Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet kan volgen en dat wei omdat deze in casu niet slechts strekt tot het bevelen van inventarisatie, maar om te doen gelasten dat geïntimeerden met hem, appellant, daartoe zullen overgaan;

O. dat toch een legataris, al neemt. men. aan dat hij het recht heeft een vordering tot inventarisatie door den erfgenaam en door den executeur-testamentair in te stellen, in ieder geval niet gerechtigd is daarbij, zelf mede handelend op te treden ;

O. dat niet alleen geen wetsartikel hem daartoe bevoegd verklaart, maar dat o. a. volgens art. 673 jcto. 672 B. li. zijn tegenwoordigheid daarbij niet vereischt wordt, ja zelfs geweerd kan worden;

0. dat alzoo de app., door de beslissing der Rechtbank „dat hij in zijne vordering niet.-ionitvankelijk ils", niet is bezwaard, zoodat het vonnis, zij het ook al op een anderen grond, moet worden bevestigd;

Op voorschreven gronden:

Rechtdoende ini hooger beroep :

Bevestigd het vonnis den 30sten Oct. 1899 door de Arrond.Rechtbank te Arnhem tusschen partijen gewezen;

Veroordeelt app. in de kosten van het hooger beroep, begroot op f 150.

(Gepleit door de procureurs van partijen,.)

GERECHTSHOF TE 'a GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 23 April 1900.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raadsheeren, Mrs. : J. C. J. Ridder van Rappard, J. B. J. N. Ridder de van dek ScHtrEKEN, H. van Manen en A. van Laer.

De lasthebber, die handelt in naam van zijn lastgever en zijn last niet te buiten gaat, vertegenwoordigt en verbindt dezen aan den derden met wien hij handelt en uit die verbintenis wordt voor dien derde het vorderingsrecht tegen den lastgever geboren.

Een verhoor op vraagpunten behoeft, om te ivorden toegestaan, niet afdoende te wezen, zoodat het tusschen partijen bestaande geschil er geheel van afhankelijk is te stellen, zonder nadere bewijslevering, maar de wet vordert slechts, dat de vraagpunten zijn ter zake dienende en niet op iets anders betrekkelijk, d. i. dat zij van invloed moeten kunnen zijn op het beivijs der feiten.

(Zie het vonnis a quo in W. 7366).

J. Schokker, schipper, wonende te Hoogeveen, appellant, procureur Mr. H. J. M. de Vries,

tegen

F. H. W. de Haan, koopman in steenon, wonende te 's Graven,hage, geintimeerde, procureur Mr. J. van Praag.

Het Hof;

Gehoord partyen;

Gezien de stukken voor zooveel noodig geregistreerd; Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedures ;

Overwegende dat het Hof zich gedraagt aan en overneemt de daartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende in het op 10 Üct. 1899, door de Arrond.-Rechtbank te's Gravenhage, tusschon partijen gewezen vonnis, waarvan het dictum luidt: enz. ;

O. dat de oorspronkelijk eischer van dit vonnis is gekomen in hooger beroep, doch alleen voorzoover daarbij het door hem gevraagde verhoor op vraagpunten is gepasseerd en de zaak na-ar partijen is teruggewezen, terwijl de geint., oorspronkelijk ged., bij zijn conclusie van antwoord in appel, incidenteel in hooger beroep kwam van de beslissing der Rechtbank, voorzoover de tegen hem ingestelde vordering daarbij ontvankelijk weTd verklaard. en dat vervolgens partijen, na wederzijds haar sustenuen te hebben uiteengezet en toegelicht bijl haar in hooger beroep gewisselde schrifturen, hebben geconcludeerd gelijk in het slot daarvan vermeld staat;

In rechte:

A. ten aanzien van het incidenteel appel:

O. dat de incidenteel geint. tegen den incidenteel app. bij de inleidende dagvaarding heeft ingesteld een vordering tot ontbin ding van de daarin omschreven overeenkomst, op grond van wanpraestatie, met schadevergoeding en verdere nevenvorderingen, welke overeenkomst gesloten zou zijn tusschen hem en zekeren B. de Jongei, die daarbij handelde namens den incidenteel app. ;

