Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwens, met het oog op de weersgesteldheid onmogelijk zon zijn geweest;

O. dat de procureur des eischers:

1°. daarna in het geding heeft gebracht een ongeteekend stuk, waarvan de inhoud luidt:

„Hiermede verklaar ik het huurcontract bestaan hebbende tussehen den heer H. Wolff en wed. W. de Rooy van de boerderij „Rust en Onrust" op dezelfde conditiën met deszelfs lusten en lasten op 1 Nov. 11. overgenomen te hebben en geef ik tevens order aan den heer Wolff een huurcontract voor gezamenlijke rekening, bij den heer notaris Krabbendam te doen opmaken in denzelfden geest van bovengenoemd contract, Watergraafsmeer 30 5Tov. 1899 (get.) E. Eikelhof, ongeteekend n°. 91, geregistreerd enz.";

2°. ter terechtzitting akte heeft gevraagd, dat eischer aanbiedt, door alle middelen rechtens te bewijzen, dat gedaagde op het hem verhuurd land na 1 Sept. 1900 heeft gehooid, bijna dagelijks, in elk geval verscheidene malen en over eene uitgestrektheid van verscheidene bunders;

O. dat ter terechtzitting daarna namens den bedaagde is gezegd :

dat de echtheid van het laatstelijk door eischer geproduceerd stuk niet wordt betwist, ook niet wat den inhoud betreft, en dat gedaagde geen bezwaar heeft dat eischer eventueel tot het door hem aangeboden bewijs worde toegelaten;

In zaak b: __

O. dat eischer bij dagvaarding en opgevolgde, daarmede overeenstemmende, conclusie van eisch stelt:

dat hij den gedaagde bij proces-verbaal van den deurwaarder Menagé Challa dd. 1 Nov. 1900 heeft doen aanbieden:

1°. voor hoofdsom een bedrag van f 700;

2°. voor onvereffende kosten een bedrag van f 1; onder voorbehoud van nadere vereffening', ten einde te strekken tot voldoening der door eischer aan gedaagde op voormelden 1 Nov. 1900 verschuldigde huurpenningen ter zake van de toen van den gedaagde bij eischer in huur zijnde boerderij „Rust van Onrust", cum annexis;

dat gedaagde de in voege voormeld aangeboden gelden niet heeft aangenomen;

dat eischer daarop het aangeboden bedrag met de sedert vervallen rente der hoofdsom bij. proces-verbaal van laatstgenoemden deurwaarder dd. 2 Nov. 1900 heeft doen consigneeren ten kantore van den Ontvanger der Registratie van de gerechtelijke akten en houder der kas van de gerechtelijke en vrijwillige consignatiën te Amsterdam, welk proces-verbaal bij cxploic van dien deurwaarder dd. 3 Nov. 1900 'aan den gedaagde is beteekend;

dat de eischer gerechtigd is de van waarde-verklaring van voormeld aanbod, gevolgd door consignatie, te vorderen;

Op welke gronden eischer heeft geconcludeerd, dat bij) vonnis uitvoerbaar bij: voorraad, van waarde worde verklaard voormeld aanbod, gevolgd door consignatie, 'met veroordeeling van gedaagde in de kosten dezer procedure, daaronder begrepen die van voormeld aanbod en daarop gevolgde consignatie;

O. dat gedaagde, concludeerende tot ni et-on tv ai) ke] ij k verklaring, althans tot ontzegging der vordering, cum expensis, bij conclusie van antwoord tegen die vordering heeft aangevoerd:

dat de door eischer bedoelde termijn huurpenningen per 1 Nov. 1900 ter zake van dé boerderij. „Rust van Onrust" niet verschuldigd is, daar gedaagde gebruik 'makende van het hem bij de huurovereenkomst betreffende die boerderij toegekend recht, bij exploit van 31 Oct. 1900 den eischer heeft doen aanzeggen, dat hij, op de gronden in dat exploit vermeid, gezegde huurovereenkomst, te rekenen van bedoelden datum, wenscht ontbonden te beschouwen, en gedaagde dan ook eene vordering tot ontruiming van het gehuurde tegen den eischer bij deze Rechtbank heeft aanhangig gemaakt;

dat derhalve het door eischer gedaan aanbod ten onrechte is geschied en Voor de gevorderde van waarde-verklaring geene teimen bestaan;

Wat het recht betreft:

In zaak a:

O. dat bij het schriftelijk huurcontract, door eischer in het geding gebracht, aan gedaagde beteekend en waarvan het relaas der registratie luidt als boven is vermeld, in art. 14 o. a. is bepaald', dat de verhuurder het recht heeft, bij gebreke van nakoming der bepalingen in het contract vermeld, de huur onmiddellijk als ontbonden te beschouwen, zonder ander rechtsmiddel ta bezigen dan een eenvoudige sommatie, wordende de huurder geacht van bet bepaalde bij art. 1302 al. 3 B. W. te hebben afstand gedaan, en dat de huurder bij dergelijke ontbinding, aansprakelijk is voor vergoeding van kosten, schaden en interessen;

O. dat gedaagde tegen de gevorderde ontruiming, die gebaseerd is op ie ontbonden zijn van het huurcontract, doordien gedaagde m strijd handelde met eene der bepalingen van art. 4 van het contract heeft voorgesteld twee middelen van niet-ontvankelijkheid, door aan te voeren:

1° dat dc'-gelüke r^tbinding van rechtswege is nietig, als in strijd met de wettelijke bepalingen van dwingend recht-

2°. dat de sommatie, d,e als rechtsmiddel om tot de'ontbinding te geraken wordt vereischt, niet heeft plaats gehadO. ad lum: '

dat de bepalingen van de artt. 1302 en 1303 B. W. van welke in het eerste artikel wordt gezegd', dat de overeenkomst, in geval een dér partijen aan haar verplichtingen niet voldoet niet van rechtswege is ontbonden, maar de ontbinding in rechten moet worden gevraagd, ook zelfs indien de ontbindende voorwaarde in de overeenkomst mocht zijn uitgedrukt niet zijn van openbare orde, integendeel zijn vastgesteld in het belang van partijen en betrekking hebben op de rechten dier partijen, die, als zij bekwaam zijn om overeenkomsten te sluiten, ook bekwaam zijn van de wettelijke voorschriften in die artikelen vervat, afstand te doen;

O. ad 2um:

dat ingevolge de bepaling van art. 4 van het huurcontract, het hooien niet later dan 1 Sept. zal mogen geschieden;

dat, waar eischer nu stelt, dat de huurder in strijd met art. 4 heeft gehandeld, door te hooien na 1 Sept., ten deze geen sommatie noodig- was krachtens de bepaling van art. 1278 B. W. : dat nu wel is waar het huurcontract toch ook in dit geval een „eenvoudige sommatie" vereischt, doch dat, waar die vordering gebaseerd werd met op verzuimen der wederpartij in de nakoming harer verplichtingen, doch op positieve handelingen dier partij, die met haar verplichtingen in strijd waren, "de eischer in de onmogelijkheid verkeerde, althans, kan hebben verkeerd, om den gedaagde te sommeeren zijne handelingen te staken, welke staking trouwens den eischer niet zoude hebben belet de onderhavige vordering in te stellen;

dat buitendien, nu meergemeld art. 4 niet zegt wat „de eenvoudige sommatie" moet inhouden, zijl kan worden opgevat in den zin van „kennisgeving na oonstateering", en dat in dien zin opgevat, waarvoor te meer reden is, omdat een wezenlijke sommatie geen effect voor den gedaagde zou kunnen doen sorteeren, eischer aan zijne verplichting heeft voldaan, daal- li\j immers

bij exploit van 31 Oct. 1900 den gedaagde heeft, doen aanzeggen dat deze eene der bepalingen van het huurcontract heeft overtreden, dat de huurovereenkomst is ontbonden en hem heeft gesommeerd het gehuurde te ontruimen; .

O. dat dus de voorgestelde middelen van niet-ontvankeqjkheid moeten warden verworpen en eischer mitsdien ontvankelijk is in zijn vordering;

O. dat gedaagde, na eerst de middelen van niet-ontvankelijklieid te hebben ontleend aan het door eischer in het geding gebracht huurcontract, daarna ontkend heeft, dat dit contract tussehen partijen geldend zou zijn, bewerende, dat hij mondeling van eischer de bewuste hofstede zou hebben gehuurd;

O. dat echter dit verweer alle belang verliest en moet geacht worden te zijn ingetrokken nu namens gedaagde ter terechtzitting is erkend:

„dat hij, gedaagde, het huurcontract tussehen den heer Heijman Wolff en de wed1. W. dé Rooij (lees1 en W. deRooij) den oorspronkelijken huurder — van de boerderij „Rust van Onrust" op dezelfde conditiën met deszelfs lusten en lasten op 1 Nov. 1899 heeft overgenomen" ;

