Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7515

Maandag, 3 December 1900.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang /'20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage {Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

Staatsbegroting voor liet dienstjaar 1901

HOOFDSTUK IV. (Justitie).

MEMORIE VAN ANTWOORD.

(Vervolg en slot van W. 7512).

Iste Afdeeling.

Kosten van het Departement.

Het is de bedoeling aan de geraamde f 2200 tot verhooging van tractement van adjunct-commiezlen de volgende bestemming te geven :

[ ~ ~ : r

Tegenwoordige Te verhoogen

Rang. Diensttijd.

bezoldiging. met:

1 Adjunct-comm. f 1600 ruim 26 jaren. f 200

1 „ 1700 „ 25 „ 300

1 „ 1200 „ 24 „ 200

1700 „ 23 „ 200

2 " 1500 „ 21 „ 200 elk

1 1400 „ 20 „ 200

2 " 1300 „ 18 „ 200 elk 1 " 1200 „ 18 „ 200

1 1200 „12 „ 100

Wat de verhooging van het traktement van den hoofdinspecteur van het .££> ifflgeiusjvezen .ljetrett,...wenscht de Minister er op te wijzen, dat aan dozen hoofdambtenaar eene nieuwe taak is moeten w'orden opgelegd, namelijk het centraal beheer van den gevangenisarbeid, ten einde dezen te reorganiseeren en in de eerste plaats uitbreiding van den rijksarbeid door te voeren, omtrent den omvang en de resultaten van welke maatregelen o. a. het dezer dagen door de Kamer aangenomen wetsvoorstel tot verhoogino- van het IVde hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het loopend dienstjaar, welsprekend getuigenis aflegt. De Minister durft dan ook vertrouwen, dat de leden, die de traktementsverhooging minder noodig of niet genoegzaam gemotiveerd of ook het bedrag te hoog achtten, wanneer zij zich rekenschap geven van do groote uitgebreidheid en van de vele en ernstige moeilijkheden van deze taak, waarop reeds door de commissie van onderzoek in zake de concurrentie van dien gevangenisarbeid, te zijner tijd in haar Verslag wrerd gewezen, met hem van oordeel zullen zijn, dat zij inderdaad alleszins noodig en allerminst te hoog is te achten.

Wat de bezoldiging van den adjunct-inspecteur bij het gevangeniswezen in algemeenen dienst aangaat, zij opgemerkt, dat deze thans slechts f 1200 bedraagt en derhalve door de voorgestelde verhooging, die inderdaad op zich zelve beschouwd belangrijk schijnt, op nog niet meer dan f 2000 w'ordt gebracht. En dit bedrag kan waarlijk niet te hoog worden genoemd voor den drukken" en vermoeienóen werkkring van dezen ambtenaar, die den hoofdinspecteur van het gevangeniswezen in diens veelomvattend en zeer verantwoordelijk ambt ter zijde staat en zoo noodig vervangt.

Ilde Afdeeling.

Kosten van de rechterlijke macht.

Jn de vergadering van de Tweede Kamer der Staten - Gener aal van 7 Dec.°1899, waarop blijkbaar in het Voorloopig Verslag wordt gedoeld, heeft de Minister er op gewezen dat eene regeling van de traktementen der griffiers omvangrijk en niet gemakkelijk is dat hij, den daarvoor noodigen arbeid, in aansluiting aan een juist in die dagen aan hem overgelegde ontwerp-regeling, zou ter hand nemen, zoodra hij daartoe eenigszins den tijd zou kunnen vinden.

Wel verre van den indruk te willen vestigen, dat aan de indier.ino- van het hierbedoelde wetsvoorstel destijds geen overweging en bewerking meer behoefde vooraf te gaan, heeft de Minister derhalve toen duidelijk doen blijken, dat het tijdstip nog maast aanbreken waarop hij zich tot de studie van dit onderwerp zou kunnen zetten.

