Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewezen tusschen app. als gedaagde en geint. als eischer, van. welk vonnis het dietum luidt, enz.;

O. dat app., zich met dit vonnis bezwaard achtende, daarvan tijdig met dagvaarding van geint. yoor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgens bij ter rolle genomen concmsie zijne grieven tegen dat vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld, en ten slotte heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis a quo en niet-ontvankelijk verklaring, immers ontzegging, van de door geint. in eersten aanleg genomen oonclusiën, met veroordeeling van geint. in de kosten van, beide instantiën;

O. dat geint. bij conclusie van antwoord met verdediging van het vonnis a quo, appellant® grieven daartegen heeft bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van dat vonnis en veroordeeling van app. in de kosten vam het hooger beroep;

Wat het recht betreft:

O. dat tnsschen partijen is onbetwist, en alzoo ten processe vaststaat, dat er tusschen hen geschil is gerezen over het bedrag der aflossing doo-r geint. gedaan op eene hem dooi- app. onder hypothecair verband in 1890 geleende geldsom van f2600, tegen eene jaariijksehe rente van 4 pCt., bewerende geint. daarop te hebben afgelost eene som van f 1000, app. daarentegen in afbetaling op de schuld slechts te hebben ontvangen f850, verder dat op geintimeerde's weigering om over die in geschil zijnde somi van f 150 de renten ad f 12 te betalen, app. van hem heeft gevorderd betaling eener hoofdsom van f1750 met renten en kosten, en, toen daaraan door geint. niet weid voldaan, hem heeft aangezegd dat hij met gebruikmaking van het beding van onherroepelijke volmacht zou overgaan tot dien verkoop van het y erhy po thecairde goed;

dat daarop geint., om dien verkoop en zelfs de aankondiging daarvan te voorkomen, bij deurwaardersexploit aan app. ter voldoening van hetgeen deze beweerde te vorderen te hebben, edoch onder reserve van zijn recht om het onverschuldigd betaalde gedeelte met renten en kosten terug te vorderen en onder protest van onverschuldigdheid daarvan, heeft aangeboden de van hem gevorderde f 1750 met renten en kosten, en, toen app. weigerde dit aanbod aan te nemen, de aangeboden som gerechtelijk heeft doen consigneeren; en eindelijk dat, niettegenstaande dit aanbod van gereede betaling gevolgd door consignatie, app. den verkoop van het verhypothekeerde goed heeft aangekondigd o. a. in het Nieuws- en Advertentieblad voor Elburg enz. van 3 Dec. 1898, doch de verkoop is geschorst op een bevel in kort geding door den President van de Rechtbank te Zwolle ten verzoeke van geint. gegeven;

O. dat geint., bewerende dat onder deze omstandigheden het adverteeren van den verkoop jegens hem zou zijn eene onrechtmatige daad-, waardoor hem schade is berokkend, in rechten heeft gevraagd goed- en van waardeverklaidng van het door hem gedaan aanbod gevolgd door consignatie, en vergoeding van de bij hem door appellants gepleegde onrechtmatige daad geleden schade, welke vorderingen hem bij het vonnis a quo zijn toegewezen;

O. dat app. zich door deze toewijzing bezwaard acht, omdat daarbij is aangenomen, dat geint. door het gedaan aanbod met daarop gevolgde consignatie is bevrijd, terwijl volgens app. wegens de reserve en het protest bij het aanbod gedaan hiji ditt niet behoefde aan te nemen, en eene betaling gedaan onder protest van onverschuldigdheid den schuldenaar niet kan bevrijden ;

O. hieromtrent dat, wanneer een schuldenaar onder den drang der omstandigheden voldoet aan eene van hem uit kracht eener verbintenis gevorderde betaling, hoewel in gemoed© overtuigd uit dien hoofde niets of niet zooveel schuldig te zijn, die verbintenis, door die betaling wordt gekweten en dientengevolge te niet gaat en dat liet daarbij onverschillig is, of de schuldenaar aan zijne gemoedelijke overtuiging bij het voldoen der verbintenis uiting geeft door van zijne 'Onverschuldigdheid te protestee ren en zich zijn recht op terugvordering van het beweerd onverschuldigd betaalde voor te behouden, daar de uitgesproken bedoelingen en meeningen van den schuldenaar het feit, dat hij liet van hem gevorderde pnaesteert ter voldoening aan de verbintenis, niet van aard kunnen doen veranderen en ook zijn wil in werkelijkheid gericht is op praestatie en daardoor te ndetdoening van de verbintenis en niet op iets and'ers;

