Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De getuige heeft toch zijne gissing alleen doen wtirken teir bepaling va,n de dikte der bezanding, terwijl hij over de breedte uio eigene waarneming spreekt j nu verklaart de kantonrechter alleen bewezen dat de breedte niet aan den eisch der Keur voldeed, en hij laat de dikte geheel buiten beschouwing. Wat de getuige omtrent, de dikte verklaard heeft maakt dus im werkelijkheid °geen deel uit van de gebezigde bewijsmiddelen. Ook dit middel kan dus niet tot cassatie leiden.

Het derde middel is: Schending, althans verkeerde toepassing van art. 29 laatste alinea van voorschreven keur in verband met art. 3 en het overig gedeelte van art. 29 dier keur en artt. 211, 21ó en 221 Strafvord., doordien de kantonrechter op de ambts, eedige verklaring van den polderbode M. O. als bewezen heeft aangenomen dat deze op 24 Oct. 1900 vóór des nam. 2 uur te Bleskensgraaf en Hofwegen heeft afgekondigd en aangeplakt eene openbare bekendmaking van het Polderbestuur dat op 27 Oct. schouw zou worden gevoerd over het bezamiden der Giaafdijken en niettegenstaande zulks den requestrant heeft veroordeeld, terwijl de° strafbaarheid te dezer zake at een kan worden aangenomen wanneer bewezen is dat bedoelde afkondiging en aanplakking ,,drie dagen te voren", dit is drie vrije dagen voor den schouw is geschied, welk alles dus uiterlijk op 23 Oct. 1900 had moeten plaats hebben.

Dat ,,drie dagen te \oren" zou moeten beteekenen : met eene tusschenruimte waarin drie vrije dagen vallen, is naar mij voorkomt een© geheel willekeurige uitlegging die tegen het spraakgebruik indruischt en daarenboven blijkbaar in stiijd is met de taalopvatting van! het polderbestuur dat de keur heeft vastgesteld, zooals volgt uit de bepaling van art. 33, waarin voor de nadere schouw wordt vastgesteld de zevende dag op die:: der eerste schouw volgende, en uit die van art. 35 naai welke de keur in werking is getreden op den 8sten dag na dien waarop zij is afgekondigd.

Het bestuur heeft zich toch blijkens die bepalingen rekenschap gegeven van de verschillende tijdsbepalingen en vrije dagen verordend, waar het die noodig achtte, maar ze dan ook niet kunnen bedoelen waar het eene tijdsbepaling vaststelde zonder er bijzonder gewag van te maken. En dat er volle etmalen zijn in acht genomen blijkt uit de vermelding van de uren waarop de afkondiging heeft plaats gehad (vóór twee uur) en de schouw is gevoerd (omstieeks twee uur). Ook dit middel is dus ongegrond. Ik concludeer tot verwerping van het, beroep.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

I. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 3 en 32 der Keur op de wegen, kaden, bruggen, bruggenhoofden, vlieten, weteringen, scheislooten en verdere watergangen, alsmede op den windvang, in de polders Zuidzijde, Noordzijde en Zevenhoven, gemeente Bleskensgraaf, doordien de kantonrechter, met toepassing dezer artikelen, den req. schuldig heeft verklaard en straf opgelegd, terwijl alleen bewezen is verklaard dat de -vier gedeelten weg, in het vonnis nader omschreven, slechts warem bezand ter wegbreedte van ongeveer een halven meter en niets is overwogen of bewezen verklaard ten aanzien van het bij art. 3 der Keur voor de strafbaarheid evenzeer vereischte element, dat de weg ook ter dikte van een decimeter moest zijn bezanal;

II. Sclunding, althans verkeerde toepassing van de artt. 398, 392, 402 in verband met de artt. 211, 221, 223 en 253 Strafvord., wijl het door den kantonrechter als bewijsmiddel gebruikte getuigenis van den verbalisant., getuige A. S., omtrent de breedte en dikte der bezanding is de uiting eener meening of gissing bij ïedaneering opgemaakt, zijnde immens door den getuige niet verklaard! en in het vonnis opgenomen, dat die te geringe afmetingen hem bekend waren uit eigen waarneming ten gevolge van meting, doch alleen, zooals getuige letterlijk verklaarde, ,,naar gissing" ;

