Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Bnrgerlijke Kamer.

Zitting van den 28 September 1900.

Voorzitter, Mr. R. van de Werk.

Raadsheeren, Mrs.: D. L. de Leao Laguna, E. Star BusmanNj H. F. Baron de Kock en A. J. Roijaards.

Be afgifte door pakhuismeesteren van het Amsterdamsche Entrepotdok van eene ceel betrekking hebbende op thee in (o/'staande in) entrepot, verplicht hun niet tot afgifte aan den houder der ceel, van een zoogenaamd split bewijs.

(Zie het vonnis a quo in W. 7310).

De 1 landelsveim. onder de firma Gebroeders Snel, gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam, appellante, procureur Mr. C. D. Asser Jr., advocaat Mr. W. H. K. Motjthaan,

tegen

.). Bierens de Haan en A. Bierens de Haan, pakhuismeesteren van de thee, te Amsterdam, geintimeerden, procureur en advocaat Mr. G. van Tienhoven Jr.

Het Hof;

Gehoord partijen;

Gehoord de pleidooien;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten : zich gedragende aan en mitsdien overnemende hetgeen dienaangaande is overwogen in het vonnis door de derde Kamer van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam op 18 Nov. 1898 tusschen partijen gewezen, waarbij werd ontzegd de vordering van Gebrs. Snel. tot veroordeeling van de heeren Bierens de Haan, pakhuismeesteren van de thee te Amsterdam, om hun, tegen teruggave van het bij conclusie bedoelde opslagbewijs, den in de conclusie bedoelden koop thee in entrepot te leveren met het op dien koop betrekking hebbend voor de inklaring benoodigd splitbewijs, of wel aan üen af te geven: 1°. het voormeld splitbewijs, 2°. een volgbriefje, waarop die koop thee in het pakhuis van pakhuismeesteren Kan, worden in ontvangst genomen, — een of ander met schadevergoeding ter zake van niet-voldoening aan eene voorafgegane sommatie; — subsidiair tot schadevergoeding bij niet-voldoening aan het te wijzen vonnis ; — welke ontzegging was gegrond op de overweging dei Rechtbank, dat het geschilpunt tusschen partijen, of, voor de levering, de thee moest worden overgegeven nog verblijvende in het dok en Gebrs. Snel dan voor de verdere formaliteiten om tot uitklaring uit het dok te geraken moesten en mochten zorg dragen, dan wel of de overgifte eerst moest plaats vinden, nadat door pakhuismeesteren die formaliteiten zouden zijn nagekomen, — in laatstgemelden zin moest worden beslist, omdat bij art. 118 der wet van 26 Aug. 1822 (Stbl. n°. 38) de aangeving van goederen wordt opgedragen aan den beheerder dier goederen, als hoedanig in deze, met het oog op verschillende bepalingen van het Reglement voor het beheer van het Amsterdamsch Entrepotdok, opgenomen onder volgnummer 49 van de 3de Afdeeling van het Gemeenteblad van Amsterdam over 1895, voor den hier bedoelden koop thee alleen pakhuismeesteren in aanmerking kunnen komen;

dat Gebrs. Snel bij exploit van den deurwaarder van der Poll alhier dd. 11 Febr. 1899 van dit vonnis zijn gekomen in hooger beroep, met conclusie bij- dagvaarding en conclusie van eisch tot vernietiging van het vonnis en toewijzing der vordering, waarna de heeren Bierens de Haan hebben geconcludeerd tot bevestiging van dat vonnis, over en weder met de kosten;

Overwegende in rechten :

dat de appelleerende vennootschap, tegen het vonnis in hoofdzaak heeft aangevoerd:

1°. dat het geschilpunt niet juist is gesteld;

2°i dat het dokreglement, als regelende de verhouding tusschen de gebruikers en de administratie van het dok, in deze . geen dienst kan doen;

3°. dat art. 118 der bovengemelde wet verkeerd is geïnterpreteerd en bovendien pakhuismeesteren niet zijn beheerders der te leveren thee;

