Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter geen reden zijn om aan eenig onderwerp minder de voor- : keur te geven, en waar wij dagelijks in onze rechtszalen de pleiters hooren twisteni over de levering van roerende goederen, daar kan aan het onderwerp van hedenmorgen zeker niet het kenmerk van actueel belang ontzegd' worden, en ligt de ur- ' gentie van betere regeling bij de wet in dezen voor de hand.

Wat het onderwerp op morgen te behandelen betreft, dit sluit zich aan èn aan verschillende onzer vroegere handelingen, — om mij te bepalen, tot die gehouden na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, verwijs ik naar de voorwaardelijke veioordeeling in 1890, de geldboete in 1892, de bedelarij en landlooperij, voor zoover de straf in eene rijkswerkinrichting betreft in 1894, en de berechting van den jeugdigen misdadiger in 1895 behandeld, — èn aan onze zeer belangrijke wetgeving van de laatste jaren betreffende de opvoeding1 en de berechting van het kind. De beginselen, die daaraan ten grondslag liggen, leiden, mijns inziens, direct en indirect tot de meest doeltreffende en krachtige bestrijding van de criminaliteit in onze maatschappij. Immers, wil mem de misdaad bestrijden, men beginne bij het kind, en hei komt mij voor dat de wetten op den leerplicht, op de vaderlijke macht en voogdij:, op de strafrechtspleging ten aanzien, van jeugdige personen en op de tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten zoowel het ontstaan als het voortwoekeren! van misdadige neigingen bij het kind, en daarmee een der ernstigste en gevaarlijkste bronnen van de misdaad zullen tegengaan.

Maar hoe ernstig men den strijd tegen verwaarloozing en misdadigheid van het kind ook aanbinde, de oorzaken van de misdaad zijn zoovele, dat het geen twijfel lijdt of die strijd alleen zal, al vermindert daardoor, naar wij hopen, de criminaliteit, deze niet uitroeien. De strijd moet worden voortgezet ook bij den volwassen misdadiger. Een der middelen daartoe is zeker de straf waaraan hij' wordt onderworpen, en hoe doo>r de straf dat doel bereikt kan worden, zal morgen het onderwerp uwer beraadslagingen zijn.

Hierbij nu is voorzeker geen plaats voor de vrees dat de wetgever het onderwerp niet urgent zal oordeelen.

De sociale zijde van het vraagstuk springt niet alleen in het oog, maar wijziging van onze wetgeving ten aanzien van ons strafstelsel is reeds voorgesteld in de novelle op het Wetboek van Strafrecht. Eene novelle, waarvan, nu de berechting van jeugdige misdadigers afzonderlijk is geregeld, ik haast geneigd zou zijn, de dringende noodzakelijkheid tot dit punt te beperken.

Ik ben nog altijd van meening, dat, zooals ik in mijn praeadvies over de voorwaardelijke veroordeeling in 1890 schreef, de ■regeling van de lichte straffen een oneindig grooter maatschappelijk belang betreft dan die van de zware straffen, en dat ons zoo uitnemend Wetboek van, Strafrecht op dat punt te kort komt- Maar overigens komt het mij voor dat het wetboek, al heeft het als elk menschelijk werk zijne gebreken, gedurende de 15 jaren dat het toegepast is zoozeer zijne voortreffelijkheid heeft bewezen, dat het zonder gevaar voor den Staat nog wel eenigen tijd ongewijzigd kon blijven, wat trouwens ook wel het geval zal zijn.

Zeker is het dat. de omvangrijkheid der novelle de kans dat zij spoedig wet zal worden niet verhoogt; wellicht dat de loop onzer beraadslagingen! op morgen de overtuiging veld doet wini en dat wijziging van ons strafstelsel zoo noodig is, dat zij van de novelle wordt losgemaakt en als afzonderlijke wet wordt voorgesteld. Ik voor mij' zou dit zeer toejuichen.

U allen M. H. heet ik hartelijk welkom binnen Friesland® hoofdstad. Ik hoop dat onze werkzaamheden ook hedeni en1 morgen voor het hooge doel onzer vereeniging, hervorming en verbetering van het Nederlandsche rechtswezen, vruchtdragend zuLIeu zijn, en ik open hiermede onze 31ste vergadering.