O. dat hieruit dus blijkt en volgt, dat gedaagde wel heeft overgenomen het bij dagvaarding bedoelde huurcontract — wat hij aanvankelijk ontkende — en dat de bedingen, waarop eischer zich beroept, ook tussehen deze partijen gelden;

0. dat gedaagde wijders wel is waar heeft ontkent „dat hij het door hem gehuurde land na 1 Sept. 1900 zou hebben gehooid", doch deze ontkentenis bij pleidooi door zijn raadsman in dier voege heeft- toegelicht, dat het maaien van gras op het gehuurde land en het inkuilen van dat gras voor groenvoeder, hetwelk hij erkent na 1 Sept. 1900 gedaan te hebben, geen „hooien ' is en dus geen© overtreding van art. 4 van het huurcontract oplevert;

O. hieromtrent, dat de bedoeling van het in art. 4 omschreven verbod geen andere is, dan de uitputting van het weiland, die van het grasmaaien in het najaar het gevolg kan zijn, te voorkomen;

dat derhalve, met het oog op de ratio van dit verbod, daaronder elk oogsten van grasgewas door middel van maaien moet worden begrepen en daaronder niet alleen die bijzondere wijze van grasoogsten is te verstaan, welke in den regel met het woord „hooien" wordt aangeduid;

dat het immers voor den verhuurder en het onderhoud van diens weiland geen verschil maakt of het gemaaide en geoogste gras als gras ingekuild, of, als het weder dit toelaat, als hooi binnengehaald wordt;

O. dat de gedaagde dus in elk geval, blijkens zijn eigen erkentenis, bedoeld art. 4 heeft overtreden, zoodat het namens den eischer aangeboden getuigenbewijs als overbodig kan worden voorbijgegaan en den eischer zijne vordering moet worden toegewezen ;

In zaak b :

O. dat partijen ten aanzien dier vordering eigenlijk niet in verschil verkeeren, door gedaagde niet is betwist, dat het aanbod van gereede betaling alles omvat wat mogelijk verschuldigd zou kunnen zijn en dat bij dit aanbod, zoowel als bij de consignatie, al de formeele vereischten zijn in acht genomen, terwijl zij. het wijders eens zijn, dat dit aanbod van waarde zou moeten worden verklaard, als eischer in zaak a in zijn vordering succumbeeren mocht, doch dat integendeel de vordering zal moeten worden ontzegd, of eischer daarin niet-ontvankelijk verklaard, als eischer in zaak a in zijne vordering triumfeert;

O. dat dit laatste geval aanwezig zal zijn en dat dus, daar de bedoelde termijn huurpenningen door eischer aangeboden en geconsigneerd, door hem niet verschuldigd is ,het aanbod] dientengevolge door hem ten onrechte is geschied en er dus ook geen termen zijn om dat aanbod van waarde te verklaren, die vordering aan eischer moet worden ontzegd als zijnde ongegrond;

Recht doende:

In zaak a:

Verleent akte, waarvan akte werd' gevraagd;

Gaat voorbij het door eischer aangeboden getuigenbewijs;

Verklaart hem ontvankelijk in zijne vordering;

Wijst zijne conclusiën van eisch toe;

Veroordeelt den gedaagde om het gehuurde met alle daarin aanwezige personen en goederen, voorzoover deze laatsten het eigendom van eischer niet zijn, binnen tien dagen na de beteekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en met overgifte der sleutels ter vrije beschikking van den eischer te stellen;

Machtigt den eischer, om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven, de ontruiming: te doen uitvoeren, desnoods met de hulp van de sterke macht;

Veroordeelt "den gedaagde om aan den eischer te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, door dö wanpraestatie van den gedaagde en het dientengevolge eindigen der huurovereenkomst, reeds gehad en geleden en nog te hebben en te lijden, nader op te maken bij staat;

Verklaart dit vonnis, wat de ontruiming betreft, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoogere voorziening, mits door eischer borgtocht wordt gesteld, die, bij eenige voorziening tegen dit vonnis, binnen acht dagen daarna moet worden aangeboden en binnen acht dagen na het aanbod, aangenomen of betwist ;

Veroordeelt den gedaagde in de kosten op dit rechtsgeding gevallen, begroot aan de zijde des eischers tot de uitspraak van dit vonnis op f 82.67^;

In zaak b :

Verstaat, dat eischers gedaan aanbod van gereede betaling ten onrechte is geschied en "dat er mitsdien geen termen zijn dat aanbod, gevolgd' door consignatie, van waarde te verklaren;

Ontzegt mitsdien den eischer zijne vordering;

Veroordeelt hem in de kosten daarop gevallen, begroot aan zijde des gedaagden tot de uitspraak van dit vonnis op f32.52£;

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

FISCAAL STRAFRECHT. - VOORTGEZET MISDRIJF.

