Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7619.

tijen van de aan liaar bij de wet toegestane conclusiën gesloten was;

O. dat door den eischer in zijne hoedanigheid als voorzitter van den Kerkeraad der Israëlietische gemeente te Meerssen, welke kerkeraad het bestuur uitoefent over den kerkgang der Israëlitische gemeente te Schimmert, van alle gedaagden is gevorderd vergoeding der schade, veroorzaakt door de onrechtmatige handelingen door hen gepleegd en hierin bestaande, dat de gedaagden J. Bennedik Sr. en M. Bennedik, benevens wijlen 1). Bennedik, bijgestaan door zijne huisvrouw E. Claassens, de begraafplaats, gelegen onder de gemeente Schimmert en waarop uitsluitend begraven worden de overledenen van den Israëlitischen godsdienst, die in die gemeente woonachtig zijn of ook andere Israëlieten, doch deze alleen met bijzonder verlof van voormelden kerkeraad en tegen betaling, bij onderhandsche akte geiegistreerd en ten kantore der hypotheken te Maastricht overgeschreven, zooals een en ander is vermeld in de overweging ten aanzien der daadzaken, hebben verkocht aan de mede-gedaagden L. Stiel, wed. J. Caan en D. Caan;

O. dat de eischer qq. zijne vordering steunt op het gemis bij gedaagden van eemg recht om dergelijke overeenkomst aan te gaan, \ooreerst omdat eene alsnog in gebruik zijnde begraafplaats eene zaak buiten den handel is, ten tweede omdat ai ware zij m den handel, niemand dan de kerkeraad van Meerssen daarover mocht beschikken, ten derde omdat, al ware zij privaateigendom der Israëlieten van Schimmert, slechts alle Israëlieten, gezamenlijk en niet eenigen hunner, zooals in casu geschied is, daarover konden beschikken;

O. dat de gedaagden, vertegenwoordigd door den procureur Mr. von G-eldern, de gegrondheid der vordering hebben erkend;

O. dat evenwel de gedaagden vertegenwoordigd door den procureur Mr. Savelberg de vordering hebben bestreden op grond dat zij ontkennen dat er te Meerssen eene Israëlietische gemeente, die rechtspersoonlijkheid zou hebben, met een wettig gekozen kerkeraad, waarvan de eischer S. Wijngaard wettige voorzitter zou zijn, bestaat en tot het voeren van dit geding besloten heeft, dat de voormelde gemeente, zoo zij al bestond, noch haar kerkeraad in geen geval ooit eenig eigendomsrecht of eenig uitsluitend recht van beheer op het bedoeld stuk grond heeft gehad, dat zoodanige rechten door geen wet aan de Israëlietische gemeenten ten opzichte van de binnen hare grenzen gelegen Israëlietische begraafplaatsen worden toegekend, dat integendeel in zoodanige gemeenten zeer wel Israëlietische begraafplaatsen kunnen voorkomen, welke toebehooren aan de burgerlijke gemeente, aan vereenigingen of aan een of meer bijzondere personen;

O. omtrent deze middelen van verwering, dat voor alles behoort te worden onderzocht, de vraag of te Meerssen eene Israëlietische gemeente bestaat, welke rechtspersoonlijkheid bezit;

O. dat, nadat bij meerdere organieke besluiten en daaruit voortgevloeide verordeningen het kerkgenootschap der Israëlieten in Nederland en de uitoefening hunner godsdienst geregeld was, krachtens de daartoe aan de Hegeering van het Land toekomende en dan ook algemeen erkende bevoegdheid, de directeurgeneraal voor de zaken der Hervormde en andere Eerediensten behalve die der Roomsch-Katholieken, bij dispositie van den 20sten Sept. 1821 n°. 2812/1427 een algemeen reglement voor de Israëlietische Synagogale Ringen heeft vastgesteld;

O. dat bij art. 120 van dat reglement is bepaald, dat de hoofdcommissie tot de zaken der Israëlieten, zijnde onder dezen naam bij besluit van den 6den Juli 1817 n°. 40 bevestigd de commissie tot de zaken der Israëlieten ingesteld bij Besluit van den 26sten Febr. 1814 n°. 90 Stbl. n°. 30, houdende vernietiging der Fransche Organisatie van het Israëlietisch kerkbestuur en vaststelling van nadere bepalingen dienaangaande en hare algemeene attributen vastgesteld — zoodra mogelijk eene preciese verdeeling der synagogale ressorten en kerkelijke ringen en daaronder behoorende bijkerken, aan het ministerieel departement inzenden zou;

