Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er hoogstens één pers oom te g el ij k dooir dien uitgang gaande op de drift kon komemi, terwij 1 de

u. l■ x i v vv c ii züw w«i n i s n u meer aan i ö ceoumo' ter, zelfs overal meer dan twee meter 2 0 eentimeter breed was en nog is, waarlangs men toch ze, ker nog wel persoon voor persoon kam gaan, ja zelfs wel met

*ijii unwa ui vjttrön. uuia.su- eiKaar;

aangezien de toestand ten, tijde der dagvaarding eem. geheel an-

UD'° vvcio, vxcvcui 'uc cui»uucx iu sioopmg van net gebouw van zijm rechts voorgangers voorbedoeld den zuido-nsteliilrei Ha, rl-ri ff, Kpicrrpin -

zenden muur van zijm nu bestaand gebouw niet heeft opgericht ter

ui an.tiSft Wiiar* rl,A yniilnAöfoi'iillrQ. r.. . i , 1

i iiiuur vim net gesloopte geoouw

stond, maar het achterste «deel van diprn niwiw rvn,o-ArirhtAiTi

muur speciaal daar waar de voormelde uitgang bij de hangende

~ . FiattLö vuua veraer noordwestelijk en dus verder van, de •cirift af heeft opgericht, zoodat de ruimte ter plaatse waar de eischer van achter zijn perceel nu op de drift van de gedaagde gemeente kan komen wel 1 meter en 20 centimeter bedraagt ; aangezien door die verwijding van den uitgang de toestand van

uxcii'cuia» en J» Vöizwaara geworden, daar nu van

den uitgang naar de dritt van de gedaagde gemeente door wel twee personen tege. ijk kan worden gebruik gemaakt, waarbij nog

uc uiLueieniiiig van de beweerde erf dienstbaar-

heid' gedurende meer dan. 40 iaren door ni+rr^o- 7F> cM

is geschied, dus door slechts één persoon gelijktijdig, zoodlat die wijze van uitoefening de door verjaring, vastgestelde zou zijn, weshalve de eischer ook op die gronden het recht niet meer heeft

om van de erfdienstbaarheid gebruik te maken in tden staat, waar in hij het heerschend erf heeft gebracht:

aangezien in elk geval de toestand van het heerschend erf ten

tijde der dagvaarding, zooals uit het bovenstaande blijkt, is van veel gunstiger conditie dan hij ooit vroeger is eeweest

daar de breedte van den uitgang op en naar de drift., z rj n d e die breedte de feitelijke voorwaarde voor de mate van uitoefening der beweerde erfdienstbaarheid, is veel grooter geworden, maar toch nog steeds

meer dan een meter smaller dan de dnft nu op zijn smalst is; aangezien daar1 nog bij komt, dat eischers rechtsvoorcrano-pirs

slechts een paar maal jaarlijks gedurende die 40 jaren van dien uitgang gebruik maakten en d'eze hun alleen diende om hun vensters en muur van af de drift schoon te kunnen maken en, ook deze wijze van uitoefening van het beweerde recht gedurende

ccu yoijaj mg vormr van die wijze die in elk geval ge-

iiccj. xi* vKiij+x jo incu wat eiscrrer nu vordert ;

aangezien uit het bovenstaande tevens vol at irta.f, AisifliP.r vnl.

strekt geen schade heeft geleden of lijdt door welke daad van de

geucutgae gemeente ook, welke schade de gedaagde dan ook beslist ontkent, maar tevens beweert, dat wanneer er schade is geleden, dit komt door de eigen verjaging en de nagemelde eigen versmalling der drift door gedaagde zelf;

aangezien namelijk de eischer het voorste gedeelte van den muur van zrjn perceel voormeld, die de drift begrenst, niet heeft

geplaatst op de lijn, waarop de muur van, het door eischer gesloopte perceel gebouwd was en stond ten tijde icer eventueele vestiging der beweerde erfdienstbaarheid en ook nog- ten tijde dat eiischer zijn perceel kocht, maar dien muur voor dat voorste deel op een gedeelte van die aan de gedaagde gemeente behoorende drift heeft gebouwd en die drift daardoor minstens 15 centimeter heeft versmald, zoodat de eischer, wat hij nota bene de geklaagde gemeente kwalijk neemt, zelf heeft gedaan, namelijk da drift versmallen, welk feit reeds voldoende had moeten zijn om den eischer van het onredelijke en ongegronde van zijne vordering te overtuigehy

aangezien er dus geen enkele rechtsgrond voor 's eischers vordering aanwezig is ;

aangezien gedlaagde in 't geding brengt een uittreksel uit het kadastrale plan der gemeente Winschoten, waaruit zal blijken de toestand van de beide perceelen na den bouw van eischers tegenwoordige winkel en woonhuis;

