Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijke rechtsvordering, geen revindicatie ex art. 629 B. W. toekomt; dat de koopovereenkomst zooals eischer die ook noemt, niet is gesloten onder een opschortende voorwaarde, daar de levering ieder begrip van opschorting uitsluit, tredend© gedaagde c nog in eene uiteenzetting omtrent de overeenkomst, onder bij- 1 voeging dat eischer niet is eigenaar van voorbedoelde goederen, o dat gedaagde op de sommatie antwoordt, dat bij verklaart te ontkennen alles, wat door hem in deze niet is erkend; d)at hem g thans verder bewijs overbodig blijikt, maar in elk geval het hem voorkomt dat .het gedaan bewijsaanbod niet behelst eene dui- t deüjke omschrijving der te bewijzen feiten, noch ter zake die- \ nende of afdoende is met persistit bij' zijn genomen conclusie; ^

O. dat partijen daarna ter rolle recht op de stukken hebben gevraagd;

(X in rechte:. 1

wat het door gedaagde voor gestelde middel van niet-ontvan- £ kelijkheid betreft;

dat — naar aanleiding van hetgeen in de dingtalen is gesteld, \ in verband met het door eischer overgelegde en aan gedaagde s beteekende request aan den president dezer Rechtbank van den ] 12den April 1900 met diens daarop op dien datum gestelde beschikking, houdende verlof tot het leggen van revindicatoir beslag onder gedaagde op de in dat request, en later ook in de < dagvaarding omschreven roerende goederen — tusschen par- < tijen als vaststaande mag worden aangenomen, dat in 1898 tus- i schen haar is gesloten eene overeenkomst, waarbij eischer aan i gedaagde verkocht en gedaagde van hem kocht voorbedoelde, te 1 zamen f 485.90 waar dig zijnde goederen, edoch onder de voorwaarden, dat gedaagde den prijis dier goederen aan eischer zoude betalen in 'maandelijksche termijnen van f20, te beginnen met den derden Juni 1898 en zoo vervolgens, eiken derden der maand ;

dat die goederen het eigendom van eischer z ouden b 1 ijven totdat zij geheel door gedaagde aan eischer zouden zijn betaald;

dat gedaagde die goederen tot zoolang niet mocht verkoopen, of vervreemden:, inoqh zonder schriftelijke toestemming van eischer, verpanden, in bewaring of in bruikleen geven noch naar eene plaats buiten 'sQravenhage vervoeren;

dat bij niet betaling van een termijn op den overeengekomen tiid eischer het recht zou hebben om, zonder in gebrekestelling of eenige andere gerechtelijke aanzegging, öf de goederen als zijn eigendom terug te vorderen, en de overeenkomst terstond als van rechtswege ontbonden te beschouwen, öf alle termijnen als vervallen te. beschouwen en het geheele nog verschuldigde bedrag gerechtelijk in te vorderen;

O. dat uit het tusschen partijen overeengekomene alzoo bigkt, dat eischer zoude hl ijl ven eigenaar der bedoelde goederen, tot dat of tot zoolang de gedaagde den prijs dier goederen in zijn geheel, aan eischer zou hebben voldaan;

dat nu tusschen pairtijen is buiten geschil, dat sinds Februari 1899, alzoo ook ten tijde der dagvaarding, de gedaagde dien prijs nog niet aan eischer ten volle heeft afbetaald;

dat mitsdien de eischer moet geacht worden alsnog eigenaar der goederen te zijn en dit alzoo vaststaat;

O. dat hiertegen niets1 afdoet de omstandigheid dat eischer de goederen aan gedaagde heeft geleverd;

dat toch, met het oog op het bepaalde in de overeenkomst en ter uitvoering daarvan, die levering niet anders is geweest, dan eene feitelijke levering, vereischt o'ui gedaagde in liet feitelijk bezit der goederen te stellen — die goederen door hem te laten gebruiken, terwijl gedaagde van zijn kant zich van zijne verplichting tegenover eischer zou kunnen kwijten door afbetaling van den prijs, om alsdan in den eigendom der goederen te kunnen treden;

dat die levering derhalve niet was eene overdracht yan eigendom, door eischer aan gedaagde, welke eigendom bij1 eischer verbleef, in voege als hierboven overwogen;