In W. 7609 bestrijdt Mr. P. H. Loeff de critiek, onder bovenstaand opschrift in W. 7604 door mij uitgeoefend, op een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, waarbij is aangenomen, dat ongedekte uitslag van gedistilleerd uit eene branderij^ en daarop gevolgd ongedekt vervoer van dit gedistilleerd als ééne voortgezette handeling moeten beschouwd worden, in den zin van art. 56 Strafrecht, met dit gevolg dat voor beide feiten slechts ééne straf kan worden opgelegd.

Dat de twee feiten elk op zich zelf bij de wet voorzien en gestraft worden en dus elk op zich zelf misdrijf opleveren, betwist mijn geachte confrère niet en zou ook lastig te betwisten zijn. Hij betwist evenmin, dat, om aan eene voortgezette handeling te kunnen denken, gelijksoortigheid dei¬

feiten gevorderd wordt. Hij betoogt integendeel uitvoerig, met beroep op de door mij aangehaalde gesehiedenis, litteratuur en jurisprudentie, dat die gelijksoortigheid een noodzakelijk vereischte is. Zijn bestrijding komt hierop neer, dat, volgens hem, ten onrechte door mij niet gelijksoortigheid der feiten, maar gelijksoortigheid der misdrijv en naar kun qualificatie wordt gevorderd. Dit laatste is onjuist, zegt hij : „Gelijksoortigheid wordt gevorderd, maar niet gelijksoortigheid der misdrijven naar hun qualificatie, maar gelijksoortigheid der handelingen, zonder meer". En dan tracht hij te betoogen, dat de handelingen gelijksoortig waren, al waren de misdrijven het niet.

Dit is zuiver woordenspel. Gelijksoortige feiten kunnen nimmer anders dan gelijksoortige misdrijven opleveren, wat Mr. Loeff er ook van zegge. Zijne uitspraak: „Feiten kunnen zijn gelijksoortig en toch ongelijksoortige misdrijven vormen naar hun qualificatie" is een valsch aphorisme, waarmede hij zelf in tegenspraak is wanneer hij later zegt: „Het spreekt van zelf, dat ongelijksoortige misdrijven worden gevormd door ongelijksoortige handelingen". "Wat bepaalt de aard, de qualificatie van een misdrijf? De vereeniging, het samenstel deifeiten die zich voordoen. Waar de feiten gelijksoortig zijn, kan bij geen mogelijkheid de qualificatie verschillend wezen. Het is dus onverschillig of wij spreken van gelijksoortigheid der feiten, of van gelijksoortigheid der misdrijven naar hun qualificatie. Beide gezegden drukken volkomen dezelfde gedachte uit.

Zoo begrijpt het ook Prof. van Hamel waar hij, ter plaatse vroeger door mij aangehaald, schrijft: „Maar de wet zelve eischt ook m. i. gelijksoortigheid van de delicten, naar hun qualificatie". En de memorie van toelichting, mede ter plaatse door mij aangehaald, na als vereischte gesteld te hebben de vereeniging van meerdere gelijksoortige feiten, laat er op volgen: „Het plegen van in aard geheel verschillende misdrijven, hoe spoedig die ook op elkander zijn gevolgd, kan nooit worden beschouwd als de uitvoering van één en hetzelfde ongeoorloofd opzet".

Ik meen trouwens te hebben aangetoond, dat de uitslag uit de branderij en het vervoer ongelijksoortige misdrijven zijn, niet slechts omdat zij door de wet verschillend worden gequalificeerd, maar ook omdat zij uit verschillende eigenaardige materieele feiten gevormd worden. Beiden mogen bestaan in de verplaatsing van gedistilleerd; wat hen van elkander onderscheidt is, dat de uitslag is eene verplaatsing binnen de muren der branderij tot over haar grens, terwijl het vervoer is eene verplaatsing op open terrein. Men zal dit misschien slechts eene nuance noemen, maar in de nuances ligt, in den regel, op strafrechtelijk gebied de beoordeeling van den aard der misdrijven gelegen. Mr. Loeff spreekt hiervan natuurlijk niet. Hij doet de handelingen als volkomen gelijksoortig voorkomen. „De handeling, zegt hij, veranderde, toen de uitslag vervoer werd, absoluut niet van karakter".

