Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen van het cognossement over gedeeltelijke inlading, terwijl dit „onder protest" blijkbaar de beteekenis trad van verzat tegen, ontbrekende lading, en van een te kennen gegeven verbreken der oveieenkomst door den bevrachter, na geheele of gedeeltelijke inlading, volgens art. 94, tweede lid, volstrekt geene sprake is;

O. dat app. zich evenmin, op een later ter inlading gereed zijn van het schip, dan bij de chertepartij bedongen zou zijn, beroepen kan, nu <te bevrachter, zonder verzet deswege, met inladen op 14 Nov. is aangevangen en hiermede acht dagen, zonder nader vertoog zijnerzijds, is voortgegaan, — dat dus ook de tweede grief is ongegrond, en het aangeboden bewijs: omtrent d1} weersgesteldheid tijdens de inlading kan worden voorbijgegaan ;

O. dat als derde grief ondergeschikt gesteld is (zijnde deze eene nieuwe weer, welke evenwel, naar 's Hofs oordeel, door de houding in eersten aanleg niet gedekt is), dat de vordering althans niet hooger dan voor 19 ontbrekende vadems kon worden toegewezen, omdat van de 44 vadems, welke het schip naar meting te Ter Neuzen meer dan de hoeveelheid van het cognossement kon innemen, een bedrag van 25 (voor welke de app. reeds boven het cijfer, in het cognossement uitgedrukt, -vrachtloon vergoed had) behoorde te zijn afgetrokken;

O. dat ook deze griief is onjuist, naardien de deskundigen te Ter Neuzen hebben bevond,ca, dat nog 44 vadems in het schip hadden kunnen „bijgeladen" worden, en het Hof alzoo, krachsteils-de vorige overwegingen aanneemt, dat hiervan „foutvracht" vei schuldigd is, waarbij1 onverschillig is, of app. (op grond dat te Ter Neuzen eene grootere hoeveelheid, dan bij de in lading als ingenomen maat is uitgemaakt) voor de werkelijk uitgeleverde lading een hooger bedrag dan volgens de meting, in het cognossement opgenomen, betaald heeft;

O. dat dienvolgens ook het door geint. aangeboden getuigenbowijs door het Hof wordt voorbijgegaan;

O. dat app. in de vierde plaats zich gegriefd acht door het niet-ontvankelijk verklaren zijner vordering in reconventie, welke beoogde de veroordeeling van geint. als gezagvoerder tot schadevergoeding ter zake het niet op tijd laadklaar zijn van het schip, welke vordering der bevrachters tegen den schipper aan app. door overdracht afgestaan is;

O. te dien aanzien, dat .de Rechtbank deze niet-ontvankelijkverklaring hierop grondt, dat de tegenvordering wel naar de bewering, bij conclusie van repliek en bij pleidooi voor haren aanlegger gedaan, zou betreffen de reederij, door den schipper vertegenwoordigd, doch de Rechtbank 1°. die opvatting niet aanvaarden kan, als in strijd (blijkens het gestelde omtrent het overdragen van vorderingen tegen den schipper) met de eigen bewoordingen der tegenvordering; 2°. de laatste, als zoodanig, ook hierom niet kan toelaten, omdat de schipper niet als eer ander vertegenwoordigende, maar als zelfstandig uit het cognossement optredende, de oorspronkelijke vordering ingesteld heeft, terwijl aan den schipper geene daad, waaraan het niet op tijd laadklaar zijn, zou te wijten, zijn, is te last gelegd ;

O. dat het. Hof de beschouwing der Rechtbank beaamt;

O. dat, terwijl app. niet uitdrukkelijk tegen de overweging aangaande het eerste punt is opgekomen, hij omtrent het tweede punt betoogt, dat de schipper, „foutvracht" vorderende, dit, evenals bij gewone vracht, steeds doet ten behoeve van de ree de,rij — doch dat het laatste niet ter zake afdoet; vermits het niet de vraag is wie met die betaling gebaat is, maar wie door de wet tot uitoefening van het vorderingsrecht voor het vrachtloon aangewezen--ie,-hetgeefl-y-zoo-naar art. 106 en v lg. van het Finlandsche wetboek, als naar de chertepartij en het cognossement, welke in dit geding gelden, ongetwijfeld de schipper is;

Gezien art. 56 B. R. ;

Recht doende in hooger beroep:

Gaat voorbij het van weersziiden aangeboden getuigenbewijs ;

Bevestigt het vonnis der Rechtbank te Midde'burg, den. 20sten Dec. 1899 in deze zaak gewezen, en veroordeelt app. in de kosten van hooger beroep, aan zijde van geint. tot aan deze uitspraak met inbegrip der verschotten, begroot op f240.75.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 14 November 1900.

