Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

won© machtiging. Vermits nu het toezicht op het bezit van de noodige stukKen wordt uitgeoelend bij het jagen, het visschen, het vervoer, en niet ten iiuize van den jager, den visscher, den vervoerder of op eenige andere plaats waar hij zijne papieren gelieft te bergen, volgt uit deze voorschriften dat hij de noodige stukken Dij zich moet hebben.

Wrei is waar is ten aanzien van sommige stukken het niet bij de eerste aanvrage vertoonen bij art. 4-0, 2de lid, tot eene aizonderlijke, lichtere overtreding gestempeld, maar juist omdat deze bepaling niet algemeen is kan zij toe het stelsel dat aan de wet toegekend moet worden niet afdoen.

riet middel komt mij ongegrond voor. Ik moet nog doen opmerken dat voor het geval dat mijn gevoelen niet gedeeld worde, de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam verwezen zal moeten worden daar de kantonrechter (op zijn standpunt terecht) niet in een onderzoek is getreden naar het bestaan van een dekkingsdocument, waarop de req. zich heeft beroepen.

Het tweede middel luidt: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 211, 221, 223, 246, 256 en 257 Strafvord., door de in prima opgelegde straf te verzwaren, terwijl uit het vonnis a quo niet blijkt dat beraadslaagd is over omstandigheden die . tot verzwaring der straf zouden kunnen aanleiding geven.

Bij pleidooi is tot ondersteuning van dit middel een beroep gedaan op het arrest van 29 Juli 1899, W. 7321, waarbij' de motiveering van straf verhooging in appel door minder gunstige berichten aangaande de beklaagden werd gewraakt omdat niet bleek dub dio berichten verkregen wit ren door ondorzook ter terechtzitting. Het verband tusschen die beslissing en het huidige cassatiemiddel, dat zich richt tegen de overweging dat de Rechtbank zich niet kan vereenigen met de opgelegde straf die haar te licht voorkomt, ontsnapt mij.

Overigens schijnt het middel te berusten op eene min juiste opvatting van het voorschrift van art. 221, 1ste lid, Strafvord., volgens hetwelk het vonnis moet uitdrukken het strafbare feit met alle omstandigheden die volgens de wet tot verzwaring of verlichting van straf aanleiding geven.

Hier is blijkbaar niet gedoeld op eene wijziging in de straf door den hoogeren rechter gemaakt, maar op de verhooging boven het gewone maximum die de wet toelaat, en de verlaging ten gevolge van verzachtende omstandigheden die zij vroeger toeliet. Dit blijkt èn uit de woorden: het feit met de omstandigheden die volgens de wet tot verzwaring of verlichting van straf aanleiding geven, èn uit de plaatsing in den titel over de behandeling in eersten aanleg, waarbij immers van wijziging van eene vroeger opgelegde straf geene sprake kan zijn.

In het bepalen van de straf binnen de wettelijke grenzen is de

rechter geheel vrij.

Ook dit middel is alzoo ongegrond. Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad enz. :

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorge*

sieia uij pieiaooi:

I. Schending en verkeerde toepassing van art. 27 der

J acht wet;

II. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 211, 221 223, 246, 256 en 257 Strafvord. :

Overwegende dat de req. heeft terechtgestaan en is veroordeeld ter zake ,,dat hii op 2Y Jan. 1900, terwiil de iacht on klein

wild in de provincie Noordholland, met uitzondering van die

op houtsnippen reeds sedert meer dan 14 dagen was gesloten, op

aen ^penDuren ,veg, de isie lielmei straat te Amsterdam, zes patrijzen heeft doen vervoeren, welke noch door eene verklaring van oorsprong, afgegeven door het hoofd van het bestuur dei-

gemeente waar de afzender woonachtig of het wild geschoten was, noch door een buitenlandsch of transito-paspoort gedekt waren";

O. dat als grond voor het eerste middel is aangevoerd, dat

de rechter ten onrechte heeft beslist, dat onder het gedekt zijn door een buitenlandsch of transito-paspoort, moet worden ver¬

staan, dat zoodanig paspoort zich aan, bij of op het vervoerde wild bevindt, terwijl duidelijk uit de bewoordingen der wet

voigt, dat net alleszins voldoende is, zoo de vervoerder m het bezit is van zoodanig paspoort;