Voorts eisch doende in reconventie:

Op grond, dat de gediaagde in reconventie heeft kunnen goedvinden bij den plaats gehad hebbenden bouw van het door hem nu bewoonde hem in eigendom behoorend huis in de Langestraat te Winschoten, met het daarbij hem in eigendom behoorend erf, kadastraal in die gemeente bekend in sectie F, n°. 4838, oud nummers 1418 en 1612 dier1 sectie, groot samen 9 aren en 34 centiarem, in den zuidoostelijken muur van dat gebouw, die de in conventie bedoelde dirift begrenst aan te brengen, wat de onderverdieping aangaat, een groot spiegelruit venster en een met vensters gevuld raam van minstens een meter breedte en twee me'.er hoogte en wat de bovenverdieping aangaat vier met vensters gevulde ramen van ongeveer denzelfden omvang als het laatstbeschrevcni vensterraam;

dat die muur onmiddellijk grenst aan — en wat het voorste, het voormelde spiegelruit venster insluitende deel van dien muur betreft zelfs staat op de aan de eischende gemeente in eigendom behoorende drift, die deel uitmaakt van het aan die gemeente be hoorende pei ceel kadastraal in de gemeente Winschoten, beken*} in sectie f1 n • 4/49, groot 5 aren en 25 centiaren, terwijl die muur overal veel minder dan 2 meter of 20 palmen van de voor melde drift staat gebouwd;

dat de gemelde vensters geheel en al gemaakt zijn van dloorzichtbaar glas en van uit gedaagdes voormeld1 huis dus een rechtstreeksch uitzicht geven op het zooeven genoemde aan de eischende gemeente toebehooreind erf;

dat die vensters ten behoeve der bovenverdieping op veel minder afstand dan 20 en die ten behoeve der onderverdieping op veel minder afstand dan 25 decimeter of palmen hoogte van af den vloer der vertrekken, die men door die vensters wil verlichten zijn aangebracht ;

dat tevens in 't geheel geen traliën voor die vensters zijm aangebracht ;

dat die toestand op het oogenblik nog steeds bestaande als voorschreven;, is onrechtmatig als in strijd met de wettelijke bepa mgen omtrent licht en uitzicht en eischer dien toestand niet langer wenscht te gedoogen ;

dat die gedaagde verder heeft kunnen goedvinden om zonder £,reTS ,rewte 1hebben °P het "oowan genoemde perceel i a 'if n een ƒ ^ inschoten en wel juist in den moordwestelijken l.°ek daarvan daar, waar de oostelijk gelegen straatgoot en, de rechte lijn uit het verlengde van het voorste zuidoostelijk roodsteenen muunlak van gediaagde s voormeld huis elkaar'snijden, doT A? 8eme® e Winschoten daar gelegde klinkerbestra'ing op te brekeim em, daar m dien hoek te leggen groote /erken — of hardsteenen platen, bes aamde eene oppervlakte van minstens twee vierkante meters, dienende als stoep of optiee voor den hoofdingang van gedaagde's winkel, welke platen zich daar nu nog als voorschreven bevinden, ondanks dat gedaagde bij deurwaardersexploit van den lOden Juni 1898, behoorlijk geregistreerd, is gesommeerd om die platen voor zoover onrechtmatig t<i verwijderen ;

dat dat wegbreken va.n die bestrating door de gemeente Winschoten daar gelegd en haar bshoorende in eigendom en het in d3 I-nats daarvan neerleggen en hebben van die zeiken — of hard¬

