Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag, 46 Augustus 1904

BJ°. 7623.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADYERTENTIE-BLAD.

DRIE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Pi ijs dei advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n". 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 28 Juni 1901.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting. Raadsheeren, Mrs. : Jhr. P. R. Feith, Jhr. B. O. de Jonge, Ph. van Blom, S. M. S. de Ranitz, E. W. G ul.ik en A. M. van Stipriaan Luïsciits.

Art. 199 der gemeenteivet vordert niet eene afzonderlijke machtiging van Gedeputeerde Staten voor elke instantie van het geding.

Eene vordering tot teruggave van onverschuldigd betaalde, krachtens art. 238 der gemeentewet geheven plaatselijke belasting is niet onttrokken aan de kennisneming van de rechterlijke macht.

lot het wezen eener openbare inrichting in den zin van art. 238 Gem.wet wordt niet vereischt, dat zij in eigendom behoort aan de gemeente.

Het is tot het aannemen van zoodanige openbare gemeenteinrichting voldoende, dat zij, ofschoon van oorsprong een rijkswerk en rijkseigendom gebleven,'in gebruik en beheer is bij de gemeente en door haar ten dienste van het openbaar verkeer bestemd wordt.

(Zie het vonnis a quo in W. 7517).

De burgemeester van Venlo, eischer, advocaat Mr. W. Thor^ becke,

tegen

J. Steegh, industriëel te Blerick (gemeente Maasbree), verweerder, advocaat Mr. F, J. Mttnzkbrück (gepleit door Mr. A. P. E. A. Wijnans, advocaat te Maastricht).

De adv.-gen. JSoyon heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Tegen het in deze zaak ingestelde beroep in cassatie is eene exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, hierop gegrond dat de gemeente Venlo niet de bij art. 143 jo. 199 der Gemeentewet gevorderde machtiging heeft gevraagd en bekomen om het geding in cassatie te voeren. Wel is zoodanige machtiging overgelegd, maar aangezien die terstond na het uitbrengen der oorspronkelijke dagvaarding is verleend voor drie instantiën in eens, zou zij blijkens de bij pleidooi gegevene toelichting niet wettig zijn omdat het rechtskundig onderzoek, dat volgens art. 199 aan Ged. Staten moet worden medegedeeld, voor zoover dit het beï oep in cassatie betreft niet reeds bij den aanvang van het geding liee t kunnen worden ingesteld. Deze bewering komt mij ongegron yooi. De wet vordert nergens dat voor elke instantie eene afzonderlijke machtiging gegeven wordt, en het zijn Ged. Staten 'l tel .vnopri6 eoorCl®ele{1 hebben of de hun overgelegde stukken eTi,Trf lln hoogere instantie wettigen, terwijl daar¬

enboven het ontbreken van het onderzoek niet zou kunnen wegnemen dat de niettemin gegevene machtiging van Ged. Staten m werkelijkheid eene machtiging is zoo als de wet die vereischt Als eerste cassatiemiddel is voorgesteld: Schendins en verkeerde toepassing van de artt. 238, 240 der wet van 29 Juni 1851 Stbl. 85, 1, 3 der verordening van de gemeente Venlo van 11 Jan. 1897, goedgekeurd bij Kon. Besluit van 7 Juli 1898, n° 44 omdat de Rechtbank de onwettigheid der aangehaalde 'verarde' ning aanneemt, daarbij ten onrechte art. 238 beperkt opvattende op grond dat de brug te Venlo een Rijkswerk en geen Gemeentewerk zou zijn, doch zulks niet afdoet waar volgens de feitelijke beslissing de heffing geschiedt voor het gebruik van de ten koste der gemeente aan de brug aangebrachte wijziging voor het gewoon verkeer, en dus al mocht de brug niet van de gemeente zijn er toch is een gemeentewerk, inrichting of dienst, en de overweging der Rechtbank dat de heffing tijdelijk is, de Staat de bestemming der brug kan veranderen en de opbrengst niet bestemd was tot dekking der plaatselijke uitgaven, of is in strijd met de aangehaalde verordening en met de gegeven feitelijke beslissing, of ter zake niet afdot*.

1 e oorspronkelijke vordering strekte tot terugbetaling van pretens onverschuldigd betaalde belasting, geheven voor het gebruik van de brug over de Maas te Venlo krachtens plaatselijke verordening van 11 Jan. 1897.