O. dat, blijkens het in zooverre bevestigde vonnis, feitelijk vaststaat, dat hij:, die door den req. met het vervoer der zes patrijzen was belast, op den openbaren weg is aangetroffen zonder dat hij eenig document betreffende die patrijzen bij zich had, terwijl req. zich in dit opzicht verdedigde met de bewering', dat te zijnen huize berustte een door hem ter terechtzitting overgelegd dubbel paspoort voor betaalde invoeirechten, geldig voor 50 patrijzen, waaronder ook de vervoerde behoorden;

O. dat deze verdediging te recht in voormeld vonnis is verworpen, op grond, dat voor het gedekt zijin van het vervoerde wild, waarvan art. 27 der Jachtwet gewag maakt, het niet voldoende is, dat het vereischte document in het bezit is van hem die het wild vervoert of doet vervoeren, maar het noodig is-, dat dit document bij het vervoerde wild is gevoegd en zich aan, bij of op dat wild bevindt;

O. dat-, terwijl het bij pleidooi gedaan beroep op sommige fiscale wetten, waarin gesproken wordt van gedekt zijn door documenten of wel van het aanwezig z iji n daarvan of het daarvan vergezeld zijn, buiten beschouwing kan blijven, uit de bepalingen van art, 27 zelf volgt, dat de aan dat artikel door den rechter gegeven uitlegging juist is;

dat daarin, toch, verschillende voorschriften worden gegeven omtrent het vervoeren van wild in open en gesloten jachttijd, met het doel om, door toezicht op dit vervoer, de naleving ook der overige bepalingen van de jachtwet te bevorderen;

dat onder deze voorschriften behooren de hier toepasselijke bepalingen van de 3de en de 5de alinea van het artikel, nl. : dat het wild, indien het onder de daarbij omschreven omstandigheden in gesloten jachttijd vervoerd wordt, gedekt moet zijn door de aldaar opgenoemde stukken en in het bijzonder, wanneer het van buitenslands in- of het Rijk doorgevoerd wordt, door een buitenlandsch of transito-paspoort;

dat voorts, ingevolge het bepaalde in de 7de en de 8ste alinea van het artikel, die stukken bij de eerste vordering aan de met het toezicht op de jacht en visscherij belaste beambten moeten worden vertoond en de beambten in den gesloten jachttijd bevoegd zijn de middelen van vervoer en de goederen die gedragen worden te onderzoeken en na te gaan of er wild vervoerd wordt I in strijd met de wet of de verordeningen:, in de artt. 9, 10 en 11 bedoeld;

O. dat uit een en ander volgt, dat, ingeval van in- of doorvoer van wild van buitenslands, het daarbij aanwezig zijn van een buitenlandsch of transito-paspoort de voorwaarde is, waaronder het, overigens in gesloten jachttijd verboden, vervoer mag plaats hebben, in verband waarmede de met het toezicht belaste beambten onmiddellijk moeten kunnen beoordeelen of aan die gestelde voorwaarde is voldaan ;

dat hiermede kwalijk overeen te brengen is de bewering namens den req. gevoerd, dat het niet noodig is, dat het paspoort

zich bij het wild bevindt, maar dat het in bezit hebben van het stuk voldoende zoude zijn om het vervoer te rechtvaardigen, welke bewering ten gevolge zoude hebben, dat het houden van een behoorlijk toezicht op het vervoer van wild onmogelijk werd, en een onderzoek van den beambte naar en op het vervoerde goed in den regel doelloos zoude zijn;

dat mitsdien het eerste middel is ongegrond;

O. dat de schending en verkeerde toepassing van de in het tweede middel opgenoemde wetsartikelen wordt beweerd, doordien de rechter in hooger beroep de in eersten aanleg opgelegde straf heeft verzwaard, terwijl uit het vonnis niet blijkt, dat beraadslaagd is over omstandigheden, die tot verzwaring der straf zouden kunnen aanleiding geven;

O. te dien aanzien: t

dat de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, in het bestreden vonnis overwoog „dat zij zich niet kan vereenigen met de aan beklaagde opgelegde hoofdstraf van f 3 boete, welke boete te licht voorkomt, zoodat des kantonrechters uitspraak voor dat deel behoort te worden vernietigd", waarna die rechter, op nieuw recht doende, den req. veroordeelde tot betaling van eene geldboete van f 20;

dat derhalve de hoogere rechter gebruik maakte van zijne bevoegdheid om, binnen de door de wet gesteldei grenzen, de straf te bepalen, die hem in het gegeven, geval gepast voorkwam, en hier geen spraak is van eene omstandigheid als bedoeld in art. 221 Strafvord., die volgens de wet tot verzwaring van straf aanleiding* geeft;

O;, dat mitsdien ook dit middel is ongegrond ;

Verwerpt het beroep.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE '9 GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

(Raadkamer).