steenen platen op dat terrein van de eischende gemeente diaden zijn van zeer onrechtmatigen aard, strijdende met het eigendomsrecht van die gemeente o>p dat aldus door den gedaagde in beslag genomen tel rein ; dat de eischer die inbreuk op het eigendomsrecht der gemeente Winschoten niet wil en niet mag dulden; — heeft gevorderd, dat het der Rechtbank moge behagen, den gedaagde in reconventie te veroordeelen om die vensters hiervorem omschreven, voor zoover onrechtmatig te verwijderen, althans za zoodanig te plaatsen en in te lichten, dat de onrechtmatige toestanden boven omschreven ophouden en die vensters zoo te plaatsen em in te richten, als met de eischen der wet strookt; voorts om de hardsteenen platen, voor zoover ze als voorschreven liggen op het teirein van de gemeente Winschoten te verwijderen ei de plaats, waar die platen nu liggen weer te brengen im den staat, waarin zij zich voor het plaatsen van die platen bevond als voorschreven; al het voorgaande binnen drie weken of zooveel tijd) als de Rechtbank in plaats daarvan mocht bepalen, nadat dit vonnis zal zijn in kracht van gewijsde gegaan, bij gebreke waarvan eischer zal zijn gemachtigd om op kosten van de gedaagde, desnoods met behulp van den sterken arm varn justitie of politie, diezelfde veranderingen aan te brengen als waartoe de gedaagde is veroordeeld en om te dien einde zoo noodig gedaagde's terraim te betreden of te doen betreden, alles met veroordeeling van den gedaagde in de kasten van dit recomvemtiomeel geding;

O. dat de eischer bij repliek daarop zijne vordering nader heeft aangedrongen en gedaagde's antwoord trachten te weerleggen en ten slotte heeft aangeboden, voor zooveel noodig, ook door getuigen de door hem gestelde doch dooi' de tegenpartij ontkende f ei tem te bewijzen ;

voorts in antwoord op de vordering in reconventie heeft geconcludeerd dat:

aangezien do gedaagde, in dit cas eóscher, heeft kunneni goedvinden aam zijn antwoord een eisch in reconventie te verbinden, strekkende a eenige ter conclusie nader omschreven ramen im beneden- en bovenverdieping van eischers zijmuur, grenzende aan de drift, welke aldaar zouden zijn aangebracht en ingericht m strijd met de westelijke bepalingen omtrent licht em uitzicht te verwijderen, althans zoo in te richten, dat de onrechtmatige toestanden ophouden; b om eenige zerken of hardsteenen platen, voor zoover die als ter conclusie nader omschreven, liggen op het terrein der gemeente Winschoten te verwijdterem en het betrokken terrein weer te brengen in den, ouden toestand;

aangezien gedaagde, eischer in reconventie, im dte ingestelde vordering is niet-ontvankelijk;

aangezien deze grond van miet-ontvankeliikheid hierin is Ge¬

legen, dat eischer in reconventie het Stadhuis met plein en drift —■ welke eigendom toch is de feitelijke grond van de ingestelde vordering —- mi iet bezit naar de regelen van het privaatrecht, maar — gelijk gedaagde in zijn amtwoord uitdrukkelijk stelt — naar het publiek recht — als „zaak buiten den handel", bestemd voor den opembaren dienst;

aangezien eene actie ontleend' aan de voorschriften v a n h e t B u r g e r 1 ij k Recht betrekkelijk de rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven, aan den eischer in reconventie in casm niet toekomt;

aangezien, voorts c'k huis licht mag tarokken van en uitzicht mag hebben over straten, pleinen en driften, welke behooren tot het publiek domein em eenige beperking te dien opzichte zich alleen laat denken op grond van voorschriften te geven door de daartoe bevoegde macht, uit overweging van eischen van openbare orde, zede1 ijk hei:]: en gezondheid, zoodat de eisch tot opruiming, althans verandering der bewuste vensters en uitzichten in allen gevalle is ongegrond;

aangezien ook al waren de voorschriften! van het Burgerlijk

j-veun in aezen van gemende kracht — des neen — ooik dan miog de vordering van gedaagde — eischer im reconventie — is ongegrond, daar, toeni de erven van partijen waren in handlen van een em densselfden eigenaar, deze voormalige eigenaar de perceelen in dier voege heeft bezeten en gebruikt dlat in dem zuidelijke! muur vam het huis van, de reehtsvoorgamgers van eischer in boven- en benedenverdieping waren aangebracht lichten evi venster s, di° uitzicht gaven op en over de drift, welke bestemming geldt

