;

O. dat dus de eerste ged. niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in zijne bij conclusie gedane vorderingen; Rechtdoende:

Verklaart den eersten ged., incidenteel eischer, niet-ontvankelijk in zijne bij conclusie gedane vorderingen;

Veroordeelt dien ged. in de kosten op dit incident gevallen, enz.

MENGELWERK.

SCHADELOOSSTELLING VOOR PRAEVENTIEVE HECHTENIS.

Met een enkel woord wil ik trachten de bezwaren tegen onze ciiculaire in W. 7451 opgesomd te weerleggen.

In de eerste plaats dient een misverstand uit den weg geruimd te worden; de geprojecteerde vereeniging heeft niet ten doel zich op wetgevend terrein te bewegen. Zij wil alleen trachten de overtuiging te vestigen bij juristen en leeken, dat wettelijke voorziening noodzakelijk is.

Da Redactie van het Weekblad zegt dat niemand daaraan twijfelt, doch de ondervinding leerde ons anders. Van een paai juristen van naam, beiden tegenstanders van wettelijke regeling, ontvingen wij bericht, van de eerste dat hij medewerking niet kon verleenen, omdat hij de Vereeniging beschouwde als bevorderlijk aan een door hem niet gewenschte wettelijke regeling, terwijl do andere wel wilde medewerken omdat hij in de vereeniging een middel ziet om de zaak op de lange baan te schuiven. Va l vele anderen hoorden, wij de enkele korte, doch vrij afdoende critiek „daar voel ik niets voor". Inderdaad, wat wij in de laatste maanden omtrent dit onderwerp hoorden, geeft ons de overtuiging dat een wettelijke regeling op vrij wat tegenstand zal stuiten, en daarom komt het ons voor dat een vereeniging als hier bedoeld, indien alle voorstanders van wettelijke regeling zich daarbij aansluiten, een krachtig wapen kan zijn in de hand vai onzen Minister van Justitie bij de behandeling van dit onderwerp.

Op welke wijze de zaak bij de wet geregeld zal worden, is de vereeniging betrekkelijk onverschillig, al behoudt zij natuurlijk de bevoegdheid hare meening over een te verwachten ontwerp te uiten. De hoofdzaak is de wensch dat do bestaande gruwel worde weggenomen; een oplossing zelf zoekt noch geeft de vereeniging. Zij wil aleen het maatschappelijk kwaad bestrijden.

Of het nu de moeite waard is, bij de te wachten herziening van ons Wetboek van Strafvordering thans een vereeniging in het loven te roepen, die de hulpwaardige slachtoffers der praeventiovo hechtenis zal trachten te steunen, is een quaestie van gevoel. Het kwam ons voor dat waar in het gunstigste geval er op te tekenen valt, dat nog eenige jaren zullen verloopen eer de nieuwe Strafvordering kracht van wet zal hebben, en dus voordie categorie van menschen niets gedaan wordt, een vereeniging die zich tijdelijk belast met het werk dat misschien op den weg van den Staat ligt, haar nut kan hebben.

De door ons verzamelde statistieke gegevens bevestigden ons in die meening; dezen leeren dat van do praevontief gedetineerden die naar de terechtzitting wjordem verwezen, ± 19 % worden vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, terwijl bovendien + 150 praeventief gedetineerden jaarlijks in vrijheid worden gesteld omdat, „geen termen tot verdere vervolging" bestaan;

Op welke wijze nu beslist moet worden wie „hulpwaardig" is, hangt af van de omstandigheden. Ons komt dit intusschen niet moeilijk voor. Wat betreft degenen die terechtgestaan hebben, verkeeren wij in het gunstige geval dat de verdediger de vereeniging kan inlichten, terwijl ik voor mij bij de andere categorie genoegen zou willen nemen met de eenvoudige Verklaring van schuldig of onschuldig door den betrokken Officier van Justitie afgegeven, zonder opgave van redenen, en zonder verder onderzoek. Vergissingen zullen ook dan mogelijk zijn, maar niets is nu eenmaal volmaakt.

In welken vorm die medewerking van parketten gegeven zal kunnen worden, zal nader moeten blijken, na overleg met hot Departement van Justitie. Op den voorgrond staat intusschen dat de vereeniging onbeperkt vertrouwen wil stellen in parketten en verdedigers.

De bedoeling is verder niet in de eerste plaats geldelijke hulp te verleenen, maar hot verschaffen van werk of betrekking of herstel in verloren werkkring. Geldelijke hulp bepaalt zich tot de noodzakelijke gevallen.

Ziedaar den werkkring zooiils de oprichters zich die hebben voorgesteld, die, ook wanneer de materie bij de wet geregeld zal zijn, niet opgegeven behoeft te worden.

