Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J.

Jaagpad. — De beweerde, aan liet eerste middel ten grondslag liggende tegenstrijdigheid in de bij, het bestreden vonnis bevestigde uitspraak bestaat werkelijk niet.

De woorden van art. 4 van het Keizerlijk Decreet van 22 Januari 1808 ,,pourra restreindre' geven geen grond tot de bewering, dat een enkel gedoogen van de zijde der administratie voldoende zou zijn om aan te nemen, dat deze tot de in dat artikel bedoelde inkorting der jaagpaden zou zijn overgegaan.

Art. 4 voormeld brengt wel mede, dat het aanwezig zijn van afsluitingen, hagen, muren enz. tot het geven van vergunning tot inkorting aanleiding kan geven, maar niet dat het aanwezig zijn van eesi of ander grond oplevert om die inkorting zonjder bepaald» vergjunning te Qaten voortduren. H. R. 7595. 3.

— Hillegommerbeek. — Trek- of weeghpad. — Historisch feit. — Onus publicum. —■ Identiteit.

Rust op den grond langs de Hillegommerbeek een onus publicum van trek- of jaagpad? — Neen. Hof Amsterdam. 7646. 1. Jacht en visscherij. — Voor het,,gedekt zijn" van het vervoerde wild, waarvan art. 27 der Jachtwet gewag maakt, is het niet voldoende, dat liet vereischte document in het bezit is van hem, die het wild vervoert of doet vervoeren, maar is het noodig, dat het document bij het vervoerde wild is gevoegd, en zich aan, bij of op dat wild bevindt.

Waar het niet geldt eene omstandigheid als bedoeld in art. 221 Strafvord., die volgens de wet tot verzwaring van straf aanleiding geeft, is de lioogere rechter, gebruik makende van zijne bevoegdheid om binnen de door de wet gestelde grenzen de in eersten aanleg opgelegde straf te verzwaren, niet verplicht de omstandigheden te vermelden, die hem tot die strafverzwaring leidden. H. R. 7526. 1.

Het stelsel van deni eischer, dat de eigenaar van heit jachtrecht geen recht zoude hebben op konijnen, is onjuist, al beliooren de konijnen in den zin der jachtwet niet tot het wild. •

Deze wet toch bedoelt niet in te grijpen in het privaatrechtelijke en wijziging te brengen in hetgeen volgens art. 641 B. W. onder „wild" is begrepen.

Bij de vordering tot afkoop doet het niet af, of eene zekere wildsoort vroeger niet op de jacht voorkwam, indien slechts blijkt, dat zij er ten tijde van den afkoop. aanwezig is, tenzij moet worden aangenomen, dat dit verblijf slechts tijdelijk is en niet duurzaam kan zijn. Rechtb. Breda. 7537. 2.

— De uitlegging der dagvaarding, voor zoover zij den grondslag vormt voor 's rechters beraadslaging en beslissing, is van feitelijken aard en kan alzoo geen onderwerp van onderzoek in cassatie uitmaken.

Daargelaten de vraag, of bij eene aanklacht wegens overtreding van art. 2 der Jachtwet de „rechthebbende" bij name of op andere wijze bepaaldelijk moet worden aangewezen, valt in eik geval, waar in de dagvaarding alléén als rechthebbende wordt genoemd iemand, die niet is rechthebbende, het feit,

, zooals het in de dagvaarding is uitgedrukt, niet onder de qualificatie van genoemd artikel, en is het evenmin uit anderen hoofde strafbaar. H. R. 7544. 2.

Indien door den eigenaar van of rechthebbende tot een grond aan iemand schriftelijke vergunning is verleend om dezen „met bijhebbend gezelschap te bejagen, en de houder der vergunning, jagende, het hem uitgereikt „schriftelijk bewijs" niet op de eerste vordering van den bevoegden ambtenaar kan vertoonen, is ieder lid van het „bijhebbend gezelschap" deswege strafbaar ingevolge art. 2 in verband met art. 1 en art. 40 2e lid der Jachtwet. H. R. 7560. 2.

— Het met een polsstok in een aan een ander toebehoorend vischwater, zonder diens vergunning polsen, om alzoo den visch naar het net te drijven, kan alleen worden gequalificeerd als eene daad van volgens art. 52 Strafrecht niet strafbare medeplichtigheid aan, niet als het plegen of medeplegen van de overtreding van art. 2 der Jachtwet. H. R. 7561. 1.

* De rechter in cassatie kan niet in een onderzoek treden, of werkelijk door een getuige is verklaard, wat hij volgens de feitelijke beslissing van het bestreden vonnis heeft verklaard.