Nadat het bureau was geconstitueerd, en door den secretarispenningmeester eenige mededeelingen waren gedaan, kwamen in behandeling de voorstellen van het bestuur tot wijziging van het reglement, welker hoofdstrekking werd medegedeeld in W. 7585. Na eene korte discussie werden die voorstellen goedgekeurd.

Nu was aan de orde het vraagstuk, hoe voor het geval van geschil over de levering van roerende goederen de rechten en verplichtingen van kooper en verkooper geregeld moeten worden. Aan het debat hierover werd deelgenomen door de heeren Mrs. S. Gratama (Rotterdam), J. A. Levy (Amsterdam), M. Smit (Rotterdam), J. C. Loder (Rotterdam), benevens de heeren praeadviseurs Mrs. J. Rombach (Rotterdam) en J. Limburg ('s Gravenhage). Principieel verschil van gevoelen openbaarde zich in dit debat niet, en de merkwaardige uitslag was dan ook, dat al de door het bestuur gestelde, in W. 7587 opgenomen vraagpunten eenparig in bevestigenden zin werden beantwoord.

De tweede dag (29 Juni) bracht aan de orde het belangrijke en veelomvattende vraagstuk der regeling van de gevangenisstraf en de hechtenis. De daarover gestelde vraagpunten zijn mede opgenomen in W. 7587.

De eerste spreker was Mr. A. P. Th. Eysseli ('s Gravenhage), die, van oordeel, dat de „voorwaardelijke veroordeeling" (vr. 2 a) viel buiten de grenzen van het vraagstuk, waarbij niet het strafstelsel van het Nederlandsche strafwetboek — waarin de V. Y. een bres zoude sohieten —, maar de daaraan te geven uitvoering aan de orde was, als motie voorstelde vr. 2 a te doen vervallen. Na de verwerping dezer motie door de vergadering, ontwikkelde spreker verder zijne denkbeelden over eene wenschelijke wijziging in de uitvoering der celstraf (vr. 5, 6 en 7) en der hechtenis (vr. 9). Grootendeels vereenigde hij zich hieromtrent met de praeadviseurs, wier denkbeelden in het algemeen evenzeer instemming vonden bij al de volgende sprekers, de heeren Mrs. Jhr. G. A. Nahuys (Arnhem), G. F. J. de Jongh (Rotterdam), S. J. M. van Gedns ('s Gravenhage), S. Tjaden Busmann (Hilversum), S. M. S. de Ranitz ('s Gravenhage), Jhr. A. J. Rethaan Macaré ('s Gravenhage), J. A. Levy (Amsterdam), Prof. G. A. van Hamel (Amsterdam), Prof. D. S. D. Fabius (Amsterdam), G. M. W. Jellinghaus ('s Gravenhage) en J. de Greve (Leeuwarden).

Het debat werd als naar gewoonte besloten door de heeren praeadviseurs Mrs. Baron Rengers (Leeuwarden) en Jhr. Engelen (Zutphen). Op één punt ontmoette de tweede praeadviseur krachtige tegenspraak, n.1. de zoogenaamde strafversoherping. De daartoe betrekkelijke vr. 8 (moet veroordeeling tot verscherpte gevangenisstraf zijn toegelaten ?) werd ten

slotte met 41 tegen 31 stemmen en 6 onthoudingen ontkennend beantwoord.

Ten aanzien van al de overige vraagpunten bleek bij de stemming weinig of geen verschil van gevoelen te bestaan. Zij -werden alle, enkele met geringe wijzigingen van redactie, met algemeene of nagenoeg algemeene stemmen beantwoord in den geest der praeadviezen. Yoor wijziging in de uitvoering der celstraf in dien zin, dat daarin niet de volstrekte eenzaamheid, maar de afzondering, zooveel mogelijk, van medegevangenen op den voorgrond trede, en arbeid in gemeenschap worde bevorderd, bij name in het overgangstijdperk tot de gemeenschappelijke opsluiting of tot de vrijheid, heeft zich eene krachtige communis opinio onder de te Leeuwarden vergaderde juristen uitgesproken.