Het daarop gevolgd onderzoek van de bij hem ingekomen ontwerp-regeling heeft de noodzakelijkheid van een nadere bewerking' aangetoond, en daartoe is overgegaan. Die arbeid! nadert thans hare voltooiing» zoodat met grond mag worden verwacht, dat binnen korten tijd het ontwerp van wet het Departement van Justitie zal kunnen verlaten.

Art. 7. Het valt niet tegen te spreken, dat verhooging van de jaarwedden der rechters in de Arrond.-Rechtbanken tengevolge zou hebben, dat bij vacatures eene grootere keuze zou bestaan dan thans het geval is, en dat voor eene benoeming tot het rechtersanibt zich personen zouden aanmelden die thans daarvan worden weerhouden op grond van overwegingen van financieelen aard. De groote kosten aan zoodanige» maatregel verbonden, moeten echter den Minister weerhouden vooralsnog stappen in die richting te doen.

De ondervinding heeft den Minister geleerd, dat bij de vervulling van vacatures in de Arrond.-Rechtbanken te Amsterdam en

Rotterdam de behoefte aan een uitgebreider keuze minder wordt gevoeld, dan wel eens het geval is bij vacatures in andere Rechtbanken. De aanvulling van het personeel der beide genoemde Rechtbanken levert geen bezwar.v. en dat de Regeering, daarbij gelegenheid heeft om goede krachten aan die colleges toe te voegen, wordt bewezen door het feit dat andere rechterlijke colleges, bijv. de Rechtbank te 's Gravenhage, meermalen rechters uit Amsterdam en Rotterdam aanbevelen voor de vervulling van in haar midden opengevallen plaatsen.

Waar de Minister hier wijst op het feit dat wel eens overplaatsing uit de Rechtbanken te Amsterdam en Rotterdam naar elders wordt gewenscht en somtijds ook geschiedt, daar voegt hij ie>r onmiddellijk aan toe, dat dit feit piet de beteekenis heeft, als zou het regel zijn dat de Amsterdamsche en de Rotterdamsche rechters hunne zetels trachten over te brengen naar andere Rechtbanken.

ik: juistheid der meeniiig, dat in de Rechtbanken te Amsterdam en Rotterdam zitting moeten hebben juristen met grooter bekwaamheid en met meer onderbinding dan rechters in andere Rechtbanken, mag voorzeker worden, betwijfeld; immers tegenover de handelszaken van ingewikkelden aard, die bij de genoemde Rechtbanken hare beslissing moeten vindlan, staan de niet minder ingewikkelde kwesties die zich meer bijzonder voordoen in het ressort van andere Rechtbanken. Trouwens er is geen ressort eener Rechtbank aan te wij zen waar de justitiabelen minder recht zouden hebben dan de rechtzoekendien in andere gedeelten van ons land, om te eischen dat kundige en bekwame rechters worden aangewezen om hunne geschillen te beslissen.

De Minister meent zich te moeten onthouden van een onderzoek naar de vraag of de opleiding der juristen te wenschen overlaat ;en of mitsdien daarin verandering dient te worden gebracht. Alleen zij hem de opmerking geoorloofd — en zulks naar aanleiding van het slot der onderwerpelijke paragraaf —dat, naar zijne meening, de meerdere of mindere moeilijkheid om met zeker traktement rond te komen, van andere omstandigheden afhangt dan van de vraag, of men kosteloos dan wel tegen betaling hooger onderwijs heeft ontvangen.

Art. 9. In verband met hetgeen door den Minister omtrent de filiancieele positie dor deurwa.ard«-L b-i) Memorie vuil Antwoord op het Voorloopig Verslag betrekkelijk het IVde hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1900 is medegedeeld adi art. 9, is hij van oordeel dat geen termen bestaan, zelfs niet in sommige gevallen, aan die beambten, eenige vergoeding toe te kennen uit 's Rijks geldmiddelen. Zij zijn verplicht, in de gevallen bij de wet bepaald, exploiten kosteloos te verrichten. Werd hun nu daarvoor vergoeding toegelegd door den Staat, dan zou, onder eene andere benaming, feitelijk door den Staat worden betaald hetgeen door de Wet kosteloos is bevolen. Ook advocaten-procureurs en notarissen zijn gehouden aan onvermogenden kosteloos bijstand te verleenen.