Beschikking van den 15 October 1900.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raadsheeren, Mrs. : J. J. van Geuns, J. B. J. N. Ridder de van

DER SCHUEREN, W. J. KaBSTEN en H. VAN" MANEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

(Raadkamer).

Beschikking van den 24 Augustus 1900.

Voorzitter, Mr. A. A. Weve.

Rechters, Mrs.: Jhr. W. H. de Savornin Lohman en ,1. F. van der Lek de Clercq.

Nu art. 438 B. W. niet zegt, bij welke Rechtbank het verzoek lot afzetting van eenen voogd behoort te worden ingediend, moet, bij het onbekend zijn van de woonplaats van den voogd en ook van diens werkelijk verblijf, de Rechtbank van de woonplaats van den verioeker als de

bevoegde worden aangemerkt.

Aan de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage. Geeft eerbiedig te kennen:

Vrouwe S. Mol, wed. van wijlen den heer M. Wolff, zonder beroep, wonende aan de Stille Veerkade n°. 19 te 's Gravenhage, ten deze domicilie kiezende aan de Molenstraat n°. 39 te 's Gravenhage, ten kantore van den procureur bit deze Rechtbank, Mr. D. van Houten;

dat wijlen hare dochter genaamd B. Wolff, den 8sten Aug. 1882 in het huwelijk is getreden met den heer A. Huisman, geboren te Goes, van beroep tandarts, uit welk huwelijk een meisje genaamd H. Huisman, den 30sten Juni 1883 te Verviers is geboren, dat hare dochter den 2den Febr. 1891 te 's Gravenhage is overleden; .

dat sedert dien genoemde heer A. Huisman van rechtswege was voogd over gemeld minderjarig meisje;

dat hij als zoodanig zich steeds ten ergste tegenover zijne doch. ter heeft misdragen door het leiden van een liederlijk levensgedrag zoo, dat hij zich niet ontzag zijne dochter in gezelschap te brengen van eene chanteuse uit een café-concert, met wie hij in ongeoorloofde verstandhouding stond en aan wie hij sieraden van de overledene moeder en van zijne dochter wegschonk;

dat hiji zelfs zoover ging zijn dochtertje nog op een zeer jeugdigen leeftijd in APfn rafp.p.nnnftrt tf* T^mssftl t.a In.ten HpaItiamar>

aan tableaux-vivants;

dat deze toestand gedurende korten tijd verbeterde, toen de heer A. Huisman een tweede huwelijk aanging met eene dame te Keulen en zicli te Alost in België vestigde;

fin t. flift n- + « 1170 c non 1 • • 1.

.V.../V.VI11I5 vyn..-> V «Ui JYUaitTlL l! U IJ I CI1 II y TBHflS

enkele maanden na het gezegd tweede huwelijk gesloten den

A/Tr.^ ionn • .1 /» 1 _ , 11 T

xiucii met in ongeooriooiae verstananouamg stond! met

AATïA ZOOO'A.TÏi\S\ m rl A laarKnn. of a n-onintvirl T .0 ™v.r> »-> „i_

77 07 'vviuug-uciltwiv, ivaigiaugc, ine li Wie

hii zich uit de echtelnkp, w.rminrr llAeft VArwiirlAfrl corlAH Önnio™

c _ O '■ ■■ ~ "VUVX u kJGJJLCIU-

ber van dat jaar;

dat toen ook de tweede vrouw welke door hem op zoo laatdunkende wijze was verlaten, naar haar ouderlijke wonino- is

turnercrp.kftArd IATI kof • -1 . °

_ 00—— v" ivmu. in ae wonino- te

Alost heeft achtergelaten, alwaar wegens schulden alle meube¬

len in iwsiag waren genomen;

dat reauestrante dit, VATOoman^ö 7iri.Tl rvmnirlrlölli'-IU X, _ 1 i , v _

i --- . w.-— net, iot na-

rer kleindochter heeft ter harte genomen en gezegde minderiario-e

£• O rl ür+. rlian + V. ,> "L,.* _ ...Jj- „1 _ _ J 0

wu nuiien uuize worui vpgwwa en verzorgd*

dat Sftflerh fllAn vn.n rlpn \7arI0r» Ti-rvnrvrl nrnfo rv-> '