O. dat een ischuldeischer dan ook van zijn schuldenaar niet meer kan vorderen dan volledige praestatie van datgene, waartoe deze zich verbonden heeft, doch het voor hem onverschillig is, wat er in het gemoed van zijn schuldenaar, terwijl hiji het van hem gevorderde praesteert, omgaat;

O. dat wel is waar een schuldeischer, ingeval hem eene betaling ter voldoening aan eene door hem beweerde schuld wordt gedaan onder protest van: onverschuldigd heid', eene vordering tot teruggave van het beweerd onverschuldigd betaalde kan verwachten, doch dit gevaar, eigen aan elke betaling, hetzij: met of zonder protest van onverschuldigdheid gedaan, den schuldeiseher niet het recht geeft op grond van het protest het in ontvangstnemen der betaling als onvolledig of onvoldoende te weigeren daar eene herinnering van de zijde van den schuldenaar aan die bepaling van art. 1395 B. W. de betaling niet maakt tot eene voorwaardelijke, en evenmin, iets te kort doet aan de volledio-heid van de kwijting der verbintenis; °

O. dat door zoodanig protest de rechten van den schuldeischer dan ook in geenen deele worden aangetast, noch voorn het tegenwoordige, daar hij geen recht heeft bij de betaling ook nog waarborgen te vragen tegen eene mogelijke condictio indebiti, noch voor de toekomst, daar im het aannemen der betaling niettegenstaande het protest geenerled erkenning ligt van de g-egrondhedd van het protest, daarentegen wel bewijs dat de schuldeischer bij zijn beweerd recht op betaling is blijven volharden;

O. dat, gelijk bijt betaling, dit alles evenzeer geldt bij aanbod van gereede betaling gevolgd door consignatie en wel in sterker© mate, wijl daarbij de bedoeling van den schuldenaar om, door te voldoen hetgeen van hem gevorderd wordt, de verbintenis1 te niet te doen gaan, mitsdien om te betalen uit hoofde van de verbintenis, buiten allen twijfel is, waarom het Hof zich geheel vareenigt met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent in het vonnis a quo is overwogen en met den eersten rechter van oordeel is dat door de reserve en het protest door geint. bij zijn aanbod gedaan dit niet is gevitieerd;

O. dat uit al het overwogene volgt dat appellants grieven tegen het vonnis a quo zijn ongegrond, dit goed is gewezen en alzoo zal behooren te worden bevestigd;

Op voorschreven gronden:

Recht doende in hooger beroep:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep, door de Rechtbank te Zwolle den 13den Dec. 1899 tusschen partijen gewezen;

Veroordeelt app. in de kosten der procedure in hooger beroep gevallen, deze kosten tot aan deze uitspraak aan zijde van geint. begroot op f150.

(Voor app. gepleit door Mr. J. van Setten, voor geint. door ™r- H. van der Vegte, advocaten te Zwolle).

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 6 Maart 1901.

Voorzitter, Mr. H. A. van Rees.

Rechters, Mrs.: Jhr. W. H. de Savornin Lokman en Jhr.

R. O. van Holthe tot Echten.

Officier van Justitie, Mr. E. Z. L. van der Kemp.

Art. 22 Faillissementswet. — Abt. 2 "Wet van 24 Jan.

1815, Stbl. n°. 5.

Aan art. 1 Wet 24 Jan. 1815 Stbl. no. 5 wordt niet gederogeerd door art. 72 laatste lid der Comptabiliteitswet van 23 April 1864 Stbl. no. 35; ook te dien aanzien is de Wet van 1815 van kracht gebleven.

Op liet ten deze bedoelde pensioen is niet toepasselijk art. 3 e. v. maar art. 2 der Wet van 1815.

Art. 2 geeft alleen eene regeling op voor de uitoefening der rechten van crediteuren, doch. geenszins eene begrenzing dier rechten, zooals door art. 22 Faill.wet wordt gevorderd, zoodat op het hier betreffend pensioen art. 20 Faill.wet toepasselijk is.