O. dat laatstgenoemde als middel van met-ontvankelijkheid van die vordering opwierp, dat den eischer geen actie tegen hem toekomt, daar, al waren zijn posita juist, de derde, met wien de lasthebber heeft gehandeld, den lasthebber niet in rechte betrekken kan met voorbijgang van den lasthebber;

O dat de Rechtbank dit middel heeft verworpen, en de incidenteel app., in hooger beroep daarbij volhardende door die afwijzing zich gegriefd acht;

O. dat liet Hof die grief echter voor ongegrond houdt; O. toch, dat de lasthebber die handelt in naam van zijn lastgever en ziin last niet te buiten gaat, dezen vertegenwoordigt en verbindt aan den derde met wien hij handelt, en dat uit die verbintenis voor dien derde het vorderingsrecht tegen den lastgever wordt g-eboren;

O. dat hiertegen niets kan afdoen de opmerking van den incidenteel app., dat in art. 1836 B. W. wèl wordt gezegd, dat de lastgever hem met wien de zaakgelastigde in die hoedanigheid heeft gehandeld, onmiddellijk in rechte kan betrekken, maar niet het omgekeerde, vermits toch die bepaling — blijkbaar slechts ten overvloede in onze wet opgenomen, teneinde allen twijfel daaromtrent uit te sluiten — niet is de grond waarop berust het recht van den lastgever, om van den derde de voldoening aan de overeenkomst te vorderen, maar dat recht, evenzeer als, omgekeerd, het hier aan de orde zijnde recht van den derde, om van den lastgever nakoming te eischen, eenvoudig is het uitvloeisel van den algemeenen wettelijken regel, dat onderling verbonden partijen weerkeerig bevoegd zijn naleving van de aangegane verbintenis te vorderen;

O. dat derhalve de door den incidenteel app. ingeroepen om standigheid, dat noch in art. 1836, noch in art. 1844 B. W., den derde uitdrukkelijk de bevoegdheid toegekend wordt om rechtstreeks den lastgever aan te spreken, de stolling dat hij die bevoegdheid missen zou, niet rechtvaardigt;

O. dat uit het voorafgaande volgt, dat het Hof, zij 't dan ook niet op volkomen dezelfde gronden, zich met de uitspraak der Rechtbank op dit punt vereenigt, den incidenteel app. daarmee niet bezwaard acht, en die uitspraak zal hebben te bevestigen; B. ten opzichte van het principaal appel:

O. dat de app. zich bij het beroepen vonnis bezwaard rekent omdat do eerste rechter het door hem verzochte verhoor van de wederpartij op vraagpunten, waartegen deze zich niet had verzet, heeft' gepasseerd uit hoofde de gestelde vragen niet ter zake dienende zijn, hebbende hij als grief daartegen aangevoerd, dat die rechter ten onrechte van oordeel was, dat het verhoor was niet ter zake dienende op grond dat, al werden de vraagpunten toestemmend beantwoord, de tusschen partijen in geschil zijnde vraag, te weten, of de bij dagvaarding gestelde overeenkomst door de Jonge namens den ged. — thans geint. — is gesloten, nog niet zou zijn gestaafd maar onbeslist zou blijven;

0. dat het Hof deze grief deelt;

O. toch dat dei Rechtbank inderdaad van gevoelen schijnt te zijn, dat een verhoor op vraagpunten, zal het kunnen worden toegestaan, afdoende dient te wezen, zoodat het tusschen partijen bestaande geschil er geheel van afhankelijk is te stellen en dit, zonder nadere bewijslevering — in casu nog wel uitdruk kelijk gereserveerd — daarmee zal zijn beslist;

O. dat echter de wet dien eisch niet stolt, en slechts vordert, dat de vraagpunten zullen zijn ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijk, hetgeen beteekent, dat zijl van invloed moeton kunnen zijn op het bewijs der tusschen partijen betwiste feiten en alzoo op de beslissing van hot geschil ;