Ik sprak hierboven van „een werk dat misschien op den weg van den Staat ligt", omdat het nog niet zeker behoeft te zijn dat de Staat de verplichting aanvaarden moet tot finantieele schadeloosstelling. Van deze zijde behoort wellicht op den voorgrond te staan een volledig eerherstel, door b.v. openlijke onschuldig-verklaring, terwijl het geldelijke bijzaak blijft, en wellicht beter aan een particuliere vereeniging ter behandeling gelaten kan worden, desnoods met subsidie van Staatswege.

Intusschen, zooals gezegd, — met de oplossing zelve van het moeilijke vraagstuk bemoeit de vereeniging zich niet. Zij bewccgi zich alleen op praktisch terrein, en kan misschien bij do uitvoering der te verwachten wettelijke regeling goede diensten bewijzen.

Mr. Lod. S. Boas.

Wij begrepen wel, dat het de bedoeling niet was der geprojecteerde vereeniging „zich op wetgevend terrein te bewegen". Wij hebben dan ook het tegendeel niet gezegd, en inzoover is er dus geen „misverstand".

Het kwam ons echter voor dat eene vereeniging, die in haar vaan voert, dat in zeker onderwerp door eene wettelijke regeling moet worden voorzien, niet kan blijven buiten de vraag hoe die regeling moet geschieden. Overigens zijn wij den geachten inzender /.eer dankbaar voor de nadere uiteenzetting van het doel en den oventueelen werkkring der vereeniging. Al zijn daardoor onze dubia tegen de zaak niet geheel opgelost, toch ligt het volstrekt niet op onzen weg het debat daarover verder voort te zetten.

ADVERTENTIES.

Aangeboden voor f 70 als nieuw:

Diephuis, Burg. recht, 13 dln. gebonden. Laatste druk.

Te bevragen bij den Boekbandelaar S. GOUDA QUINT, te Arnhem.

Uitgaven van GEBB. BELINFAN'TE, te 's Gravenhage.

Tereeniffinpn en Miloze Veiootsclappsn

en hare behandeling aan

Het Departement Tan Justitie,

een Gids voor Oprichters en Bestuurders,

samengesteld door

Mr. A. E. BLES,

Adjunct-Commies aan het Departement van Justitie.

Prijs f 1.75.

Bij GEBR. BELINFANTE te's Gravenhage, ziet thans compleet het licht :

JOAN VAN DEK HONEBT Thz.

FORMULIERBOEK

der

onderscheidene Aeten behoorende tot de

Burgerlijke Rechtsvordering,

(üerzien ei vermeerderd door Mrs. J. Heemskerk Az. en G. Belinfante)

VIERDE DRUK

Omgewerkt, met inachtneming van de jongste wijzigingen in het Wetboek gebracht,

door

Mr. J. A. FOEST, Advocaat en Procureur te Amsterdam, Mr. D. E. LIONI, Advocaat en Procureur en Privaat-Docent aan de Universiteit te Amsterdam en Mr. Lod. S. BOAS, Advocaat en Procureur te Amsterdam.

Prijs: gebonden f 41.

Rij GERR. BELINFANTE, te 's Gravenhage, is verschenen :

-A. .A. IST 33C J&- TUT Gr JS 352 £a

op

Léon's Rechtspraak, 3e Druk.

DEEL III AFL. 5.

DE RECHTSPRAAK

en de

Administratieve beslissingen

op de

Wet op het Notaris-Ambt

gebracht op de artikelen; met ophelderingen en geschiedkundige toelichtingen, verwijzingen enz.

door

Mr. L. A. MICHEELS,

Advocaat, Procureur en Candidaat-Notaris te 's Gravenhage.

Dit Aanhangsel beval de Rechtspraak op de Wetten van 31 Maart 1847 (Staatsblad No. 12) en 22 Pluviöse VII.

De prijs van Deel III afl. 5 met Aanhangsel bedraagt thans f 3.

Micheels Rechtspraak op de Wet op het Notaris-Ambt, met Aanhangsel, is tegen denzelfden prijs ook afzonderlijk verkrijgbaar.

Bij i. B. W0LTERS te Groningen is verschenen : I

L E E R P LICHTWET

EN BK DAARBIJ BEHOORENDE VERORDENINGEN MET AANTEEKENINGEN,

voornamelijk ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling tusschen Regeering en Staten-Generaal EN ALPHABETISCH REGISTER,

DOOR Mr. S. J. MiAXTPOT TJ5V CA.TE, Commies aan het Dep. van Binnenlandse/ie Zaken, EN P. LABASf, Adjunct-Commies aan het Dep. van Binnenlandsche Zaken,

WW le Stuk. — Prijs compleet bij inteekening . . ƒ 1,90.

Gedrukt bij F. J. BELINFANTE, voorh. : A. D. SCHINKEL.

Sluiten