Voorzitter, Mr. Ph. A. ,T. Bottvin Rechters, Mrs. : H. R. A. Boonen en K. W. Brevet.

Art. 251 W. v. K.

Onder de omschrijving „open terreinvoorkomende in de onderhavige polis tegen brandgevaar, is niet te verstaan een terrein dat niet gebruikt wordt.

Onder „belendingen" valt alles wat het verzekerde object omgeeft, onverschillig of dit aan den verzekerde zeiven of aan derden toebehoort.

De Handelsvenn., onder de firma Gebr. Hulsinga, gevestigd te IJsselmonde, eischeres, advocaat en procureur Mr. C. E. Havelaar,

tegen

De Union Assurance Society Ao. 1714, gevestigd te Londen, gedaagde, procureur Mr. G. H. M. Delprat, advocaat Mr. H. A. Elias, uit Arnhem.

Do Rechtbank enz. ;

Gehoord par tijen ini hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding alle voor zooveel nooclig geregistreerd en daaronder meer bepaald:

a eene verzekeringpolis gedagteekend 10 Sept. 1898, gereg. enz.;

b de copie van een plattegrondschets der stoomhoutzagerij en schaverij „de Hoop" met daartoe behoorende terreinen van de Gebrs. Hulsinga te IJsselmonde;

beide stukken hieronder nader te vermelden •

Overwegende dat blijkens de dingtalen tusschen partijen is onbetwist en alzoo vaststaat:

dat gedaagde op 10 Sept. 1898 voor f 20000 heeft deel genomen in eene verzekering aain eischeres van f3000 op den opstal en de getimmerten eene® nieuw gebouwd^ loods van hout op steenen voet met pannen gedekt, staande op plm. 24 meter afstand van de loonstoomhoutzagerij en schaverij genaamd „de Hoop" te IJsselmonde op gemelde bij de verzekering overgelegde platte¬

grond, waarnaar verwezen wordt, gemerkt n°. 5 en van f 30000 op bewerkte en/ of onbewerkte houtwaren in alle soorten, geene uitgezonderd, aanwezig en/ of gebracht wordende op en afgaan, de in en momenteel nog gedeeltelijk voor, nabij en/ of rondom bovengenoemde loods, doch vermoedelijk later geheel (daarin overgebracht wordende, welke verzekering is gesloten voor den tijd van 12 maanden eindigende 10 Sept. 1899;

dat gezegde loods en het verzekerde hout op 13 Aug. 1899 door brand zijn vernield waarvan op 14 Aug. d. a. v. aan de verzekeraars is kennis gegeven en daarop door de deskundigen, M. Zaaijer en H. C. de Looper door verzekeraars en verzekerden daartoe met voor beiden bindend gevolg aangewezen, de schade is vastgesteld voor de loods op f2726 en. voor de houtwaren op f37621.05;

d,at volgens de schaderekening op 29 Aug. 1899 aan de verzekeraars ingediend de door dezen te vergoeden schade bedraagt 99.8 pCt. over het verzekerd bedrag, makende over <re f20003, waarvoor door gedaagde in deze verzekering is deelgenomen, f19960 en dat volgens de bedingen der overeenkomst de schade moet worden betaald ééne maand, nadat aan assuradeuren het ongeluk zal zijn bekend gemaakt en de betaling mitsdien had moeten gebeuren op 14 Sept. 1899, maar gedaagde weigert dit door haaii aan eischeres verschuldigd bedrag te betalen;

O. dat eischeres met eenige nevenvorderingen in rechten bataling van dat bedrag vraagt met renten en kosten volgens de wet;