O. dat een onderzoek naar de bezwareen, sub 2° en 3° vermeld, en gericht tegen de gronden, waarop de Rechtbank het door haar geformuleerde geschilpunt heeft beslist, alle belang verliest, nu het Hof met appellante de omschrijving van het geschilpunt in het vonnis minder juist acht;

dat toch:

waar appellante als houdster der bij conclusie bedoelde ceel (door haar aanvankelijk minder iuist opslagbewijs genoemd) door pakhuismeesteren afgegeven (van welk stuk de registratie in het vonnis a quo is vermeld), van dezen vordert afgifte of van de thee, waarop die ceel betrekking heeft, öf van een volgbriefje voor die thee, in het eene en in het andere geval met een zoogenaamd splitbewijs;

waar alleen tegen de afgifte van dit laatste bezwaar is gemaakt,

en waar schadevergoeding slechts als sequeel wordt gevorderd;

naar het oordeel vani het Hof het eenige geschilpunt tusschen partijen is :

of de afgifte der ceel pakhuismeesteren ook verplicht tot afgifte van een splitbewijs aan den houder der ceel;

O. dat de afgifte der ceel (waarvan de inhoud tusschen partijen buiten geschil is) heeft plaats gehad krachtens de veilconditiën (evenzeer tusschen partijen buiten geschil), waaraan appellante haar recht op de ceel ontleende, en waartoe pakhuismeesteren door de afgifte der ceel zijn toegetreden, zoodat de rechten van appellante zoowel uit die veilconditiën als uit de ceel kunnen voortvloeien;

dat echter van den inhoud dier stukken voor deze zaak slechts van belang is:

1°. de bepaling der veilconditiën, dat is verkocht thee in entrepot, leverbaar per ontvang-cedullen van pakhuismeesteren, welke stukken wederom inwisselbaar ziin teeen vole-brie.fies •

2°. de vermelding der ceel, dat deze betrekking heeft op thee, staande in entrepot ;

dat hierin dus van eenige verplichting van pakhuismeesteren tot afgifte van een splitbewijs geen melding wordt gemaakt, ter. wijl — hetzij men de uitdrukking „thee in (of staande i n) entrepot" met geintimeerden opvat in den zin van thee, waarvan de rechten alsnog moeten worden betaald, of met appellante in den zin van thee, die zich in het dok bevindt, — uit den inhoud van veilconditiën of ceel de bedoelde verplichting voor pakhuismeesteren ook niet kan worden afgeleid;

dat toch de eenige grond daarvoor door appellante aangevoerd, dat zij namelijk het splitbewijs behoefde om de thee in consumptie te kunnen brengen, reeds daarom niet opgaat, omdat is ver¬

kocht thee in of staande in entrepot en niet in consumptie te brengen thee;

dat bovendien het karakter van het verlangde stuk zich tegen de beweerde verplichting voor pakhuismeesteren verzet;

dat toch, zooals tusschen partijen buiten geschil is, een splitbewijs als het verlangde geen recht verschaft op de verkochte thee, noch als zoodanig dat goed vertegenwoordigt, maar is een certificaat tér verkrijging van documenten, benoodigd voor den wederuitslag van het op het stuk vermelde goed, waarop de ceel betrekking heeft en dat deel uitmaakt van eene ten name van pakhuismeesteren ingeschreven partij thee, hoedanig stuk dooide Rijks-administratie slechts wordt afgegeven aan pakhuismeesteren ;

dat het splitbewijs, waarover dit proces loopt, dus de blijkbare bestemming zou hebben om uitsluitend pakhuismeesteren, ten wier name het goed staat ingeschreven, de documenten', noodig voor weder-uitslag, te verschaffen, zoodat de aard van het stuk zou worden veranderd, indien daaraan door overdracht of ook endossement (door appellante ter sprake gebracht) de bestemming zou worden gegeven van een certificaat, strekkende om aan de niet-ingeschreven appellante uit eigen hoofde de documenten voor weder-uitslag te verschaffen;

dat op grond van dit alles het bovenomschreven geschilpunt

m nei naueei oer appeuanie oesiist en dientengevolge het vonnis, zij het- ook op andere gronden, bevestigd moet worden;

Gezien art. 56 B. R.;

Recht doende op 't hooger beroep :

Bevestigt het vonnis op 18 Nov. 1898 door de derde Kamer van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam tusschen partijen gewezen ;

Veroordeelt appellante in de kosten van het hooger beroep, tot aan de uitspraak van dit arrest aan zijde der o-eintimeerden berekend op f 192.25.