— ,— .ouw, vv^&^, iiiccx as vernomen

en diens woonnlaals '/Al fc nnKolmnrl is fftmriil 1»inv..... __ 1

ir vuuv/ivvu» " 'j1 "iwaiwi nog Kan

worden toegevoegd dat nimmer een toeziende voogd is benoemd •

rlnf. rw>iiaeti"inl.Y tmr. ^ J ^.1 ; . „ _i 1 . , '

— v, vcuu wrucei IS, uu.u nou nouazaKeiljk is dat

de vader-voogd, A. Huisman uit de voogdij wordt ontzet en te-

vens ftATI niftllWA vr»,n.n-rl or, i

V11 woiiwmo vwgu. wwiutjn oenoema,

waartoe zich respectievelijk hebben bereid verklaard de heeren

TT WnlfF oor» r\ 1. _ T

"• ■ ■ kjjjui aan lo s vjrrtivennage en ij. yan Ure-

feid, wonende Kruiswijksche kade n°. 26 te Rotterdam, respectievelijk oom en behuwd oom der minderjarige;

dat requestrante tot het indienen van dit verzoek wordt be« wogen door den wensch, dat moge worden voorkomen dat de voormelde minderjarige door den vader-voogd kan worden opgeeischt en dat hetgeen bedoelde minderjarige van requestrante

eventueel na haar overlijden zal ontvangen, niet door den vadervoogd zal kunnen worden verkwist, gelijk het geval is geweest met het door hare dochter aan gezegde kleindochter nagelatene, hetgeen van te meer belang is, waar requestrante reeds den leeftijd van 69 jaren heeft bereikt ;

Redenen waarom requestrante eerbiedig verzoekt, dat het der Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage moge behagen den heer A. Huisman te ontzetten uit de voogdij over zijne minderjarige dochter H. Huisman, geboren te Verviers den óOsteu Juni 18o3 met veroordeeling van gezegden A. Huisman tot het doen van rekening en verantwoording van zijn beheer als voogd gevoerd of hetwelk hij had moeten voeren, aan den te benoemen opvolger en voorts hangende het geding in het beheer der voogdij te voorzien op zoodanige wijze als de Rechtbank zal vermeenen te behooren.

s Gravenhage, Augustus 1900.

't Welk doende enz.,

(get.) S. Mol, wed. M. Wolff, „ l->. van Houten.

De Officier van Justitie;

Overwegende dat blijkens request gerequestreerde het laatst woonde te Alost in België;

O>. dat mitsdien de Rechtbank is onbevoegd om op het bij request gedaan verzoek te beschikken;

Concludeert dat de Rechtbank zich verklare onbevoegd om op het request te beschikken.

(get.) van der. Kemp.

De Rechtbank enz.;

Gezien vorenstaand verzoekschrift;

Gehoord de nadere toelichting door en ter Raadkamer namens den procureur van requestrante;

Geiet op vorenstaande conclusie van den Off. van Justitie;

Op den daarin aangegeven grond;

Beschikkende:

Verklaart zich ten deze onbevoegd.

Aan het Gerechtshof te 's Gravenhage. Geeft eerbiedig te kennen :

