Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ons Wetboek van Koophandel wordt onderjj belanghebbenden en deskundigen al meer en meer algemeen. Niet ten onrechte dus werd ook daarop de aandacht gevestigd in het begrootingsverslag. Sedert verscheen de belangrijke arbeid der Kamer van Koophandel te Rotterdam, waarheen door ons reeds kon worden verwezen in een noot bij het begrootingsverslag in W. 7658 en waarvan wij sedert door de beleefde toezending van wege de Kamer met veel belangstelling mochten kennis nemen. Het deed ons genoegen, dat de Minister van Justitie met groote waardeering van de Rotterdamsche ontwerpen gewag maakte, daarbij als zijne meening uitsprekende : «dat ongetwijfeld deze arbeid zeer bevor«derlijk zal zijn aan de spoedige bewerking van de ge«wenschte herziening». Minder eens zijn wij het met den Minister, wanneer hij zegt: «in dezen stand der «zaak schijnt er geen aanleiding te bestaan om op dit «oogenblik de al of niet wenschelijkheid te overwegen «van de instelling eener staatscommissie». Ons zoude het integendeel voorkomen, dat er te meer uitzicht zoude bestaan op de goede en betrekkelijk spoedig gerijpte vruchten der bemoeiingen eener uit weinige maar uitnemende deskundigen op dit gebied samengestelde commissie, indien zij al dadelijk kon worden gesteld in het bezit van een aantal goed bewerkte avant-projets die, natuurlijk zonder haar daarin te binden, als grondslag of uitgangspunt van haar werk zouden kunnen dienen.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 21 October 1901

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeek.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van eer Mijll, B. H. M. Hanlo, E. W. Guljé, Jhr. S. Laman Trip en Jhr. D. G. van Tëïlingen.

De beklaagde is niet ontvankelijk in een beroep in cassatie tegen een vonnis, waarbij de oorspronkelijk tegen hem uitgebrachte dagvaarding jïs nietig verklaard. (In gelijken zin beslist bij 's ïïoogen Raads arrest van 12 Maart 1888, N. R., 1)1. 148, § 38, niet opgenomen in het W. v. h. R.).

H. J. H., oud 30 jaar, boerenknecht, geboren te Laren, wonende te Eibergen, is requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Zutphen van 25 April 1901, waarbij,

met vernietiging in hooger beroep van een vonnis van den kantonrechter te Zutphen van 5 Maart 1901, bij hetwelk de req. was schuldig verklaard aan het jagen in open jachttijd a zonder jachtakte, b zonder schriftelijke vergunning van den eigenaar of rechthebbende, en te dier zate, met toepassing van de artt. 1, 2, 15, 40, 45 der Jachtwet, 10 rf. 14 en 11 der wet van 15 April 1886 (Stbl. n°. 64), 23 Strafrecht, veroordeeld tot twee geldboeten, elk van f10, met bepaling van den duur der vervangende hechtenis op 4 dagen voor iedere boete, en verbeurdverklaring met lasti tot vernietiging van het inbeslag genomen geweer, de dagvaarding is verklaard1 nietig.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer de Pinto, heeft de adv.-gen. Jhr. Rkthaan Macaré de volgende conclusie genomen1:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

De moeielgkheden, die gerezen zijn in de zaak, waartoe deze voorziening betrekking heeft, hebben haar ontstaan te danken aan de meer en meer veld winnende gewoonte, om bij het invullen van voor dagvaarding bestemde gedrukte formulieren niet te zorgen voor onafgebroken samenhang tusschen het gedrukte en het geschrevene zelfs niet d&dr, waar door het niet dadelijk aansluiten van het geschrevene er gedrukte gapingen ontstaan en betrekkelijk groote vakken onbeschreven blijven.