De Rechtbank maakt nu in de eerste plaats feitelijk uit, wat trouwens onbetwist was, dat de brug in quaestie is een door liet Rijk gemaakt en aan het Rijk toebehoorend werk, maar ook dat de gemeente Venlo voor eene aanzienlijke som heeft bijgedragen in de kosten van de inrichting voor het algemeen gewoon verkeer, dat zij belast is met het onderhoud van de brug zoolang die onder haar beheer staat, dat zij in verband daarmede tol heft, doch dat het Rijk te allen tijde bevoegd ig de brug weder onder eigen beheer te nemen.

Volgt hieruit nu dat de brug niet kan zijn eene openbare gemeenteïnrichting voor welker gebruik naar art. 238 der Gemeentewet belasting kan worden geheven? Bij arrest der Kamer van Strafzaken van den Hoogen Raad van 11 Febr. 1901 (W. 7566') werd deze vraag ontkennend b< antwoord, en m. i. te recht, op gionc dat de gemeente ook w -oneer zij eigendom van anderen m e ïeer en gebruik neemt ei. voor het algemeen gebruik (in

casu : verkeer) openstelt, de zorg voor het algemeen belang op zich neemt en daartoe het betrokkene werk inricht. In de aan het arrest voorafgaande conclusie va-, mijnen toen fungeerenden ambtgenoot werd gewicht gelegd op art. 230 der Gemeentewet, volgens hetwelk een gemeentewerk niet aan den publieken dienst kan worden onttrokken dan ingevolge een opzettelijk daartoe genomen raadsbesluit, terwijl hier niet de Raad, maar het Rijk over de onttrekking te beslissen heeft, zoodat hier inderdaad geene voor den publieken dienst bestemde gemeenteïnrichting zou zijn. Maar art. 230 spreekt alleen van de aan de gemeente behoorende werken, waaronder niet begrepen zijn, althans behoeven te zijn, die welke alleen onder haar beheer staan zondeiliaar eigendom te zijn; het kan dus niet tot verklaring van art. 238 strekken.

Ik zie nu inderdaad geen bezwaar om een werk dat tijdelijk aan de gemeente wordt afgestaan om door haar gebruikt, beheerd en geëxploiteerd te worden, zoolang dit duurt eene gemeenteinrichting te noemen.

De Rechtbank beslist in de tweede plaats dat de opbrengst der bruggelden niet bestemd is voor dekking van plaatselijke, uitgaven. Deze beslissing heeft den scliyn van eene feitelijke te zijn, als hoedanig de verweerder ze dan ook aangemerkt wil hebben. Maar haar inhoud wordt in de overweging waarin zij voorkomt gezegd te blijken uit het te voren overwogene, zij is daaruit dus afgeleid; en dat vroeger overwogene komt hierop neer dat de gemeente Venlo in de kosten van de inrichting der brug had bij te dragen, dat het Rijk haar het bedrag heeft voorgeschoten en dat de opbrengst der heffing zal strekken in de eerste plaats en voor zooveel mogelijk tot voldoening van de jaarlijksclie termijnen van de aflossing met de renten en van de kosten van onderhoud, terwijl het eventueel overschietende moet worden besteed tot aankoop van inschrijvingen op de grootboeken der nationale schuld om later te strekken tot vermindering der behoeften. Dit is de feitelijke beslissing, en de andere is hare waardeering. Die waardeering nu komt mij onjuist voor. Onderhoud van een aan de gemeente voor het openbare verkeer afgestaan werk, aflossing van eene door de gemeente aangegane schuld, belegging van overschot ter wille van latere vermindering van behoeften, d. i. versterking der genieentefinanciën, dit alles zal toch wel dekking van plaatselijke uitgaven zijn. Wanneer iemand, schuldeischer wordende van eene gemeente, bedingt dat bepaalde inkomsten in de eerste plaats tot delging der schuld zullen worden besteed, dan worden die inkomsten toch niet de zijne, zij blijven plaatselijke inkomsten en de uitgaven die er van gedaau worden zijn plaatselijke uitgaven. De belasting verordening zelve zegt trouwens dat het bruggeld geheven wordt ten behoeve der gemeente, en ik acht het gansch niet boven twijfel verheven dat men in rechten zou mogen aantoonen dat feitelijk aan de gelden eene andere bestemming wordt gegeven; dit betreft immers het beheer der gemeentefinanciën, niet de wettigheid der verordening.

Het tweede middel luidt: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1395 B. W., 260 der wet van 29 Juni 1851, Stbl. 85, 15 der wet van 22 Mei 1845, Stbl. 22, omdat de Rechtbank aanneemt dat pretens onverschuldigd betaalde gemeentebelasting kan worden teruggevorderd krachtens art. 1395 voormeld en dat het aangehaalde art. 15 aan die terugvordering niet in den weg staat, hoewel bij dit artikel geschillen over de wettigheid van den aanslag niet aan de beslissing van de Rechtbank worden onderworpen.