Art. 2 heeft alleen het oog op executie buiten faillissement en niet op den curator. ï

Het K. B. van 13 April 1898 (Ind. Stbl. no. 207) kan buiten beschouwing blijven, daar dit hier te lande niet is afgekondigd.

J. W. v. d. G., gepensioneerd1 kapitein van het Oost-Indisch

Leger, wonende te 's Gravenhage, eischer, procureur en advocaat Jhr. Mr. L. E. M. van Bönninghaitsen tot Heiunck-

bave,

tegen

Den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur en advocaat

Mr. W. Thobbecke.

De Officier van Justitie ■ heeft in deze zaak de v*olgende conclusie genomen:

Eischer vordert van gedaagde uitbetaling van liet hem, als gepensioneerd O.-I. officier, over 7 driemaandêlijksche termijnen toekomend pensioen, verminderd met een bedrag van f 910, dat hem krachtens art. 100 Faill.wet door zijn curator is uitgekeerd, op grond dat, ten gevolge zijner faillietverklaring, in strijd met art. 22 Faill.wet die termijnen niet aan hem, maar aan den curator in zijn faillissement zijn voldaan ten bate van zijne crediteuren.

Gedaagde bestrijdt die vordering met de beweringen, dat art. 22 Faill.wet niet toepasselijk is, dat althans art. 2 der wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. n°. 5) aan de Regeering de bevoegdheid verleent om te handelen, zooals zij heeft gedaan.

Met die beweringen kan ik mij niet vereenigen.

Uit de geschiedenis blijkt m. i. ten duidelijkste, dat art. 22 Faill.wet de strekking heeft om, in aansluiting aan de voorafgaande bepalingen, alléén dat deel van het pensioen in den boedel te dioen komen, waarvan volgens bijzondere wetten korting kan worden toegestaan — cf. Molengraaf: De Faill.wet blz. 143.

Da Regeering verklaarde daaromtrent in hare Memorie van Toelichting (1) : Het artikel bevat eene eenvoudige toepassing van algemeene beginselen. Volgens de wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. 5) enz., zijn traktementen en pensioenen ten laste des Rijks slechts binnen bepaalde grenzen voor executie vatbaar, terwijl tevens eene eigenaardige wijze van executie (door verleening van korting) word't voorgeschreven. Bij het faillissement, de algemeene veramogensexecutie, moet hiermede rekening worden gehouden. Alleen voor zooverre executabel, kan het traktement of pensioen ten bate van den boedel komen, terwijl de erecutie moet geschieden bij wijze van korting, door den curator in zijne hoedanigheid aan te vragen.

Mij dunkt, dat hieruit volgt, dat, nu van korting in deze geen sprake is, het gansche pensioen moet blijven buiten het faillissement. Is toch bij art. 757 B. R. jis. art. 1 der wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. n°. 5) en de artt. 72 en 73 der Comptabiliteitswet van 23 April 1864 (Stbl. 35) gewijzigd zooals zij is bekendi gemaakt bij Kon. Besluit van 30 Juli 1895 (Stbl. 145) —beslag op Indisch pensioen verboden, dan mag dat pensioen natuurlijk ook niet desniettemin langs anderen weg aan dan boedel warden afgestaan, evenals of het wèl in beslag ware genomen, met name niet krachtens art. 2 der voormelde wet van 1815, waarbij wel aan de Koningin de bevoegdheid wordt verleend om te bepalen h o e schuldeischers verhaal kunnen uitoefenen op een pensioen, maar waarbij niet afwijking wordt veroorloofd van den in art. 1 gestelden regel, daar anders toch zeker in art. 1 dat Koninklijk voorbehoud zou zijn gemaakt. Nu stem ik toe, dat da woorden van art. 22 Faill.wet niet zoo duidelijk de vermelde bedoeling aangeven, maar ik vestig er de aandacht op*: 1°. dat de Regeering zeker heeft verklaard (2) : ,,de redactie van het artikel ruim te hebben gesteld, rekening houdendie met do mogelijkheid dat de bestaande regeling der executie van bezoldigingen, pensioenen enz. later voor eene nieuwe mocht plaats maken", en 2°. dat, terwijl' volgens die bestaande regeling alléén korting op traktementen, pensioenen enz. wordt toegestaan, het artikel in verband met die regeling moet worden verklaard.

