Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschift, hetwelk, ofeboon niet bij namen onder de in de wet opgenoemde vrijstellingen begrepen, volgens zijn. aard aanvanke- > lijk niet op gezegeld papier behoefd© geschreven te worden, doch waarvoor het zegelrecht eerst moet worden voldaan, wanneer het in rechten wordt overgelegd, — daar het register, dat dient om gedane betalingen van belasting te constateeren, uit zijn aard niet onder die omschrijving, of die van art. 1918 B. "W., waarop men bij art. 10 het oog heeft gehad (Handelingen Tweede Kamer 1842/3 blz. 1059) valt, — zooals ook blijkt uit die tegenstelling in n°. 29 van art. 27 van registers van openbare autoriteiten betrekkelijk zaken van orde en huishoudelijk beheer", die van zegel zijn vrijgesteld, en in n°. 26 van ,,registers van ontvang", die van de vrijstelling zijn uitgezonderd;

O. dat ook de in art. 29 aan de ontvangers van plaatselijke < belastingen opgelegde verplichting om hunne registers aan heb zegel onderhevig aan de ambtenaren van het zegel te vertoonen, i geen zin zou hebben, als lieit bedoelde register niet dadelijk op gezegeld papier behoefde te worden gesteld; f

O. dat tegen dit alles niet afdoet, dat de Gemeentewet alleen <■ den ontvanger, en geen sub-ontvanger kent, daar door de Gemeentewet de zegelwet niet is gewijzigd, en deze laatste in art. ( 27 n°. 26, geheel in het algemeen als aan zegelrecht onderhevig noemt: ,,registers van ontvang" van ,,plaatselijke ontvangers, rentmeesters, gaarders en pachters van stedelijke of gemeentebelastingen", zoodat, waar vaststaat dat dit iregister is een ' register van ontvang van plaatselijke belasting, het voor de verplichting ten aanzien van de zegelwet onverschillig is of het (register gehouden is door den gemeente-ontvangen zeiven, of door een ander daarmede van gemeentewege belasten ambtenaar;

O. dat dan ook de aan het slot van het middel van cassatie gestelde vraag: of het register in geschil, in rechten overgelegd, authentieke bewijskracht zou hebben, niet behoeft te worden beantwoord, daar art. 1 van de zegelwet niet alleen betrekking heeft op authentieke akten;

O. dat mitsdien het voorgestelde middel van cassatie is onaannemelijk;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer1 in zijne hoedanigheid in de daarop gevallen kosten.

ARRONDISSEMENTS-RECHTB ANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 28 Januari 1901.

Voorzitter, Mr. J. W. Mulder.

Rechters, Mrs.: Jhr. J. L. W. C. von Weiler en A. J. Bik (ply.).

Daar de bij art. 179 f der Gemeentewet aan Burgemeester en Wethouders opgedragen verplichting tot het opnemen van de boeken en kas van den gemeenteontvanger is een publiekrechtelijke, kan uit het verzuimen van die verplichting geen civielrechtelijke vordering geboren worden.

H. J. Versteeg, burgemeester van Schiedam en. in die hoed», nigheid genoemde gemeente vertegenwoordigende, eischer, procureur Mr. C. P. Zaaijer, advocaat Mr. Atjg. Philips, uit Amsterdam,

tegen

P. J. van Dijk' van Matenesse, zonder beroep, wonende te Schiedam, gedaagdei, procureur Mr. H. J. Knottenbelt, advocaat Mr. J. Knottenbelt.