Op grond van de op de plaatselijke werking van eb en vloed steunende gegevens, is door de: Rechtbank terecht aangenomen, dat de aan den requirant ten laste gelegde overtreding is gepleegd op eene plaats, die niet als zeestrand kan worden aangemerkt.

Uit de bepalingen der jachtwet vloeit niet voort, dat) buiten eene zeewering gelegen gronden niet, zouden kunnen zijn jachtgronden. H. R. 7575. 1.

De kracht van aanwijzingen is aan het onderzoek in cassatie onttrokken.

Waar de rechter in het vonnis weergeeft wat naar zijne opvatting door den beklaagde ter terechtzitting is gezegd, kan de juistheid dier opvatting m cassatie niet worden bestreden.

Waar de vraag moet worden beantwoord, of de beklaagde 1 andere dan de bij de wet geoorloofde middelen heeft aangewend om wild op te sporen en te bemachtigen, moet dit doel I niet worden opgemaakt uit de oorspronkelijke bestemming van het aangewende middel, maar uit het gebruik, door hem daar- I' van gemaakt. H. R. 7611. 3. I

— Heerlijk jactrecht.

Geschil over den overgang, den omvang en het al of niet verjaard zijn daarvan.

Devolutieve kracht van het hooger beroep. Hof ',s Bosch. 7616. 2.

• Nu volgens de met, redenen omkleede feitelijke beslissing vaststaat, dat de plaats, waar de beklaagde zich in gesloten jachttijd, onvoorzien van consent of buitengewone machtiging, bevond niet geladen schietgeweer, niet was een afgesloten terrein als bedoeld in art,. 122a der Jachtwet, was de! rechter volgens — de wet niet verplicht verder rekenschap te geven voor de als van feitelijken aard! aan hem overgelaten beslissing, dat die plaats was jachtveld in den zin van art. 20 der Jachtwet.

Aangenomen dat het er den requirant alléén om te doen was ter plaatse en ten tijde, in de dagvaarding vermeld, schadelijk gedierte te bemachtigen, kon dit voornemen alléén, zoolang hij daarbij niet handelde op last van den eigenaar of rechthebbende, ten zijnen aanzien niet uitsluiten de toepasselijkheid van art. 20 der Jachtwet. H. R. 7622. 2.

Heerlijk jachtrecht in den Westeren Ban van Schouwen onder de gemeente Haamstede. Hof 's Gravenhage. 7656. 1.

(Zie het vonnis a quo in W. 7442.) —

Eén middel, gericht tegen eene in kracht van gewijsde gegane incidejiteele beslissing, kan in geen geval leiden tot cassatie van het eindvonnis, waartegen alleen het beroep is ingesteld. H. R. 7673. 1.

— In de gemotiveerde feitelijke beslissing, dat de beklaagde pogingen heeft aangewend om „wild" op te sporen, te bemachtigen of te dooden, ligt tevens opgesloten, dat de Rechtbank

op dezelfde motieven de daarmede strijdige bewering heeft verworpen, als zou de beklaagde niet hebben gejaagd, maar alléén op konijnen hebben geschoten.

De wet vordert bovendien niet, dat de rechter rekenschap geve van de redenen, die hem weerhouden om zich met bijgebrachte verdedigingsgronden te vereenigen.

De vraag wat ter terechtzitting is verklaard of erkend, .staat ter beslissing van den rechter, die over de feiten oordeelt, waaruit volgt, dat, indien verschil mocht bestaan tusschen hetgeen het procesverbaal en het vonnis daaromtrent inhoudt, in cassatie moet worden vastgehouden aan hetgeen voorkomt in het vonnis, hetwelk toch de opvatting van den rechter teruggeeft.

Ten onrechte wordt door den requirant beweerd, dat de qualificatie van het feit, waaraan hij is schuldig verklaard, iets zou bevatten wat met was ten laste gelegd en dus ook niet bewezen was verklaard. H. R. i677. 1.

— Zie Cassatie. H. R. 7563. 1; Processtukken. H. R. 7676. 1.

Jachtveld. — Zie Jacht en Visscherij. H. R. 7622. 2

Jachtwet. — art. 2. H. R. 7544. 2

— art. 27. H. R. 7526. 1.

Jacobi & Grell ca. Bruckwilder & Co. 7667. 1.

—- ca. B. M. Boijsen. 7679. 1.

Jacobse Boudewijnse. (Mr. A. 0. A.) Rechtstoestand van den man, wiens vrouw, door hem gemachtigd, de actie tot boedelscheiding instelt. 7622. 4 ; 7644. 4.

