Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7480

Scheid' Van ^ fabrieksgebouw op geint. heeft, bij die boedelë te verrekenen, en ze buiten de executeurs-rekening te ^'erk r'twaaroP ZÜ tehuis behoort, daar deze slechts over bate (i "Vangsten en uitgaven, niet over vorderingen ten f-j °' laste van den boedel nog bestaande, behoort te loopen; Van i k S®hjke wijze door partijen is gehandeld ten aanzien rWi(1 , .r£erhjke vruchten van 2 andere tot den boedel behooo-ej f huizen, van welke: huizen: de huren, voor zooverre door zoo * "itvangen, door dezen zijn verantwoord, terwijl hij, voor rei,?erre app. die ontvangen heeft of verschuldigd is, zich ver-

ening daarvan bij de boedelscheiding heeft voorbehouden;

P'oiid " a^zo° appellants tweede en laatste grief is onge

a ?' ^ ^ ^ het overwogene volgt dat .app. door het vonnis lUo niet is bezwaard, en dit zal behooren te worden bevestigd;

voorschreven gronden;

rechtdoende hi hooger beroep:

bevestigt het vonnis den 13den Juli 1899 tusschen deze: par'5? door de Rechtbank te Arnhem! gewezen;

„ ®°°rdeelt app. in de kosten der procedure in hooger beroep f Vallen, deze kosten tot aan deze uitspraak aan zijde van geint.

Vootopfl50.

^ oor app. gepleit door Mr. J. C. Post, voor geint. door Mr J. aPpeijne van de Coppello, beiden advocaten te Amsterdam.)

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 9 Januari 1900.

Voorzitter, Mr. J. A. de Bas.

Rechters, Mrs.: Th. J. Hoppe en P. J. Bijleyeld.

■De exceptioneele bepalingen, door den wetgever voor dienstboden en werklieden in het leven geroepen, hebben betrekking op huiselijke diensten.

Onder die bepalingen valt niet de met eischer aangegane overeenkomst, die tegen een loon van f 125 per maand was aangesteld en waar de leiding eener winkelzaak was toevertrouwd.

!• H. J. Biederlack te Amsterdam, in hoedanigheid van curator het faillissement van C. Meijboom, eischer, procureur Mr. C. N. Pieren",

tegen

e handelsvennootschap onder de firma „Gebroeders Sickesz", te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. James van Raalte.

Rechtbank enz. ;

rechte:

^óverwegende dat gedaagde, erkennende na te melden overeen, ^st met- den oorspronkelijken eischer op 28 Febr. 1399 te hebdoen eindigen, zonder hem zijn verdiend loon ad 1125 uit te 'wen, tevens erkent hem op 1 Febr. 1899 in dienst te hebben f°°nien in hare bij dagvaarding omschreven winkelzaak, onder

'jvortrinn- . ,1'.+ + +„„„„ ...... ] C -IOC

tvwnci. Kiav üj vixi_i ui,uu CCII ivn/Il v ctll i X&U JJcI

Mke

en dat deze overeenkomst slechts eene voorloopige was,

w «y ü.cm uuen ciiiaigeu, wanneer /.ij uaanoe gronden aan-

"'K acntte;

liet.de onwaarheid dezer bijvoeging al aanstonds blijkt uit erl- kiervoren vermelde, door gedaagde als van haar afkomstig tla, 6 schrijven dd. 2 Januari 1899, waaruit blijkt, dat ge^gde met den eischer is overeengekomen, dat zij den eischer, ingang van 1 Febr. 1899, tegen een loon van f1500 's jaars dienst zou nemen;

cis evenwel, dat noch uit de bewoordingen, noch uit den aard a|j overeenkomst volgt, dat gedaagde gerechtigd was die ten Y®® tijde te beëindigen en ten onrechte gedaagde de niet-ont'gelijkheid der door den oorspronkelijken eischer ingestelde t|j r'ng heeft opgeworpen, op grond dat de rechtsgevolgen der ^ Schen partijen getroffen overeenkomst niet wórden beheerscht <ir>01 'le^ gewone recht, maar door de exceptioneele bepalingen, *' den wetgever voor dienstboden en werklieden in het leven poepen;