De Rechtbank enz.;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken, allen voor zooveel noodig geregistreerd; Gehoord de conclusie van het Openb. Min., bij monde van den heer Officier van Justitie, daartoe strekkende dat de eischer qq. niet ontvankelijk worde verklaard in zijne vordering mat zijne veroordeeling in de kosten;

O-verwegende dat de eischer, feitelijk stellende:

dat .gedaagde van. 1866 tot na Mei 1894 burgemeester der gemeente Schiedam is geweest;

dat W. Beffers mat ingang op 1 Jan. 1878 gemeente-ontvanger van Schiedam is geworden en op 21 Febr. 1894 als zoodanig geschorst en op 8 Mei 1894 ontslagen is;

dat gedaagde gedurende den tjjd dat de heer Beffers ontvanger was, doorloopend te kort is geschoten in het uitoefenen van de controle, welke hij, als burgemeester, ingevolge de voorschriften der wet, met. de wethouders op het beheer van den ontvanger moest uitoefenen;

dat hij met name doorloopend niet heeft nageleefd de voorschriften van art. 181 der gemeentewet en, niet op de daarvoor bij de wet bepaalde tijden de boeken ein, kas van den ontvanger heeft opgenomen, doch die opname doorloopend slechts in schijn heeft verricht;

dat hij die opnamen niert slechts doorloopend heelt nagelaten en slechts in schijn, verricht, doch doorloopend in strijd met de waarheid processen^ verbaal heeft onderteekend, volgens den inhoud waarvan die opnamen, wèl in werkelijkheid waren ge-clutd, en telkens tot resultaat hadden gehad dat het saldo, hetwelk in, kas moest zjjn ook in kas was: bevonden;

dat hij met name heeft onderteekend processen-verbaal, volgens den inhoud waarvan eene behoorlijke opname van boeken en kas, met het gezegde bevredigende resultaat zou zijn geschied op elk der navolgende datums:

20 Maart, 27 Juni, 26 Sept. en. 27 Dec. van het jaar... 1878

27 Maart, 26 Jupi, 25 Sept. en 4 Dec. van het jaar 1819

19 Febr., 29 April, 29 Juli en 21 Oct. van het jaar 1880

27 Jan., '28 April, 28 Juli en 3 Nov. van het jaar 1881

2 Febr., 11 Mei, 12 Aug., en 2 Nov. van. het jaar 1882

6 Febr., 9 Mei, 21 Aug. en 15 Nov. van, het jaar 1883

14 Febr., 29 Mei, 4 Sept. en 2 Dec. van het jaar 1884

25 Maart, 30 Juli, 15 Oct. en 29 Dec. van het jaar 1885

25 Maart, 29 Jumi, 28 Oct. en 30 Dec. van het jaar... 1886 31 Maart, 14 Juli, 3 Nov. van het jaar 1887

9 Febr., 17 Mei, 26 Juli én 11 Oct. van het jaar 1888

10 Jan., 11 April, 11 Juli en, 10 Oct. van het jaar 1889

14 Jan., 10 April, 10 Juli eau 13 Oct. van liet jaar 1890

15 Jan., 16 April, 16 Juli en 15 Oct.. van het jaar 1891

14 Jan., 14 April, 14 Juli eai 24 Oct. van het jaar 1892

12 Jan., 29 April, 13 Juli en 31 Oct. van het jaar 1893

en 18 Jan. en 21 Febr. van het jaar 1894

dat echter op .geen dier datums in werkelijkheid eene opname van die boeken heeft plaats gehad;

dat immers bij eene werkelijke opname der boeken, op elk dier datums zou zijn gebleken dat het saldo, hetwelk in, kas moest zijn, niet in. kas was, dat de boeken nie>t in orde waren, doch van fouten wemelden ; dat de kolommen somtijds onjuist waren opgesteld, of in het geheel niet waiien opgeteld en dat somtijds onjuiste overbrengingen waren, neergeschreven; dat door deze tekortkomingen van gedaagde en de in strijd met de waarheid door hem afgegeven ambtelijke verklaringen, bedekt is gebleven dat in de kas van den gemeente-ontvanger een voortdurend grooter wordend tekort bestond;

dat dat tekort, ten tijde, dat de heer Beffers als , gemeenteontvanger geschorst werd, f82144.80 bedroeg;

dat de gemeente Schiedam van dat tekort eein bedrag van f 42952.30^ heeft terug ontvangen,, te weten :