O. dat de gedaagde de voldoening van de gevallen schade weigert, op grond dat eischeres reeds vóór het sluiten, der gelibel1 eerde verzekering het „open terrein ', dat op den plattegrond der fabriek (aan den hoofde dezes sub b omschreven, en waarvan de teekening, zooals eischeres bij repliek ook erkent,, kan geacht worden in het contract van verzekering te zijn geinsereerd) de zagerij van de loods daarop voorkomende onder n°. 5 scheidt, werd] gebruikt tot opslag van hout en daarmede geheel was belegd ; dat voo!'' dat gedeelte der fabriek, waarin de zagerij zich bevond, eene premie van 18 per mille netto werd betaald, terwijl voor het door gedaagde verzekerde (de loods n°. 5 en het voor nabij en/ of rondom deze loods aanwezige hout) eene premie van slechts 2 per mille netto werd bedongen; dat onder die omstandigheden gedaagde, wanneer zij had kunnen, vermoeden, dat aldus het isolement van het door haar verzekerde, waarop geheel en al de voorwaarden, dat is de exceptioneel lage premie, waarop de verzekering van dit deel der fabriek werd gesloten, waren gebaseerd, niet bestond), zij deze verzekering of die voorwaarden niet zou hebben aangegaan ; en dat bij deze verkeerde voorstelling en verzwijging van den waren stand der zaken een beroep op art. 251 W. v. K. in weerwil van de voorwaardelijke renunciatie daarvan in de polis, billijk en gerechtvaardigd is;

O. dat gedaagde op grond van een en ander heeft geconcludeerd, dat eischeres in hare vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard immers dat haar die zal worden ontzegd, cunr expensis;

O. dat de eischeres daarop in de conclusie van repliek, op gronden voor zooveel noodig nader te behandelen, heeft betoogd! dat het beroep op art. 251 W. v. K„ zooals het gedaan is, formeel niet ontvankelijk is, daar eene vordering tot nietigverklaring der gesloten verzekering niet gedaan is, zoodat deze van kracht blijft en de assuradeur1 uit kracht dier bestaande verzekering dus gehouden is te betalen ;

dat voorts dat beroep in wezen ongegrond is, daar de polis ter aanduiding, wam- de-verzekerde loods—ligt naa-r-gemelde plattegrondschets verwijst met de bemerking, dat eventueele onnauwkeurigheden niet zullen prejudicieeren ;

dat de op die teekening aangegeven luimte tusschen de verzekerde loods (loods 5) en de zagerij wel is waar wordt aangeduid als „open terrein", doch dat daarmede niet anders bedoeld wordt, dan dat het is „niet bebouwd" ;

dat dit terrein, zooals in eene houtzagerij gebruikelijk is, werd gebruikt om daarop tijdte'ijk hout op te slaan nu eens meer dan eens minder, naar gelang der behoefte, welk hout daar liggend natuurlijk verzekerd was, een toestand die niet alleen tijdens het sluiten der verzekering zoo was. jnaar reeds sedert vele jaren, zooals door den agent der gedaagde maat,schappij; die deze verzekering gesloten heeft zoude kunnen worden bevestigd;

dat het onwaar is dat de hier betaalde premie van 2^ per mille exceptioneel laag zoude zijn;

dat gedaagde geen bijzonder gevaar zag in heit opslaan van hout in dte buurt der verzekerde loods, daar zij zelf verzekerde in dezelfde polis naast f3000 op den opstal, f30000 op houtwaren als gezegd „aanwezig of gebracht wordönde op en afgaande in en momenteel nog ^gedeeltelijk voor nabij en/ of rondom bovengenoemde loods, doch vermoedelijk later geheel daarin overgebracht wordende";

dat eindelijk het beroep op art. 251 W. v. K. uit kracht van de polis niet toelaatbaar is, omdat de verzekering is gesloten, ongeprejudicieerd welke de „belendingen, de aard en het gebiuik daarvan zijn of later mochten worden", en gedaagde, die deze clausule in haar polis vermeldde, thans het recht mist op grond van aard en gebruik der belendingen betaling te weigeren ;