Subsidiair: III. Schending, althans verkeerde toepassing van art. 29 laatste alinea van voorschreven Keur in verband mat art. 3 en het overig gedeelte van art. 29 dier Keur en de artt. 211, 2-16 en 221 Strafvord., doordien de kantonrechter o,p de ambtseedige verklaring van den polderbode M. O. als bewezen heeft aangenomen, dat deze op 24 Oct. 1900 vóór des mam. twee uur te Bleskensgraaf en Hofwegen heeft afgekondigd en aangeplakt eene openbare bekendmaking van het Polderbestuur dat op 27 Oct. schouw zou worden gevoerd over het bezanden der Graafdijken en niettegenstaande zulks req. heeft veroordeeld, terwijl de strafbaarheid te dezer zake alleen kan, worden aangenomen, wanneer bewezen, is, dat bedoelde afkondiging en aanplakking ,,drie dagen te voren' dit is drie vrije dagen voor de schouw is geschied, 'twelk alles dus uiterlijk op 23 October 1900 had moeien plaats hebben;

Gehoord den adv.-gen. Noyon, namens den jwoc.-gen., in zijne conclusie, strekkende enz.;

Overwegende dat de req. heeft terechtgestaan ter zake, dat hij den 27sten Oct. 1900 des nam. omstreeks twee ure bij de schouw over de wegen gehouden, als gehoefslaagde in den polder Noordzijde behoorende tot den polder Bleskensgraaf, vier afzonderlijke gedeelten grintwegen, kadastraal bekend gemeente Bleskensgiaaf sectie A, nos. 1069, 1083, 1168 en 2144, tot we'ker onderhoud, hij is gehouden, niet in genoegzame hoeveelheid met biggelzand of zoogenaamde grint had voorzien overeenkomstig art. 3 der Keur, terwijl bij openbare bekendmaking en aanplakking op den 24sten Oct. te voren die schouw ter kennis der beianghebb:ndian was gebracht;

O. dat de kantonrechter bewezen heeft verklaard hetgeen den beklaagde bij de dagvaarding is ten laste gelegd en wel meer bepaaldelijk, dat de daarbij aangeduide gedeelten grintweg slechts waren bezand ter wegbreedte van ongeveer een halven meter, in ieder geval niet ter breedte van één meter;

O. dat de kantonrechter heeft geoordeeld, dat hierdoor overtreden was art. 3 der Keur van den polder Bleskensgraaf, houdende, onder meer, dat de grintwegen ten minste éénmaal 's jaars met biggelzand of zoogenaamde grint zullen worden bezand ter breedte van één meter en ter dikte van één decimeter, op de overtreding van welk voorschrift straf is geste'd bij art. 32, eerste lid, van die Keur;

O. ten aanzien van het tweede middel, dat den vorm, betreft,: dat in 'net bestreden vonnis wordt verklaard, dat het wettig en overtuigend bewijs van het hierboven vernielde feit was verkregen door de bewijsmiddelen vermeld onder andere bij de eerste e<i tweede overwegingen van dat vonnis;

dat in de eerste overweging is vernield een proces-verbaal, door den schout van den polder Bleskensgraaf op den ambtseed opgemaakt, waarin, deze als zijne bevinding bij de schouw van 27 Oct. jl. opgeeft, dat de bedoelde gedeelten grintweg van geen genoegzame grint waren voorzien, althans niet waren bezand ter breedte van één meter en ter dikte van één decimeter;

dat voorts, volgens de tweede overweging „de verbalisant ter audiëntie als getuige onder eede gehoord, zijne zooeveni, bedoelde bevinding aangaande de aldaar gemelde vier gedeelten wegs, geheel heeft bevestigd en ra "er heeft verklaard, dat al die ge¬

deelten weg slechts over het midden waren bezand ter breedte van zeker niet meer dan een halven meter, terwijl het op die midden-gedeelten aangebrachte zand of grint aldaar ook zelfs naar gissing niet dikker lag dan twee centimeters" ;