O. alsnu, dat de door den app. in zijn, in eerste instantie genomen conclusie van 28 Maart 1899 geformuleerde vraagpunten, aan dit eenig te stellen vereischte getoetst, daaraan, zooals hij dit bij conclusie van eisch in appel nog nader heeft uiteengezet, zeer zeker wel beantwoorden, weshalve, met vernietiging van het vonnis a quo in zooverre, het door hem gedaan verzoek alsnog zal moeten worden ingewilligd;

Gezien art. 56 B. R. ;

Rechtdoende in hooger beroep :

A op het incidenteel appel:

Verklaart het hooger beroep ongegrond ;

Bevestigt het in den hoofde dezes vermelde vonnis voorzoover daarvan is geappelleerd.;

Veroordeelt den incidenteel app. in de kosten op dit hooger beroep gevallen, aan zijde van den incidenteel geint., tot deze uitspraak, met inbegrip der verschotten, begroot op f 50; B op het principaal appel:

Verklaart het- hooger beroep gegrond;

Vernietigt het vonnis in den hoofde dezes vermeld waarvan is geappelleerd, immers voorzoover daarbij het door den app. in eersten aanleg verzocht verhoor op vraagpunten is voorbijgegaan en de zaak naar partijen werd teruggewezen;

En in zoover opnieuw rechtdoende:

Wijst hem toe zijn in eerste instantie op 28 Maart 1899 genomen incidenteele conclusie;

Beveelt, dat de oorspronkelijk ged., thans geint., zal worden gehoord op de bij die conclusie gesteld© vraagpunten, en tevens zal antwoorden op alle zoodanige vragen als, naar aanleiding der te geven antwoorden, ambtshalve mochten worden gedaan;

Wijst de zaak terug naar de Arrond. -Rechtbank te 's Gravenhage, teneinde, met inachtneming van 's Hofs arrest, verder te worden behandeld en afgedaan;

Beveelt, dat de meest gereede partij tot die Rechtbank het verzoek zal richten om te bepalen dag en uur waarop partijen voor haar in de raadkamer zullen hebben te verschijnen tot liet houden van meergemeld verhoor;

Verstaat, dat de op dit appel gevallen proceskosten zullen worden gereserveerd en gebracht ten laste van de partij, die bij de eindbeslissing in het ongelijk zal worden gesteld.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE BREDA. Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 29 Mei 1900.

Voorzitter. Mr. A. P. L. Nelissen.

Rechters, Mrs.: G. T. M. Pathuis Cremers en R. Feitii.

De bepaling van art. 719 B. W. vindt haar oorsprong in feitelijke toestanden in de natuurlijke en naburige ligging van gronden.

Door buurweg moet ivorden verstaan niet reeds iedere weg over het land van derden, waarvan twee of meer naburige eigenaren gebruik maken, doch daarvoor wordt vereischt een weg, in zijne continuiteit loopende langs naast elkaar gelegen gronden van naburige eigenaren, voor welke naburige eigenaren die weg gemeenschappelijk als uitweg dient om den publieken verkeersweg te bereiken. Die gronden maken in casu geen buurt uit, zijn althans niet in dezelfde buurschap gelegen.

G. B., broodbakker, ta Breda.,' eischer, procureur Mr. F. E. Pels Rijcken.

tegen

de Naaml. Venn. de Bredasche Bouwgrond Maatschappij, gevestigd te Breda, gedaagde, procureur Mr. M. P. M. van Dam.

De Rechtbank ode. ;

Gehoord partijen in hunne conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken:

Overwegende dat de eischer bij dagvaarding on daarmede overeenstemmende conclusie van eisch heeft gesteld, dat hij eischer is eigenaar van een huis, schuur eni erf en moestuin, gelagen op Boeimeer, gemeente 's Princenhage, kadastraal aldaar bekend in sectie I, nos. 789, 457, 457cr en 1108 en gedaagde eigenaresse van een perceel gemeente Teteringen, kadastraal aldaar bekend in Sectie D. n°. 1888, door de rivier de Mark van vooraangehaalde perceelen van eischer gescheiden;

dat van ouds op dat perceel van gedaagde heeft gelegen een weg, aanvangende aan de Mark waar van oudsher een schuitje tot overzet in de rivier ligt., loopende eerst noordelijk langs de rivier, daarna oostelijk naar het Boeimeerstra&tje en den openbaren steenweg Breda—Ginnekeii;