In de onderhavige zaak is de oorspronkelijke dagvaarding ingericht als volgt:

Na den gebruikelijken, deels geschreven, deels gedrukten aanhef volgt deels geschreven, deels gedrukt de omschrijving van het ten laste gelegde feit; van deze omschrijving is alleen het slot gedrukt, luidende „zulks zonder dat hij was voorzien van jachtakte en van eene schriftelijke vergunning van den eigenaar of rechthebbende".

Dit met kleine letters gedrukte, schier onmiddellijk boven de onderteekening van den ambtenaar geplaatste slot sluit zich echter niet aan aan het onmiddellijk op den aanhef volgende deel der omschrijving, maar is daarvan gescheiden door eem betrekkelijk groote onbeschreven en niet voor verdere beschrijving onbruikbaar gemaakte open ruimte, zonder dat door eenig teeken aangeduid is, dat de geschreven woorden rechtstreeks aan moeten sluiten en één geheel moeten vormen met dte daarvan betrekkelijk zoo ver verwijderde gedrukte woorden.

Gevolg van dit gebrek aan nauwkeurigheid1 is geweest, dat de met de beteekening der origineele dagvaarding belaste beambte bij het vervaardigen van1 het voor den beklaagde bestemde afschrift der dagvaarding, die gedrukte het slot der dagvaarding vormende woorden over het hoofd gezien en niet in het afschrift overgenomen heeft.

Eene onnauwkeurigheid, die al is zei streng te laken, bij de inrichting der dagvaarding niet ten eenemale onverklaarbaar is.

Het gevolg van deze onnauwkeurigheid is nu geweest, dat in het aam den beklaagde bij de beteekening gelaten afschrift der dagvaarding, welk stuk volgens uwe constante jurisprudentie voor den gedagvaarde als origineel geldt en bij verschil tot grondslag der verdere procedure dient (zie uwe arresten van 28 Jan'. 1889, W. 5672 en 29 Maart 1897, W. 6946), de woorden, die aan de voorafgaande te laste legging haar strafbaar karakter moesten geven niet zijn opgenomen; zoodat in het voor

origineel geldend afschrift aan den beklaagde alleen is ten laste gelegd, dat hij ter aangeduider plaatse heeft gejaagd, hetgeen zonder meer geen strafbaar feit is.

Met den steller der tijdig ingediende memorie en met den Officier van Justitie te, Zutphen ben ik dei' meening toegedaan, dat toen da beklaagde zich onder overlegging van het hem gelaten afschrift beriep op het feit, dat wat hem ten, laste werd gelegd, niet strafbaar was, ontslag van rechtsvervolging had moeten volgen.

De Rechtbank heeft zoodanig ontslag echter niet uitgesproken, doch heeft bij het aangevochten vonnis de dagvaarding met inroeping van art. 144 Strafvord. nietig verklaard op grond, dat uit eene vergelijking van de origineele dagvaarding met het daarvan gegeven afschrift blijkt, dat dit afschrift niet is een afschrift, omdat daarin een deel der origineele dagvaarding niet is opgenomen.

Mitsdien nam de Rechtbank aan, dat al staat ook in het relaas der dagvaarding, dat deze is beteekend met achterlating van afschrift, toch in casu moet aangenomen worden, dat de beteekening zonder overgifta van afschrift heeft plaats gehad, omdat het achtergelaten afschrift- niet volledig is.

Terecht voert de steller der memorie tegen deze opvatting aan, dat, zelfs indien ze als juist kon aangenomen worden, dan toch deze nietigheid naar luid van art. 148 Strafvord. gedekt zoude zijn door de vrijwillige verschijning van den beklaagde.

Afgescheiden hiervan betoogt de steller der memorie echter naar het mij voorkomt met volkomen juistheid, da.t het uitgangspunt der Rechtbank, dat een afschrift, waarin een fout is geslopen, daarom ophoudt een afschrift te zijn, niet wel houdbaar is.