O. dat verder moet worden beantwoord de vraag ^ of eischer als eigenaar der goederen terecht toekomt de vordering, zooals die door hem is ingesteld, de revindicatie, in den vorm van een beslag, of eischer dit recht heeft, zoolang de overeenkomst dooiden rechter niet is ontbonden;

O. dat, volgens de overeenkomst, de eischer het recht heelt bij nietbetaling.... öf de goederen als zijn eigendo'm terug te vorderen, en de overeenkomst terstond als van rechtswege ontbonden te oeschouwen öf enz.;

dat het in de overeenkomst bepaalde „als van rechtswege ontbonden te beschouwen" naar het oordeel der Rechtbank — vooral in casu en met het oog op hetg,een hierna nog zal worden overwogen — niet geacht kan worden 'mede te blen^, dat daardoor de toepasselijkheid van de bepaling van art. B. W. zou worden uitgesloten en buiten effect gesteld;

dat immers, volgens dat artikel zelfs indien de ontbindende voorwaarde wegens het niet nakomen der verplichting, in de overeenkomst mocht zijn uitgedrukt, toch de aanvraag tot ontbinding in rechte moet worden gevraagd;

dat nn in casu de eischer zulks niet heeft gedaan, maar rauwelijks de revindicatie heeft ingesteld; . . .

dat eischer in die, alzoo ingestelde vordering niet is ontvankelijk ;

O. dat eischer — die zelfs niet beweert dat de overeenkomst, als gevolg van. de wanpraestatie van gedaagde, per se als van zelf dadelijk zou zijn ontbonden of vervallen, of dat die dooi haar inhoud zoude derogeeren of zou bedoelen te derogeeren aan de bepaling van art, 1302 B. W. of dat 's rechters tusschenkomst niet zou behoeven te worden gevraagd — bij repliek op het verweer van gedaagde, nu wel stelt, dat hem als eigenaal dei goederen, onafhankelijk van eenige ontbinding der overeenkoms de revindicatie toekomt: krachtens art. 629 B. W., doch ten onrechte; _ ...

dat eischer immers daarbij vergeet of voorbij ziet, dat hij bij dagvaarding ageert uit de overeenkomst en zich niet tegelijk van die overeenkomst kan losmaken;

O. dat uit 't bovenstaande volgt, dat een onderzoek naar hetgeen verder in de dingtalen nog is aangevoerd, achterwege kan

blijven; _. , ,

O alsnog, dat gedaagde op de dagvaarding ten dienende dage, den'eersten Mei 1900 in rechte niet is verschenen, waarop eischer heeft geconcludeerd, nadat op diens verzoek tegen gedaagde verstek was verleend; . , dat gedaagde echter vóór de door eischer gevraagde uitspraaR alsnog in rechte is verschenen, waardoor, naai1 luid van art. o9<7 jo. art. 89 B. R., de gevolgen van het tegen hem verleend verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten, waarop art. 89 B. R. toepasselijk is, welke kosten gedaagde alzoo heeft te dragen;

Recht doende:

Verleent aan eischer de gevraagde akte;

Verklaart' eischer niet-ontvankelijk in zijne vordering: en veroordeelt hem in de proceskosten aan zijde van gedaagde tot deze uitspraak begroot op f70, waaronder niet begrepen die kosten door het verstek veroorzaakt, welke aan zijde va.n eiscliei worden begroot op f 15 en vallen ten laste van gedaagde.

Het Hof;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien ;

Gezien de stukken voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bepaald een vonnis den 23sten Oct. 1900 door de Arrond. -Rechtbank gewezen tusschen appellant als eischer en geïntimeerde als gedaagde;

Overwegende ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedure:

dat het Hof zich gedraagt aan en overneemt de daartoe betrekkelijke overwegingen voorkomende in voornoemd vonnis, bij welk vonnis de oorspronkelijk eischer niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vordering en hij in dei proceskosten werd verwezen ;

dat de oorspronkelijk eischer, nu app., van dit vonnis isi gekomen in hooger beroep met dagvaarding van den oorspronkelijk gedaagde, nu geint., voor dit Hof;

dat partijen hare wederzijdsche beweringen bij conclusie hebben uiteengezet en daarbij hebben geconcludeerd gelijk aan het slot daarvan is vermeld, waarna partijen over en weder de zaak hebben bepleit;