O. dat voormelde verdeeling en omschrijving, waarbij onder het ressort der Nederlandsclie hoofdsynagoge te Maastricht de kerkgang van Meerssen, is gebracht, heeft plaats gevonden en is vastgesteld bij dispositie van den directeur-generaal voor de zaken der Hervormde Kerk, enz. van den 31sten Dec. 1821 n°. 4173/2046, houdende verdeeling en omschrijving der synagogale ressorten in kerkelijke ringen en kerkgangen;

O. dat bij beschikking van den tijdelijken Minister voor de zaken der Hervormde Eeredienst, enz. van 30 Oct. 1848 n°. 1, houdende vaststelling der verdeeling en kerkelijke omschrijving van het synagogaal ressort en hoofdsynagoge te Maastricht, de V q1 vastgesteld bij beschikking van den 31sten Dec. 1821

n . 4173/2046 is ingetrokken en Schimmert is aangewezen als te behooren tot den kerkgang van de synagoge te Meerssen, deel makende van het ressort der hoofdsvnagoge te Maastricht, terwij evens is bepaald, dat die kerkgang of synagoge, voorloopig, overeenkomstig de bepalingen, opzichtelijk de bijkerken in het algemeen eg emen voor de Israëlitische synagogale ressorten of rmgen en bykerken vastgesteld bij ministerieele dispositie van den 20sten Sept^ 1821 n°. 2812/1427 zou worden beheerd;

O. dat b.ij art. 1 der wet van 10 Sept. 1853 (Stbl. n°. 102) tot regeling van het toezicht op de onderscheidene kerkgenootschappen, aan deze allen de volkomen vrijheid is verzekerd om alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in huil eigen boezem betreft te regelen, en tevens is voorgeschreven, dat de bepalingen betreffende de inrichting en het bestuur, 'voor zooveel zij niet reeds aan den Koning zijn bekend gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dier wet, door de bestuurders of hoofden der Kerkgenootschappen aan den Koning medegedeeld moesten wórden;

O. dat nu in het jaar 1870 de bemoeiing Van het Staatsgezag met de kerkelijke aangelegenheden der Israëlieten heeft opgehouden ; dat zulks vaststaat blijkens het Kon. Besluit van den 7den Aug. 1870 (Stbl. n°. 150) houdende intrekking van verordeningen betrekkelijk het Kerkelijke Bestuur bij de Israëlieten in Nederland en in de West-Indische Koloniën;

dat immers bij dat besluit, gelet op art. 1 van de wet van 10 bept. Iöoo (Stbl. n°. 102) hiervoor vermeld, op de overweging dat, nadat van de zijde der Israëlietische kerkgenootschappen bepalingen betreffende de inrichting en het bestuur dier Kerkgenootschappen zijn vastgesteld en ter kennis van den Koning gebracht, de bemoeiing van het Staatsgezag met de kerkelijke aangelegenheden der Israëlieten behoort op te houden — de besluiten van den souvereinen Vorst der Vereenigde Nederlanden, enz. van 26 Febr. 1814 n°. 90 <Stbl. n°. 30) en van 12 Juni 1814 n°. 58, benevens alle andere Koninklijke besluiten betreffende de Israëlietische kerkelijke aangelegenheden in Nederland en in de West-Indische Koloniën zijn ingetrokken;

O. dat bij Kon. Besluit van 17 Aug. 1870 n°. 4 de hoofdcommissie tot de zaken der Israëlieten, georganiseerd bij Kon. Besluit van 6 Juli 1817 n°. 40, met 1 Sept. 1870 voor ontbonden is verklaard ;

O- dat na ontbinding dezer hoofdcommissie de algemeene belangen van het Nederlandsch-Israëlietisch kerkgenootschap worden bestuurd door een college, voerende den naam van cen¬

trale commissie tot de algemeene zaken van het NederlandschIsraëlietisch kerkgenootschap ;

O. dat het door de constitueerende vergadering voor de beide Israëlietische kerkgenootschappen in Nederland, den 28sten Febr.