Mij geheel vereenigende met hetgeen dienaangaande in de Memorie voorkomt en onder verwijzing naar uw arrest van 17 Juni 1901, W. 7618, Pal. v. Justitie n°. 53, heb ik de eer te concludeeren dat het Uwen Raad moge behagen het aangevallen vonnis wegens schending en verkeerde toepassing van art. 144 a Strafvord. te vernietigen en krachtens art. 105 R. O. op nieuw recht doende den beklaagde te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het hem ten laste gelegde feit-, zooals dit is omschreven in het hem gelaten afschrift der oorspronkelijke dagvaarding bij geen wet of verat-deining strafbaar gesteld is.

De Hooge Raad enz.;

Gezien de door den req. ingediende memorie van cassatie, waarbij als eenig middel is voorgesteld: Schending door niettoepassing der artt. 211, 216 en 221 en door verkeerde toepassing der artt. 144 en 148 -Strafvord., in verband met de artt. 1, 2 en 20 der Jachtwet;

Gehoord den adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré, namens den procureur-generaal, in zijne conclusie, strekkende enz.;

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van dit beroep:

Overwegende dat volgens art. 346 Strafvord. de bevoegdheid om zich tegen een vonnis of een arrest in cassatie te voorzien alleen toekomt aan den veroordeelde en aan het Openbaar Ministerie ;

dat wel bij art. 24 der wijzigingswet van 15 Jan. 1886 (Stbl. n°. 5) da aanhef van art. 380 (nu 346) in ruimeren zin is gesteld en in verband daarmede in andere artikelen van Titel XVIII (nu XVII) van voormeld Wetboek het woord „veroordeelde" door „beklaagde" is vervangen, doch dat in art. 380 (346) zeil de woorden, „op de vordering van den veroordeelde of van het Openbaar Ministerie" zijn behouden;

dat derhalve de req. is niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het bestreden vonnis, waarbij de oorspronkelijk tegen hem uitgebrachte dagvaarding is verklaard nietig, en hij dus niet is veroordeeld;

Verklaart den req. niet-ontvankeiijk in het door hem inge-

"l-ciuo fJ'Ci UCjJ iii UclSSctilie.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMEKTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 8 Februari 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. Ermerins.

Rechters, Mrs.: J. Deking Dura en P. J. Bijleveld.

Art. 1401 B. W.

Schade door Spoorwegaanleg aan naburige eigendommen veroorzaakt.

Om in eene vordering tot vergoeding van dergelijke schade ontvankelijk te zijn, moet de eischer in elk geval bij dagvaarding stellen, dat de aanleg gebrekkig is geweest en dat de noodige maatregelen van voorzorg zijn achterwege gelaten.

P. J. Hoos, grondeigenaar te Rotterdam, eischer, procureur Mr. H. R. Goudsmit,

tegen

de Naaml. Venn. „Hollandsche IJzeren' Spoorweg Maatschappij", gevestigd te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. Th. Siuart,

en

da Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij voornoemd, eischeres in vrijwaring, procureur Mr. Th. Stuart,

tegen

G. A. van Hattem te Sliedrecht, gedaagde in vrijwaring, procureur Mr. E. T. Clattsing.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat de eischer bij dagvaarding heeft gesteld;:

dat hij is eigenaar der perceelen kadastraal bekend gemeente Kralingen, sectie C, nos. 176, 177, 1344, 1345, 1346, 13^0 1351 1353, 1354, 1356, 1357, 1359, 1360, 1362, 1363, 1366 en 1061,

dat de gedaagde heeft aangelegd een spoordijk op de haar in eigendom toebehoorende perceelen sectie C, nos. 1347, 1349,1352, 1355, 1358, 1361, 1364 en 1365, grenzende aan dei perceelen van den eischer hiervoor genoemd;

dat door en tengevolge van dien aanleg langs en van af de scheidsloot tusschen de perceelen kadastraal 1349 en 1350 de grond van den eischer op perceel 1350 taludsgewijze afloopend gemiddeld 0.70 M. tot een breedte van 15 meter, is opgeperst en verhoogd, de sloot daarnaast- ter lengte van 25 meter geheel

