Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JSa. 7546.

is welke de middelen van eisch zijn", d. i. dus uit de dagvaarding inbaar geheel.

Eindelijk het tweede middel, omschreven als volgt: ,, Schending en verkeerde toepassing van: xV. art. 1491 VY. j°. 76 B. K., omdat het vonnis aanneemt dat de Staat niet (ais elk zedelijk lichaam) voor de onrechtmatige daden van (onbevoegdelijk) publiek gezag door organen van Staatsgezag, buiten hun publiekrecht enjkeni werkkring, aansprakelijk zou zijn;

B. art. 1403 B. W. j°. 76 13. R., omdat, volgens het. vonnis, de Staat niet aansprakelijk zoude zijn v oor de onrechtmatige daden van personen, door den Staat als ambtenaren aangesteld, indien die personen tegenover zaken, waarover zij pubiieK gezag uitoefenen, door misbruik making van dat gezag, zonder dat gelegenheid bestaat zich daartegen te verzetten en zonder dat men van dat misbruik van gezag kan zijn in kennis gesteld, de onrechtmatige daad pleegden".

Wat bij dit middel tegen de beschouwingen in het bestreden vonnis wordt aangevoerd, kan evenmin grond geven tot cassatie omdat die beschouwingen in geen verband staan tot het d i c t u m en daarop alzoo geen invloed hebben uitgeoefend. Doch al ware het anders, dan nog zouden er m. i. voor cassatie allerminst termen bestaan. Immers wat het beweerde sub A betreft, zoo zegt het bestreden vonnis: ,,dat hieruit (nl. de feiten waarop ae eischer zijne vordering grondt) voortvloeit, dat de eischer niet weerspreekt, maar zelfs een beroep doet op de feiten, die, volgens den bewaarder Groenewegen, de gestelde onrechtmatige daad, het dooden en te loor doen gaan van de in beslag genomen honden en muilbanden, hadden veroorzaakt, dat die aaad namelijk door hem als politiebeambte is gepleegd, op last van zijn chef, het hoofd der politie te 's Gravenhage", waaruit de Rechtbank dan besluit: „dat deze feiten medebrengen dat de Staat niet aansprakelijk is voor het gegeven bevel en de door de politie gepleegde beweerde onrechtmatige daad". Deze beschouwing nu komt mij voor geheel in overeenstemming te zijn met 's Hoogen Raads rechtspraak, gelijk die Laatstelijk nog is gebleken uit het arrest van 21 April 1898 (N. Rspr. 17d, § 71) (4), waarbij werd uitgemaakt: „dat de al of niet rechtmatigheid van zoodanige daad van het openbaar gezag, als in deze heeft plaats gehad, uitsluitend aan het publiek recht kan worden ge* voetst, en niet kan worden beoordeeld naar de bepalingen van het burgerlijk recht, als regelende de rechten en verplichtingen van bijzondere personen, zoodat in deze door de beslissing der Rechtbank de artt. 1401 j°. 625 B. W. niet zijn geschonden". Ook vergelijke men nog 's Hoogen Raads arrest van 259 Mei 1896 (Ibid. 173, § 14) (5). En wat verder aangaat hetgeen sub B wordt ge. steid, zoo zij opgemerkt, dat dit in eik geval afstuit op de feitelijke beslissing der Rechtbank: „dat, al moge, volgens deze posita, Groenewegen door den Staat, als zedelijk lichaam, civielrechtelijk zijn aangesteld geweest als bewaarder der honden, h ij die honden heeft ontvangen van de politie, en hij, als politiebeambte, toen zijn chef hem gelastte die van de politie ontvangen honden te oooden, niet handelde als bewaarder en de daad dus in werkelijkheid werd gepleegd door het hoofd van de politie te 's Gravenhage".

