Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 3 October 1900.

IV. 7487.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

twee - en ■ zestigste jaargang.

JUS ET VERITAS.

vu tsiaa verscnijru aes maandags, woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Prijs der

advertentièn, 10 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Geur. Belinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100). Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Slbl. n°. 124).

WETGEVING.

Slaatsbegrooling voor het dienstjaar 1901

IYde HOOFDSTUK (Justitie).

De raming van kosten van het IVde hoofdstuk der Staatsbegroting voor het dienstjaar 1901 bedraagt f 6 349 916.—

bijlage van de memorie vak toelichting.

f 6 349 916—

Het IVde hoofdstuk der Staatsbagrooting voor het dienstjaar 1900 is bij de wetten van 2 Februari 1900 (Staatsblad n°. 19) en 6 Juni 1900 (Staats^ blad n°. 80) vastgesteld op ,,5 887 912.—

Zoodat voor 1901 meer wordt geraamd dan voor 1900 is toegestaan f 462 004.

De verschillende posten, waarop meer is aangevraagd dan voor 1900 is toegestaan, benevens die, waarop minder is aangevraagd dan voor 1900 is toegestaan, blijken evenals het totaal bedrag der vermeerdering tegenover het totaal bedrag der vermindering uit de hieronder afgedrukte bijlage der memorie van toelichting.

Staatsbegrooting van 1901 met dat van 1900, voor zoover de sommen bij de verschillende artikelen dezer begrooting gesteld niet met elkander overeenstemmen.

'901. 1900. I90|.

— ONDERWERP TAN UITGAAF.

Artikel. Bedrag. Artikel. Bedrag. Meer. Minder.

2a 5 068 sL *' ' 47 000. Traktementen van den Secretaris-Generaal, de ambtenaren, enz»

4 4 000— 7 2 000- 2 000- Toelagen als vergoeding voor het verlies van leges.

8 408 900.— 8 410 600— ' 1"700 — en verblijfkosten.

10 121 581.— 10 114 865— 6 716 I raktementen van de kantonrechtera, griffiers en ambtenaren openbaar ministerie.

13 13 600- 13 15 600— 2 000 toelage voor kleine onkosten enz.

23 45 250— 23 40 250— 5 000- Toelagen aan griffiers enz

25 4 500 — 25 3 500 — 1 OOO _ " JVleeding, wapening en uitrusting van de Rijksveldwacht.

26 9 000— 26 7 500 — i vin — " verplaatsingskosten, mitsgaders gratificatiën enz.

27 4 000.'- 27 3 400— 600- " Reis- en verblijfkosten enz _

29 5 400.— 29 5 000 400 — " schadeloosstelling aan marechaussee en rijksveldwachters voor kleine uitgaven enz

32 536 530— 32 513 320 — oa oin " Kosten van het algemeen politieblad.

34 8 000— 34 5 000 — i nnn " Traktementen, toelagen en belooningen.

36 16 957— 36 16 177 — 7sn " voor tijdelijke waarneming van betrekkingen.

41 369 000— 41 155 000- 214 000 "! Abonnementen voor «ehrijfloonen.

42 49 000— 42 33 000- 16 000- " Grondstoffen.

43 a 5 000— 43a 4 000— 1000 " Arbeidsloonen.

44 216 575— 44 215 761 — o?' » Vracht- en transportkosten.

—- 44a 72 600 — 814— „ Gebouwen.

I 44b 9 500- " "IZ- K°3Jen van stichting van een rechtsgebouw en huis van bewaring te Rotterdam.

44« 83 000— 44c 273 000- " ^03*en van verbouwing van het Rijksopvoedingsgesticht „de Kruisberg" enz.

44d 21 500— " 21500 ™ aj!0^fng van een huis van bewaring en een strafgevangenis te Haarlem.

— , 44e 3 700 — " l ™ i)°\ten van stichting van een gebouw voor kantongerecht te Hoogeveen.

— „ 44f 11 800— " li soo SÜ Va" vanambtijnaarswoning hij het huis van bewaring te Amsterdam.

— 44' 4 500— " a kao Kfsten van uitbreiding van het huis van bewaring te Zutphen.

44b 300 000— 44fe 30 000— 270 000- 4 500— Kosten van het maken van eene vrouwenafdeeling aan het huis van bewaring te Alkmaar.

44c 5 000,- _ „ 5 000- " uZÏZ * vei'MUW?n- Tan ^et paleis in het Korte Voorhout en stichting van een huis van bewaring.

44d 5 000— _ 5 000 _ " ?! verbouwing voor kantongerechtsgebouw van het post- en telegraafkantoor te Almelo.

44e 22 400 — _ 22 400 — " Kosten van stichting van een huis van bewaring te Groningen.

44(; 31 500— 44,- aqoon Kosten van stichting van ambtenaarswoningen te Avereest en Doetinchem.

49 1 500- 49 2 500- " ] lm~ beloon,ng van opzichters

W 155S- S ,,5 00°:- 40"000- • üSSSSvoor "ir»a"n«n-

M 20000:- 54 S_ 3X_ ' g»t°n gmeemiddelm

54a 77 500— 54a 30 000- 47 500 " Onderhoud en lasten van gebouwen enz.

546 20 000.- 546 5 900- tl ?oo'~ " Bouwwerken.