dicht is geschoven evenals de Togt ten Noorden van den Spoordijk tusschen de perceelen 1349 en 1353 ter lengte van 15 meter en ter breedte van 5 meter, terwijl ook daar de grond circa een meter is opgeperst;

dat door en tengevolge van dien aanleg de grond o:p perceel n°. 1353 taluds gewijze uitloopend van af het eigendom der gedaagde op een breedte van 10 meter circa 0.70 meter is opgeperst ;

dat de. sloot tusschen perceelen lo53 en 1354 ter lengte van 21 meter en breed 2.25 meter door en tengevolge van voormeld werk is dichtgeschoven en de grond op perceel 1354 over eene breedte van 4 meter gemiddeld 0.70 meter, op perceel n°. 1359 over eene breedte van drie meter gemiddeld 0.50 meter, op perceel n°. 1360 over eene breedte pan 8 meter gemiddeld 0.80 meter, alles taludsgewijze van af het eigendom van gedaagde afloopend, is opgeperst;

dat door en tengevolge, van meergemeld' werk de sloot tusschen de perceelen 1360 en 1366 ter breedte van 2.25 M. over een lengte van 51 M., gerekend van af de Spoorsloot is dichtgeschoven en de grond op perceel 1366 op eene breedte van 3 M. van af de Spoorsloot 0.65 M. taludsgewijze uitloopend is opgeperst;

dat door de hiervoor gemelde oppersing en grondverplaatsing waardoor de sloten en greppels geheel zijn dicntgeschoven, het daarop staand grasgewas is bedorven en het geruimen tijd zal duren voordat de grond weder in zoodanigen toestand verkeert dat het ter oplevering van goed grasgewas is geschikt en ook de waterioozing op voormelde perceelen niet meer op voldoende «rij ze kan geschieden;

dat voorts de Bermweg vóór het perceel van eischer gemeentelijk gemerkt n°. 280 zoodanig is opgehoogd dat de toegang tot het daarbij behoorend erf niet meer berijdbaar is met paard en wagens;

dat door den hiervoor gemelden toestand voor eischer zeer groote schade is ontstaan;

dat gedaagde die schade aan eischer behoort te vergoeden, daar die schade op des eischers grond is ontstaan door en tengevolge van aanleg van werken op de perceelen van gedaagde en deze alzoo daarvoor is aansprakelijk;

dat de eischer die schade heeft doen opnemen en deze door deskundigen, daartoe zijnerzijds verzocht, is gewaardeerd O'P een bedrag van f3500;

dat gedaagde in der minne tot betaling aangemaand weigert dat bedrag aan eischer te voldoen;

Op welke gronden de eischer ten principale vordert dat bij vonnis dezer Rechtbank uitvoerbaar bij voorraad met of zonder borgstelling de gedaagde worde veroordeeld, om aan eischer tegen behoorlijke kwijting ter zake voorschreven te betalen een bedrag van 13500 met de rente ad 5 pCt-. 'sjaars van af den dag der dagvaarding en in de kosten van het rechtsgeding;

dat de gedaagde ten principale, nadat de eischer ten princi. pale overeenkomstig de dagvaarding had geconcludeerd, op de hoofdzaak heeft geantwoord als volgt:

dat eischers vordering uitsluitend berust op de stelling, dat do gedaagde aansprakelijk zou zijn voor de schade, welke op des eiscüers grond ontstaan is door en tengevolge van aanleg van werken op de perceelen van gedaagde;

dat die stelling echter niet te vinden is in de wet, ja daarmede in lijnrechten strijd is;

dat toch — behoudens in casu niet gestelde en niet aanwezige uitdrukkelijke beperking door wet of wettelijk voorschrift dei eigenaar als zoodanig gerechtigd is op zijn eigendom zoodanige werken aan te leggen als hij verkiest;