1. door realiseering van effecten gedeponeerd als borgtocht f23314.85^

2. vervallen coupons — ,> 440.15

3. in beslag genomen jaarwedde ,, 396.68

4. restant borgtocht van C. S. Dijkmans ,, 10000.—

5. vergoeding van het Rijk voor niet uitbetaalde subsidie in de kosten van het middelbaar onderwijs over 1891 „ 1745.63

6. uit den. staat van kennelijk -onvermogen, van den

heer W. Beffers >> 7054.99

totaal f 42952.30Jj

dat de gemeente dus f 39192.49£ schade lieeft geleden, dat dia schade eeir direct gevolg is van gedaagde's tekortkomingen en onware processen-verbaai omdat, bij eene werkelijke controle het, kastekort zou zijn ontdekt op een tijd, waarop het nog gedekt zou zijn geweest door de gestelde zekerheid;

heelt geconcludeerd dat de gedaagde zal worden veroordeeld aan eischer qq. te betalen de som van f39192.49i door hem aan de gemeente Schiedam verschuldigd, met de rente daarvan ad 5 pCt. 'sjaars sedert de dagvaarding en de proceskosten;

O dat de gedaagde, erkennende burgemeester van Schiedam te zijn geweest zoolang W. Beffers als ontvanger dier gemeente fungeerde, tegen deze vordering heeft aangevoerd dat de wet da controle op het beheer van den gemeente-ontvanger niet heeft opgedragen aan den burgemeester, maar aan het college van Burgemeester en. Wethouders;

dat dit college gedurende den tijd, welken. Beffers als gemeente-ontvanger fungeerde, successievelijk heeft bestaan uit drie, vijf en vier leden en daarin op verschillende tijdstippen behalve de gedaagde nog negen andere personen zitting hebben gehad,;

dat alz.00, indien op eenig tijdstip het college ware te kort geschoten in de daaraan opgedragen zorg ten opzichte van het opnemen der boeken en kas van den ontvanger en indien eene civiele actie daaruit mogelijk ware, die alleen zou kunnen, gelicht worden tegen het College dat fungeerde op het oogenblik, waarop gemis aan de vereischte zorg werd geamputeerd, welk college dan verantwoordelijk zou zijn voor zijn eigen tekortkoming;

dat echter de opneming geregeld is geschied blijkens de door den eischer aangehaalde processen-verbaal, welke als authentieke akten volledig bewijs opleveren totdat de valschheid daarvan bewezen is;

dat eindelijk uit het feit dat de gemeente Schiedam op een, bevonden comptabel tekort van f 82144.80 zooveel heelt ontvangen, dat dit tekort tot f 39192.49£ is gereduceerd, geenszins voortvloeit, dat die gemeente eene schade tot dit bedrag zoude hebben geleden;

Op welke gronden de gedaagde heeft geconcludeerd dat de eischer in zijne vordering worde verklaard niet ontvankelijk, immers dat hem die "worde ontzegd, emir expensi»;

O. dat de eischer bij repliek, zijne sustenuen, nader aandringende, heeft aangevoerd dat de gedaagde als lid van het, college van Burgemeester en Wethouders solidair en in ieder geval voor een vijfde deel aansprakelijk is voor de gevolgen van onrechtmatige daden van dit ooilege als waarop de actie is gebaseerd en wijders heeft aangeboden door getuigenbewijs, zoo noodig later aan te vullen door, een verslag van deskundigen, en overlegging van boeken te bewijzen dat gedurende den tijd, welken Beffers ontvanger was, de opneming van boeken en kas van den ontvanger doorloopend slechts in schijn zijn verricht en op de in de dagvaarding vermelde data — in strijd met wat in de processen-verbaal vermeld werd -— boeken en kas in werkelijkheid niet zijn opgenomen;

In rechte:

O. dat naar het oordeel der Rechtbank in de eerste plaat® behoo'it te worden onderzocht of ten deze aan den eischer eene burgerlijke rechtsvordering kan toekomen en eerst bij bevestigende beantwoording dezer vraag te beslissen ware of zoodanige vordering hetzij voor het geheel, hetzij pro parte virili tere t tegen dezen gedaagde is ingesteld; . ,