als titel van erfdienstbaarheid;

aangezien de tegengeworpen niet-ontvankelijkheid evenzeer geldt ten opzichte van de opruiming der zerken of hardsteenen platen,;

aangezien, gesteld, dat deze daar zonder eenig recht zijn gelegd dem eischer in, reconventie de ingestelde vordering niet kan volgen, daar in waarheid op eenig eigendom naar het privaatrecht der gemeente geen inbreuk is gemaakt;

aangezien toch de daartoe bij de gemeentewet bevoegd verklaarde corporatie heeft te waken te-'en inbreuken op den eigendom als deze, welke voor den openbaren dienst bestemd is;

aangezien1 eischer ten overvloede nog doet, opmerken dat hij tot liet leggen va.n die platen was volkomen b;voegd, krachtens een hem door den gemeente-architect name::s het gemeentebestuur verleend verlof; — het der Rechtbank moge behagen dem gedaagde, eischer in reconventie, in zijn reconventioneele vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem 'die te ontzeggen, met veroordeeling in de proceskosten;

O. dat de gedaagde vervolgens bij dupliek de verwering in conventie nader heeft toegelicht, zoowel als de vordering in reconventie, daarbii ontkennende, dat, de gemeente architect namens

liet gemeentebestuur verlof tot het leggen van de beweerde platen heeft gegeven, in elk geval dat die architect eenige opdracht had omtvaugeni om dat vei lof te o even niet mededeeling dat derge'iike

vergunningen nooit anders dan schriftelijk worden verstrekt ; O. dat eindfi'nk rl« -/ ...l- V.q,.!.Mr voor den eischer /In-h VIr

A, Rietema, advocaat te Groningen en voor de gedaagde gemeente door haren procureur;

..a,u ,lecnt betreft-

J.n conventie:

O. dat hier de volgende vragen zijn te b:antwoor'en:

1 . Kan eeil ei frliiPiDief'K.ioTlioirl ATI beonaldipliilr rlio winrvnn in

jdit geding sprake is, bestaan ten laste van een onroerend goed, pat voor den openbaren rK10r>0+. i» bestemd, zrwi.ls W.

ite Winschoten met bijbehoorend terrein?

7o' t i erfdienstbaarheid ooit ontstaan?

•j . Is door de aan Ha trprl<Tflo yemeentw f"a n-AliAn^A lrnn-

delingen, indien bewezen, het gebruik der erfdienstbaarheid verminderd en ongemakkelijker o-emaakt?

/io ,'..r f, , ° » .

. .mm ja, neeit- deze eischer deswege eene vordering tegen do g-edaagde?

5°. Heeft de eischer srkmrlpi (rel eden ten o-Avnl cm -\7M/n KcirlrvAlrl A

handelingen ?

O. ten opzichte van de aatis+pi vraas*. dat dpt Ai«w>V»p-i» e+^if rint-.

hij ten behoeve van zijn ter dagvaarding omschreven perceel heeft het recht van vrijen uittranc over de ..drift," f ah y.mVlpn rl-vu vh.ti

gei eg en en behoorende bij het Stadhuis der gedaagde gemeente, met welk recht niets anders bedoeld kan zijn da.iT de erfdienstbaarheid van voetpad omschreven in art, 733 B. W. ;

O. immers, dat niet al'een liet woord uitgang hieraan slechts doet denken, maar het tusschen partijen vaststaan e feit, dat

+ /"\h do d.i i f +'' 1 i 1 i

uc ,,Unu Luc^aai» weru veneena aoor een deur van een

breedte vam slechts 75 centimeters daar ook op wijst, waarbij

1in.fr nnmf rlzin rv ^o+ Viil raYif/iliriiirïn ,» . . L. . _1 1 1

I —fe »ciuxüiiv, uctu uij uu vhji^ van uöuoeia per-

J ceel met zijn lusten in de hierna te noemen veilimgsaktem de

! vrilö lli+rron rv -,Trrvv.^+- r, +• ^ -,-r ^ „ A v. 4 { ^ >>

vrwiuu vüimenu jiajcuau cüii ,,u v c i. u. i 1 1 U üvor een

ander stuk grond;