57 194 000.— 57 100 000' aTnon " «ouwen van ambtenaarswomngen te Hoorn.

59 200.— 59 300 — 000.— „ ü ïtgaven wegens het fabriekswezen.

60 2 550— 60 2 600 — " 100— Toelagen of onderstanden aan arbeidersgezinnen.

61 256 980— 61 252 ^0' 50-~" Toelagen of onderstanden aan veteranen.

64 44 556- 64 50 832- 4 430'~ »7K

75 2 000. o" 6,276.— wachtgelden.

" 000. „ Subsidie aan het Vde Internationaal congres voor crimineele Anthronolosrie

f3170 697- f2 708 693— 1T~326 646—

Meer f 462"ÖÖ4~^ ~~

f ^ ~ ~ ~~ : ....

ÖOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Yacantie.

Zitting van den 27 Augustus 1900.

k Voorzitter, Mr. F. B. Uoninok Liefsïinq.

"^sheeren, Mrs.: Pu. van Blom, A. P. Th. Eyssell, B. II.

Hanlo, E. W. Guljé, A. Telders en Jhr. D. G. van

Tkylingen.

Uit den in bijzonderheden afdalenden inhoud der artt. 447 en 448 B. B. blijkt, dat het aldaar uitgesproken verbod, als uitzondering op den regel van art. 1177 B. W., slechts raakt bepaalde categoriën van personen of van voorwerpen en geene uitbreiding tot andere gedoogt.

Vnder nwerklieden" in art. 447, no. 4, lijn alleen te verstaan zij, die zich hun levensonderhoud in hoofdzaak door handenarbeid verschaffen. e strafrechter, die in het algemeen geenszins onbevoegd 'ls om over vragen van burgerlijk recht te oordeelen, schendt art. 6 Strafvord. niet, wanneer hij, naar aanleiding van de door beklaagde gevoerde verdediging zoodanige vraag beslist, zonder eene niet gevorderde schorsing te bevelen.

J, y

> volgens zijne opgave oud 34 jaren, geboren te Emmen,

wonende te Drouwenermond, gemeente Borger, van beroep commissionair en winkelier, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 19 Mei 1900, waarby met toepassing van de artt. 10, 341 aanhef en n°. 1 en 27 strafrecht, art. 239 in verband met de artt. 214, 219 en 247 .Strafvord., is bevestigd een vonnis, den 9den April bevorens gewezen door de Arrond.-Rechtbank te Assen, bij hetwelk de req. is schuldig verklaard aan bedriegelijke bankbreuk en te dier zake met toepassing van bovenvermelde artikelen van het Wetb van Strafrecht en de artt, 214 en 219 Strafvord., is veroordeeld tot gevangenisstraf van één jaar, met bepaling dat de tijd, door hem voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht en met uitspraak omtrent de teruggaaf der stukken van overtuiging.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Eijssem,, heeft de adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Deze voorziening levert in mijne oogen eene treffende illustratie van den welbekenden rechtsregel van Celsus „Scire leges non hoe est verba earum tenere, sed vim ac potestatem" fr. 17 Dig. de legibus I. 3.

In art. 1177 B. W. heeft onze wetgever het groote ook in vroege tijden algemeen erkende beginsel neergelegd, dat all« goederen van een schuldenaar voor diens verbinténissen aansprakelijk zijn.

De wet stelt dit beginsel in art. 1177 zonder eenig voorbehoud.

De praktjjk heeft echter gelijk Oudeman zich uitdrukt, gedreven door redenen van menschelijkheid ©n medelijden reeds van oudsher de toepassing van dit beginsel eenigszins beperkt en verzacht. Immers zou de strenge toepassing daarvan er toe leiden dat den schuldenaar, wiens passief grooter bleek dan zijn actief, tot zijn laatste kleedingstuk werd ontnomen.

Dat men bij de executie zoover zou gaan, heeft ook onze wetgever niet gewild en van daar, dat hij het in art. 1177 B. W. nedergelegde beginsel in zijne uitvoering beperkt 'heeft door de voorschriften der artt. 447, 448 en 756 B. R., waarbij niet gezegd wordt, dat de daarbij speciaal genoemde goederen niet aan. sprakelijk zouden zijn voor de verbintenissen van den schuldenaar, doch den schuldeischer biet middel van beslag onthouden wordt, hetwelk in den regel voor hem onmisbaar is, om op die goederen verhaal te kunnen uitoefenen. Hoewel die goederen dus stricto jure niet ophouden aansprakelijk, te zijn voor des schuldenaars verbintenissen, onthoudt de wetgever den schuldeischer het middel, om die goederen te bereiken.

Wat nu voor het beslag titulo singulari geldt, heeft onze wetgever ook willen laten gelden, waar het beslag, gelijk bij faillissement, titulo generali plaats heeft en hij heeft dit bepaald bij de artt. 20 en 21 der faillissementswet.

In art. 20 vindt gij het algenieene beginsel van art. 1177 B. W. terug in de woorden „het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar" terwijl art. 2i de door redenen van menschelijkheid en medelijden gemotiveerde beperking behelst.

Deze voorziening leert m. i. echter, dat die! wetgever bij de keuze der woorden, waarin hij bij art. 21 zijn wil te kennen heeft gegeven niet gelukkig is geweest en daardoor aanleiding heeft

Sluiten