ARRONDISSEMENTS-RECHTB ANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 13 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. P. Coninck Westenberg.

Rechters, Mrs.: P. J. Bijleveld en P. W. de Koning (plv.)

Art. 19 B. R.

Het is niet de taak des rechters een gedaagde te bewegen haar eer en karakter te stellen boven het geldelijk belang, dat zij, onder bescherming van eene stellige wetsbepaling, verdedigt.

Wanneer één der partijen bij voorbaat verklaard heeft in geen schikking te zullen treden, dan bestaat er geen grond om eene persoonlijke verschijning van partijen voor den rechter te gelasten.

De Handelsven,n. onder de firma Tobias van Cleef & Zonen te Rotterdam, eischeres, procureur Mr. D. E. LïoNi, advocaat Mr. Jos. van Ra al te, uit Rotterdam,

tegen

C. A. A. van Dijk te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. A.

ri. J. van ben Biesen, advocaat Mr. W. P. A. Hellegers.

De Rechtbank;

Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat de vordering strekt tot veroordeeling der gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tegen kwijting te betalen de'som van f2292.71 met de wettelijke renten en in de proceskosten zulks op grond :

dat op na te melden datum, de eischeres van gedaagde's broedei J* A. M. van Dijk te s Bosch, wegens door eischeres aan hem voor zijn handel en bedrijf verkochte en geleverde goederen per saldo te vorderen had een bedrag van f948.38 en, zij toen op gedaagde's verzoek, om haar broeder te helpen, wiens geldelijke toestand toen ongunstig was a aan, gedaagde f1500 in contant geld ter leen verstrekte en b met- haar overeenkwam, dat het hiervoren bedoelde saldo alsmede een bedrag" van f 100 waarvoor eischeres in de eerstvolgende dagen aan genoemden broeder weder goederen zou leveren (hetgeen door eischeres op 13 en 16 Maart- 1899 ter somma van f 105.97 is gedaan) beschouwd zou worden als door haar van eischeres te ziin eeleend en zii

dat, als door haar geleend geld, aan eischeres zou voldoen;

dat gedaagde dan ook op 12 Maart 1899' erkend heeft, aan eischeres wegens geleend geld schuldig te zijn f 2500 en heeft

aangenomen dat bedrag terug te betalen op lb Juli 1899 onder bepaling onder anderen dat voor liet- geval dat bedrag op genoemden datum niet door haar betaald, mocht zijn, eischeres het onmiddellijk zonder ingebreke stelling van haar zou kunnen opeischen;

dat inmiddels door haar broeder voor de zending 13 Maart ter waarde van f 11.64 goederen zijn geretourneerd en van het hierboven bedoelde saldo nog is afbetaald f 250, en eischeres dus van gedaagde medio Juli jl. te vorderen had als restant van het saldo, door haar als eigen leenschuld tegenover eischeres aanvaard f 792.71 en wegens de in contante gelden door eischeres aan haar ter leen verstrekte som f1500 ;

dat zij echter weigerde zoowel het eene als liet andere bedraote betalen, ondanks na 16 Juli 1899 gedane aanmaningen en sommatie bij exploit van den deurwaarder Menagé Chalfa drl 27 Sept, 1899; '

dat, de gedaagde hierop heeft geantwoord, dat- zij, blijkens door haar in het geding gebracht uittreksel uit het geboorteregister der gemeente Amsterdam op 2 Juli 1876 is geboren;

dat zij gedurende den laatsten tijd van hare minderjarigheid op de smeekingen vanj haren voornoemden broeder steeds n dezen gelden heeft geleend en zulks tot een totaal bedrag van f 855, onder de omstandigheden bij conclusie van antwoord vermeld ;

dat echter die broeder, met deze leeningen geenszins geholpen zijnde, zich in Maart- 1899 heeft gewend tot de eischeres metverzoek om hem te helpen;