Tot ons leedwezen moeten wij erkennen, dat hetzelfde het geval is met de „voorwaardelijke veroordeeling". De 31e heeft een zeer stellig démenti gegeven aan de 21e vergadering der N. J. Y. De krachtige bestrijding van het instituut der voorwaardelijke veroordeeling door de heeren Eyssell en Fabius, heeft niet belet, dat zij na eene niet minder krachtige verdediging door bekende voorstanders, zooals de heeren van Hamel, Macaré, van Geuns en de Ranitz, is aangenomen, met de imposante meerderheid van 56 tegen niet meer dan 2 stemmen en 19 onthoudingen. Meer dan het beginsel is natuurlijk bij deze incidenteele beslissing niet uitgemaakt. Zoo bleef b.v. in het midden, of de Y. Y. beperkt zal worden tot korte vrijheidstraffen, met het oog waarop zij door de meesten alleen wordt verdedigd, dan wel of zelfs eene veroordeeling tot zes maanden gevangenisstraf, waarlijk geen korte straf, zooals de ontwerp-novelle wil, voorwaardeljjk zal kunnen worden uitgesproken. Evenmin sprak de vergadering zich uit over den duur van den proeftijd en over de vraag of bij recidive de voorwaardelijke veroordeeling steeds zal zijn uitgesloten, wat de Belgische wet wel, de Nederlandsche ontwerp-novelle niet aanneemt.

Tot secretaris-penningmeester is herbenoemd de heer Prof. Mr. G. A. van Hamel. In plaats van de aftredende en niet herkiesbare leden van het bestuur, de hli. Mrs. Ph. J. A. Bouvin (Rotterdam), J. C. Loder (Rotterdam) en S. J. M. van Gectns ('s Gravenhage), zijn gekozen de heeren Mrs. T. van Hettinga Tromp (Leeuwarden), Jhr. A. J. Rethaan Macaré ('s Gravenhage) en Mr. J. A. Levy (Amsterdam).

Yolgens besluit der 31e vergadering zal de 32e in 1902 bijeenkomen te Dordrecht of te Alkmaar.

ADVERTENTIES.

Bij GEBR. BELINFANTE te 's-Gravenhage,

zijn verschenen:

Mr. F. B. Coninck Liefstiing, Algemeene begin, selen van de leer der regtsgeldigheid van verbindtenissen uit overeenkomst, zooals zich die in het Romeinsche regt gevormd en later in Europa ontwikkeld heeft . . f 6.— — Be Hervorming van het Strafrecht, naar aanleiding der jongste Fransche herziening. 0.50

Mémoire sur le principe: Pas d'extradi-

tion pour les délits politiques . . . 0.35

Verschenen bij GEBR. BELINFANTE te 's Gravenhage: ONT W ERF

tot

HERZIENING

van het

BURGERLIJK WETBOEK

der Koningin aangeboden door de Staatscommissie tot voortzetting der herziening ingesteld bij Besluit van wijlen Zijne Majesteit Koning Willem III van 22 Augustus 1887, n° 24.

TWEEDE BOEK

met toelichting.

(Uitgegeven iet macMigiiE w Zijne Exc. len Minister van Justitie,)

-> deelen gebonden f 4.80.

Van het Eerste Boek (Ontwerp en Toelichting) zijn nog exemplaren verkrijgbaar 2 dln gebonden a f 7.

Bij GEBR. BELINFANTE te 's Gravenhage, zijn verkrijgbaar :

Werken van Mr. J. Gr. KIST.

De bepalingen der Ned. Wet omtrent tweede en verdere

huwelijken, 2e druk . f 0.90

De Kantonregter en zijne werkzaamheden . . . 1.40 De Algemeene Maatregelen van Inwendig bestuur . . 0.30 Beginselen van Handelsregt, volgens de Nederl. Wet: Dl. I- Handelsregt. Handel. Handelaar f 1.65 ing. f2.65 geb. » II. Handelsverbindtenissen uit schrift 5.75 » 6.75 » » III. » uit overeenkomst 4.40 » ) r

» III. Supplement (Coöp. Vereenigingen) 0.90 » ' » IV. Handelsverbindtenissen uit overeenkomst. Overeenkomst van verzekering 3.60 » 4.60 » d V. Zeeregt 4.90 » 5.90 » Compleet in 5 dn f 21.20 ing. f 26.20 geb.