■ toch, dat die wetsbepalingen betrekking hebben op huise{|j e diensten, hetgeen blijkt uit de terminologie der wet zelve ! ®> in overeenstemming met het gewone spraakgebruik, stelt Kunstbode" tegenover „meester", weikei bewoordingen kwalijk t^sen 0p personen, tusschen wie eene overeenkomst bestaat, als Sschen partijen werd getroffen, waar liet zeer zeker niet betreft e'Ie praestatie van huiselijke diensten maar, zij het dan ook u 16 overeenkomst sui generis of van huur van nijverheid, in elk g6 eene die door het gemeene recht wordt beheerscht, al hetv,( 11 hier te meer klemt, wanneer men nagaat, dat de werkkring ?ischer was niet die, zooals gedaagde beweert van winkelbeho ' maar eene van veel grooter omvang, zooals blijkt uit het 1, salaris, dat eischer genoot en ook daaruit, dat, blijkens k door eischer ten processe overgelegde en. door gedaagde als fj1 haar afkomstig erkende schrijven, dd. 28 Febr. 1899 liiervov' Medegedeeld, aan eischer de leiding der winkelzaak was toe^fouwd;

lij. ' dat partijen bij het aangaan der overeenkomst klaarblijkej>aa °°k niet den wil hebben gehad eene overeenkomst aan te <]6 zooals door gedaagde wordt voorop gesteld, daar alsdan 'i(j ^oorden, voorkomende in het liiervoren aangehaalde schrijven 2 Jan. 1899, waarbij gedaagde den eischer mededeelt hem teya een salaris van f1500 in dienst te nemen: „w\j zullen hieree.n oonfaractje opmaken", met het oog op art. 1638 B. W., zin zouden hebben;

Sil dat. mitsdien de overeenkomst tusschen partijen aangegaan, ^i® ^ij dagvaarding is gesteld, wordt beheerscht door het lwene. recht en de oorspronkelijk eischer dierhalve, bij wanaan zijde van gedaagde, gerechtigd was te vorderen, % overeenkomst wordt ontbonden met veroordeeling tevens il(,0 ^daagde tot vergoeding van kosten, schade en interessen, _ die wanpraestatie aan zijde van eischer ondervonden, waar 'H ?T°°rtvloeit, dat eischer ontvankelijk moet worden verklaard ^yne vordering;

' ten aanzien der hoofdzaak, dat, enz.

MENGELWERK.

BESTRAFFING VAN JEUGDIGE PERSONEN. Met genoegen las ik onder Mengelwerk in de Weekbladen

van het Recht nis 7427 en 7428 de kantteekeningen op het ontwerp betreffende het straffen en de strafregtspleging ten aanzien van jeugdige personen van de hand van Jhr. Mr. D. O. Engelen, die in zijne praktijk, als regterlijk ambtenaar, heel wat heeft ondervonden en bijgewoond. Aanleiding vind ik daardoor een en ander te melden. De ervaring in de praktijk opgedaan is eene goede leermeesteres. Is men nooit in de praktijk werkzaam geweest, zoo bestaat de mogelijkheid, dat men zich niet altijd een helder denkbeeld maakt van hetgeen het dagelijksch leven te leeren geeft. Dit ontwem liikt mii

over het algemeen zacht. Mij komt het wel eens onbegrijpelijk voor, dat zoo een groot medelijden bestaat met hen, die misdeden en zoo weinig met hen, wien misdaan is, en werkelijk deze laatste zjjn er dikwijls allertreurigst aan toe. Enkele gevallen in mijn praktijk voorgekomen, die mij binnenvallen, ofschoon er meerdere geweest zijn, wil ik citeeren.

In de prov. Drenthe werd eenige jaren geleden eene jonge flinke gezonde boerenmeid, die haar brood waard was, zooals men dat uitdrukt, dusdanig mishandeld, dat zij voor goed ongeschikt was haar brood te verdienen, zij werd in het armhuis geplaatst om daar haar einde af te wachten; op dezelfde wijze kwam een flinke jonge gezonde boerenjongen in het armhuis, die door mishandeling voor goed ongelukkig gemaakt was; in de prov. Z.-Holland werd een agent van politie, toen liij zijn pligt als zoodanig deed, voor goed ongelukkig gemaakt door zware mishandeling en kon niet in betrekking blijven. Nu zou ik gedacht hebben, dat zoo men den goeden inval gekregen had om voor de lijdende menschheid iets te doen, men begonnen zou zijn bijeen te brengen om de slagtoffers van misdadigers het lijden te verzachten en daarna zou gedacht hebben aan anderen, die, verdacht van misdaden gepleegd te hebben, eenigen tijd van hunne vrijheid beroofd zijn en meermalen, alleen wegens gebrek aan bewijs, worden ontslagen, hoewel de overtuiging van hun schuld meermalen vaststaat.

Zoo goed kan ik mij vereenigen met de zienswijze van den geachten schrijver hiervoren genoemd, dat men de handen van den regter niet zoozeer moet binden. Het aannemen van een bepaalden leeftijd, om al of niet te mogen veroordeelen, acht ik een bezwaar.

Het is mij voorgekomen dat ik als R.-C. verhooren moest een jongen van veertien jaren. Toen hij voor mij versoheen, dacht ik aan eene vergissing. De jonge knaap had het voorkomen van een buitengewonen krachtigen boer van minstens 20 jaren, lang, zwaar gebouwd. Hij deed dan ook dienst als eerste knecht op eene boerderij. Hij was zeer sterk en scheen desgelijks ontwikkeld.

