Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pliceerde beenversplintering van het rechterbeen. Verzoeke nog neden avond den dokter ten Gate Hoedemaker te ontbieden. Olst, Vrijdagavond 19 Januari 1900 (get.) H. Pluim, med. doet. en arts", zijnde dit stuk in debet geregistreerd enz.;

dat gedaagde uit kracht van die schriftelijke order is aansprakelijk voor opgemelde verplegingskosten, te meer waar het vaststaat dat gedaagde volledig bekend was met de voorwaarden van opname en verpleging in gezegd Gasthuis en waar hij wist, dat daarin slechts wordt opgenomen op last en voor rekening of onder borgstelling van een gegoed persoon;

dat bovendien gedaagde als borg verplicht is die verpleegkosten te betalen, daar hij eenigen tijd vóór de opname van gezegden H. Nieuwenhuis aan de directrice of hoofd der ziekenverpleging van gezegd Gasthuis, mejuffrouw M. H. Euzemeier, uitdrukkelijk verklaarde: „voor iedere zieke, die door mij in het Ziekenhuis wordt gebracht of gestuurd, ben ik borg" ;

Goncludeerende eischers dat de Rechtbank den gedaagde zal veroordeelen tot betaling van f298.75 met de rente sedert den dag der dagvaarding en met veroordeeling in de kasten;

O. dat gedaagde hierop heeft geantwoord: dat hij wil aannemen dat de kosten van de verpleging met de waarheid stroken; dat hij echter ontkent, dat hij last gaf tot de opneming, al schreef hij ook de verklaring door eischers vermeld;

dat die vorm werd genomen, omdat patiënt eerst qa den, tijd van opneming, in het Gasthuis zou kunnen zijn, terwijl voor patiënt onmiddellijke behandeling een levensvereischte was;

dat gedaagde, den patiënt, werkzaam bij den heer Boks te Ulst, behandelende, aan dezen laatsten gaf dit bewijs, met last om op de keerzijde te stellen de verklaring dat hij (de heer Boks) in stond voor da betaling der kosten;

dat zulks niet schijnt te zijn geschied en de directrice van het Gesticht — of wie anders zulks mocht aangaan — de nalatigheid heeft begaan op te nemen zonder te hebben de verklaring van den heer Boks ;

dat voor die malversatie, van wien dan ook, deze gedaagde niet is gehouden op te komen en ook geen lust voelt in te springen;

dat hij eene borgstelling zijnerzijds ontkent, hebbende hij wel vóór dit geval aan de directrice gezegd, dat hij zeer goed begreep, dat men op verklaringen van mensclien uit den vreemde niet kan afgaan, doch dat als een patiënt werd opgenomen op verzoek van familie, bekenden of dergelijke, men dat gerust kon doen, wijl hij zoodanige menschen niet zond om opname te vragen, tenzij hij er borg voor kon zijn, dat deze in staat waren te betalen;

dat gedaagde eindelijk er wel niet nader op zal behoeven te wijzen,, dat eene actie, zooals tegen hem ingesteld, zelfs al ware hij borg (des uitdrukkelijk neen) bij de stellingen der dagvaarding met kan opgaan;

Goncludeerende gedaagde tot ontzegging van den eisch met veroordeeling van eischers in de kosten;

O. dat eischers hierop nader hebben gesteld: dat gedaagde om zijn door eischers overgelegde schriftelijke lastgeving of order te ontzenuwen, aanvoert, dat dit briefje zou zijn een certificaat, afgegeven volgens den meest eenvoudigen plicht van den geneesheer, om opname in het Gasthuis te kunnen verkrijgen;

dat uit de bij deze conclusie overgelegde voorwaarden van opneming in het tit. Geertruiden Gasthuis of Ziekenhuis te Deventer, duidelijk blijkt, dat deze bewering is geheel onjuist •

dat immers krachtens art. 22 dier voorwaarden, verpleegden alleen worden opgenomen op vertoon van een certificaat van een te Deventer gevestigd genees- of heelkundige terwijl blijkens art. 25 dier voorwaarden, een, te Deventer gevestigde genees- of heelkundige bij zeer dringende omstandigheden zelfs niet het recht heeft op eigen verantwoordelijkheid de opneming te gelasten van zieken, in eene, andere gemeente woonachtig;