O. 'dat buiten geschil is, dat dit Stadhuis met „drift' tot den openbaren dienst is bestemd, zoodat het als zoodanig buitem den handel is, zooals ook volgt uit art. 2ó0 der Gemeentewet, maar hierom zeer goed eene erfdienstbaarheid als de bedoelde ten laste van die ,,drift" kan bestaan, als zij, gelijk hier 't geval heet. te zijn, reeds is gevestigd toen hot lijdend erf nog niet voor den openbaren dienst was bestemd, daar de wet zulks niet uitdrukkelijk verbiedt en liet evenmin: met den aard van zoodanig goed in sbrijdl is, zoolang althans daardoor het gebruik voor den"openbaren dienst niet mogelijk wordt gemaakt, wat hier zeker niet het geval is;

O. dat ook artt. 577 em 579 B. W. rechten als dit van bij^ zom'dfcre personen ten laste van het zoogenaamde publiek domein bestaanbaar acht en art. 59 der onteigeningswet zells het laten voortbestaan van erfdienstbaarheden op in het publiek belang onteigende goederen toestaat;

O. dat deze vraag dus bevestigend is te beantwoorden,;

O. dat hetzelfde geldt van de tweede vraag, daar in de vorenaangehaalde behoorlijk overgeschreven veilingsaktem van 18/21 Dec. 1855, waarbij, zooals onbetwist is, het perceel in quaestie door de gemeente Winschoten is aangekocht, is bepaald, dat de kooper van perceel twee, zijnde zooals tusschen partijen vaststaat thans het ter dagvaarding bedoelde perceel van den, eischer, den vrijen uitgang zal hebben over de „drift" ten noorden, van perceel één gelegen, tot naar de straat, terwijl partijen het eens zijn dat deze „drift" dezelfde is als die waarop het geding betrekking heeft;

O. dat gemeld perceel twee toen wel niet is verkocht, maar eenigen tijd later aan eem der bijl die veilimgsaktem opgetreden, deelgemooten toegescheiden, maar dit niet wegneemt, dat bij deze akte de erfdienstbaarheid is gevestigd, daar onder het woord „kooper" bij eene redelijke uitlegging verstaan moet worden „verkrijger" en het eerste woord kennelijk alleen daarom gebiuikt is, om'dat mem bij eene veiling aan een kooper in de eerste plaats dacht, terwijl niets anders bedoeld kan zijn dan te bepalen dat, als beide perceelen, in verschillende handen kwamen, het eene ten behoeve van het andere bezwaard zou zijn met de omschreven erf dienstbaarheid];

O. mg tem overvloede dat duidelijk blijkt, dat beide partijen bij die veilimgsaktem van 18/21 Dec. 1855 dit ook zoo hebben begrepen, daar de verkoopers, toen ziji op 30 Juli 1856 bij bovenaangehaalde akte de scheiding aangingen, verklaarden, dat het bewuste perceel „den vrijem uitgang heeft langs die drift ten zuiden" en het gemeentebestuur: vam Winschoten im de bovenaangehaalde akte van 12 Juni 1858 een gelijke verklaring aflegde met verwijzing naar de meerbedoelde akten vam 18/21 Dec. 1855;

0- ^ wel nietl gebleken is, dat de bij laatstgemeld© akte van 12 Juni 1858 gesloten overeenkomst door Ged. Staten is goedgekeurd, maar dit aam dé waarde der verklaring geen afbreuk doet;

0. ten opzichte vam de derde vraag dat de eischer stelt dat de drift is opgehoogd im zoodanige mate, dat de vrije uitgang naar en langs de „drift" van de zijde van zijn perceel niet meer als vroeger kan woi'ïen verkregen, maar daarvoor trappen 11103. ten woideni beklommen., die door de gemeente van het grondvlak van vroeger tot den verhoogden grondslag zijn gemaakt en dat de „drift" is versmald doordat op een gedeelte daarvan het Stadhuis is gebouwd;