Vaste toelagen voor kleine onkosten aan rechterlijke colleges. Art. 10. Zooals algemeen wrerd aangenomen, wordt bij het geven van vaste toelagen voor kleine onkosten eene. gowenschte zuinigheid betracht. Ook bijt de regeling dier vaste toelage aan de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam is eene gepaste spaarzaamheid in acht genomen. Eet nieuwe rechtsgebouw is een gebouw van grooten omvang met zeven zittingza len, daaronder begrepen de zittingzalen voor de Kantongerechten. Uit de vaste toelage aan de Arrond.-Rechtbank moeten worden bestreden de bezoldigingen van een concierge, een portier, vier boden, een kachelknecht, het werkloon van vier werkvrouwen, de schoonmaakmaterialen, do kosten van verwarming en verlichting, de bureelbehoeften, waaronder de aanschaffing van boekwerken, de «kosten van het. parket, waaronder de belooning van een klerk en overigens eenige kleine dagelijksche uitgaven.

De kantonrechter-plaatsvervangisr kan niet worden vrijgesteld van de betaling der kosten aan zijne beëediging verbonden. Volgens de wet tot vaststelling van het tarief van juistitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken worden de kosten van den griffier gebracht ten laste van den belanghebbende, niet ten laste van den Staat. Reis- en verblijfkosten ter zake der eedsaflegging kunnen niet in aanmerking komen als zijnde niet genoemd bij art. 36 der Wet op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie in verband met. art. 5 der Wet van 9 April 1877 (Stbl. n°. 73). Dat een kantonrechter-plaatsvervanger de betrekking niet zou willen aanvaarden uit hoofde de hierbedoelde luttele uit gave voor zijne rekening zijn, zal wel tot. de zeldzaamheden behooren.

De door een rechter-plaatsvervanger in die. betrekking gemaakte kleine onkosten moeten worden bestreden uit de gelden aan het. rechtscollege voor kleine onkosten toegelegd.

Vde Afdeeling.

Kosten van algemeene of Rijkspolitie.

Over de; vraag of jachtpremiën al of niet. behooren te worden verboden, zette de Minister reeds herhaaldelijk bij de schriftelijke behandeling van vorige begrootingen zijne zienswijze! uiteen,. Hij meent de vrijheid te mogen nemen zich daaraan te refereeren.

De gegrondheid der klachten over de toenemende onveiligheid in sommige streken van ons land, over den overlast dien de bewoners ten platten lande van bedelaars en landloopers ondervinden en over de brutaliteit, waarmede in sommige gevallen de stroopars optreden, kan niet worden beoordeeld zoolang deze klachten niet meer bepaalden vorm hebben aangenomen. Mocht de juistheid dezer klachten blijken, dan zou de Minister niet aarzelen op nieuw het noodige crediet aan te vragen om liet politiepersoneel aan te vullen. Dat. zonder versterking verbetering zou kunnen worden gebracht door eene meer gelijkmatige verdeeling over de verschillende gemeenten, kan de Minister niet

toegeven. Die verdeeling wordt steeds met groote zorg overwogen en is zoodanig geregeld dat. iedere beambte op de hem, aangewezen standplaats strikt noodzakelijk is. Eene andere indeeling over de verschillende gemeenten, zou dan ook volgens liet oordeel van den Minister slechts ten gevolge hebben, dat sommige gemeenten meer deelden in het Rijkspoiitietoezicht, doch dat andere zouden moeten derven, wat noode, zoo niet. onmogelijk, kan worden, gemist.

Mocht inderdaad reden bestaan om ovter toeneming van bedelarij in de groote steden te klagen, dan is dat in geen geval aan de Rijkspolitie te wijten, die zich in de steden niet dan in zeer bijzondere gevallen en wanneer zij daartoe opzettelijk is gerequireerd met da eigenlijke, straatpolitie bemoeit.