Voor de beoordeeling van dit middel komt liet in 't. bijzonder aan op de beteekenis die aan art. 15 der wet van 1845 moet worden toegekend. De verweerder is van oordeel dat, aangezien er alleen sprake is van onttrekking van vragen naar de onwettigheid van den aanslag bij gelegenheid van verzet tegen een dwangbevel aan de beantwoording door den rechter, elk buiten de enge grenzen daarvan liggend geval krachtens art. 153 der Grondwet aan de kennisneming der rechterlijke macht onderworpen is.

Be eischer wil daarentegen art. 15 toepassen op al wat met de vraag naar de wettigheid der heffing in verband staat, dus ook met die naar de wettigheid van invordering zonder aanslag, zooals bij sommige belastingen, ook hij de onderhavige, plaats heeft.

Bij arrest van 9 Juni 1893, W. 6361, werd door den Hoogen Raad aangenomen dat betwisting van de wettigheid eener verordening niet anders is dan batwisting van de wettigheid van eenen op haar berustenden aanslag. Bij hetzelfde arrest werd art. 15 toegepast in een geval waarin geen verzet tegen een dwangbevel gedaau werd maar gelijk hier de betaalde belasting als onverschuldigd werd teruggevorderd.

JJeze beslissingen geven intusschen geen recht art. 15 toe te passen bp belastingen die niet bij wijze van aanslag worden geheven. Geene der bepalingen van de wet van 1845 (bij art. 260 der Gemeentewet op plaatselijke belastingen toepasselijk verklaard wat de maatregelen voor de invordering betreft) vindt toepassing op de belastingen die, geheven voor het gebruik van eene inrichting, voldaan worden voor of bij het gebruik. Het eenige middel tot herstel voor hem die meent dat de belasting ten onrechte geheven wordt is terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Hier is dus geene reden tot afwijking van den gewonen regel betreffende de bevoegdheid der rechterlijke macht, zooals bij belasting, ten gevolge van aanslag ingevorderd, waarbij de wet andere middelen aan de hand doet tot reageeren tegen den aanslag.

Het zou trouwens ongerijmd zijn dat de burgerlijke rechter de wettigheid der heffing niet zou mogen beoordeelen terwijl de strafrechter, krachtens art. 271 en vlg. der Gemeentewet uitmakende of er ontduiking of overtreding is gepleegd, daartoe uit den aard der zaak de. wettigheid der verordening tot heffing beoordeelt. Bij het niet voldoen aan de krachtens aanslag ontstaan¬

de verplichtingen komt de bemoeiing van den strafrechter niet te pas.

Ik acht het tweede middel dus ongegrond, doch concludeer tot vernietiging van het vonnis der Rechtbank te Roermond van 18 Oct. 1900 en van de vonnissen van den kantonrechter te Venlo van 2 Sept. en 16 Dec. 1899 en 27 Jan. 1900 in de onderhavige zaak gewezen, en tot ontzegging van de oorspronkelijke vordering met veroordeeling van den verweerder in cassatie in de kosten.

De Hooge Raad enz.;

Partijen gehoord;

Gehoord den adv.-gen. Noyon, namens den proc.-gen., in zyne conclusie, strekkende tot enz.;

Gezien de stukken;

Overwegende dat van zijde van den verweerder de niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie is beweerd, op grond dat de gemeente Venlo niet. ingevolge art. 143 in verband met art. 199 der Gemeentewet de vereischte machtiging heeft gevraagd en bekomen om het onderhavige rechtsgeding in cassatie te voeren;

O. dat bij hun in het bestreden vonnis aangehaald besluit van 4 Aug. 1899, Ged. Staten van Limburg, gezien hebbende- het ter zake uitgebracht rechtskundig advies, hebben goedgekeurd het besluit van den Gemeenteraad van Venlo van 24 Juli te voren, strekkende om zich tegen de in deze ingestelde rechtsvordering in rechten te verdedigen, zoo noodig in hooger beroep of cassatie, — en dat hiermede is voldaan aan de voorschriften van de aangehaalde artikelen der Gemeentewet; dat toch des verweerders bewering, dat art. 199 zoude vorderen eene afzonderlijke machtiging van Ged. Staten voor elke instantie, is in strijd met dat artikel, waarbij alleen wordt vereischt de goedkeuring uitdrukkelijk voor elke instantie, na mededeeling van het rechtskundig onderzoek te dien aanzien; en dat alzoo dit middel van niet-ontvankelijkheid is ongegrond ;