dat de eischeres, die toen van haar (gedaagde's) broeder te vorderen had een bedrag van f948.38, uit vrees, dat wanneer deze failliet ging, zij niets zou ontvangen, besloten heeft hem met nog f1500 te helpen, mits gedaagde dan deze f1500 en de gemelde f948.38 benevens een bedrag van ca. f100 wegens nog te leveren goederen, als eigen schuld erkende ;

dat de gedaagde op de smeekingen van haar broeder en diens

echtgenoote om hem toch te helpen em: te redden, daar toch zonder hare hulp hun faillissement onvermijdelijk was, op 12 Maart 1899 eene schuldbekentenis ten behoeve van eischeres heeft geteekend groot f 2600 waarop der gedaagde broeder toen de som van f 15U0 heeft ontvangen;

dat eischeres toen zeer goed wist, dat gedaagde minderjarig was en zich niet kon verbinden, daar zij eerst wilde, dat ge°daagde eene schuldbekentenis zou onderteekenen valschelijk ge dateerd op 4 Juli 1899, zijnde twee dagen na den dag harer meel* derjarigheid;

dat echter, toen gedaagde dit niet wilde, eischeres den juisten datum van 12 Maart-1899 in de schuldbekentenis heeft vei meld;

dat echter der gedaagde broeder geenszins met deze f 1500 was gered en dan ook op 22 Juli 1899 verklaard is in staat van faillissement met eene schuld van ca. f 6500;

dat derhalve de door eischeres gestelde geldleening en schuldbekentenis zijn nietig, ais door eene minderjarige, zelfs zonder medeweten van haar voogd aangegaan en geteekend;

dat, als eischeres hierdoor schade, lijdt, zij dit aan zich zelve heeft te wijten, daar zij om hare voraermg van f948.38 op gedaagde s broeder te redden heeft medegewerkt- om een minderjarig meisje een schuldbekentenis te laten teekenen;

dat de gedaagde van de in die schuldbekentenis vermelde gelden niets heeft genoten, noch daardoor in iets is gebaat;

dat de eischeres in ieder geval door zich te laten verifleeren voor een bedrag van f 792.71 wegens geleverde goederen in het faillissement van J. A. 1v1. van Dijk te 's Bosch, heeft erkend dit bedrag niet van gedaagde, maar van haren broeder te vorderen te hebben;

dat gedaagde ontkent al wat door eischeres is gesteld, voor zoover dit niet met het bovenvermelde overeenstemt en concludeert dat de Rechtbank, met nietigverklaring der door eischeres gestelde verbruikieening en de -door gedaagde geteekende schuldbekentenis, eischeres met-ontvankelijk zal verklaren in hare vordering, in ieder geval haar die zal ontzeggen, cum expensis;

dat de eischeres bij incidenteele conclusie heeft aangevoerd, dat gedaagde-s medeaeelmgen omtrent- het vóór de onderwerpelijke aangelegenheid tusschen haar en haren broeder voorgevallene waarvan aan eischeres niets bekend is — hier niets afdoen;

dat echter de conclusie van antwoord omtrent het tusschen eischeres en gedaagde voorgevallene in meer dan één opzicht, dei waarheid te kort doet, kennelijk ter zoogenaamde rechtvaardiging van de voorgestelde exceptie van minderjarigheiddat eischeres te veel h a.an limta Antrprftnta ■*>**-.1—

■ , ,. — ~ ""o'"-~Jf^ om

i! i i onwaarlleden te laten aanleunen en daarom zeer nadrukkelijk het volgende ais de waarachtige toedracht stelt hetgeen gedaagde niet zal kunnen ontkennen, wanneer zii' haar geweten raadpleegt; J