Voor de talrijke blijken van belangstelling, onlangs ontvangen bij de herdenking der vijf en twintigjarige vervulling van zijn rechterlijk ambt, betuigt de ondergeteekende zijn welgemeenden dank.

's Gravenhage, Juli 1901.

A. A. DE PINTO.

Bij GEBR. BELINFANTE, te 's Gravenhage, zien het licht de vijfde en zesde aflevering van het

Alphabetisch Register

op het

S TAAT SBLAD

van het

Koninkrijk der Nederlanden

van

1813—1900

d00r

Ml". J. W. Belinfante,

Adjunct-Commies ter Provinciale Griffie van Zuid-Holland.

Deze tot 1 Januari 1901 bijgewerkte uitgaaf zal in den loop van dit jaar in 12 afleveringen, elk van 4 vel druks verschijnen.

Afl. 7 en 8 zijn ter perse.

Prijs per aflevering : f 1.

Bij de laatste aflevering zal een losse band a 1 1 worden gevoegd.

Bij GEBR. BELINFANTE, te 's Gravenhage,

ziet het licht :

Léon's Rechtspraak, 3e Druk.

DEEL III AFL. 6.

DE RECHTSPRAAK

en de

Administratieve beslissingen

0p de

Wet op de Vermogensbelasting

met ophelderingen en geschiedkundige toelichtingen enz

J. M. VAN WALSEM,

Inspecteur der Registratie en Domeinen te 's Gravenhage. Prijs f

Van den 3en druk zijn thans verschenen:

Deel I.

le afl. Mr. J. A. Levy, De Grondwet . f 3.25

2e » Mr. H. Vos, De Gemeentewet . . 10.—

3e » Mr. N. Cramer, De Fabriekwet . 1.—

4e » De Begraafwet en Ziektenwet 1.25

5e >' De Armwet. . . . 1.50

6e » Mr. J. Limburg, De. Drankwet . . 1.—

7e » De Onteigeningswet . . 2.—

8e >» Mr. N. Cramer, Jacht en Visscherjj. 1.50

9e » —• De Veeziekten- en Hondsdol- _

heid-wet . . • . • 0.75

10e >■ De Onderwijswetten en uitvoeringsbestuiten. . 3.—

Deel II.

7e » Mr. J. W. Belinfante, Wetboek van

Strafrecht..... 4.60

Deel III.

4e afl. N. Koomans, De Wet op het Zegel . 1.75 5e » Mr. L. A. Micheels, De Wet op het

Notaris-Ambt enz. . . . 3.— 6e >> J. M. van Walsem, De Wet op de

Vermogensbelasting . . . 6.25

REVUE DES DEUX MONDES.

On sousci'it chez MM. BELINFANTE FRÈRES, Libraires-Éditeurs, Seuls agente pour les Pays-Bas,

Wagonstraat 100—102, La Haye.

Livraison du 15 Juin 1901.

SOMMAIRE. —■ Les Oberlé, 3e partie, par M. R. Bazin.

— Thors et les éleotions de 1868, par M. E. Ollivier. — La défense de la légation de France a Pékin, par M. le lieutenant de raissean Dorcy. — Le méeanisme de la vie moderne. Le Théatre. I. Machinerie, décors et eostumea, par M. le Vicomte G. d'Avenel. — Patriotisme et humanitarisme. Essai d'histoire contemporaine. IV. La politique de Jules Ferry, par M. G. Goyau. — Les fleurs, par M. V. du Bled.

— Revue littéraire. Trois préeurseurs du feminisme, par M. R. DouMIC. — Revues étrangères. Quelques épisodes de la vie de Kant, par M. T. de Wyzewa. — Chronique de la quinzaine, par M. F. Charmes. — Bulletin bibliographique.

La Revue des Deux Mondes parait le ler et le 15 de chaque mois, gr. in-8vo. — Prix d'un an f 28.50. Ghaque numéro se vend séparément a raison de f 1.50.

Gedrukt by F. J. BELINFANTE, roorh. : A. D. SCHINKEL.

Sluiten