0. dat als middelen van cassatie tegen liet tusschen partijen gewezen vonnis der Arrond.-Rechtbank te Roermond van 18 Oct. 1900 zijn voorgesteld :

1. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 238, 240 der Wet van 29 Juni 1851 (Stbl. n°. 85), 1, 3 der Verordening van de gemeente Venlo van 11 Jan. 1897, goedgekeurd bij Kon. Besluit van 7 Juli 1898 n°. 44, omdat de Rechtbank de onwettigheid der aangehaalde verordening aanneemt, daarbij ten onrechte art. 238 beperkt opvattende, op grond dat de brug te Venlo een rijkswerk en geen gemeentewerk zou zijn, doch zulks niet afdoet, waar volgens de feitelijke beslissing de heffing geschiedt voor het gebruik, van de ten koste der gemeente aan de brug aangebrachte wijziging voor het gewoon verkeer, en dus al mocht de brug niet van de gemeente zijn, er toch is een gemeentewerk, inrichting of dienst; en de overweging der Rechtbank, dat de heffing tijdelijk is, de Staat de bestemming der brug kan veranderen en de opbrengst niet bestemd was tot dekking der plaatselijke uitgaven, of is in strijd met de aangehaalde verordening en met de gegeven feitelijke beslissing, of ter zake niet afdoet;

II. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1395 B. W., 260 der Wet van 29 Juni 1851 (jStbl. n°. 85-, 15 der Wet van 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22), omdat de Rechtbank aanneemt, dat pretens onverschuldigd betaalde gemeentebelasting kan worden teruggevorderd, krachtens art. 1395 voormeld, en dat het aangehaald art. 15 aan die terugvordering niet in den weg staat, hoewel bij dit artikel geschillen over de wettigheid van den aanslag niet aan de beslissing van de Rechtbank worden onderworpen ;

O. ten aanzien van dit tweede middel, hetwelk als de . ontvankelijkheid van de ingestelde vordering betreffende, in de eerste plaats behoort te worden onderzocht, dat de daarbij aangehaalde artt. 260 der Gemeentewet en 15 der Wet van 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22), in deze niet toepasselijk zijn, daar niet is gedaan verzet tegen een ter invordering van gemeentebelasting uitgevaardigd dwangbevel, doch gevorderd is teruggave, als onverschuldigd betaald, van door de gemeente gelieven bruggeld, waarbij geen aanslag plaats heeft;

dat, door die vordering ontvankelijk te verklaren, de Rechtbank art. 1395 B. W. niet verkeerd heeft toegepast, volgens hetwelk hetgeen zonder verschuldigd te zijn betaald is, kan teruggevorderd worden, hoedanige vordering, ook waar zij ingesteld wordt, tegen eene gemeente tot teruggave van onverschuldigd betaalde, ingevolge art. 238 der Gemeentewet geheven, plaatselijke belasting, niet is onttrokken aan de kennisneming van de rechterlijke macht;

O. ten aanzien van het eerste middel, dat bij het bestreden vonnis in hooger beroep bekrachtigd is een vonnis van den kantonrechter te Venlo, waarbij toegewezen is de door den verweerder tegen de thans eischende gemeente Venlo ingestelde vordering tot terugbetaling als onverschuldigd van het door den verweerder in den loop van de jaren 1898 en 1899 betaald bedrag van f 62.98 aan bruggeld voor het gebruik van de brug voor gewoon verkeer over de Maas te-Venlo, door de gemeente Venlo krachtens art. 238 der Gemeentewet geheven, ingevolge de verordening, vastgesteld bij besluit van den Raad dier gemeente van 11 Jan. 1897, goedgekeurd bij Kon. Eesluit van 7 Juli 1898, en zulks op grond, dat die belastingverordening zou zijn onwettig en niet verbindend ;

0. dat blijkens het bestreden vonnis bij Kon. Besluit van 28 Jan. 1887 n°. 12 aan de gemeente Venlo, ter tegemoetkoming in de gedurende de jaren 1885 en 1886 door den Staat der Nederlanden gemaakte kosten van wijziging ten bate van het gewoon verkeer der brug te Venlo, welke tot een bedrag van f25000 ten laste van de gemeente Venlo waren, en uiterlijk in 20 jaarlijksche termijnen met bijbetaling van 4 pCt. rente van het onafgeloste kapitaal door die gemeente zouden worden ge

Sluiten