O. in rechte:

dat app. als grief tegen het bestreden vonnis heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte de tusschen partijen gesloten overeenkomst als nog bestaande heeft beschouwd en op grond daarvan den eischer in zijne door hem ingestelde revindicatie niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl in ieder geval hetzij die overeenkomst als ontbonden of nog niet ontbonden moet worden beschouwd, dit van geen invloed had mogen zijn op de ontvankelijkheid der actie, omdat niet uit de overeenkomst is "eageerd, gelijk het vonnis ten onrechte aanneemt, doch de eischer zyn eigendomsrecht als grondslag zijner vordering heeft vermeld;

O. hieromtrent dat tusschen partijen vaststaat, dat tusschen hen is gesloten eene overeenkomst van koop en verkoop van eenige goederen, waarvan de koopprijs zou worden betaald in maandelijksche termijnen en waarbij die goederen wel aan den lcooper zouden worden geleverd, doch het eigendom zouden blijven van den verkooper, totdat de koopprijs geheel zou zijn betaald, terwijl ook nog werd bedongen, dat de verkooper bij wanbetaling van den koopprijs het recht zoude hebben om zonder eenige ingebrekestelling of eenige andere gerechtelijke aanzegging de overeenkomst terstond als van rechtswege ontbonden te beschouwen en de goederen als zijn eigendom terug te vorderen;

O. dat partijen door het opnemen in de overeenkomst van deze laatste clausule klaarblijkelijk hebben willen afwijken van de bepaling voorkomende in al. 3 van art. 1302 B. W, waartoe zij volkomen bevoegd waren, wijl partijen alleen dan niet van wettelijke voorschriften vermogen af te wijken, wanneer deze betreffen de openbare orde of de goede zeden hetgeen blijkens de geschiedenis van dit artikel met deze bepaling niet het geval is;

dat toch de wetgever dit voorschrift heeft gegeven niet om rechtszekerheid te verschaffen, in welk geval het algemeen belang der maatschappij; daarbij betrokken zoude zijn en het eene bepaling van openbare orde zou kunnen worden geacht, doch alleen in het belang van partijen, daar de Regeering het als eene hardigheid beschouwde, dat eene vei bintenis door het bloot gebrek van uitvoering van de eene zijde en zonder tusschenkomst van den rechter zoude vervallen;

dat nu door bovenstaande clausule die zeer categorisch en duidelijk is, pairtijen in geval van wanbetaling elke rechterlijke tusschenkomst voor de ontbinding der overeenkomst liebben willen afsnijden;

dat de app. nu ook nog wel heeft aangevoerd, dat, al ware de overeenkomst niet ontbonden, dit zijne ontvankelijkheid toch niet zou hebben gedeerd, wijl zijne actie niet op die overeenkomst gegrond is doch op zjjn eigendomsrecht en hij d!us 'met die overeenkomst niets te -maken heeft, maar deze redeneering in casu niet kan opgaan, waar eischer zelf - al moge het dan ook alleen tot bewijs van zijn eigendomsrecht zijn — zich op die overeenkomst heeft beroepen en waar uit die overeenkomst blijkt, dat gedaagde krachtens die overeenkomst het recht heeft, zoolang die overeenkomst verbindende is, die goederen onder zich te houden en hij. die niet aan den rechtmatigen eigenaar1 behoeft af te o-even en dus volgens de eigen posita van eischer zijn recht tot terugvorderen eerst na ontbinding dier overeenkomst kon werken;

O. dat door de door geint. erkende en dus in rechte vaststaande wanbetaling aan zijde van ^eint. de overeenkomst krachtens bovenstaande clausule als van rechtswege ontbonden moet worden beschouwd en de app-/, oorspronkelijk eischer, mitsdien ontvankelijk is in zijne vordering ;

O. dat geint. de vordering zelve niet heeft bestredfen en deze alzoo' zal behooren te worden toegewezen;

Gezien art. 56 B. R. :