Dewijl alzoo de drie middelen zijn ongegrond, heb ik de eer te conciudeeren tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van' den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.;

Gehoord den eischer in cassatie;

Gelet op het tegen den verweerder in cassatie verleend verstek;

Gehoord den adv.-gen. Gregory, enz.;

G-ezieii de stukken;

Ou er wegende dat tegen liet den Sisten Jan. 1900 tusschen partijen gewezen vonnis der Ar rond.-Rechtbank te 's Gravenhage de volgende drie middelen van cassatie zijn voorgesteld:

I. Schending en verkeerde toepassing der artt. 90, 92, 59, 5 n°. 3, 159 B. R. in verband met de artt. 1731 en 1403 B. W. ;

a omdat het vonnis de nietigheid der dagvaarding uitspreekt op grond van onduidelijkheid van de middeien van eisch, zijnde niet duidelijk wat de rechtsband tusschen partijen is, terwijl de Rechtbank toch tevens erkent, dat in de dagvaarding gesteld zijn twee t e g e 1 ij k e r t ij d' bestaande rechtsbande n, nl. 1°. de aansprakelijkheid van den Staat wegens het onrechtmatig dooden door iemand (Groenewegen) als veldwachter, 2°. de aansprakelijkheid van den Staat wegens het onrechtmatig dooden door denzelfden persoon, terwijl hij als bewaarder van den Staat de honden moest bewaren en niet laten dooden, dus in strijd met zijn plicht als bewaarder;

b omdat de Rechtbank — in plaats van deze twee rechtsgronden berustende op hetzelfde samenstel van feiten te begrijpen, als de dagvaarding dit voorstelt, cumuleerend leidend tot dezelfde conclusies van den eischer — op rechtskundige gronden uitmaakt, dat de aansprakelijkheid (boven onder 1° genoemd) niet bestaat en daarna den anderen rechtsband met den eerstgestelde en verworpene in strijd acht en daarom de dagvaarding als onduidelijk nietig verklaart, terwijl beide rechtsbanden rechts kundig en feiteUjk samen gingen en terwijl de onder 2°. gestelde rechtsband des te meer klemde, waar de Rechtbank oordeelt, dat van eene publiekrechtelijke bevoegdheid geen sprake was;

II. Schending en verkeerde toepassing van:

A. art. 1401 B. W. in verband met art. 76 B. R., omdat het vonnis aanneemt, dat de Staat niet (als elk zedelijk lichaam,) voor de onrechtmatige daden van (onbevoegdelijk) publiek gezag door organen van Staatsgezag buiten hun publiekrechtelijken werkkring aansprakelijk zou zijn;

B. art. 1403 B. W. in verband met art. 76 B. R., omdat volgens het vonnis de Staat niet aansprakelijk zoude zijn voor de onrechtmatige daden van personen door den Staat als ambtenaren aangesteld, indien die personen tegenover zaken, waarover zij publiek gezag uitoefenen, door misbruik making van dat gezag, zonder dat gelegenheid bestaat zich daartegen te verzetten en zonder dat men van dat misbruik van gezag kan zijn in kennis I gesteld, de onrechtmatige daad pleegden;

III. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 76, 59, 90, 92, 45, 5 n°. 3 en 159 B. R., omdat onder de gronden in de introductieve dagvaarding nog bovendien (litt. a, b en c) staat geschreven, als berustende op de geponeerde feiten: aansprakelijkheid van den Staat voor onrechtmatig verlies van beslagen goederen uit het beslag zelf en nu (evenmin als over grond cl) eene beslissing is genomen bij het vonnis, doch dit deel der dagvaarding en deze gronden (waarbij over de feiten, waarop zij rusten, geen onduidelijkheid kan bestaan) met stilzwijgen en onbeslist door het vonnis worden voorbijgegaan;

O. dat bij het bestreden vonnis in hooger beroep is vernietigd een tusschen partijen gewezen vonnis van den kantonrechter te 's Gravenhage van 7 Juni 1899, voor zoover daarvan was geappelleerd, mitsdien voor zoover de eischer in de proceskosten, was veroordeeld en niet ontvankelijk verklaard, terwijl voorts bij het !