Jansen (I. ST.) ca. Burgemeester van 'sGravenhage. H. R.

Jansen van Olst (J.) ca. G. J. Ariese. H. R. 7601. 1.

Jellinecksche rechten, door Mr. J. A. Levy. 7533. 4.

Jitta. (Prof. Mr. D. Josephus) Staatsburgerschap en wereldburgerschap (eene rectorale rede). 7537. 4.

Joachihson (N.) ca. p. Hoppe. 7608. 3.

Jong (J. L. de) ca. J. van Vliet. H. R. 7592. (1.

Juristenvereeniging. (Nedeblandsche) — Aanstaande vergadering der — 7585. 4.

—i Agenda der — 7587, 4.

— De — en de voorwaardelijk© veroordeeling. (Hoofdartikel.) 7602. 1.

Vergadering der Nederlandsche — 7604. 3.

— Naar aanleiding der genomen besluiten, door Mr. W W van Meurs 7606. 4.

Jurriaanse (J. H.) ca. Mr. P. Dijckmeester. 7644. 2.

Justitie. — Het departement van —. (Hoofdartikel.) 7639. 1; 7640. 1.

■ Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1901. Alg. Beseh voor 1002. 7644. 1; V. V. 7658. 1; M. v. A. 7665. 1; 7638. 1.

— Het werkplan van den Minister van —. (Hoofdartikel.) 7666 1 • 7668. 1. ' '

justitieele statistiek. 7637. 4.

K.

Kaarten. — Zie Kwartjesvinders. 7668. 3.

Kadaster. — Zie Revindicatie. 7566. 2.

— met bewijskracht. 7572. ].

Kamer van Arbeid. Lidmaatschap der — door Mr. J. A Levv

(machteloos). 7526. 4; 7532. 4; 7533. 4.

Kampfraath. A. Azn. (J. C. G.) ca. Mr. C. A. Cosman. H. R 7590. 1.

Kan. (E.) ca. Aachener und Munchener Feuerversicherungs-

gesellschaft. 7541. 3.

Kanaalgeld. — Waar door den rechter alleen als bewijsmiddel zijn gebezigd dö verklaringen van getuigen omtrent den inhoud van zeker stuk, niet dat stuk zelf, wordt voorlezing daarvan niet gevorderd door art. 177 Strafvord.

Waar naar luid der verordening, uit kracht waarvan hier het kanaalgeld wordt geheven, grondslag voor de berekening dezer heffing is de voor het schip volgens het K. B. van 30 Juli 1894 (Stbl. no. 141) geldige meetbrief, oleef deze wettelijke grondslag der berekening ook na het vervallen van gemeld besluit ingevolge K. B. van 20 Juli 1899 (Stbl. no. 164).

Uit de voor den rechter in cassatie bindende feitelijke beslissing volgt, dat de ten laste van den requirant bewezen verklaarde feiten niet opleveren ééne voortgezette handeling, zoodat art. 56 Strafrecht hier zijne toepasselijkheid mist. H. R. 7545. 1.

Kann. (Mr. H. E.) Overlijdensbericht van 7613. 4.

Kantonrechter. — Zie Advocaat en procureur. H. R. 7664. 1,

Kapteijn. (Dr. W. H.) ca. C. J. Bik. 7648. 3.

Kasopname. — Zie Gemeenteontvanger. 7610. 2.

Kavelingen. — Zie Commanditaire Vennootschap. 7556. 3.

Keiser. (A.) ca. M. van Zanten. H. R. 7671. 1.

Kerkeraad. — Zie Begraafplaats. 7619. 2.

Ketjen. (C. W.) ca. Erfgenamen van E. J. van Ebbenhorst

Tengbergen. 7657. 1.

Ketwich Verschuur. (Mr. J. D. van) Beëedigd als advocaat en

procureur. 7603. 1.

Keulen. (Dr. L. H.) ca. Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. 7628. 2.

Keurenaer & Co. Bank. ca. J. Bossmann. 7548. 2.

Kieswet. Het in de aangifte, bij art. 13' der Kieswet bedoeld, opzettelijk doen van eene valsche opgaaf, aangaande feiten, waarvan plaatsing op de kiezerslijst afhankelijk kan, zijn. Rechtb. Leeuwarden. 7612. 3.

—- (Kiesrecht).

De vernietiging in cassatie van eene beschikking, door den kantonrechter ingevolge art. 36 der Kieswet gegeven, kan, ingeval zij niet geschiedt door den veizoeker persoonlijk, alleen gevorderd worden door tusschenkomst van een advocaat bij den Hoogen Raad. H. R. 7618. 1.