O. dat, gelijk terecht bij het middel is aangevoerd, eene gissing door art. 398 Strafvord., als getuigenis wordt gewraakt en hiertegen niet kan afdoen, dat de gissing alleen betrekking heeft tot iets waaromtrent de kantonrechter niets heeft beslist, die dikte namelijk van de bezanding, daar in het vonnis uitdrukkelijk wordt verklaard, dat liet in de tweede overweging vermelde bewijsmiddel dat is de getuigenis van den, verbalisant met de daarin voorkomende gissing tot het, bewijs van hetgeen ten laste van den beklaagde als bewezen werdi aangenomen, heeft medegewerkt ;

O. dat l;,et tweede middel dus gegrond is en het onderzoek van de overige middelen kan achterwege blijven;

Vernietigt het vonnis, door den kantonrechter te Sliedrechtden 13den Dec. 1900 in deze zaak gewezen ;

Recht doende krachtens art. 106 R. O. :

Verwijst de zaak naar de ArronduRechtbank te Dordrecht, om op de bestaajide dagvaarding to worden berecht en afgedaan.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 14 November 1900.

Voorzitter, ±«Ir. L. U. de Bitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Ph. W. Scholten, Jhr.

G. A. Nahuijs en J. R. H. van Schaik.

Art. 693, 694 en 695 B. W.

De erkenning van den eigenaar eener zaak, dat deze óók door een ander bezeten wordt, belet dien eigenaar niet om ten petitoire tegen den bezitter te ageeren.

De bezitter schendt dus '£ recht van den eigenaar als hij niet in achtneemt wat in bovenstaande artikelen wordt voorgeschreven.

Aan den bezitter wordt alle recht ontnomen zoodra hij staat tegenover den eigenaar die zich als zoodanig doet gelden.

W. B mij sten, landbouwer, te Nijmegen, appellant, procureur

Mr. C. A. Piiaff,

tegen

N. P. Ne ij boer, zonder beroep, te Nijmegen, geïntimeerde, procureur Mr. A. van der Goes.

Het Hof enz. ;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken, voor zooveel vereischt geregistreerd;

Ten aanzien der daadzaken en procedure:

Overwegende dat het Hof zich veieenigt met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent is overwogen in het vonnis, waarvan beroep, door de Rechtbank te Arnhem den 5den Febr. 1S00 gewezen tusschen app. als ebcher en geint. als gedaagde, bij welk vonnis, met voorbijgang van het door app. aangeboden getuigen, bewijs, aan app. zijn vordering is ontzegd en hij is veroordeeld in de proceskosten;

O. dat app., zich met dit vonnis bezwaard achtende, daarvan tijdig met dagvaarding van geint. voor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgens bij ter rolle genomen conclusie zijne grieven tegen het vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld, bewijs heeft aangeboden dat de ten processie bedoelde gang eem breedte heeft van twee meters en ten, slotte, akte vragende van dat bewijsaanbod, heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis a quo en toewijzing alsnog aan app. van zijne in prima genomen conclusiën;

O. dat geint. biji conclusie van antwoord met verdediging van het vonnis a quo appellants grieven daartegen heeft bestreden, nog eenige stukken in het geding heeft gebracht, en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis, waarvan beroep, met veroordeeling van. app. in de kosten van het appel;

Wat het recht betreft:

O. dat app., stellende eigenaar te zijn van het aan de Hertogstraat te Nijmegen gelegen perceel sectie C n°. 581, heeft gevorderd opruiming van twee ramen en een schoorsteen aanwezig in en tegen den zijmuur van het aan geint. toebehoorende vlak naast appellants perceel gelegen, perceel sectie C n°. 4607, op grond dat door het hebben, van die ramen, welke over zijn erf uitzien en niet voldoen aan de eischen van de artt. 693 en 694 B. W., en van dien schoorsteen, welke over zijn, erf uitspringt, geint. zou inbreuk maken op appellants eigendomsrecht;

dat echter deze vordering bij liet vonnis a quo aan app. is ontzegd op grond dat zou zijn gebleken dat bedoelde ramen en schoorsteen uitkomen in een gang, welke gemeenschappelijk door partijen bezeten, wordt, en app.- door deze beslissing" zich gegriefd acht en daartegen zijn beroep is gericht;