dat sedert onheugelijke tijden deze weg tusschen de eigenaren van verschillende op Boeimeer gelegen naburige panden en erven was gemeen, en hun gemeenschappelijk diende als uitweg naar den openbaren weg;

dat echter gedaagde dezen weg heeft vernietigd en onbruikbaar gemaakt, op welke gronden de eischer heeft gevorderd dat de Rechtbank zal uitspreken voor recht dat de vooraangegeven weg is een weg aan verscheidene buren, waaronder ook eischer, gemeen, hem tot uitweg dienende naar den openbaren weg, dei gedaagde zal veroordeelen om binnen acht dagen na. beteekemiDg van het te wijzen vonnis dien weg in zijnen vorigen. toestand te herstellen met machtiging op eischer, voor het geval gedaagde daarin mocht nalatig blijven, die herstelling ten koste1 van gedaagde te doen bewerkstelligen en eindelijk de gedaagde Maatschappij te veroordeelen, hem eischer te vergoeden alle kosten, schade en interessen, hem. door voorschreven onrechtmatige handelingen berokkend, op te maken bij staat en te vereffenen overeenkomstig de wet, alles met hare veroordeeling in de kosten van het geding;

O. dat gedaagde tegen deze vordering heeft aangevoerd, dat zij ontkent dat op haar perceel Teteringen D. n°. Iö88 zou loopea de weg bij dagvaarding omschreven, en wel speciaal dat, dat de buurweg volgens art.. 719 B. W. op dit perceel zou zijn gelegen;

dat wel is waar voetgangers vroeger hunnen weg namen over het aan de westzijde der Mark gelegen perceel Teteringen onder Sectie I. n°. 2888, doch dat zulks geschiedde met gedoogen des eigenaars; dat er van buurweg ten deze geen sprake kan zijn, vermits de perceelen van eischer en gedaagde niet zijn naburig en bovendien gescheiden door de rivier, zoodat de ligging dezer perceelen liet bestaan van eenen buurweg daarover ten eemeninale uitsluit; op welke gronden de gedaagde Maatschappij heeft, geconcludeerd, dat de Rechtbank den eischer zal verklaren niet ontvankelijk in zijne vordering; — althans hem die als onbewezen zal worden ontzegd — met zijne veroordeeling in de kosten van het geding;

O. dat eischer bij zijne nadere conclusie tot staving zijner beweringen verschillende akten heeft in hot geding gebracht, en nog heeft aangevoerd, dat in deze een voortgezette weg vanaf zijn perceel naar den straatweg Breda—Ginneken aanwezig was, daar wel is waar die weg door de rivier de Mark was onderbroken, doch een schuitje de beide uiteinden van den alzoo afgebroken weg verbond, en ten slotte heeft aangeboden een tweetal door hem gestelde feiten door alle middelen rechtens speciaal door getuigen te bewijzen, welk getuigenbewijs de gedaagde als niet ^ tor zake dienendiei en afdoende heeft bestreden, waarna de partijen nog nader hunne susteniu bij pleidooi hebben toegelicht.

Ten aanzien van het recht:

O. dat de wetgever onzichtbare en niet voortdurende erfdienstbaarheden heeft onvcttbo/S/r verklji-cird. voor bezit en verkrijging door verjaring, c-n daarvoor eenen constitutieven titel heeft ge" vorderd, doch bij wijze van uitzondering in art. 719 B. W. heeft willen eerbiedigen en handhaven de bestaande wegen aan verscheidene geburen gemeen, hun tot eenen gemeenschappelijken uitweg dienende;

dat deze exceptieva bepaling aan feitelijke toestanden, aan de natuurlijke en naburige ligging van gronden haren oorsprong dankt, gelijk uit de plaatsing van art. 719 B. W. in den 4den titel van het tweede boek „van rechten en verplichtingen van naburige eigenaren", kan blijken;