dat hieruit volgt dat gedaagde's verklaring niet andera is te beschouwen dan als aansprakelijke lastgeving;

dat het vaststaat dat gedaagde volledig bekend was m,et de voorwaarden van opname en verpleging in het Gasthuis en wist dat daarin slechts wordt opgenomen op last en voor rekening of onder borgstelüng van een gegoed persoon;

dat gedaagde deze voor hem bezwarende omstandigheid tracht te niet te doen door te beweren dat hij den heer Boks last gaf aan de keerzijde van zijne schriftelijke order te stellen de verklaring dat hij, Boks, instond voor de betaling der kosten;

dat eischers moeten verklaren dat die bewering van gedaagde hem voorkomt te zijn in strijd met de waarheid ;

dat eischers bij deze conclusie in het geding brengen een brief van gedaagde van 24 Nov. 1900;

dat uit dien brief blijkt: 1°. dat gedaagde zich ter zake van de verpleegkosten ini kwestie heeft gewend tot de Dagelijksche Besturen van Olst en Bathmen en verzekert dit nogmaals te zullen doen; 2°. gedaagde da vraag stelt: wat dunkt U van) een reisje naar Z. E. der» Commissaris te Zwolle; kan ons Zlvxc. nog een handje helpen; 3°. gedaagde verklaart voor liet geval „ niet mocht baten, te zullen trachten in Bathmen en Ulst bij particulieren geld in te zamelen;

dat gedaagde bij dezen brief met geen enkel woord spreekt ^ over Boks, wat toch het geval had moeten zijn, wanneer tusschen hem en Boks was afgesproken dat Boks aan de keerzijde van zijne schriftelijke order zou stellen de verklaring, dat hij, Boks, instond voor de betaling der kosten, terwijl wijders uit dien brief volgt, dat gedaagde zich wel degelijk verantwoordelijk voelt voor de gevorderde verpleegkosten;

dat ook de subsidiaire vordering krachtens borgstelling op» gaat, daar uit dien brief blijkt, dat Nieuwen huis niet kan betalen en dus de borg daartoe is verplicht;

dat bij de houding van gedaagde ten opzichte van dit borg lijven, eischers aan gedaagde opdragen den navolgenden eed;: „ik zweer dat het niet waar is, dat ik eenigen tijd vóór de opname van H. Nieuwenhuis aan de Directrice of Hoofd der Ziekenverpleging van het St. Geertruiden Gasthuis of Ziekenhuis te Deventer, mejuffrouw M. H. Euzemeier, uitdrukkelijk heb verklaard „voor iedere zieke die door mij in het Ziekenhuis wordt gebracht of gestuurd ben ik borg" ;

dat dia eed is beslissend en ingeval van terugwijzing zal moeten «"orden afgelegd door mejuffrouw M. H. Euzemeier voornoemd,;

Concludeerende eischers dat die eed worde verklaard beslissend en blijvende, zij overigens bij hunne conclusiën volharden, terwijl zij overleggen de voorwaarden van opneming en genoemden brief van 24 Nov. 1900;

O. dat gedaagde hierop nader heeft geantwoord', dat hij vol"omen bekend zijnde met de bepaling dat alleen opname geschiedt voor re -ening of onder borgstelling van een gegoed persoon, juist daarom vroeger de Directrice dei bij vorige conclusie vermelde mededeeling deed, die ook op den heer Boks sloeg, als deze zich verbond zooals behoorde geschied te zijn; T,

dat het moeielijk voor het eischend Bestuur zal zijn te goeder trouw vol te houden dat het Bestuur niet wist dat de heer Boks de, man was die den patiënt bracht en opname verzocht, zonder dat men hem liet teekenen, waar datzelfde Bestuur aan den, heer J Boks eene nota ten zimen name zond; dat eindelijk den 29sten