O. dat gedaagde daarop bij dupliek ontkennende dat zij, art. 251 W. v.°K. inroepende, eene uitdrukkelijke vordering tot, nietigverklaring der gesloten verzekering zoude moeten doen, voor zoover noodig daartoe alsnog heeft , geconcludeerd, de beweringen van eischeres bij repliek gedaan nader- bestreden heeft, en bij pleidooi heeft aangeboden en geconcludeerd alsnog te worden toegelaten om door getuigen te bewijzen, „dat het hout dat op het „open terrein" tijdens" den brand opgeslagen is geweest voor 10 per mille verzekerd was", een bewijsaanbod, waartegen eischeres zich echter heeft verzet, omdat het loopt, over een feit niet in de conclusies vermeld en niet tenrpore utili gedaan; In rechte:

O. dat alleen te onderzoeken valt of gedaagde's verweer feitelijk hierop berustende, dat eischeres den waren stand' van zaken verkeerd zoude hebben voorgesteld en verzwegen, gegrond is;

O', dat de Rechtbank met eischeres van oordeel is, dat bij deze verzekering- niet aangenomen mag worden, dat onder „open terrein vermeld op de bij de polis behoorende plattegrondschets, moet, verstaan worden een terrein dat „ongebruikt" is;

O. toch dat, welk gewicht gedaagde moge hechten aan de omstandigheid1, dat van dat terrein, gelegen tusschen de verzekerde loods 5 en de op den platten grond aangegeven houtzagerij (waarnaa-st, doch verder van dat terrein, nog eene houts,drive ij gelegen is) de breedte en daardoor tevens de afstand door dat terrein gevormd tusschen loods 5 en de, schaverij, op den p'atten grond is vermeld, uit de polis en den daarbij behoorenden platten grond zelf blijkt, dat dat terrein voor opslag van hout werd gebruikt;

O. dat, dit volgt uit de in de polis voorkomende omschrijving van de plaats, waar het dlaarbij' verzekerde hout zich bevindt, in de eerste overweging van dit vonnis woordelijk opgenomen, in verband met het feit dat. blijkens den platten grond het bewuste open terrein onmiddelijk tegen loods 5 grenst, zoodat waar

niet alleen verzekerd wordt hout, dlat zich i n de loods bevindt maar ook dat zich bevindt of gebracht wordt bij en rondom de loods, daardoor te kennen wordt gegeven dat dat hout ook opgeslagen zal kunnen zijn op gemeld open terrein, en eo ipso d'afc dat terrein ook voor opslag van hout wordt gebruikt;

O. dat van het verzekerde hout wel verklaard wordt, dat het vermoedelijk later geheel daarin wordt overgebracht, doch dat deze opgaaf aan d'e omstandigheid dat het „open terrein" voor opslag van hout wordt gebruikt niet te kort doet, vermits ten aanzien van die overbrenging niet verklaard wordt, noch dat zij zeker is, noch wanneer zij zal geschieden, noch. dat zij betreft al het hout, en die opslag voor zoover tijdelijk blijkens den inhoud der polis ook betreft hout dat later aan of weggevoerd zoude worden;

O. dat de beteekenis die gedaagde aan de uitdrukking „open terrein" wil geven derhalve door de polis zelf gewraakt, wordt, err elk begrip van reticencie daardoor vervalt;

O. voorts dat ook de in de polis voorkomende clausule omtrent den aard en het gebruik der belendingen het beroep op reticencie in den weg staat, vooreerst omdat die clausule niet gewaagt, zooals gedaagde meent, van de belendingen van een complex, zooals volgens gedaagde de fabriek moet worden beschouwd, maar van de belendingen speciaal van loocfe 5, en van geene andere, en voorts omdat gedaagde's beperkte opvatting van belendingen waaraan ziji den eisch wil stellen, dat zij aan anderen dan den verzekerde zullen behooren,, noch grammaticaal te verdedigen is noch in d'e wet, steun vindt, zijnde daaronder niets anders te verstaan dan aangrenzende panden of terreinen;

O. alzoo dat bij de polis zelf het gebruik, dat, van het open terrein gemaakt wordt, voor deze verzekering zonder eenig belang wordt verklaard;

O. dat op grond van het bovenstaande een verder onderzoek van gedaagde's verweer overbodig is, en haar bewijsaanbod in elk geval kan worden gepasseerd, terwijl aan eischeres hare vordering moet worden toegewezen ;

Gezien artt. 251 W. v. K. en 56 B. R. :

Wijst aan de eischeres hare vordering toe;

Veroordeelt gedaagde om ter zake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van, kwijting haar te betalen f19960 met, dte renten ad 6 pCt. 's jaars sedert, 15 Sept. 1899 ;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande hooger beroep zonder borgtocht;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding tot hiertoe aan zijde van eischeres begroot op f88.85.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 9 Januari 1901.