Is zoo iemand nu een kind ?

Voor een geregtshof van ons land werd als getuige gehoord een varensgezel van 16 jaren, hij was door iemand van in de 20 jaren duchtig over den arm gesneden. Wat gaf aanleiding tot dat geval? De genoemde 16jarige stond met zijne belle te praten, toen de persoon, die hem later verwondde, hem daarmede voor den gek hield, hij nog zoo'n jong baasje. De 16jarige antwoordde kalm; „dat is mijne zaak!" Maar hij had den plager goed onthouden, liij zocht hem op, ziet hem aankomen, nog vergezeld van de twee medeloopende, vliegt op hem aan en werpt ihem door een goed berekenden sprong achterover op den grond en geeft hem eene rammeling, waaronder de

neergeworpene (in de 20 jaren ond) zijn mes trekt en de wonde toebrengt.

Nu vraag ik wederom is die 16jarige nog een kind?

Verre zou ik er de voorkeur aan geven om de rep-tevs in

elk gegeven geval te doen beslissen of men een kind voor zich krijgt, dan wel iemand, die geen kind meer is, hoewel nog jong.

Nog meerdere zullen in ons land gevonden worden, die zich goed herinneren het beruchte heike bij Breda. De bevolking bestond hoofdzakelijk uit zeer gedepraveerde personen. Een aantal dieven en diefeggen bevonden zich onder hen, en reeds vroeg werd het kroost voor dat vak opgeleid. Ze moesten maar goed uitzien, als zij aan het rooven waren, of er soms iemand met glimmende knoopen aan zijn jas of buis aankwam, gebeurde dit, zoo was vlugten of schuilen de boodschap ; kleine kinderen doken zich bij zoo eene gelegenheid als een stuk wild weg en groeven meermalen een kuiltje in den grond om hunne gezigten geheel te bedekken. Zouden zulke kinderen niet reeds heel vroeg weten wat ze mogten, wat ze niet mogten doen ?

Welke straffen te bepalen? Niet gemakkelijk daarop een antwoord te geven. Zou men niet als basis nemen kunnen de straffen, die, van zeer jong af, door ouders worden uitgedacht. Een kind wordt tot gehoorzaamheid gebragt door eene straf, die het zoo zeer vreest, dat het nalaat het niet geoorloofde te doen.

Ook is de gedachte bij mij opgekomen, waarom veldwachters, dienaren van politie enz. niet meer beschermd worden. Waarlijk dat ambt is niet gemakkelijk. Ze moeten een geduld hebben boven alle bedenking en meermalen ergerlijke bejegeningen verduren, omdat degenen, die hun zulks aandoen, hoegenaamd geene vrees hebben voor de straffen, daarop gesteld. Het woord „pesten", door den geachten schrijver gebezigd, geeft zoo goed terug wat dien menschen wordt aangedaan. Wisten de delinquenten, dat hun eene zware straf wachtte, de gevallen van pesten zouden veel minder voorkomen.

Men kan zich daarvan overtuigen b.v. in Duitschland aan de drukke stations der spoorwegen. Een dienaar van politie houdt toezigt op huurrijtuigen en pakjesdragers. Een ieder van hen krijgt zijn beurt, maar waagt het niet zich daartegen te verzetten, hij weet maar al te goed wat hem dan wacht.

Houdt men den dienaren van politie de hand goed boven het lioofd, veel minder zal het „pesten" voorkomen, en de orde worden gestoord. Ik heb knapen gekend beneden de 14 jaren, die het skietiezer (Friesche uitdrukking) met evenveel juistheid hanteerden als volwassene goede schutters en even gevaarlijke stroopers waren, en zou men dan meenen, dat dezulke iets om eene berisping geven ? Ik geloof het niet. Ze zwerven bij avond en ontijden door het veld en krijgen daardoor groote brutaliteit en onverschilligheid.

Men binde de handen van den regter niet te veel, deze moet geacht worden een goed oordeel te kunnen hebben.

den Haag, September 1900.

J. C. J. van Rappard.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(Burgerl. Kamer).

Zitting van Vrijdag, 14 September.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

I. 1°. Beëedigd als advocaat en procureur Mr. J. W. H. Rutgers van Rozenburg.

2°. beëedigd als advocaat Mr. L. N. Roodenburg.

3°. Belofte afgelegd als advocaat en procureur door Mr. G. A. van iiaeften.

II. Conclusie door partijen genomen in zake:

(cassatie). Mr. C. de Wilde qq„ eischer, advocaat Mr. J.

Wolterbeek Muller, tegen de gezamenlijke erfgenamen van M. C. den Boer, wede. W. J. Mijnlietf, verweerders, ad. vocaat Mr. J. J. Barnet Lyon, en tegen E. Nap, wede. G. Verhaal qq., mede-verweerderes, advocaat Mr. J. Plan, tenga. Pleidooi bepaald op 18 October.