Juli. 1900 het Bestuur den gedaagde per brief ten spoedigste antwoord verzocht op de vraag of, waar Boks niet betaalde, <te verpleging onder gedaagde's borgstelling kon worden voortgezet, zullende dat Bestuur anders (leapatiëiit onmiddellijk ontslaan;

dat daarop door gedaagde in negatieven zin is geantwoord, en desniettegenstaande thans van hem worden gevorderd verplegmgsgelden tot en met 14 Sept, 1900;

dat eischers nog in het geding brengen een brief van gedaagde van 24 November 1900, bewerende dat daaruit volgt dat gedaagde zich ter zake dezer verplegingskosten heeft gewend tot de gemeentebesturen van Olst en Bathmen en tevens dat gedaagde vroeg of een ingrijpen bij den commissaris der Koningin niet zou helpen, eindelijk belovende casu quo te zullen, trachten de kosten bijeen te zamelen in Olst en Ba,tinnen;

dat het Bestuur toen reeds wist dat Boks niet wilde Betalen, evenmin als gedaagde, doch deze èn als fatsoenlijk man en als geneesheer ten behoeve van zijne patiënten zicu verplicht achtte alles te doen wat hij kon om de kosten voor het Gasthuis te verkrijgen en mejuffrouw Eusemeier, op wier verzoek gedaan bij brief van 30 Aug. 1900 gedaagde zich tot de Gemeentebesturen wendde, te redden uit hare moedelijkheid ontstaan door verkeerd inzicht bij de opname;

dat het dus meer dan vreemd is uit die handelingen van gedaagde af te leiden eenig argument voor de stellingen der dagvaarding dewijl juist daaruit onherroepelijk vaststaat dat gedaagde steeds heeft geweigerd per soonlij k te betalen; dat de vordering op borgtocht niet is gegrond; dat de eed niet is beslissend;

dat ingeval van terugwijzing de eed niet kan worden afgelegd door iemand staande niet als partij in de procedure •

Goncludeerende gedaagde dat de eed niet is beshsse'nd en blijvende hij overigens bij zijne reeds genomen conclusiën: In rechte:

O dat eischers optreden als Bestuurders van het St. Geertruiden Gasthuis of Ziekenhuis te Deventer, terwijl zij hebben overgelegd de voorwaarden van opneming in dat Ziekenhuis op "welke voorwaarden zij zich ook beroepen;

O. dat die voorwaarden o. a. bepalen, voor zoover van toepassing, m art. 22 „de verpleegden worden opgenomen op vertoon van een certificaat van een te dezer stede (Deventer) gevestigd genees- of heelkundige" en in art. 25: „Bij zeer dringende omstandigheden kan echter elk geneesheer ten allen tijde, op eigen verantwoordelijkheid de opneming, gelasten, behoudens de vervulling van de in art. 22 omschreven formaliteiten binnen 24 uren na de opneming. Deze bepaling is echter niet van toepassing op zieken in eene andere gemeente woonachtig;

O dat de woorden „deze bepaling'' zien op het geheèle artikel zoodat dus ten opzichte van zieken in eene andere gemeente woonachtig dus ten opzichte van zieken buiten Deventer niet elk geneesheer de opneming kan gelasten, maar integendeel optreden^' 6011 t6 "De'venter wonend geneesheer moet

O. dat het tusschen partijen vaststaat dat de gedaagde Pluim is een geneesheer dia woont te Olst, en het als vaststaande mag worden aangenomen dat het hier betreft een zieke wonende te venteren' plaatsen liggen buiten de gemeente De-

O. dat dus de zieke niet had mogen worden opgenomen op gedaagde^luini' °ertlflCaat vau deZ6n' geneesheer, namelijk van

O. dat dus, is opgenomen buiten de voorwaarden va,ra opneming om,; *

O dat die voorwaarden zijn vastgesteld bij Raadsbesluiten zooals aan het hoofd van het desbetreffende overgelegde is vertreerd enz overgelegde staat vermeld „in debet, geregis-

O dat dus de voorwaarden zijn van publiekrechtelijken aard en door den rechter zelfstandig m alles moeten worden in acht genomen ook als partijen zich daarop niet beroepen;

• u i \aar de 0Pneming niet had mogen geschieden, de hedC™rSw ,bestu,ui"ders,> dus ziJn gegaan buiten hunne, bevoegdSn onSljk; **** ***»», <« dus niet j

V^kÜrtu6irherS niet ontvankelijk in hunne vordering; 1 Veroordeelt hen in de proceskosten bedragende enz. (

aan boord van dat vaartuig, gedaagde, procureur Mr C D Asser Jr.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 20 Maart 1901.

Voorzitter, Mr. A. Wichers Hoeth.

Rechters, Mrs.: J. J. A. L. Bedns en P. Coninck Westenberg.