De verklaring is dan m. i. deze, dat de curator geen recht kan verkrijgen op het gansche pensioen, maar, waar de schuldeischers van den gefailleerde recht op diens pensioen kunnen dtoen gelden door daarop korting te vragen en te verkrijgen binnen de door de Regeering krachtens" d e w e t aan te wij zen grenzen-, de curator dezelfde rechten kan uitoefenen.

Bij deze verklaring- vervalt het bezwaar, dat bij de wet niet is bepaald-, binnen w e 1 k e g r e n z e n en o p -welke w ij ' z e schuldeischers op pensioenen recht kunnen uitoefenen, op grond waarvan de gedaagde de toepasselijkheid van art. 22 in deze zaak ontkent.

Het feit, dat bij Kon. Besluit van 13 April 1898 (Ind. Staatsbl. 207) alle korting op Indisch traktement .enz. is afgeschaft, zoodat schuldeischers thans op geen enkele wijze meer eenig verhaal op traktement enz. van Indische officieren kunnen doen gelden, doet niet af, omdat daardoor de bij de w e t verleende b evoegdheid om korting toe te staan, niet wordt weggenomen.

Bovendien ben ik van oordeel, dat het beroep van gedaagde op art. 2 der wet van 1815 in deze te vergeefs is, omdat, daa.r-

(1) Zie v. d. Hoeven „Faill.wet" blz. 418, 423.

(2) Cf. v. d. Hoeven blz. 418.

gelaten dan de grens van de daarbij gegeven bevoegdheid, hiei gemist wordt het Koninklijk Besluit of het namens de Koningin door de Regeering genomen besluit, dat daarbij wordt gevorderd.

Vgl. H. R. 5 Jan. 1900 W. 7385; Veegens Faill.wet ad art. 22; Mt. Struycken in W. 7307 en 7383.

Ik heb mitsdien de eer te concludeeTen tot toewijzing van den verminderden edsch.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min., strekkende tot enz.;

Ten aanzien der feiten:

Overwegende dat eischer heeft gevorderdl de veroordeeling van gedaagde om aan hem, eischer, te betalen f 3290 met de rente daarvan ad 5 pCt. sedert den dag der dagvaarding, en zulks op de volgendie gronden: dat eischer bij besluit van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, van den 5den Juni 1880, n°. 9, is toegekend een pen-ioen ten bedrage van f 2000 's jaars; dat dit pensioen in datzelfde jaar bij het Departement van Koloniën is ingeschreven in register B. B. n°. 1124 en sedert door gedaagde behoort te worden uitbetaald hier te lande, in driemaandelijksehe termijnen; dat op dit pensioen een korting drukt van 6 pCt. 's jaars ten behoeve van het Weduwen- en Weezenfonds ; dat eischer bijs vonnis dezer Rechtbank van den 8sten Nov. 1898 is verklaard in staat van faillissement en gedaagde sedert weigert het hem, eischer, toekomend pensioen uit te betalen, dloch het aan den curator in zijn faillissement uitbetaalt, hoewel het pensioen niet tot de baten van het faillissement behoort ; dat sedert den dag der faillietverklaring 7 driemaandêlijksche termijnen zijn vervallen, te samen bedragende f 3290, met welke betaling aan den curator gedaagde geenszins is bevrijd;

O. diat gedaagde voor antwoord heeft doen zeggen, dat inderdaad het pensioen is toegekend, zijnde het een pensioen ten laste der Indische begrooting, hetgeen de vraag heeft doen rijzen of de artikelen 72 en 73 der Comptabiliteitswet toepasselijk zijn; dat het aankomt op artt. 20 en 22 der Faillissementswet en op do wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. n°. 5) terwijl door het' Departement van Koloniën vroeger algemeen korting werdl verleend op officierspensioenm, doch sedert den lston Sept. 1898 slechts voor een enkel geval; dat, zoo deze voorschriften warden aangemerkt als eene onthouding aan de schuldeischers van alle rechten, welke zij op pensioen zouden kunnen doen gelden, alsdan art. 22 Faill.wet niet van toepassing is, daar dit artikel alleen betreft het geval waarin aan de schuldeischers rechten zijn verleend' op het pensioen, welke rechten op don curator kunnen overgaan, zoodat alsdan de regel van art. 20 Faill.wet geldt; dat, wanneer men art. 22 Faill.wet aldus opvat, dat alle bepalingen omtrent het verhaal der crediteuren, toepasselijk zijn op den curator, alsdan ook art. 2 dei' wet van 1815 geldt; dat nu in deze op het verzoek van den curator het pensioen van den eischer, ten volle aan eerstgenoemde is toegekend met intrekking van twee verleende kortingen, terwijl aan een toezegging aan den Minister van Financiën tot inhouding wegens rijksbelasting geen gevolg gegeven is; dat dus zoowel aan de wet, als naar de beschikking der Regeering, het pensioen is uitgekeerd aan 'den boedel; dat ingevolge art. 100 Faill.wet de curator een bedrag van f 965 van eischers pensioen aan hem, eischer, uitkeert voor levensonderhoud, zoodat zijne vordering in elk geval voor dit gedeelte van het aan den curator uitbetaalde pensioen, niet toewijsbaar is, op welke gronden gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans ontzegging der vordering, cum expensis;