Voorzitter, Mr. F. A. R. A. Baron van Itterstjm.

Rechters, Mrs.: R. D. Baart de la Faxlle en W. M. H. Boers

(plv.).

Officier van Justitie, Mr. S. J. van Geuns.

Betreft het hier een geschil tusschen vennooten ? — Neen.

Kan de eischer, ofschoon lid der gedaagde vennootschap, als verhuurder, van die vennootschap, als huurster, op grond van wanpraestatie ontbinding vragen der huurovereenkomst met schadevergoeding'? — Ja.

J. H. Schumaker, advocaat en procureur Mr. F. J. C. Verhoeff,

tegen

De firma Lietze en Schumaker, advocaat, en procureur Mr. M.

L. van Goudoever.

De Rechtbank;

Gezien de dagvaarding en de overige stukken van het geding;

Gehoord de door partijen genomene conclusiën;

Gehoord de pleidooien;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min. daartoe strekkende dat de Rechtbank zich onbevoegd vei klare;

In facto:

Overwegende dat tusschen paitjjen is onbetwist, dat eischer aan de gedaagde vennootschap waarvan de eenige leden zijn C. L A. Lietze en J. C. Schumaker met ingang van 1 Mei 189o heeft verhuurd, gelijk zij van eischer heeft gehuurd het aan eischer in eigendom, toebehoorende benedenhuis van het, perceel n°. 22 aan de van Wijkskade te Utrecht met daarbij behoorend atelier, tuin en verder aanbeliooren, voor den tijd van 5 achtereenvolgende jaren, voor den huurprijs van f 750 per jaar, te be. talen in driemaandelijksche termijnen ieder groot fi87.50; dat d.} gedaagde vennootschap niettegenstaande sommatie in gebreke is gebleven de huurtermijnen, vervallen 1 Mei, 1 Aug. e;i 1 Nov 1899 en 1 Febr., 1 Mei en 1 Aug. 1900 te zamen f1125 aan eischer als verhuurder te voldoen en, eischer daardoor groote schade lijdt; dat bij het aangaan, der vennootschap hare leden zijn overeengekomen, dat geschillen tusschen de vennooten, tijdens den duur der vennootschap of na ha re ontbinding, uit welken hoofden ook, tusschen een van hen en, de rechtverkrijgenden des overledenen, worden beslist in het hoogste ressort door drie arbiters, rechtsprekende als goede mannen naar billijkheid;

O. dat eischer op grond van de voormelde wanpraestatie van de gedaagden vordeit ontbondenverklaring der huurovereenkomst^ ontruiming van het gehuur de en schadevergoeding;

O. dat de gedaagde tegen die vordering in de 1ste plaats heeft opgeworpen de exceptie van onbevoegdheid der Rechtbank op grond van genoemde bepaling van het vennootschappe ijk contract ; dat hij nog heeft doen zeggen dat die bepaling zoo algemeen mogelijk is en alle geschillen omvat; dat de beweerde wanbetaling der huurpenningen enkel voortvloeit uit het geschil, dat er tusschen de beide vennooten bestaat over de vraag wie van hen beiden nu liet tot de vennootschap behoorend fonds of kapitaal niet toeieikend is, om die huurpenningen te betalen, die betaling moet doen ; dat ook al was dei Rechtbank bevoegd, de vordering toch is niet-ontvankelijk en ongegrond; dat toch de vennootschap onder firma niet, is een rechtspersoon tegen welke een der vennooten in. privé kan ageeren doch er hier slechts sprake is vani een door beide vennooten afgescheiden vermogen, met een bepaalde bestemming; dat nu wel bij ontbinding of liquidatie der vennootschap hare sclruldeischers hunne rechten op dit vermogen kunnen doen gelden, onverminderd de solidaire aansprakelijkheid der vennooten persoonlijk, maar dat gedurende den duur der vennootschap ieder der vennooten in de eerste plaats hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk is voor de schulden der vennootschap; dat dus ook de vennoot, Schumaker in de eerste plaats in privé gehouden is en ook volgens art, 4 vat*

Sluiten