O. dat de vordering strekt tot vergoeding van de schade, welke de gemeente Schiedam wordt, beweerd te hebben, geleden doordien de gedaagde doorloopend zoude zijn, te kort geschoten in het uitoefenen van controle op liet beheer na er omsc neven als het opnemen der boeken en kas - van den gemeenteuont-

VOg it die controle is eene publiekrechtelijke verplichting, aan Burgemeester en Wethouders bij art. 179 sub ƒ van de gemeentewet opgedragen en dat alzoo, al ware de gedaagde in de vervulling dier verplichting te kort geschoten, daaruit .geene civielrechtelijke actie kon geboren worden;

O. dat na deze beslissing een onderzoek naar de overige middelen van verweer overbodig is te achten;

Gezien het hierboven aangehaalde wetsartikel en art. 56 B. R. ; Verklaart den eischer in zijne qualitait niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering en veroordeelt, hem in de kosten der procedure, aan zijde van den gedaagde tot hiertoe begroot op fl97.02£.

In dit vonnis is door de gemeente Schiedam berust.

Inzender.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM. Derde Kamer.

Zitting van den 21 December 1900.

Voorzitter, Mr. W. G. Loefe.

Rechters, Mrs.: Jhr. J. van Doorn en T. Henny.

Werklieden verzekering door den werkgever.

Waar het hier niet geldt de verzekering van hel leven van iemand ten behoeve van een daarbij belanghebbende, noch een verzekering voor rekening van een derde gesloten,, moet uit de dagvaarding blijken, niet alleen dat eene overeenkomst van verzekering is gesloten en dat de gebeurtenis is ingetreden, waaronder in het algemeen de verplichting tot uitkeering van schadeloosstelling zou ontstaan, maar ook dat door dit feit bepaaldelijk de eischer zelf schade heeft geleden.

Uit het bij dagvaarding gestelde dat de weduwe en de kinderen van den overleden iverkman door het verlies van hun kostwinner schade of verlies hebben geleden, volgt, zonder meer, niet dat de eischer op schadevergoeding aanspraak kan maken.

Het beroep van eischer op de bedingen der polis, blijkens welke hij geacht wordt schade te lijden door een ongeluk aan een zijner werklieden overkomen en hij dus, als verzekeringnemer, betaling der assurantiepenningen kan vorderen, gaat in deze niet op, waar de aangesproken maatschappij is gevestigd in Oostenrijk, in welk rijk de werkgevers, bij ongelukken aan hunne werklieden overkomen, hunne werklieden hebben schadeloos te stellen en daar te lande de wet zelve het materieel belang van den verzekeringnemer bij schadeloosstelling aanneemt, ten einde daarmede op zijn beurt den werkman schadeloos te stellen.

P. J. Vos, scheepsmakelaar te Groningen, eischer, procureur Mr. D. E. Lioni,

tegen

De naaml. veri.ii. „Internationale Verzekering-Maatschappij tegen Ongelukken", gevestigd te Weenen en te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. James van Baalte.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Overwegende wat de feiten aangaat:

dat de eischer heeft gesteld dat hij op 25 Mei 1893 met de gedaagde heeft gesloten eene zoogenaamde collectieve verzekering tegen de materieele gevolgen van ongelukken, {jlood, blijvende of tijdelijke invaliditeit veroorzakende) voor gemiddeld 40 zijner werklieden, ook buiten hun beroep, bestaande in het lossen en laden van stoomschepen bij dag of bij naeht en wel voor den tijd van tien jaren, ingaande 26 Mei 1893 tegen eene netto jaarpremie van f291.60 bij vooruitbetaling te voldoen op 25 Mei van elk jaar;

dat hij ten na te melden tijd als kolenwerker tegen een loon

van f 1.47 Jr per _ dag. -om dienst Jiad R. K. Bindinga, -wonende ta

Delfzijl, geboren 26 Jan. 1842, vader van 4 wettige kindeien;