Ik zou in herhaling moeten vallen, indien ik al de onderdeelen van de beschouwingen van mijn confrère wilde wederleggen. Ik verlang slechts op nog twee punten de aandacht te vestigen.

Mr. Loeff beroept er zich op, dat, evenals in het arrest van het Hof, ook in eene conclusie van het Openbaar Ministerie bij den Hoogen Raad het gevoelen wordt uitgedrukt, dat uitslag niet denkbaar is zonder vervoer. Maar heb ik in mijn vorig opstel het ongegronde van dit gevoelen niet aangetoond door te wijzen op den uitslag van een fust gedistilleerd, dat over den scheidsmuur der branderij in een naastgelegen bebouwd pand wordt overgebracht, in welk geval volstrekt geen vervoer plaats heeft ? Of zal men zeggen, dat door het woord „vervoer" gedoeld wordt op de verplaatsing die het gedistilleerd in de branderij ondergaat, dan is het antwoord, dat het woord in die beteekenis zeer ongelukkig gekozen is, wijl, zooals ik ook reeds vroeger opmerkte, noch volgens de wet, noch volgens het spraakgebruik, die verplaatsing vervoer mag genoemd worden.

Aan het slot van mijn betoog stelde ik de vraag wat het Hof zal beslissen wanneer de uitslag en het vervoer gepleegd zijn door iemand, die niet in dienst van den brander is, en bewees ik, dat in dit geval het stelsel van het Hof tot de ongerijmdste gevolgen leidt. Die vraag brengt Mr. Loeff in verlegenheid. Hij begrijpt, dat zij voor zijn systeem doodend is. Hij weet zich niet anders te redden dan door het te doen voorkomen alsof ik de beslissing van het Hof niet goed begrepen heb. „Het Hof beslist niet, zegt hij, dat steeds uitslag en vervoer eene voortgezette handeling zijn. Jus in causa positum". En hij onderscheidt dan tussehen het geval, dat de brander het vervoer heeft gelast, en het geval, dat het vervoer onafhankelijk van diens wil heeft plaats gehad. In het eerste geval kan, volgens hem, hij, die feitelijk vervoert, manus ministra zijn, en dan is de brander alleen aansprakelijk. In het tweede geval is, naar zijn erkenning, „nimmer sprake van eene voortgezette handeling en zijn dus èn de brander wegens uitslag èn de feitelijke vervoerder wegens vervoer aansprakelijk". Ik laat daar in hoever, naar fisoaal recht, kan gedacht worden aan een manus ministra waar de dader niet in dienst van den brander is. Ik vergenoeg me te vragen wat het geven of niet geven van last met de zaak te maken heeft. Het eenig punt, dat, zoowel in het een als in het ander geval, te beslissen valt, is de vraag of eene voortgezette handeling aanwezig is, en indien die vraag in één der gevallen bevestigend moet beantwoord worden, is geen reden denkbaar waarom in het ander geval het antwoord ontkennend zou mogen luiden. Het geldt toch volkomen dezelfde feiten, die niet van aard veranderen naarmate zij gelast of niet gelast zijn. Het Hof moge alleen te beslissen hebben gehad in het geval dat aan zijn beslissing onderworpen was, het heeft uit den aard der zaak eene beslissing gegeven die het ook op andere gevallen zal moeten toepassen. Is het waar, dat uitslag en vervoer uit gelijksoortige feiten bestaan, dan geldt dit noodwendig voor iederen uitslag die door vervoer gevolgd wordt, en moet men zioh de consequentiën van die leer laten welgevallen.

Ik heb reeds verkregen dat confrère Loeff zijn leer en die van het Hof gedeeltelijk loslaat, door te erkennen dat zij niet altijd kan toegepast worden. Ik wanhoop niet mij weldra in eene algeheele bekeering te kunnen verheugen.

Maastrioht, Juli 1901. L. is ypei.s.

PERIODIEKE LITERATUUR.

Tijdschrift voor Strafrecht, Deel XIV — Afl. 1.

I Onder liet opschrift ,,Bijdrage tot de kennis der straffen in Nederland' geeft de Groningsche hoogleeraar, Prof. Domela

Sluiten