Artt. 1403 3e lid j° 1402 B. W., 545 w. v. k., 138 Strafrecht.

De omstandigheid dat de eischer, tijdens het hem overkomen ongeval, zich zonder uitdrukkelijke toestemming van den gedaagden schipper aan boord van diens schip bevond staat eischers vordering tot schadevergoeding niet in den weg, omdat ieder, die zich aan boord van een schin bevindt, moet geacht worden, tenzij het tegendeel blijkt daar te zijn met uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van den gezagvoerder of van hem die dezen vervangt. '

Vorenstaande leer is niet in tegenspraak met art 545 W V. K en vindt bevestiging in art. 138 Strafrecht. ■ '

De eischer is niet-ontvankelijk in zijne op art 1403 B W gegronde vordering tot schadevergoeding wegens het'hem op gedaagdes schip, door het omkantelen van een ladder overkomen ongeval, omdat door hem niet is gesteld dat de schepeling, die de ladder plaatste, zulks deed als ondergeschikte van den gezagvoerder, te diens behoeve op diens bevel of met diens medeweten, zelfs niet dat de schipper aan boord was, toen de schepeling den eischer die daar op last van een derde werkzaam was, een ladder te zijner beschikking stelde en die in het ruim plaatste; daarenboven had de eischer, kruiersknechL zich te voren van den stand der ladder dienen te overtuigen.

B'eSITl te Amsterdam' ^scher, procureur Mr.

tegen

J. A. Nouwen gezagvoerder van het stoomschip .Rotterdam" varende, op Antwerpen, Brussel en Gent, vice^erat wonende

De Rechtbank;

en Gelet op de conclusiën namens partijen genomen, mondeling Ie- toegelicht voor den eischer door diens procureur, voor den gedaagde door Mr. W. H. K. Mouthaan, advocaat te Amsterdam ; de Gezien de stukken; g- Ten aanzien der daadzaken;

■e- Overwegende dat eischer bij dagvaarding en opgevolgde! daarle mee overeenstemmende conclusie van eisch stelt: et dat hij zich den 2de» Sept. 1899 op last van zijn patroon W. ie i. de Vos kruier, wonende te Amsterdam, in gezelschap van den heer A van Breemen Az. eerste expediteur der firma Reia- man en Stok, wonende te, Amsterdam, heeft begeven aan boord van het stoomschip „Rotterdam", varende van Amsterdam op r- Antwerpen, Brussel en Gent vice-versa, welk schip wordt eest voerd door den gedaagde, ten einde na te gaan oi bij een, in k het ruim van het schip zich bevindende brandkast de sleutels i- waren, geschiedende deze inspectie op verzoek der douane die n zich wensclite te overtuigen of de brandkast leeg was, zooals werd opgegeven;

5- dat, om de afdaling in het ruim mogelijk te maken, door één ;- van het aan boord van het vaartuig dienstdoende scheepsvolk i- een ladder daarin werd geplaatst;

dat deze ladder, toen hij, er langs afdalende, tot eenige. voeten afstand van den vloer van het ruim was gekomen,, in verticale richting omkantelde, met het noodlottig gevolg, dat hij in het ™im viel en zijn linkerbeen op twee plaatsen is gebroken;

dat dit kantelen van de ladder en de daardoor veroorzaakte

- val van hem eischer, te wijten is aan de nalatigheid, of de onvoorzichtigheid van den bovenaangeduiden schepeling, die de ladder met op den vloer van het ruim maar op eenige zicli daarop

- bevindende rollen zeil heeft geplaatst, hetgeen hij, eischer, niet j wist, oi weten kon;

3 dat deze schepeling de gevolgen van zijne nalatigheid, of onvoorzichtigheid heeft voorzien, of althans had kunnen en behooren te voorzien;

J gud^gde als gezagvoerder van het voormelde stoomschip

l aansprakelijk is voor de schade, door de nalatigheid, of onvoor-

- zichtagheid van het onder zijn bevel en toezicht staande scheeps1 verantwoord^durende hunne werkzaamheden aan boord

hem eischer aH ve™01"zaa]kt en alzoo de gedaagde de door : dat^TscS^^l^f * vergoeden; van den, bovenomschreven 1

zijn gezin te verdienen, terwijl geen uWch/hTstf spoedig het geval zal zijn; loht bestaat' ^ dlt

dat integendeel öf over de genezing no,g vele, maanden zullen verloopen of de,ze nimmer plaats zal hebben;