Recht doende in hooger beroep: ^

Vernietigt het vonnis op den 23sten Oct. 1900 dooi de A rond.-Rechtbank te 'sGravenhage tusschen partijen >

Verklaart app., oorspronkelijk eischer, ontvankelijk m zijne

Verklaart van waarde het op den 13den April 1900 door den deurwaarder G. l' stapelkant te 's Gr.avenliage ^krachteiis„ presidiaal verlof gelegd revindicatoir beslag op ■ g van dat beslag opgömaakt proces-verbaal nader omschreven;

Beveelt dat die in beslag genomen goederen aan den app., oorspronkelijk eischer zullen worden teruggegeven;

Veroordeelt den geint., oorspronkelijk gedaagde malle kosten van het geding, zoowel in die in eersten aanleg als op het hooger beroep gevallen;

Begroot die kosten met inbegrip der verschotten aan zijde van app. in eersten aanleg op f 100 en m hooger beroep tot aan deze uitspraak op f125.

In gelijken zin het hieronder vermelde vonnis der Rechtbank te Amsterdam.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

: ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM.

<■

Eerste Kamer.

Zitting van den 29 Januari 1901.

Voorzitter, Mr. A. Wichers Hoeth.

Rechters, Mrs.: J. J. A. L. Beuns en P. Coninck Westenberg

e

[i Artt. 1278, 1302, 1303 B. W. — Afstand bij overeenkomst

van het vragen van ontbinding in rechte. — sommatie.

De bepalingen van de artt. 1302 en 1303 B. W. tijri niet van openbare orde, maar vastgesteld in het belang van partijen en hebben betrekking op de rechten dier partijen die, als zij bekwaam zijn eene overeenkomst te sluiten, ook bekwaam zijn van de wettelijke voorschriften, in die artikelen vervat, afstand te doen.

Waar het huurcontract het hooien na 1 September verbiedt en de verhuurder stelt dat, in strijd met het verbod, is gehandeld is, krachtens art. 1278 B. Wgeen sommatie noodig.

Hiertegen kan niet afdoen, dat het huurcontract ook in dit geval eene „eenvoudige sommatie''' voorschreef, omdat de vordering steunt op positieve handelingen in strijd met de huurovereenkomst, terwijl buitendien, nu het huurcontract niet zegt wat de „eenvoudige sommatie" moet inhouden, zij ook kan worden opgevat in den zin van kennisgeving na constateering, in welken zin opgevat, de huurder in deze aan zijne verplichtingen heeft voldaan.

a H. Wolff, grondeigenaar te Amsterdam, eischer, procureur Mr. C. D. Asser Jr.,

tegen

E. Eikelhof te Watergraafsmeer, gedaagde, procureur Mr. D. E. Lioni.

b E. Eikelhof, veehouder te Watergraafsmeer, eischer, procureur Mr. D. E. Lioni,

tegen

H. Wolff te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. C. D. Asser J'e.

De Rechtbank;

Gelet op de beschikking dezer Rechtbank van den 21sten Xov. 1900, waarbij op eenstemmig verzoek van de procureurs in de zaken a en b, die zaken werden gevoegd1;

Gelet op de conclusiën namens partijen genomen, 'mondeling toegelicht voor eischer en gedaagde Wolff door diens procureur, voor eischer en gedaagde Eikelhof door Mr. J. Kappeijne van de Coppello ;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten: lil zaak a :

'Overwegende dat eischer bij dagvaarding en opgevolgde, daarmede overeenstemmende conclusie van eiscli stelt:

dat gedaagde te rekenen van den lsten Nov. 1899 heeft overgenomen met al de lusten en lasten, en sedert als huurder tegenover eischer staat, het tegelijk met de dagvaarding beteekend huurcontract (gratis gereg. enz.) gesloten tusschen eischer ais verhuurder en W. de Rooij als huurder, op dezelfde conditiën, met deszelfs lusten en lasten van de boerderij „Rust van Onrust" gelegen in den Groot Duiveiidrechtschen polder aan de W eespervaart, gemeente Ouder-Amstel, welk huurcontract was aangegaan voor den tijd van tien achtereenvolgende jaren, ingaande voor het land op den lsten Jan. 1893 en voor de huismanswoning op den lsten Mei 1893 en mitsdien eindigende respectievelijk op 31 Dec. 1902 en 30 April 1903;