(4) W. 7116. RED.

15) W. 6817. „

bestreden vonnis de introductieve dagvaarding voor zoover betreft de in hooger beroep aanhangig gemaakte vordering, is nietig verklaard, omdat uit de dagvaarding niet duidelijk is, welke de middelen van eisch zijn;

dat blijkens liet vonnis de eisch zakelijk is gegrond op de volgendei feiten:

1°. dat twee aan eischers minderjarigen zoon, voor wien hij optreedt, toebehoorende honden, met de muilbanden in beslag genomen wegens overtreding der wet van 5 Juni 1875 (Stbl. n°. 110), ter uitvoering dier wet zijn in handen gesteld van zekeren Groenewegen, die door den Staat wordt gebruikt als bewaarder van inbeslag genomen honden; dat Groenewegen die honden, die evenmin als de muilbanden zijn verbeurd verklaard, en; waarvan de eischer alzooi het eigendomsrecht niet heeft verloren, heeft doen dooden; dat de bewaarder Groenewegen door deze daad eischers eigendomsrecht heeft gekrenkt en de Staat als bewaarder daarvoor civielrechtelijk aansprakelijk is;

2°. dat Groenewegen ook is gemeenteveldwachter en de honden heeft gedood op last van den hoofdcommissaris van politie of den burgemeester van 's Gravenhage; dat de Staat aansprakelijk is volgens art. 1403 B. W. voor ambtenaars-werkzaamheid en volgens art. 1401 B. W., voor zoover de handeling als handeling van den Staat is te beschouwen;

O. dat de Rechtbank een en ander zóó heeft opgevat, dat de eisch werd' gegrond tegelijk daarop, dat Groenewegen was bewaarder namens den Staat en tegen zijne plicht als bewaarder handelde en daarop, dat hij niet handelde als bewaarder, maar dat de daad in werkelijkheid werd gepleegd door het hoofd van de politie te 's Gravenhage;

dat de Rechtbank heeft geoordeeld, dat deze twee feiten met elkander in tegenspraak zijn, juist waar het geldt de aansprakelijkheid van den verweerder, zoodat evenmin deze als de rechter kan weten, welke de beweerde rechtsband tusschen partijen is; Ten aanzien der cassatiemiddelen:

O. dat de bepaling van art. 5 n°. 3 B. R., die volgens art. 92 van dat wetboek op straffe van nietigheid moet worden in acht genomen, voorschrijft, dat de dagvaarding moet behelzen de middelen van den eisch;

dat eene dagvaarding, waaruit een gedaagde niet kan weten, op welken grond eene tegen hem ingestelde vordering berust, niet aan dat voorschrift voldoet;

dat de Rechtbank tot haar oordeel, dat dit ten deze het geval is, is geleid door de uitlegging der dagvaarding, die in cassatie onaantastbaar is;

dat overigens de stelling van het eerste middel hierop nederkomt, dat bij dagvaarding zijn gesteld twee tegelijkertijd bestaande rechtsbanden, die feitelijk samengaan en „cumuleerend" leiden tot dezelfde conclusiën";

dat evenwel naar de boven vermelde beslissing der Rechtbank vaststaat, dat die gronden niet feitelijk samengaan, zoodat zij dan ook niet „cumuleerend" zouden kunnen leiden tot dezelfde conclusiën";

O. dat het tweede middel is gericht tegen de 9de rechtsoverweging, waarin de Rechtbank den Staat niet aansprakelijk heeft verklaard voor de daad van het hoofd der politie der gemeente 's Gravenhage, maar dat deze beslissing in geen verband staat met het dictum van het vonnis en liet middel alzoo niet tot cassatie kan leiden;

O. dat dit evenmin het geval is met het derde middel, omdat, waar de geheele dagvaarding is nietig verklaard, op een deel daarvan geen recht kon worden gedaan;

Verwrerpt het beroep en veroordeelt den eischer in zijne hoedanigheid in de kosten daarop gevallen.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

arrondissementsrechtbank te middelburg.