O. hieromtrent dat ten bewijze van zijn eigendom app. heeft overgelegd vier notauieele akten, van elkander opvolgende eigendomsverkrijging van perceel sectie C, n°. 581 door koop en verkoop, zijnde de ee iste akte verleden in het jaar 1854 en die, waarbij app. eigenaar werd den/ 17den Febr. 1882;

O. dat door deze elkander opvolgende titels appellants eigendomsrecht op perceel sectie C, n°. 581 volledig is bewezen en dit dan ook niet direct •door geint. wordt bestreden, doch deze enkel zich beroept op het tusschen partijen vaststaande feit dat tusschen het hem toebehoorende huis, uitkomende aan de 3de Walstraat, in den zijmuur waarvan zich de gelibelleerde ramen en schoorsteen bevinden en een houten loods, staande op appellants erf, bestaat een open ruimte, door geimt. gang, door app. pad genoemd, welke aan de aan de Hertogstraat gelegen huizen van partijen toegang geeft tot de 3de Walstraat, bewerende geint. dat deze gang gemeenschappelijk eigendom van partijen zou zijn, althans bij hen gemeenschappelijk zou worden bezeten en verder dat deze gemeenschappelijkheid hem het recht zou geven de ramen en schoorsteen in zijn gebouw te hebben en de toepasselijkheid der artt. 693, 694 en 695 B. W. ten dezen zou buitensluiten ;

O. dat partijen het er over eens zijn dat volgens de op het kadaster berustende schetsteekening van de perceelen van pairtijen waarvan niet beweerd wordt dat zij onjuist zou zijn, deze gang- of open ruimte een deel uitmaakt van appellants perceel

sectie C, n°. 581 en dit alzoo als vaststaande moet worden aangenomen ;

O. dat hieruit volgt dat de beide ramen in geintimeerde's huls, waarvan geint. niet tegenspreekt dat zij zijn aangebracht zonder in achtneming der bepalingen van de artt. 693 en 694 B. W., rechtstreeks uitzicht geven op appellants perceel, en de schoorsteenbuis buiten aan geintimeerde's perceel vooruitspringt over niet tot geintimeerde's perceel behoorenden grond;

O. dat deze toestand in strijd is met het door app. bewezen eigendomsrecht op perceel sectie A, n°. 581, 1°. wat de ramen betreft en 2°. ook met betrekking tot den schoorsteen, indien deze over bedoeld perceel is uitgebouwd, en dat derhalve zijne vordering hem zal behooren te worden toegewezen, tenzij geint. bewijze dat, niettegenstaande dat eigendomsrecht van, app., hij recht heeft de ramen en schoorsteen daar ter plaatse te hebben:;

O. dat geint. daartoe niet stelt dat de ramen en schoorsteen zich in zijne muur bevinden krachtens servituut recht of ove.ee.i* komst, doch uitsluitend zich beroept op de door hem beweerde gemeenschappelijkheid van boven ver melden gang of open ruimte, en dus thans zal behooren te worden onderzocht wat er aan is van dat door geint. beweerde gemeenschappelijk eigendom of bezit;

O. nu dat geint. daarvcor heeft aangevoerd, het door app. erkende feit dat toen in 1878 appellants rechtsvoorganger den toegang van het huis van geintimeerde's rechts voorganger tot bedoelde gang of pad had versperd, geintimeerde's voorganger tegen' appellants voorganger eene actie tot herstel in zijn gestoord medebezit van den uitgang heeft ingesteld, waarop appellants voorganger bij wijze van dading het door geintimeerde's voorganger beweerde medebezit schriftelijk heeft erkend ;

O. dat hieruit wel blijkt dat reeds sedert 1878 geint. en zijne voorgangers zijn in het civiel medebezit geweest van den gang, doch geenszins dat geint. is mede-eigenaar, daar dit bezit nog niet tot verkrijging van den eigendom der zaak heeft kunnen leiden, aangezien het nog geen 30 jaren heeft geduurd, beroepende geint. zich dan ook niet op verkrijging door verjaring;