1870 vastgesteld en door de centrale commissie den 24sten April

1871 gewijzigd reglement en kiesreglement, overeenkomstig bet voorschrift der wet van 10 Sept. 1853 (Stbl. n°. 102) aan den Koning is medegedeeld, blijkens den aanhef van het Kon. Besluit van 7 Aug. 1870 (,Stbl. H°. 150) in verband met het schrijven van den Minister van Justitie van den 26sten Juni 1871 2de afd. n°. 107, aan de permanente commissie voor de algemeene zaken van het Nederlandscli Israëlietisch Kerkgenootschap, bericht gevende in verband met de bepalingen der wet van 10 Sept. 1853 (Stbl. n°. 102) dat de wijzigingen van het reglement en kiesreglement voor de centrale commissie tot de algemeene zaken der beide Israëlietische Kerkgenootschappen in Nederland, welke wijzigingen waren vastgesteld in de vergadering dier centrale commissie van 24 April 1871 en bij schrijven van de permanente commissie dd. 19 Mei 1871 n°. 81 medegedeeld, voor kennisgeving zijn aangenomen;

O. dat art. 1 van voormeld reglement dier centrale commissie bepaalt dat het Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap omvat al de Nederlandsche Israëlietische gemeenten die thans—■ d. i. derhalve bij het vaststellen van dat reglement — gevestigd zijn of in het vervolg door de centrale commissie worden erkend, terwijl bij art. 3 van dat reglement aan de centrale commissie de bevoegdheid is toegekend, om eene Nederlandsch-Israëlietische kerkelijke gemeemte te erkennen, wanneer ten genoege dier commissie het bewijs is geleverd, dat in de kosten van den Eeredienst, van het godsdienstonderwijs en in alle andere kerkelijke behoeften op een voldoende wijze kan worden voorzien;

O. dat krachtens de hiervoor omschreven bepalingen der artt. 1 en 3 van het reglement voor de centrale commissie, deze bij verordening van den 27sten Juni 1877, n°. 23, houdende aanwijzing van de erkende Nederlandsch-Israëlietische gemeenten in het Rijk, ter vervanging der verordening van 31 Dec. 1821 n°. 50, heeft vastgesteld de tabel houdende aanwijzing van de erkende Nederlandsch-Israëlietische gemeenten in het Koningrijk der Nederlanden en daarop, voor het district Limburg onder anderen geplaatst Meerssen;

O. dat derhalve, dewijl niet blijkt, zelfs niet is beweerd, dat sinds de aanwijzing der Nederlandsch-Israëlietische gemeente Meerssen onder de erkende Nedeiiandsch Israëlietische gemeenten in het Koningrijk der Nederlanden bij voormelde verordening van den 27sten Juni 1877 n°. 23, in den rechtstoestand van die kerkelijke gemeente eenige verandering is gebracht, vaststaat, dat Meerssen door het wettig bevoegd gezag en zulks zoowel vóór als na het Kon. Besluit van 7 Aug. 1870 (Stbl. n°. 150) tot op het tijdstip der dagvaarding in het onderwerpelijk geding als Nederlandsch-Israëlietische gemeente is erkend en deze gemeente derhalve aan die erkenning hare rechtspersoonlijkheid ontleent, dewijl uit die erkenning de rechten en verplichtingen voortvloeien, zooals die bij het reglement van 20 Sept. 1821 zijn omschreven, en tot uitoefening van een en ander noodwendig aan hoofdsynagogen als aan bijkerken de bevoegdheid moet toekomen om in rechten op te treden;

O. dat hieruit volgt- de ongegrondheid van het middel van verwering gegrond op het gemis van rechtspersoonlijkheid bij de eischende kerkelijke gemeente;

O. dat verder behoort te worden onderzocht het door de gedaagden, vertegenwoordigd door den procureur Mr. Savelberg, ook als middel van bestrijding der vordering aangevoerde en gegrond op het ontbreken van een wettig gekozen kerkeraad waarvan de eischer S. Wjjngaard wettige voorzitter zou zjjn en die tot het voeren van het geding besloten heeft;

O. hieromtrent dat door den eischer qq. zij n overgelegd : 1°. het proces-verbaal van de inlevering en opening der stembiljetten ter verkiezing van vyf leden, waaronder een voorzitter, een thesaurier en drie leden van den kerkeraad der Israëlietische gemeente te Meerssen op den 3den Sept. 1899 en 2°. het procesverbaal van de inhuldiging van den nieuwen kerkeraad op den lOden Sept. 1899, zijnde beide verbalen geregistreerd enz. ;

O. dat blijkens het pi'oces-verbaal van het verhandelde in de vergadering van den 3den Sept. 1899, vijf leden, van welken de eischer als voorzitter, van den kerkeraad der Israëlietische gemeente te Meerssen voor den tijd van drie jaren van af den dag der verkiezing zijn gekozen;