III. Nieuwe zaken :

1°. (cassatie). B. Sloots, eischer, advocaat Mr. P. J. Snel, tegen H. Heeirdt, verweerder, advocaat Mr. S. K. D. M. van Lier;

2°. (id.) H. H. Kohier, eischer, advocaat Jhr. Mr. W. Th. O. van Doorn, tegen S. Vredenburg, verweerder, advocaat Mr. D. van der Goot.

3°. (id.) -e Handelsvennootschap onder de firma den Hartogh Bosman en Co., eischeres, advocaat J.>~r. C. L. M. van Gils, tegen .Ihr. W. Rengers Hora Sissama, verweerder. advocaat Mr. J. J. Belinfante.

4°. (id.) H. J. van Houten, eischer, advocaat Mr. D. S. van Emden, tegen W. van der Laan c. s., verweerders, advocaat Mr. J. Limburg.

Pleidooi bepaald op 20 September.

IV. Gepleit in zake:

(cassatie) J. Leferink, eischer, advocaat Mr. H. de Ranitz. tegen C. A. Zumhasch, verweerder, advocaat Mr. G. A. P. Bax. Conclusie door het Openb. Min. bepaald op 28 September.

(Strafkamer).

Maandag, 17 September.

Uitsraak. 1°. A. van O., tegen een vonnis van het Kantongerecht te 's Hertogenbosch.

2°. G. J. G. tegen een arrest van het Hof te Arnhem.

3°. J. B. Jzn. c. s. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

4°. F. H. F. tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch.

5°. A. S. tegen een arrest van liet. Hof te Amsterdam.

H. van W. c. s. tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

(Burgerl. Kamer).

Donderdag, 20 September.

Pleidooi. H. J. van Houten, eischer, advocaat Mr. D. S van Emden. tegen W. van der Laan c. s.,. verweerders, advocaat Mr. J. Limburg.

Vrijdag, 21 September.

Conclusie Openbaar Ministerie. C. in 't Veld, eischer, advocaat Mr. D. S. van °mden, tegen H. van Wingerde li/v. in 't Veld, verweerderes, advocaat x^r. G. A. Bax.

Pleidooi. W. E. Hoedemaker, wede. Sandhövel, eischeres. advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen de Naamlooze Vennootschap „de Hoop", verweerderes, advocaat Mr. H. de Ranitz.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. Besluit van 12 September 1900, n°. 74 is benoemd tot notaris binnen liet arrondissement Roermond, ter standplaats de gemeente Horst, L. J. M. C. Esser, candidaat-notaris te Venlo

— Bij Kon. Besluit van 12 September 1900, n°. 75 is benoemd, met ingang van 1 October 1900, tot notaris binnen het arrondissement Roermond, ter standplaats de gemeente Hevthuizen, P. H. A. Rutten, candidaat-notaris aldaar.

— Bij Kon. Besluit van 12 September 1900, n°. 76, is benoemd, met ingang van 1 October 1900, tot substituut-griffier bij het Gerechtshof te Amsterdam, Mr. M. J. Claasen, thans substituutgriffier bij de Arrond.-Rechtbank aldaar.

— Bij Kon. Besluit van 12 September 1900, n°. 77, is benoemd tot substituut-griffier bij de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, Mr. P. IJssel de Schepper, advocaat en procureur te Delft, tevens waarnemend griffier bij het Kantongerecht aldaar.

Bij Ivon. Besluit van 12 September 1900, n°. 78, is benoemd tot substituut-griffier bij de Arrond.-Rechtbank te Groningen, Mr. G. M. Doornbos, advocaat en procureur aldaar.

— Bij Kon. Besluit van 12 September 1900. n°. 79. is benoemd tot griffier bij het Kantongerecht te Hilversum, Mr. H. J. Wunder, thans griffier bij het Kantongerecht te Gouda.

— Bij Kon. Besluit van 12 September 1900, n°. 80, is aan Dr. J. L. Andreae, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als lid van het college van regenten over de strafgevangenis te Sneek, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

Beslag op loon.

Bij arrest van 1 Juni 1900, W. 7451, heeft de Hooge Raad uitgemaakt, dat de verplichting volgens art. 7 der wet op de invordering van 's rijks directe belastingen van 22 Mei 1845 (Stbl. no. 22) niet in het algemeen rust op alle schuldenaars van een belastingschuldige, maar alleen op hen die, voor zoover zij niet uitdrukkelijk in het artikel genoemd worden, gezegd kunnen worden „gelden te zijnen behoeve onder zich te hebben".

De Minister van Financiën heeft nu de ambtenaren der belasting doen aanschrijven, dat voortaan van de vordering

Sluiten