O. dat dit bewijs van medebezit echter de vordering ten petitoire van den eigenaar niet kan doen aflanden;

dat immers de erkenning van den ei. e naar van een zaak, dat deze door een ander bezeten wordt, hetzij alleen, hetzij met hem, dien eigenaar niet belet om ten petitoire tegen den bezitter te ageeren, daar zoodanige erkenning geene andere of meerdere gevolgen zou kunnen hebben dan casu quo eene veroordeeling van den eigenaar wegens door hem gepleegde stoornis in het bezit, hoedanige veroordeeling, mits hij er aan hebbe voldaan, hem zijne rechtsvordering over het recht tot de zaak zelve ndet ontneemt;

O. dat daarom het bewezen medebezit van den gang in geen enkel opzicht app. verhindert zijm eigendomsrecht op perceel sectie C, n°. 581 te doen gelden en dat bezit aan de toewijzing Van appellants vorderingen gegrond op zijn door hem ten processe bewezen eigendomsrecht niet in den weg staat;

O. dat dus het medebezit ten dezen niets afdoet, terwijl, waar uit niets blijkt van geintimeerde's mede-eigendom aan den gang, zijne daarop gegronde tegenspraak van appellants vordering moet worden af- en deze als gegrond in diens eigendomsrecht zal behooren te worden toe-gewezen ;

O. ten aanzien van den schoorsteen, welke buiten geintimeerde's muur uitsteekt, dat geint. heeft aangevoerd niet te weten of deze uitsteekt boven grond behoorende tot de openbare 3de Walstraat, dan wel boven den meergenoemden gang;

O. dat dit veiweeir van geint. de toewijzing varn appellantsi vordering ten aanzien van den schoorsteen niet in den weg staat, daar hij vordert opruiming van een boven en over zijn terrein en eigendom uitstekenden schoorsteen, en, mocht zich aldaar zulk een schoorsteen niet bevinden, er natuurlijk niets valt op te ruimeni; doch ten proces se wel moet aangenomen worden, dat de schoorsteen zich ter plaatse, als app. stelt, bevindt, daar geint., ware dit niet het geval, dit feit pertinent had behooren tegen te spreken en hij niet met een ontwijkend antwoord' als door hem gegeven kan volstaan;

O. dat app. behalve wegruiming der met zijn eigendomsrecht strijdige in geintimeerde's muur aanwezige werken ook nog heeft gevraagd vergoeding der schade daardoor bij hem geleden, doch niets heeft aangevoerd, waaruit zou volgen dat hij daardoor schade geleden heeft, weshalve dit deel zijner vordering hem niet kan volgen;

O. dat uit al liet overwogene volgt dat app. door het vonnis waarvan beroep, is bezwaard, dit alzoo zal moeten worden •vernietigd on alsnog aan app. zijne in prima genomen conclusiën zullen moeten worden toegewezem, behalve die tot schadevergoeding ;

Op voorschreven gronden;

Akte verleenende, waarvan zulks is gevraagd, doch voorbijgaande appellants bewijsaanbod als niet ter zake dienende ;

Vernietigt het vonnis waarvan beroep door de Rechtbank te Arnhem den 5den Febr. 1900 tusschen deze partijen gewezen;

En, op nieuw recht doende:

Wijst aan app. zijne hoofdvordering toe;

Gebast geint. weg te ruimen en weg: te nemen de steenen en aarden schoorsteen buis, loopende langs zijn muur en uitstekende boven het terrein en eigendom van app. ;

Machtigt app. om, wanneer geint. hieraan niet voldoet, binnen 14 dagen na beteekeninig van dit arrest deze boven zijn erf uitstekende schoorsteenbuis weg te nemen en te verwijderen op kosten en voor rekening van geint. ;

Gebast geint. weg te nemen de beide in zijnen muur zich bevindende vensters, uitzicht gevende over het euf en eigendom van app. ;

Machtigt, ingeval geint. hieraan niet voldoet binnen 14 dao-en ma beteekening van dit arrest, app. tot het aanbrengen van zoodanige wierken, waardoor het uitzicht over het erf van app. wordt weggenomen;

Ontzegt aan app. het meerder gevorderde •

"Veroordeelt geint. in de kosten der procedure, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep gevallen, deze kosten tot aan deze uitspraak aan zijde van app. begroot op f300.

(Gepleit door de procureurs van partijen).

Sluiten