gedaagde is uit eigen beweging — zander eenig aanzoek van

f ïöOlTbh hJ? t l' te terClam met net aanbod om

f 1500 bij haai ter leen op te nemen en daar tegenover de obli-

gatien aan te gaan en de verklaring af te geven, gelijk dat alles aoor eischeres bij dagvaarding is gesteld; toen daarop eischeres gedaagde vroeg of het niet, wenseheiijk was, dat zij hieromtrent met haar voogd overleg pleegde, werd dit, door gedaagde afgeslagen, onder opmerking, dat hare verstandhouding met haar voogd niet ai te best was. Met nadruk wees eischeres haar toen op hare, ook moreele gehoudenheid om de schuld, die zii, op zich ging nemen prompt en eerlijk te betalen, üischeres wist immers dat gedaagde toen nog minderjarig was, gelijk blijkt uit, den inhoud der overgelegde door gedaagde op 12 Maart 1899 geteekende en aan eischeres afgegeven schuldbekentnis — en hetwelk alzoo geenszins blijkt, noch behoeft te blijken, uit het bii conclusie van antwoord aan eischeres verweten voornemen om de akte valschelijk te, dateeren; nooit of nimmer heeft eischeres zoodanig plan gekoesterd. Wel stelde gedaagde dit als een van een derde afkomstig denkbeeld aan eischeres voor, doch deze sloeg het onmiddellijk af en zeide vertrouwen te koesteren in der gedaagde eerlijkheid;

ciinndat Vertrouwei1 stelde ziJ> aan gedaagde zelve de 11500 m contante gelden ter hand, haar daarbij er nog eens aan herinnerende dat eischeres die gelden, aan haar o-edaagde ter leen verstrekte en ze weder van haar moest terugontvangen;

dat al wat bij antwoord omtrent dit gansche voorval meer of anders wordt, beweerd, door eischeres pertinent wordt ontkend •

dat der eischeres vertrouwen, in de o-erlaao-^lo i--. '

O-—"1' Cl gejiijKC

dat laatstgenoemde immers op een leeftijd van 22 iaren en

savT eii TorT dCU tei' 'ontvan8t met verbintenis tot terugLUZn kÜ daarop die verbintenis nietig noemt omdat zij 4

maanrïp.n han^rla™ , . . , ., °

• i i "i^iuotjcnigiitjiu.» leeaLija was, toen zii

gevel) - COn^an''611 uitbetalen, die zij nu weigert terug te

dat zelden eene exceptie van minderjarigheid onder

omstandigheden is voorgesteld en even zeldeni zulk een daad werkelijk niet onbelangrijk verlies aan eenen crediteur is berokkend als deze eischeres zou lijden, indien gedaagde bil hare processueele houding mocht volharden •

wdle^XT t ,CTlusie van antwoord thans niet meer

doch alteen' nn u daarover aan den rechter overlatende.

Ussement van ri °P te merken' dat z« zich in ^

laten den broeder van gedaagde voor de f792.71 heeft

keerino- x n om het obhg° van gedaagde met de uit-

keering uit- dat faillissement te verlichten;

dat eischeres alvorens tot dagvaarding over te gaan, zelfs nooeen stap verder was gegaan en eene minnelijke reo-elino- heeft voorgesteld, gelijk blijkt uit den hierbij eopielijk geproduceerden brief door den raadsman der eischeresse Mr. Jos van Raalte te Rotterdam op den lldem Juli 1899 gericht tot, Mr W ' P A Hellegers te Amsterdam, der gedaagde advocaat, waarop'van laatstgenoemden geen ander antwoord is ontvangen dan diens missive aan Mr. van Raalte dd. 17 Juli 1899, mede hierbij geproduceerd; ö

dat eene minnelijke schikking, waarbij de eischeres hare oor spronkelijke vordering ten lasïe van der gedaagde broeder, thans nog groot f792.71 voor eigen rekening neemt, doch' gedaagde aan eischeres de m natura ontvangen f1500 terug geeft, zeer zeker ook m het belang van gedaagde zelve zoude wezen wier geweten toch geen vrede kan hebben, met eene benadeeling van eischeres als van de toewijzing der conclusie van antwoord het gevolg zou wezen;

dat eischeresse niet kan gelooven, dat gedaagde, verschenen, voor w olege, van zulk eene schikking afkeerig zou wezen terwijl eischeres bereid is, daartoe, mede te werken, weshalve zij concludeert en verzoekt dat de Rechtbank partijen zal gelasten om m persoon te verschijnen voor dit college of voor een oi meer heeren rechter-commissarissen, ten einde eene vprppni gmg te beproeven ;

dat de gedaagde bij conclusie van referte op de incidenteele conclusie, de juistheid van eischeresse's voorstelling voor zooveel

t mJÏ de ,llare overeenkomt, heeft ontkend en. de hare gehandhaafd, onder aanvoering, dat eischeres haar een schuld-

Sluiten