dat onder meer by voormeld huurcontract is bedongen, dat het hooien niet later dan den lsten Seipt. zal mogen geschieden (art. 4) terwijl aan den verhuurder, bij gebreke van nakoming der bepalingen, door dten huurder het recht is toegekend de huur onmiddellijk als ontbonden te beschouwen zonder anderrechtsmiddel te bezigen, dan een eenvoudige sommatie, wordendede huurder geacht van het bepaalde bij art. 1302 al. 3 B. W. te hebben afstand gedaan, blijvende hij bij dergelijke ontbinding aansprakelijk voor vergoeding van kosten, schaden en interessen;

dat eischer heeft moeten ondervinden, dat gedaagde, in strijd met zijne voormelde verplichting, op het hem verhuurd land na den lsten Sept. 1900 heeft gehooid b^jna dagelijks, in elk geval verscheidene malen en over eene uitgestrektheid van verscheidene bunders, op grond waarvan eischer, gebruik wenschende te 'maken van zijn bovenomschreven recht, den gedaagde bij exploit van den deurwaarder Abspoel van 31 Oct. 1900 heeft doen aanzego-en, dat hij de tusschen hem en gedaagde bestaande huurovereenkomst als ontbonden van laatstgenoemden datum af wenscht te beschouwen, met sommatie aan gedaagde om het verhuurde binnen acht dagen na den 31sten Oct. 19001 te ontruimen en aan eischer te diens genoegen op te leveren;

dat door gedaagde aan laatstgemelde so'ormatic tot aan den dag der dagvaarding niet is voldaan;

dat door eischer tengevolge van gedaagde's wanpraestatie schade is geleden en nog zal worden geloden;

Op welke gronden door eischer is geconcludeerd tot ontruiming, tot uitvoerbaarverklaring van het vonnis, voor zooveel de ontruiming betreft, bij voorraad, tot schadevergoeding op te maken bij staat en tot veroordeeling van gedaagde in de proceskosten;

ö. dat gedaagde bij' conclusie van antwoord, concludeerende tot niet-ontvankelijk verklaring, althans ontzegging cu'm expensis, tegen die vordering des eischers heeft ingebracht;

dat zij is niet ontvankelijk, daar het gestelde beding betreffende ontbinding van rechtswege zou zijn nietig, als in strijd met een wettelijke bepaling van dwingend recht en daarenboven bij gebreke van de sommatie, die, volgens den eischer, als rechtsmiddel om tot die ontbinding te geraken wordt vereischt;

dat van het bij dagvaarding gestelde alleen dit waar is, dat de opdaagde sedert 1 Nov. 1899, voor overeengekomen tijd' en prijs, mondeling van den eischer heeft gehuurd de hofstede „Rust van Onrust" die vroeger door de weduwe de Rooij! als huurderes werd bewoond;

dat gedaagde niet heeft „overgenomen" het bij dagvaarding bedoelde huurcontract, van hoedanige overname overigens uitdrukkelijk zou moeten blijken;

dat wel is waar de eischer in het begin van 1900 den gedaagde heeft voorgesteld om aan te gaan en te teekenen een huurcontract, wat de nevenbedingen betreft gelijkluidend aan die vernield in de akte, waarvan met de dagvaarding een afschrift aan den gedaagde is beteekend, doch dit voorstel door dezen alleen onder een niet vervulde voorwaarde is aangenomen;

dat immers de gedaagde, onder meer, bezwaar liad tegen liet aangaan van een verplichting, als wordt omschreven in art. 8 van bedoeld huurcontract, wanneer de eischer het gehuurde, dat in geheel verwaarloosden toestand verkeerde en nog verkeert, niet vooraf in behoorlijken staat van onderhoud had gebracht;

dat hierover onderhandelingen zijn gevoerd, doch deze niet tot eenig resultaat hebben geleid;

dat dus de bedingen, waarop de eischer zich beroept, niet tusschen partijen gelden;

dat de gedaagde bovendien nadrukkelijk ontkent, dat hij het door hem gehuurde land na 1 Sept. 1900 heeft gehooid, zooals

Sluiten