O. dat niet blijkt, ook niet is gesteld dat eenige der vormen bij eene verkiezing van leden van dien Kerkeraad vereischt zou zijn verzuimd: dat hieruit alsmede uit de in het proces-verbaal opgenomen verklaring dat geen bezwaren zijn ingebracht volgt, dat de plaats gehad hebbende verkiezing bindend is voor de verwering voerende gedaagden en door hen daarentegen in dit geding, 'niet kan opgekomen worden op grond, dat er eene verkiezing zou hebben plaats gehad bij ontstentenis van vacaturen en op grond van gemis bij sommigen der gekozenen van de vereischten, om. als lid van den kerkeraad te kunnen optreden;

O. dat blijkens het proces-verbaal opgemaakt van het verhandelde in de vergadering van den lOden Sept. 1899, er besloten is om een rechtsgeding te voeren tegen de gedaagden over het eigendomsrecht van het Israëlietisch kerkhof te Haasdal, gemeente Schimmert;

O. dat krachtens de bepaling van art. 59 van het reglement der Nederlandsch-Israëlietische gemeente te Meerssen, welk reglement is goedgekeurd bij deliberatie der hoofdcommissie t-ot de zaken der Israëlieten dd! 13 Maart- 1862 n°. 517/17 en in debet voor f 1.20 geregistreerd te Heerlen enz., de voorzitter in de rechtsgedingen der gemeente als eischer of verweerder optreedt;

O. dat derhalve de eischer S. Wijngaard, zijnde de voorzittei van den kerkeraad der kerkelijke gemeente te Meerssen, gerechtigd was om de onderhavige 'vordering in t-e stellen, dewijl na het op 10 Sept. 1899 genomen besluit het aan den voorzitter was om na overleg niet zijn rechtsgeleerden raadsman te beslissen, welke middelen behoorden te worden aangewend om het eigendomsrecht der Israëlietische gemeente te Meerssen op de begraafplaats te Schimmert te doen handhaven;

O. dat hiermede is wederlegd het middel van bestrijding der vordering op grond van het ontbreken van een wettig gekozen kerkeraad, waarvan de eischer S. Wijngaard wettige voorzitter zou zijn en dat tot het voeren van dit geding besloten heeft;

O. dat door de verweringvoerende gedaagden de vordering ook nog als niet-ontvankelijk is voorgesteld op grond dat de Israëlietische gemeente te Meerssen geen recht kan doen gelden betrekkelijk de Israëlietische begraafplaats te Schimmert;

O. hieromtrent, dat zooals reeds is overwogen, bij de nog steeds geldige beschikking van den tijdelijken minister voor de zaken der Hervormde Eeredienst, enz. van 30 Oct. 1848 n°. 1, Schimmert- is aangewezen als te behooren tot den kerkgang van de Synagoge te Meerssen en dewijl krachtens de bepaling der artt. 91—98 vau het Alg. Reglement voor de Israëlietische Synagogale ringen van den 20sten Sept. 1821 n°. 2812/1427, in verband met de bepalingen der artt. 150—154 van de Nederlandsch-Israëlietische gemeente te Meerssen, niet alleen het be¬

heer der begraafplaatsen en het toezicht er op aa,n de kerkeraden is opgedragen, maar ook aan dezen de verplichting opgelegd om zulke begraafplaatsen ten behoeve der gemeente aan te schaffen, de rechten en verplichtingen van den kerkeraad te Meerssen niet alleen betreffen de begraafplaats te Meerssen, doch ook die te Schimmert;

O. dat wel is gesteld dat eene begraafplaats zou zijn eene zaak niet in den handel, doch dat de Rechtbank deze opvatting niet juist a-clit;

dat immers eene begraafplaats kan toebehooren niet alleen aan corporaties, zooals gemeenten, doch ool^ aan particulieren, zooals blijkt uit de wet van den lOden April 1869 n°. 65, tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisrechten; dat begraafplaatsen alleen zijn onderworpen aan bijzondere voorschriften omtrent inrichting, gebruik en toezicht, doch geen rechtsbeginsel in den weg staat aan vervreemding ervan, enz., mits slechts voormelde voorschriften worden in acht genomen;

O. dat uit al het hiervoor overwogene volgt de ongegrondheid van de middelen van niet-ontvankelijkheid tegen de vordering voorgesteld;

O. alsnu ten gronde, dat tot toewijzing der vordering vereischt wordt het bewijs dat- door deu kerkeraad der Israëlietische gemeente te Meerssen ten opzichte van de Israëlietische begraafplaats te Schimmert al zulke daden verricht zijn, welke aantoonen dat- die kerkeraad het beheer en het opzicht over die begraafplaats had ;

O. dat door de verwering voerende gedaagden is ontkend, dat daden, als hiervoor omschreven, zouden zijn verricht door den kerkeraad der Israëlietische gemeente te Meerssen;