O. dat alzoo' door buurweg in den zin van voora-angehaald wetsartikel moet worden verstaan niet reeds iedere w'eg over het land van derden, waarvan twee of meer onderling" naburige eigenaren gebruik maken, doch daarvoor wordt vereischt een weg in zijne continuiteit loopende langs naast elkaar gelegen gronden van naburige eigenaren, voor welke naburige eigenaren die weg gemeenschappelijk als uitweg dient, om den publieken verkeersweg te bereiken;

dat die engere omgrenzing van het begrip van buurweg geheel in overeenstemming is met het exceiptieve karakter dat elke beperking va.n het eigendomsrecht in onze wetgeving kenmerkt en ook volgt uit de woorden zalven, van het wetsartikel, luidende: „dat deze wegen niet dan met gemeen© toestemming kunnen worden verlegd", door welke gemeen© toestemming in het zinverband waarin deze woorden voorkomen, niet anders dan de gemeen© toestemming dier geburen kan worden verstaan— terwijl van den anderen kant de aard der zaak medebrengt, dat de eigenaar over wiens grond de weg loopt, waarvan do verlegging wordt gewenscht, in die verandering van richting zal moeten worden gekend en daartoe zijne toestemming zal moeten, verleenen, waaruit dus noodzakelijk volgt, dat de wetgever bij het maken dezer bepaling is uitgegaan van de grondgedachte en stilzwijgend heeft, vooropgesteld de noodzakelijkheid dat ook de grond waarover de weg loopt tot de naburige en deszelfs eigenaar tot de naburen zou behooren;

dat alzoo de gronden waarlangs of waarover de buurweg loopt, en waarvoor die buurweg dient, te zamen ééne buurt, moeten uitmaken, althans in dezelfde, nabuurschap moeten zijn gelegen;

O. dat naar de feitelijke voorstelling die .eischer aan zijne vordering ten grondslag legt dit vereischte van nabuurschap in deze ontbreekt;

dat mede de eischer stelt, dat zijne gronden zijn gelegen onder Boeimeer, gemeente 's Princenhage, ten westen van do rivier de Mark en hij nu voor deze gronden eenen buurweg vindiceert op terreinen der gedaagde Maatschappij, gelegen ten oosten der Mark onder de gemeente Teteringen, welke terreinen op geenerlei wijze, met de gronden aan de overzijde dor rivier zijn of waren verbonden, in geenen de'üle met deze gronden één complex uitmaken of hebben uitgemaakt;

dat alzoo van eenen gemeenen. buurweg over deze gronden o-ozamenlijk loopend geen sprake kan zijn;

O. dat ten andere art. 719 als vereischte stelt dat de buurweg voor de verschillende geburen moet strekken tot uitweg (al zij het dan ook niet de eenige uitweg) om van hunne gronden den openbaren verkeersweg te bereiken;

dat echter ook dit vereischte blijkens den feitelijken grondslag der dagvaarding in deze niet aanwezig is;

dat toch bij' dagvaarding wordt, gesteld, dat ©ischer's gronden zijn gelegen aan de Mark en dat de gevindiceerde weg loopt van a.f de overzijde der Mark en uitmondt in eene openbare straat, Boeimeerstraat genaamd; dat nu, de rivier de Mark is eene bevaarbare, althans vlotbare rivier, alzoo een openbare verkeersweg en gevolgelijk de weg dien de eischer op gedaagde's perceelen vindiceert, voor zijn© gronden niet zou zijn, een uitweg, doch zou zijn een verbindingsweg tusschen twee, hem,, tan behoeve dezer gronden, alsdan ten, dienste' staande openbare verkeerswegen ;

O. dat alzoo de eischer in zijne vordering is. niet-ontvankelijk en. het. aangeboden getuigenbewijs niet, is ter zake dienend©;

Gaat voorbij het, aangeboden getuigenbewijs als niet ter zak® dienende;

Verklaart den eischer niet-ontvankelijk in zijne vordering;

Veroordeelt hem in de kosten van het geding.

(Gepleit door de procureurs van partijen).

Bij dit vonnis, waarop reeds mot een enkel woord werd gew«" zen in ons vorig nommer onder de rubriek Academische Literatuur (bl. 4, kol. 2 in de noot) is, bedriegen wij ons niet, voor

Sluiten