Eerste Kamer.

Zitting van den 16 Mei 1900.

Voorzitter. Jhr. Mr. A. van Reigersberg Versluijs. Rechters, Mrs.: Jhr. E. P- Schorer en S. Gratama Hz.

Ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen.

P. Vermue Jzn., landbouwer, wonende te Kruiningen, eischer, procureur Mr. F. N. van der Bilt,

tegen

Mr. A. C. A. Jacobs© Boudewijnse, advocaat en procureur, wonende te Middelburg, gedaagde, die als procureur voor zich zelf occupeert,

en tegen

D. Lindenbergh,- landbouwer, wonende te Wemeldinge, mede, gedaagde, procureur Mr. M. J. de Witt Hamer.

De Rechtbank enz.;

Gehoord de conclusiën en dfe pleidooien;

Gehoord de conclusie van den Officier van Justitie, daartoe strekkende dat de Rechtbank den eischer niet ontvankelijk en ongegrond zal verklaren in zijn vordering tot ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen, zooals die in zijn conclusie van eisch is omschreven, met veroordeeling van den eischer in de kosten dezer procedure;

Gezien de stukken, en daaronder de grosse van het vonnis door deze Rechtbank op 5 Juli 1899 gewezen in de procedure tusschen D. Lindenbergh, landbouwer te Wemeldinge, als eischer en P. Vermue Jzn., landbouwer te Kruiningen, als gedaagde;

Overwegende dat bij deurwaardersexploit van 15 Juli 1899, namens P. Vermue voornoemd, aan Mr. A. C. A. Jacobse Boudewijnse, advocaat en procureur bij deze Rechtbank, is aangezegd en verklaard, dat Mr. Boudewijnse als procureur occupeert voor Vermue in het geding aanhangig gemaakt voor deze Rechtbank bij exploot van dagvaarding vani den 13den Maart 1899, tusschen Vermue als gedaagde en D. Lindenbergh voornoemd als eischer; dat in dat geding Vermua, ingevolge de wet vóór allo weren en met uitdrukkelijke reserve van al zijn rechten en weren, zoo ten exceptieve als ten principale, zoo in conventie als in reconventie, heeft verzocht en geconcludeerd in vrijwaring te mogen oproepen den heer Mr. K. L. van de Venne, stoom, meelmolenaar en grondeigenaar te Kortrijk, van wien Vermue heeft gepacht de in de oorspronkelijke dagvaarding omschreven hofstede „de Hoogemoer" onder Kruiningen, welke hofstede de heer van de Venne heeft gekocht van Jhr. en Mevr. Pompe van Meerdervoort—Saaymans Vader; dat volgens het vonnis, hetwelk op 5 Juli 1899 op de incidenteel© vrijwaringsprocedure is gewezen, door Mr. Boudewijnse voor Vermue direct of indirect, het-

' zij in de stukken, hetzij bij pleidooi, hetzij hoe en waar daü ook, gedurende den, loop van net geding onder meer moet zijn erkend en toegestemd datgene, wat hierna in het vonnis zal worden besproken; dat Vermue ontkent: 1°. gemelde en verdere in strijd met de waarheid gedane ve-richtingen; 2°. aan Mr. Boudewijnse eenige volmacht te hebben gegeven voor het doen van gemelde en verdere- door hem gedane directe of indirecte erkenningen en toestemmingen, waarop het vonnis is gewezen en welke in de bepalingen van het vonnis betrekking hebben tot de punten waarover de ontkentenis gaat;