Vrouwe S. Mol, wed. van wijlen den heer M. Wolff, zonder beroep, wonende aan de Stille Veerkade n°. 19 te 's Gravenhage ten deze domicilie kiezende ten kantore van de procureurs bij dit Gerechtshof Mrs D. van Houten en D. van der Goot aan de Molenstraat n°. 39 te 's Gravenhage;

dat zij zich gewend heeft tot de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage met het verzoek A. Huisman te ontzetten uit de vooo-dii over diens minderjarige dochter H. Huisman op 30 Juni 1883 te Verviers uit het huwelijk van genoemden Huisman en nu wijlen requestrante's dochter B. Wolff geboren, op gronden als in het betrekkelijk verzoek staan vermeld, wordende hierbij eerbiediglijk daaraan gerefereerd;

dat requestrante bij het request heeft gesteld dat de voogd achtereenvolgens te Verviers, Brussel en Alost hi België heeft gewoond, uit welke laatste plaats hij zich, hoewel toen hertrouwd, met eene vreemde vrouw in September 1899 heeft verwijderd en er sedert niets meer van hem vernomen is en zijne woonplaats zelfs onbekend is, terwijl namens haar procureur nog mondeling daaraan is toegevoegd dat hij, na zijn laatste bekende woonplaats te Alost te hebben verlaten, nog tijdelijk verblijf heeft gehouden te Duinkerken, doch thans ook daar niet meer vertoeft en ook zijne verblijfplaats thans ten eenenmale

rvnhAlrAnrl •

dat de Rechtbank te 's Gravenhage zich vereenigende met de motieven van den heer Officier van Justitie bij die Rechtbank en die overnemende, zich bij beschikking dd. 24 Aug. 1900 onbevoegd heeft verklaard om op het verzoek te beschikken en wel op grond dat de vader-voogd het laatst woonde te Alost in België;

dat requestrante zih door die uitspraak acht gegriefd en daartegen bij deze bij Uw Hof in hooger beroep komt;

dat toch requestrante van oordeel is dat de laatste woonplaat» van den voogd in deze niet den bevoegden rechter aan wijst, doch de door de wet aangewezen rechter is die van de tegenwoordige werkelijke woonp'aats van den voogd en dat biji gebreke van een door het hoofdverblijf aangewezen woon. wordt ■ P S werkelijken verblijfs daarvoor gehouden

dat verder uit de posita van requestrante naar haar oordeel genoegzaam volgt, dat de voogd door te Alost zijn hoofdverblijf op te breken op de wijze gelijk geschied is, de bedoeling had zijne woonplaats aldaar op te geven, zoodat die plaats niet meer als zijne tegenwoordige woonplaats kan worden aangemerkt

van d«n ambtenaar

vcui uic piaats, waaruit blijkt dat hii die stad m het geheim heeft verlaten, aldaar niet meer woont noch ook eene woning heeft;

dat als woonplaats van den voogd ook geene andere plaats bekend is, zoodat kan worden aangenomen dat de minderjarige -tl. iluisman geen wettelijke, althans geen bekende wetteliike woonplaats heeft; J

dat requestrante vermeent dat ook in dit geval namelijk bii gebreke van wettelijke woonplaats haar werkelijk verblijf in aanmerking moet komen en door hare daadwerkelijke verblijfplaats ten woonhuize van hare grootmoeder, de requestrante de in deze bevoegde rechter wordt aangewezen •

dat wanneer zulks niet wordt aangenomen ee!n minderjarige voor wiens belangen de wetgever nog wel speciaal heeft willen waken onder anderen ook door maast den voogd een toezienden voogd te eischen, geheel zonder wettelijke bescherming en vertegenwoordiging is en moet blijven, indien de woonplaats en verblijfplaats van den voogd onbekend zijn en er gelijk in casu geen toeziende voogd is benoemd geworden, hetgeen no^ té

rari.e zeTf doorMdemwM m het °°« Wt dat een minder¬

jarige zelf door de wet onbekwaam wordt verklaard in rechten

op te treden en voor zijne eigen belangen te waken, zoodat tm verzorgden f" ^ Wangen ten slotte geheel on-

dat requestrant vermeent dat ook voor het geval in deze twijfel mogelijk ware, de rechter des te eerder de zaak aan zich of trekken omdat een dergelijke rechtelooze toestand door da w t allerminst is gewildi en speciaal de Nederlandsche rechter aangewezen is aan een Nederlandsehen en in Nederland verblijf houdenden minderjarige de door de wet gewilde beschermku>- ia geven, opdat op behoorlijke wijze voor zijne belangen kan worden gezorgd en zijne rechten kunnen worden gehandhaafdHedenen waarom requestrante zich wendt tot Uw Hof mét liet

W de'/T^f H°Ve m0g6 bella§en <le bes, hik

Anond.-Rechtbank te s Gravenhage waartegen dit

Sluiten