— (Kiesrecht).

Het ingezetenschap der provincie of der gemeente, in de artt. 6 en 7 der Kieswet gesteld als vereischte voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden van de Provinciale Staten en van den Gemeenteraad, moet bij gebreke van eene bepaling daaromtrent in de kieswet worden beoordeeld naar de bepalingen van art. 17, 2e lid der Prov.wet en art. 19, 3e lid der Gem.wet. H. R. 7621. 1.

— (Kiesrecht).

Niet-ontvankelijk-verklaring van een verzoek tot cassatie in zake kiesrecht, als zijnde niet binnen den bij art. 41 der Kieswet gestelden termijn geschied. H. R. 7632. 1.

— (Kiesrecht).

In de door den kantonrechter gegeven beslissing, waarbij de eed is opgelegd, en tegelijk bepaald werden de gevolgen van het al of niet afleggen van den eed, is niet te kort gedaan aan de in het eerste middel genoemde artikelen, daar geen dezer zoodanige beslissing verbiedt.

Nu de kieswet naast de uit overeenkomst voortspruitende dienstbetrekking het inwonen bij en liet voortdurend werkzaam j

zijn in het bedrijf der ouders en het als zoodanig inkomen 1 genieten, mede uitdrukkelijk als voorwaarde van kiesrecht erkend heeft, is door den kantonrechter in zijn opgelegden eed ? in .strijd met de wet verlangd, dat gezworen zoude worden, dat het ontvangen loon voor de werkzaamheden ingevolge overeenkomst is ontvangen.

Waar als vaststaande moet worden aangenomen, dat de bij ' 7*ïjn vader inwonende requirant in diens bedrijf regelmatig werki zaam is geweest, is het onverschillig, of hij daarenboven bij

een ander tegen loon werk heeft verricht. H. R. 7632. 1. ' — Art. 67 der —. Een leemte, door Mr. E. Prak. 7632. 3. Kievits. (J. M. C.) ca. A. Renz. 7641. 1.

Kinderbescherming. Nederlandsche bond tot 7673 4.

' Kinderen. — Zie Belasting (Personeele.) 7530. 3 ■ 7674. 1 ■ Echtscheiding. II. R. 7662. 1 ; Onderhoudsplicht. 7562. 3. Kirberger. (Mr. G.) Gerechtelijke rangregeling. 7575 4 Klacht. — Zie Smaadschrift. H. R. 7579. 1.

Kleef. (W. van) ca. P. J. Felix. 7562. 3.

Klein. (J.) ca. B. Messcher. 7654. 2.

Kleunen. (W.) Roomsch Katholiek Armbestuur te Wijk-Maastricht. ca. — 7550. 3.

Kleintjes (Mr. Ph ) In Memoriam (Prof. Mr. P. A. v. d. Lith) 7662. 4. '

Klinkers. — Zie Plaatselijke Verordening. H. R 7644 1

Knottenbelt & Co. (A.) ca. Union Marine Insurance Company.

Kock. (Mr. P. M. J.) Beëdigd als advocaat en procureur 7cur a. Koch Jr. (W.) ca. E. van Baak. H. R. 7558. 1.

Koeien. — Zie Koop en verkoop. 7640. 2.

Koekoek. (L.) c. s. ca. H. Bürck 7564. 3 ; 7677. 3.

Koenen. (Mr. H. J.) Het recht in den kring van het gezin

aangek, door Mr. Rh. Feith. 7584. 3.

Köhler. (H. II.) ca. S. Vredenburg. H. R. 7551. 1.

Kok. (J.) ca. H, W. Louman 7582. 2.

Konijnen. — Zie Jacht en Visscherij. 7537. 2 ; 7677. 1. Koninklijke Nederlandsche Beierschbierbrouwerij. ca G IT Kolder. 7620. 3.

Koolemans Beijnen. (G J. W.) Eene .foutieve conclusie weerlegd. 7ooo. 4.

Kooymans. (J. J.) ca. L. Sabelis. H. R. 7588. 1.

Koop en verkoop. — Waar eene bepaalde partij, amandelen is verkocht, waarvan de prijs naar het gewicht werd bepaald, die tijdig aan den kooper is aangeboden,, en, met inachtneming r"an t. f i °0r "■ kooper zeiven ingestelde gewoonte, te zijner besc kkmg gesteld, moet die verkooper geacht worden aan zijne verplichting tot levering te hebben voldaan, niettegenstaande de weging nog niet had plaats gehad, wannee° de kooper de weging met heeft verlangd, maar zonder geldige reden heeft geweigerd de; verkochte partij amandelen in, ontvangst te nemen, en wanneer later bij weging is gebleken dat de verkochte partij de gestelde hoeveelheid inhield, en is de kooper gehouden den koopprijs te betalen. Rechtb. Ütrecht. 7540. 3.