O. dat, na de beteekeningen overeenkomstig de wet, ea op. roeping ter terechtzitting dezer Rechtbank van den 6den Sept. 1899 zoo van den procureur Mr. Boudewijnse, als van V. Lindenbergh, op die terechtzitting door den eischer in deze, P. Vermue, bij conclusie van eisen is aangevoerd alles wat bij het voorschreven deurwaardersexploit van den 15den Juli 1899 aan Mr. Boudewijnse is aangezegd en verklaard, en voorts dat het door den eischer Vermue aan deze Rechtbank gedaan verzoek, dat die daden zullen worden, beschouwd als niet gepleegd en dat alle daaruit voortgevloeide akten van den proeesse en vonnissen, gewezen om ae zaak in staat van wijzen te brengen, zullen worden verklaard van onwaarde, behoorlijk èn aan den gedaagde XVI,r. A. (J. ,i. Jacobse Boudewijnse en aan den voor l). Lindenbergh occupeerenden procureur, zijnde Mr. M. A. de Witt Hamer, is beteekend en gemelde D. luindenbergh behoorlijk in dit geding is opgeroepen en alle vormen en formaliteiten te dezer zaKe zijn in acht genomen; dat, de verzoeker, eischer ten deze, P. Vermue, nooit anders dan den gedaagde Mr. A. <J. A. Jacobse Boudewijnse heeft kunnen zeggen en ook nooit anders heeft gezegd dan dat hij alleen vam den heer K. L. van de Venne de in de oorspronkelijke dagvaarding bedoelde hotstede „de Hogemoer" heeft gepacht; dat hij noch zijn vader ooit eenig stuK of blad papier hebben geteekend, waarin iemand anders dan de heer K. L. van de Venne als verpachter voorkwam, dat zij zeker niet hebben onderteekend of hun naam gezet onder of op eenig van de vier bladen of vellen papier, welke te Goes geregistreerd zijn den 9den Aug. 1892 en welke, de gedaagde Lindenbergh in het geding heeft durven brengen als eene akte vari verpachting welke zoude zijn aangegaan tusschen J. Krijger als verpachter en P. Vermue als pachter met J. Vermue als borg, waarna de eischer heeft, verzocht en geconcludeerd, dat de Rechtbank, recht doende op dit geding, tot ontkenning van gerechtelijke verrichtingen, zal toewijzen het aan de Rechtbank gedaan verzoek en mitsdien; a zal verklaren deugdelijk de ontkenning, gedaan bij voormeld deurwaardersexploit van den 15den Juli 1899; b nietig en van onwaarde de ontkende verrichtingen en het daarop gewezen vonnis of hetgeen in de bepalingen van het vonnis betrek lang heeft tot de punten, waaiover de ontkentenis gaat, immers zal beschouwen als niet gepleegd de daden van den gedaagde Mr. A. C. A. Jacobse Boudewijnse vermeld in gemeld exploit van 15 Juli 1899, en zal verklaren van onwaarde alle uit die daden voortgevloeide akten van den proeesse en vonnissen, speciaal het incidenteel vonnis dezer Rechtbank van 5 Juli 1899, gewezen tusschen D. Lindenbergh als oorspronkelijk eischer, incidenteel gedaagde, en P. Vermue Jzn., als oorspronkelijk gedaagde, incidenteel eischer, alles met verwijzing van den gedaagde Mr. A. C. A. Jacobse Boudewijnse in de kosten, schaden en interessen, op te maken bij desnoods door den rechter goed te keuren staat en in de proceskosten;