O. dat- de rechter ambtshalve bewijs door getuigen kan bevelen, dat de in de uitspraak van dit vonnis omschreven daadzaken tot beslissing der zaak kunnen leiden en dat getuigenbewijs is toegelaten;

Recht doende enz.;

Verwerpt alle voorgestelde middelen van niet-ontvankelijkheid der vordering en alvorens ten gronde te beslissen;

Verleent de gevraagde akten;

Legt ambtshalve op aan den eischer qq. het bewijs door getuigen te leveren dat de kerkeraad der Israëlietische gemeente te Meerssen steeds zoowel vóór als na het jaar 1870 het beheer en het opzicht over de begraafplaats der Israëlietische gemeente te Schimmert heeft uitgeoefend, doordien:

1°. de sleutel van die begraafplaats steeds in het bezit van dien kerkeraad is geweest;

2°. dait voor het begraven van eiken Israëliet op die begraafplaats verlof moest gevraagd worden en ook steeds gevraagd is aan dien kerkeraad en dat ook aan dezen de begrafenisrechten, zoo die verschuldigd waren, zijn betaald,

en 3°. dat geen grafsteenen en monumenten geplaatst zijn op de begraafplaats dan met schriftelijk verlof van dien kerkeraad;

Bepaalt- dat het verhoor der getuigen zal gehouden worden ter terechtzitting dezer Rechtbank van den 31sten Jan. 1901 ;

En reserveert de uitspraak over de kosten.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE GRONINGEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 18 Januari 1901.

Voorzitter, Jhr. Mr. J. R. van Iddekinge.

Rechters, Mrs.: j. de Sitter en j. a. G. Gockinga.

Officier van Justitie, Mr. N. de Ridder.

De uitlegging van het testament mag er niet toe leiden om denzelfden persoon als erfgenaam ingesteld en weder uitgesloten te beschouwen, waar, zooals hier, de making van het huis wél in zoodanige termen is vervat dat ze als erfstelling is op te vatten, maar aan het slot de begiftigde weder uitdrukkelijk als erfgenaam wordt uitgesloten.

Alleen bij zoodanige uitlegging, dat de betwiste beschikking is eene met welker afdoening de ingestelde erfgenamen worden belast, komt de duidelijke bedoeling des erflaters ten opzichte der bestemming van het huis tot haar recht.

Mej. M. K. cs., eischers, procureur Mr. H. de Visser,

tegen

A. T. R. cs., gedaagden, procureur Mr. H. Schaap.

De Rechtbank;

Gehoord partyen;

Gezien de stukkeni van het geding, voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd;

Gehoord de conclusie van den heer Officier van Justitie, daartoe strekkende:

dat de Rechtbank alle de gedaagden veroordeele om, overeenkomstig de regelen bij de conclusie van eisch aangegeven, met eischeren over te gaan tot scheiding en deeling der onderwerpelijke nalatenschap, met veroordeeling van den gedaagde sub 5 in de kosten op zijne tegenspraak gevallen, de overige ten laste der nalatenschap;

Wat de daadzaken betreft:

Overwegende dat de eischers bij dagvaarding stellende, dat den 9den Febr. 1900 te Groningen is overleden, zonder nakomelingen, de heer A. J. P., in leven zonder beroep, aldaar gewoond hebbende, krachtens zijn op den 2den Maart 1899 ten overstaan van den notaris A. A. J. M. Verheijen te Groningen, verleden testament, tot eenige erfgenamen zijner nalatenschap instellende degenen, die tot zijne nalatenschap naar de wet zouden zijn geroepen ;

dat de vader en moeder van gemelden erflater vóór dezen gestorven zijn, zoodat de erfgenamen zijner nalatenschap naar de wet zijn de representanten van wijlen zijne zuster O. J. P., bovenvermeld (zijnde de eischers sub I, II a en III) en de representanten van wijlen zijne zuster J. M. P. bovenvermeld (zijnde de sub 1 genoemde minderjarigen en de sub 2 a, 3, 4 a, 5, 6 a e 'i 7 genoemde gedaagden) ;

de gedaagden voor deze Rechtbank hebben geroepen, ten einde zich te hooren veroordeelen, dat het der Rechtbank behage de gedaagden te veroordeelen om met de eischers over te gaan tot scheiding en deeling der bovenvermelde nalatenschap met benoeming van een notaris te wiens overstaan de scheiding en deeling zal geschieden, wijders met bepaling van dag, uur en plaats waarop en waar de partijen voor het eerst zullen ver-

Sluiten