dat die Binding» in den nacht van 28 op 29 Sept. 1896 in dienst van den eischer werkzaam was aan de lossing van, steenkolen uit het Engelsch stoomschip ,,Aire', liggende te Delfzijl;

dat bij het afliijschen van de loopbrug langs boord van de „Aire" liet hijschtouw brak, tengevolge waarvan de brug op he: hoofd en het lichaam van Bindinga viel, waardoor dezd inwendig zoo zwaar verwond werd, dat hij na li uur is overleden;

dat hij tijdig en behoorlijk aangifte van dit ongeval gedaan, de vereischte vragen beantwoord, zoomede de gevorderde verklaring en stukken aan de gedaagde of haar generaal agentschap overgelegd, kortom alle formaliteiten en voorwaarden voor het verkrijgen van vergoeding, bij de getroffen verzekering voorgeschreven, vervuld heeft;

dat deze vergoeding volgens de overeengekomen assurantiebedingen bedraagt 1000 maal het door den ver zekerde aan den werkman betaald dagloon of f 1474;

dat hij gewettigd is dit bedrag van de gedaagde te vorderen, doch deze in lijnrechten strijd! met den aard der gesloten verzekering en de speciale voorwaarden, waarop die werd aangegaan, hoewel het recht op de schadevergoeding ter zake voormeld erkennende, weigert het bedrag daarvan uit te betalen, anders dan op kwijting van de erven Bindinga, hoedanige kwijting de eischer niet kan en niet behoeft te verschaffen;

en concludeerende hij mitsdien tot veroordeeling van gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om vegen behoorlijke kwijting aan den eischer te betalen de som van f 1475 met de rente over dit bedrag, en in de kosten dezer procedure;

dat de gedaagde heeft gezegd voor antwoord :

dat zij van des eischers posita alleen erkent het sluiten der door den eischer gestelde overeenkomst van verzekering,; echter onder de onsplitsbare bijvoeging, dat deze gesloten werd onder de voorwaarden, vermeld in de aan den eischer uitgereikte polis van 25 Mei 1893, waaronder allereerst het derde lid van § 18, ten opschrift dragende „Prajudizfalle uiid Verjahrrrng", uit welke bepaling voortvloeit dat den eischer, nu Bindinga 28/29 Sept 1896 overleed, en de vordering eerst op 30 Mei 1899 werd aanhangig gemaakt, zijne actie niet kan volgen, als zijnde verjaring ingetreden, immers het vorderingsrecht vervallen, waarop do gedaagde bij deize uit di ukkelij k beroep doet;

dat de "gedaagde voorts geheel subsidiair de niet ontvankelijkheid der ingestelde vordering inroept op grond van d,e eerste zinsnede van het tweede lid van § 16 der voormelde verzekeringsvoorwaarden uit welke voorwaarde toch volgt, dat zij, wier mede-onderteekening der kwitantie volgens de polis vereischt wordt, als litis consortes met den eischer hadden behooren op te treden, althans dat, de eischer aan zijne vordering had behooren te verbinden het uitdrukkelijk aanbod van kwijting door de in § 16 aangeduide, „Angehörige" of van de bij dagvaarding ter loops vermelde vier wettige kinderen van R. E. Bindinga (iscil. van hun wettelijken vertegenwoordiger) terwijl bovendien niet blijkt van het bestaan der bedoelde kinderen, hetgeen almede de vordering vitiëert;

dat in elk geval de eischer geheel ten onrechte en in strijd met de vermelde bepalingen der overeenkomst van verzekering beweert, dat hij de bedoelde kwijting;, welke eene vooirwaarde uitmaakt van het door hem ingeroepen pretens recht, niet beiioeft te verschaffen,;

dat eindelijk de gedaagde ten subsidiairste van de door den eischer gestelde feiten, onder andere nog betwist, dat 'het werkelijk betaalde dagloon van Bindinga f 1.47£ bedroeg, welk dag.

Sluiten