O. dat de gedaagde Mr. Boudewijnse bij conclusie van antwoord heeft te kennen gegeven : dat hij erkent geen volmacht van of namens den eischer in deze te hebben ontvangen om a zonder uitdrukkelijke reserve van alle rechten aan zijde van den eischer in deze, P. Vermue Jzn., te verzoeken de opheffing van het pandbeslag, den 8 Maart jl. ten verzoeke van den thans gedaagde Lindenbergh, ten laste van den thans eischer, Vermue, gelegd;

b 1°. onjuist te heeten de voorstelling en uiteenzetting vair eischer Vermue in zijne conclusie over het tot stand en bij eischer Vermue in zijn bezit komen van de ondtergeteekende copie der akte van verpachting van de hofstede ,,de Hoogemoer" dd. 26 Juli 1892, en 2°. die copie als concept te doen registreeren;

c te erkennen dat de nu eischer Vermue heeft laten vallen zijn uitdrukkelijke verklaring, bij conclusie gedaan, dat hij eischer, Vermue, en nu wijlen zijn vader, den 26sten Juli 1892 liun handteekening niet hebben gesteld op iets geheel anders dan wat 9 Aug. 1892 is geregistreerd en dat eischer Vermue onderteekend en erkend heeft de vier vellen papier, welke het vonnis noemt „de onderliandsehe geteekende akte van verpachting dierzelfde hofstede van 26 Juli 1892, op 9 Aug. d. a. v. geregistreerd, waarin J. Krijger, koopman, wonende te Krabbendijke, voorkomt als verpachter dei- hofstede aan den, gedaagde";

d te erkennen dat werkelijk hebben plaats gehad de overeenkomsten en handelingen, beschreven in de in het vonnis vermelde notarieels akten van 5 Augustus 1892 en 20 Augustus 1898 en de geldleening en hypotheek verleening, waarvan zoude doen blijken het in het vonnis aangehaalde extract-hypotheekregister al de akten welke, zooals eischer Vermue stelde» ter consequente ontduiking der testamentaire bepalingen van wijlen niej. L. Vader zijn opgemaakt, niet zijn gesimuleerd, en zelfs bewijskracht hebbende tegenover den eischer Vermne, geen partij bij al die akten;

e te erkennen dat de nu eischer Vermue heeft teruggenomen zijn zoo stellige verklaringen, dat nu wijlen J. Krijger nooit anders is geweest en zich tegenover hem, Vermue, nooit anders voorgedaan heeft dan als de vertegenwoordiger des eigenaars, aan wien de eischer Vermue dus ook voor laatstgenoemden betalingen kon doen ;

dat hij, ofschoon zich niet herinnerende bovengemeld; verzoek zonder meer, voorstelling, verrichting en erkentenissen te hebben gedaan, nu het vonnis dezer Rechtbank den 5den Jult 1899 op de incidenteele vrijwaringsprocedure in het proces, tusschen den thans eischer en den thans gedaagde Lindenbergh gewezen, zulks heeft beslist, derhalve erkent zulks onbevoegd' te hebben verricht, en heeft geconcludeerd dat de Rechtbank den eischer zijn vordering, bij conclusie van eisch gedaan, zal toewijzen;

O. dat de gedaagde D. Lindenbergh bij) conclusie van antwoord heeft aangevoerd: dat de eischer niet als feiten stelt, dat zijn procureur in die procedure in des eischers naam bepaalde erkenningen en toestemmingen heeft gedaan, dat de eischer desavoueert, maar wel, dat hij de conclusie trekt uit het voormelde vonnis, dat zijn procureur die erkenningen, en toestemmingen moet hebben gedaan; d'at nu uit het vonnis niet blijkt, dat die erkenningen of toestemmingen zijn gedaan en de vordering, op die conclusie gebouwd, dus moet komen te vervallen; dat alleen door het vonnis blijkt, dat de ontvanger van de registratie de door den eischer genoemde copie der akte van verpachting der hofstede dd. 26 Juni 1892 als concept heeft geregistreerd, maar daaruit niet voortvloeit, dat de procureur Mr. Jacobse Boudewijnse heeft erkend, dat de eischer Vermue die copie als concept heeft doen registreeren ; d&t bovendien geen der gestelde toestemmingen of erkenningen door Mr. Jacobse Boudewijnse zijn gedaan;

dat, indien Mr. Boudewijnse mocht erkennen, dat hij werke-

Sluiten