dat de buurman, om schade te dier zake aan zijn eigendom geleden vergoed te kunnen krijgen daartegenover zou moeten kun-

nor» c + ; 4- ,3 1 • i-,

wu uiLui uKKtMijK, voorsonriit van wet or overeenkomst, waarbij den eigenaar verboden werd op zijn grond rechtmatige handelingen te verrichten, waardoor hij (buurman) schade lijdtj

dat niemand verplicht is de schade te vergoeden, welke een ander lijdt, op den enkelen grond, dat deize het gevolg is van een door hem vemchte handeling, en zeker niet, wanneer deze handeling krachtens recht verricht werd;

dat de gevorderde schade wegens het niet meer met paard en kar berijdbaar zijn van den toegang tot het erf, behoorende bij perceel n°. 280, zelfs niet is schade op of aan des eischers eigendom ontstaan-;

dat dus de ingestelde vordering niet-ontvankelijk is, althans moet worden ontzegd;

dat gedaagde verder breedvoerig heeft betoogd: dat, indien er aan de zijde van de Spoorwegsloot eenige ophooging had plaats gehad, dit den eischer geen schade zou hebben veroorzaakt ■

dat ter zake van schade wegens de ophooging van den termweg, geene schadeplich igheid van gedaagde bestaat; dat bovendien het gevorderde schadecijfer geheel is ongemotiveerd, terwijl hetgeen bij dagvaarding omtrent den aard en het bedrao- der

beoordeelenf ' Zelfs ^ in staat stelt om den te

heS3'1? wordtgeoollcludeerd dat het der Rechtbank moge Denagen den eischer niet-ontvankelijk te verklaren in zijnen

expensis • conclusie' immers hem die te ontzeggen, cum

dat de gedaagde ten principale voorts voor eisch in vrijwaring waartoe hij d^n gedaagde in vrijwaring bij exploit van dagvaarding van 6 Juni 1899 had opgeroepen, heeft aangevoerd o. m. het navolgende: dat zij, eischeres in vrijwaring door den eischer ten principale is gedagvaard tot betaling van f 3500 met de renten en kosten op de gronden en met aanvoering der feiten gelijk dit alles bij dagvaarding in vrijwaring is gesteld en hierboven in extenso is weergegeven;

dat de gedaagde in vrijwaring de gelegde werken (welke beweerd worden de bovenomschreven schade te hebben veroorzaakt door den eischer Hoos) van eischeres in vrijwaring tegen zekere aannemingssom en op zekere voorwaarden heeft aangenomen uit te voeren en uitgevoerd heeft;

dat onder de voorwaarden waaronder de gedaagde in vrijwaring de bedoelde werken heeft aangenomen! uit te voeren en uitgevoerd heeft ook deze is overeengekomen: „de aannemer is verantwoordelijk voor alle schade tengevolge van dei uitvoering der werken door derden te lijden";

dat derhalve de gedaagde in vrijwaring de eischeres in' dat cas heeft te vrijwaren voor alle veroordeelingen welka deze ter zake voorschreven jegens P. J. Hoos mocht beloopen;

- Weshalve^ het der Rechtbank moge behagen, den gedaagde in \rijwaiing te veroordeelen om, bijaldien de eischeres in vrijwaring bij gewijsde mocht worden veroordeeld om ter zake voorschreven aan P. J. Hoos eenig bedrag uit, te betalen, tegen kwijting aan eischeres m vrijwaring te betalen elk bedrag, waartoe zij wegens schadevergoeding, renten en kosten jegens P. J. Hoos voornoemd mocht worden veroordeeld;

Alles met renten en kosten rechtens;

dat de gedaagde in vrijwaring voor antwoord op den eisch in

vi ij waring heeft aangevoerd onder meer het navolgende:

crJr^A gedaagde op de hoofdzaak terecht en op geheel juiste gronden, welke hu nnlr w-. rlo _ <•, 6 -i a

v — — .incici.ivo, neeiu geconciuaetuu.

Sluiten