O. dat de aam de ,,drift" aangebrachte veranderingen hierdoor vol'dloende zijn omschreven;

O. dat door de verhooging, indien zij is1 bewezen, de erfdienst.

MiigouHijiDiu Lnnw0111cl,KKeijjKer is re georuiken dan vroeger, daar het meer inspanning kost bij het gaan trappen te moeten beklimmen dan gelijkvloersch te kunnen blijven ;

O. dat de eischer ook nog spreekt van het, bevloeren der drift maar dit het gebruik eerder vergemakkelijkt;

O. dat de beweerde versmalling echter het jebruik van de erfdienstbaarheid noch heeft verminderd noch ongemakkelijker gemaakt, daar dte „drift" na deze versmalling nog een voldoende breedte heeft gehouden om er langs te gaan, zooals door den eischer ook niet is ontkend;

O. dat, ging de bewering van den eischer op, aan: een lijdend erf niets zou mogen veranderd worden, ook al kon de erfdienstbaarheid, waarmede het was bezwaard, daarom nog even goed worden uitgeoefend, terwijl ait. 739 B. W. juist het recht om veranderingen aan te brengen, mits de eigenaar van het heerschend erf niet worde benadteeld, uitdrukkelijk erkent ■

O- dat de gedaagde heeft gesteld en de eischer niet'heeft betwist, dat de „drift" nog overal meer dam twee meters 20 centimeters breed is, terwijl een: uit kracht van art. 733 B W <remaakte verordening der gemeente Winschoten van 16 Aug 1855 afgekondigd op 30 Aug. daaraanvolgende, em die dus reeds be' stond, voordat de erfdienstbaarheid werd gevestigd' in art 6 voor een voetpad een breedte eischt van slechts één, 'el •

O dat de eischer bij zijn klagen over de versmalling van de verkeerde meening uitgaat dat de geheel e „drift" voor den vrijen uitgang beschikbaar is gesteld, terwijl volgens de meerbedoelde veilingsakten met meer dam een. vaijen uitgang langs de „drift" is verleend, zoodat hij eerst recht van klagen heeft als op dien vrijen uitgang inbreuk is gemaakt; verg."artt. 738 en 741 B. W. ;

O. omtrent de vierde vraag 'dat de eischer bij de bovenaangehaalde behoorlijk overgeschreven akte van 15 Dec.. 1896 zijn perceel heeft, gekocht met al de daaraan, verbonden rechten, en dus ook met de bewuste erfdienstbaarheid in den onr ang dien zij had bij zijne rechtsvoorgangsters, zoodat ook een daaraan verknochte rechtsvordering op hem is overgegaan ;

O. dat door de gedaagde nu wel is beweerd, dat de rechts voorgangsters ter zake van de aan de „drift" aangebrachte veranderingen geeme rechtsvordering meer hadden, omdat zij stilzwijgend in die veranderingen hadden berust, maar dit niet alleen door den eischer is ontkend, doch stilzwijgen ook volstrekt niet altijd berusting medebrengt, vooral niet, waar, als hier, daaruit ve-iies van recht zou voortvloeien en deze rechtsvordering blijkens art. 756 B. W. eerst na 30 jaren zou zijn verjaard, terwijl de gedaagde zelf stelt, dat de veranderde toestand' bij den verkoop, die ongeveer een half jaar na den dood der laatste eio-enares plaats had, nog maar een jaar had geduurd ;

O. dat dus ook deze vraag eem bevestigend antwoord eischt •

O. omtrent de laatste vraag, idat al is ook door de verhoosrin^ het gebruik der erfdienstbaarheid ongemakkelijker gemaakt daar" door nog met door den eischer een op geld waardeerbaar 'nadeel is geleden,, terwijl de eischer daarvoor zich wel hierop beroept, dat hij nu daarvan met rollend materieel geen gebruik meer kan maken, maar dit beroep met opgaat, omdat hij tot zoodanig gebruik geen bevoegdheid lieeft; 0 b

O. dat deze \ raag dus ontkennend is te beantwoorden ;

O. dat de gedaagde de te laste gelegde ophoogin? heeft ent-

teïeren; " * heeft hiervan getuige,.bewijs

Sluiten