O. dat eischer, akte vragende van de vermindering zijner vordering met f 910, overigens heeft gepersisteerd bij zijne conclusie, daarbij een beroep doende op de beteekenis van art. 22 Faill. wet en eenige andere wettelijke bepalingen en tevens op het Kon. Besluit van den 13den April 1898 (Indisch Staatsblad in°. 207), waarbij werd beslist dat voortaan geen kortingen zullen worden verleend, voorts betoogende dat de crediteuren op geen enkele wijze eenig verhaal op de traktementen en pensioenen kunnen doen gelden; dat gedaagde ingebreke blijft eenig Koninklijk Besluit aan te wijzen, waarbij voor het onderhavig geval met afwijking van evenbed'oeld Kon. Besluit van 1898, korting wordt toegestaan, terwijl eischer ontkent dat zelfs een ministrieel Besluit hl dien geest zou zijn uitgevaardigd; dat de uitkeering krachtens art. 100 Faill.wet niet uit het pensioen, maar uit de baten van den boedel is geschied, maar eischer niettemin genegen is met de gedane uitkeeringen rekening te houden!, daarbij evenwel opmerkende dat die uitkeeringen berekend zijn naar den voet van f 1213.34 per jaar en hebben opgehouden met de insolventie van den boedel op den 27sten Juni 1899;

O. dat gedaagde, akte^ nemend van de vermindering der vordering en onder persistit bij zijne conclusiën, voor dupliek heeft doen zeggen dat eischer ten onrechte een Kon. Besluit vordert, hetwelk eene afwijking van liet algemeen verbod van iedere korting zou toelaten, daar de bevoegdheid der Regeering om in elk bijzonder geval te beschikken, bleef bestaan; dat uit de door eischer ingeroepen bepalingen hoogstens zou volgen dat geen beslag toegelaten is noch korting verleend worden zal, doch niet dat het pensioen aan den gepensioneerde wordt uitgekeerd in geval van faillissement;

O. dat partijen daarna, ter rolle hare beweringen mondeling hebben toegelicht;

Ten aanzien van het recht:

O. dat eischer, onder aftrek van zekere, tijdens zijn faillissement aan hem door den curator gedane uitkeeringen, vordert 7 driemaandelijksche termijnen van zijn pensioen, dat hem in 1880 bij besluit van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië is toegekend en sedert' datzelfde jaar hier te lande uitbetaald

wordt, terwijl — zooals tusschen partijen is onbetwist - die

termijnen, vervallen sedert eischers faillietverklaring, zijn uitbetaald door gedaagde aan den curator in eischers faillissement;

dat de eenige vraag die partijen verdeeld houdt, deze is, of deze vordering op de wet is gegrond!;

O. hieromtrent: dat art. 20 der Faill.wet bepaalt, dat het faillissement het geheele vermogen van den schuldenaar omvat, met inbegrip van hetgeen hij gedurende, het- faillissement verwerft ;

dat oinder meer, met betrekking tot pensioenen art. 22 dier wet een uitzondering op dözen regel bevat voor het geval de gefailleerde een pensioen geniet, waarop schuldeischers alleen, binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, voor welk geval de curator die rechten uitoefent gedurende het faillissement ten behoeve van den boedel;

dat alzoo onderzocht moet worden of eischer een pensioen geniet als bedoeld in dat artikel;

O. dat art. 1 der wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. n°. 5) verbiedt alle arresten op gelden, effecten, papieren of goederen berustende onder de secretarissen van Staat of andere hoofden van ad-

Sluiten