Door de bestaande voorschriften, waarbij het den rijksveldwachters ten strengste verbodten W'ordt sterken drank te gebruiken :

a, op voor het publiek toegankelijke plaatsen waar gelagen worden gezet of in drankwinkels, wanneer zij in uniform gekleed of, ook niet in uniform, in dienst, zijn ;

b wanneer zij bij openbare verkoopingen of verpachtingen, bij openbare vermakelijkheden of op markten, kermissen of andere openbare bijeenkomsten met liet houden van toezicht zijn belast;

wordt voldoende voor het prestige van liet korps gewaakt.

Misbruik en veelvuldig gebruik van sterken drank, of dronkenschap in dienst wordt gestraft met schorsing of ontslag.

Tot verscherping dier voorschriften geeft. liet. gedrag van de manschappen in het algemeen geene de minste aanleiding.

De onlangs te den. Helder langs 's Rijks zeedijk plaats gehad hebbende ontploffing van granaten, was aan een Ongeluk te wijten, waartegen de politie onmog^ijk had kunnen waken.

Art, 28. Omtrent het geval, dat zich te Dordrecht met zekeren Thioulouse zoude hebben voorgedaan, heeft de Minister een onderzoek doen instellen. Daarbij, is gebleken, dat de politie ten opzichte van Thioulouse niet anders heeft gehandeld dan zij, tot dekking van eigen, verantwoordelijkheid, verplicht is. Dat bedoelde vreemdeling persoonlijk door de politie zoude zijn lastig gevallen, is allerminst gebleken.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 5 November 1900.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der

Mijll, A. P. Th.-Eyssell, B. H. M. Hanlo, Jhr. S. Laman

Trip en Jhr. D. G. van Teïlingen.

Vernietiging van het beklaagde arrest omdat in het daarbij bevestigde' vonnis is recht gedaan op een getuigenis van hooren zeggen.

G. A. v. D., oud 39 jaren, van beroep winkelknecht, geboren te Alkmaar, wonende te Amsterdam, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 Mei 1900, waarbij op het door den veroordeelde ingesteld hooger beroep is bevestigd het vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam van 6 Maart 1900, bij welk vonnis req. is schuldig verklaard aan diefstal, en, met toepassing van de artt. 310 Strafrecht en 214, 219 Strafvord., deswege is veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van 10 maanden, met last tot, teruggave der overtuigingsstukken zooals verder in het vonnis is vermeld.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. van Teïlingen, en de adv. van den req., Mr. L. W. van Gigcii die voorziening had toegelicht, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Als eerste middel van cassatie in deze zaak is voorgesteld: Schending of verkeerde toepassing van de artt. 391 en 398 Strafvord. in verband niet de artt. 247, 211, 221 en 223 van dat Wetboek, door te bevestigen liet vonnis der Rechtbank niettegenstaande als bewijsmiddel is gebezigd de verklaring ,,de audltu" van den getuige J. W. : „dat getuige R. hem verklaard heeft dat hij den dag te voren in den winkel van P. en 0. alhier 4 kranen had gekocht, welke hij aan bekl. met f2.60 betaald heeft".

De verklaring van den bedoelden getuige is in haar geheel onder de bewijsmiddelen opgenomen en strekt blijkens liet verband waarin zij voorkomt om mede. tot bewijs te dienen bepaaldelijk van het door den req. ontkende feit diat deze geld van de kranen had ontvangen.

Het middel komt mij Tilzoo gegrond vóór.

Het tweede middel luidt: Schending of verkeerde toepassing van de artt, 211, 216, 221, 223 en 247 Strafvord. in verband met art. 310 Strafrecht, door te bevestigen voormeld vonnis, hoewel daarbij niet is onderzocht of req. —die, gelijk in facto is verklaard, aangesteld was om de kranen te vorkoopen — door den verkoop aan getuige R. 1°. de kranen heeft weggenomen, 2°. heeft weggenomen met oogmerk zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen.

Feitelijk staat vast dat. de req. als winkelbediende, bevoegd was te verkoopen en af te geven, maar voor betaling den kooper moest verwijzen naar het kantoor, dat hij niettemin verkocht

Sluiten