— De verkooper van een onroerend goed kan, het bij den verkoop getroffen beding, db,t de, koopsters en haar rechtverkrijgenden op het gekochte nimmer zullen mogen bouwen, niet doen gelden tegen een opvolger der koopsters titulo singulari.5

Dit volgt uit art. 1376 en is niet in strijd met art. 1354 B. W. Rechtb. Haarlem. 7547. 3.

• De vordering van hem, die onroerende goederen heeft verkocht, te betalen bij het notarieel transport, tegen den, kooper om de acte van, transport te passeeren zonder meer is nietontvankelijk.

Waar de hoofdvordering is nietontvankelijk, daar is de incidenteel© conclusie van den eischer, om den gedaagde op vraagpunten te hooren, eveneens met-ontvankelijk. Rechtb. Haarlem. 7550. 3.

— Koop en levering binnen een bepaalden tijd van waren, welke en een marktprijs hebben èn door den leverancier in zijn fabriek vervaardigd moeten wordem.

Bij zoodanigen handel mag ellce partij zonder voorafgaande ingebrekestelling zich. op den termijn beroepen.

Er bestaat geen gehoudenheid tot verdere naleving der overeenkomst voor de eene partij, indien de andere partij door haar verzuim de overeenkomst niet binnen den bedongen termijn heeft doen afloopen.

Tot levering voor dezelfde prijzen nit te late bestelling, nl. na afloop van den termijn, is alzoo de fabrikant (verkooper) niet gehouden. Hof Arnhem. 7552. 2.

— Vermindering eener vordering wat het bedrag betreft tot be. lieden de waarde van f 400 (nl. bij conclusie van repliek) in geval de gedaagde zekere verrekening van de opbrengst van door eischer verkochte goederen mocht verlangen, geeft geen aanleiding om een vordering niet appellabel te verklaren, bijaldien de gedaagde in deze voorstellen tot verrekening niet getreden is. (Verg. H. R. 17 Febr. 1882, W. 4740; 1 Juni 1883, W. 4914; 16 Febr. 1894, W. 6471; 6 Jan. 1899 W 7228).

Bij toepassing van het Nederl. recht is de verkooper in zijn vordering tot betaling van den vollen koopprijs niet-ontvan kelijk, indien bij de terugzending der goederen de verkooper. door ze publiek te verlcoopen, zijnerzijds de praestatie tot levering onmogelijk heeft gemaakt.

Bij toepasselijkheid van het Duitsch® recht heeft de verkooper gebruik gemaakt van den zoogenaamden „Selbsthülfeverkouf" (art. 343 van het toen geldende Duitsche Handelswetboek) en kon hij dus niet meer den vollen koopprijs vorderen, doch slechts den koopprijs voor zoover deze niet uit de opbrengst der goederen gedekt was, al of niet met schadevergoeding (art. 354 D. H. Wb.)

Het betreft hier of eene actie tot schadevergoeding öf althans eene onzuivere actie tot vervulling voor slechts een deel van den koopprijs. Ook dan moet er niet-ontvankelijk-verklaring volgen. Hof Arnhem. 7554. 2.

— Bij eene overeenkomst van koop en verkoop van 2500 fietsbanden heeft het beding dat de levering zal plaats hebben op bestelling van den kooper ,,auf Abruf nacli Bedarf", deze beteekenis, dat de kooper niet verplicht is de 2500 banden in eens te bestellen,, doch dat hij ze in gedeelten kan bestellen, evenwel binnen een redelijken termijn, strookende, met den aard van het gekochte.

De vordering tot ontbinding dier overeenkomst, op grond dat, dei kooper aan zijne verplichting tot bestelling niet heeft voldaan, vereischt eene uitdrukkelijke ingebrekestelling, waar de termijn, binnen welken de bestellingen moesten geschieden,

niet is bepaald, vermits ook niet de aard der overeenkomst of het gebruik medebrengt, dat de kooper alleen door het verloop van tijd in gebreke zou zijn.

De sommatie tot bestelling binnen twee vrije dagen aan een daarbij gekozen domicilie van den verkooper, voldoet aan dat vereischte. Rechtb. Roermond. 7588. 2.

— Is art. 3 der Syndicaats-voorwaarden toepasselijk, waar de verkooper wist niet alleen hoeveel hij in eene bepaalde maand

Sluiten