Op welke gronden eischer heeft geconcludeerd in voege en zooals die conclusie zal worden opgenomen aan liet hoofd der van dit vonnis af te geven expeditie;

O. dat gedaagde, concludeerende tot nietrontvankeliik-verklanng, althans tot ontzegging van den eisch cum expensis, bij conclusie van antwoord tegen die vordering heeft aangeveerd ■

dat de aan de vordering — strekkende tot betaling eener schadevergoeding van f 1000 of zooveel minder als de Rechtbank zal veimeenen te behooren — ten grondslag gelegde, feiten, al waren zij bewezen, haar met wettigen daar niet gesteldis, dat eischer op^t van gedaagde of met diens uitdrukkelijke tab»™

n aatt boord 011 in het ruün van het stoomschip

„«.otterdam , en niemand, zonder last of machtiging of uitdrukkelijke toestemming van hem, gedaagde, gezagvoerder van genoemd schip, zich aan boord van zijn schip mag begeven;

,;,?h J113 f °ï ^gens dagvaarding overkomen, ongeluk

zie ^ zalven te wijten heeft en hij geen recht heeft o-p gedaagde

boord gaS- van het door hem eigendunkelijk aan

dat, volgens de dagvaarding, de eischer gehandeld heeft op last van. zijn patroon, den kruier W. P. de Vos, doch deze van gedaagde geen bevoegdheid gekregen heeft om personen in ziin dienst toegang te geven tot gedaagde's vaartuig en de onderwee pelijke vordering dus eer tegen genoemden patroon van eischer aan tegen gedaagde had behooren ingesteld te zijn •

dat gedaagde niet wist, dat eischer zich had vernieten, aan boord van zijn vaartuig te gaan, onbekend is met da bij daffvaarding gestelde, dooh met bewezen feiten, e» deze dus ontkent dat gedaagde hieraan — hoewel onnoodig — toevoegen dat aan een bediende der firma Redman & (Stok vergund is in het, ruim van genoemde stoomboot te gaan om, in verband met inklaring, te onderzoeken of een zich daar bevindende brandkast ledig was. Deze bediende was voorzien van de sleutels en van een orderbriefje der douane; volgens hem stekte heeft met iemand, van het scheepsvolk, maar een los sjouwerJL een ladder geplaatst om daar langs in het ruim te dalen, Genoemde bediende der firma Heiman &n , ,

vergezeld was, heeft van die h/lrW rr K ' i 16 °erL, door niemand eenig; ongeval in het ruim gekomen^ ^ * g0m t m 18 zonder

ladder de ^gtrekking maakt, dat da

eentricfSLT1 ^ d°'V"en °°k » ^ld en van dat trouwen» l! ,dfanan dan ook geen sprake, kan zijn; dat trouwens kantelen van een ladder in een beladen ruim, —

vLrz!lMl ST fcn ladder kIem £esteld' is touch® rollen stelling ontkent; ^ dM °°k elscllel's

dat intusschen, aangenomen, dat eischer de bevoegdheid van e-e daagde gehad had om aan boord en in het ruim te gin

n ladder voor hem gesteld was, hij zelf toch zich had' moeten nilt T" °Te??lgT van deiï iuisten stand der ladder en dit.

zeiven te^wijto heneft.°°k ^ ^ ^ het °ngeVal aan'zich

SS IHS™ «tój

i loer.ln een gevuld ruim onmogelijk is en eischer HpiKU^

gebro\lSC^r^t1e °P twee te, hebben

Ive^C ST dit n7et ^hT^ ^

bewering^ gnttleekkuLfCh%ni,et' b*Bnd' ^ onbe^zen

moet betwisten ,- k~ ewtroIee™ «n d* juistheid ervan

betajtï noteftt6 hT ^dte7oor P

zou liii vemlinht + , .b g' daagde, ontkent, dat, al

bedrag van f 1000 dnam ^ schadevergoeding aan eischer, een ueoiag van_t 1000 daarvoor zou mogen gesteld worden-

reeds dcLTet"" 7an. rePliek' Persisteerende bij de

te melden aanbiedingen;11 C011cluSleD en ^ vragende van na

Sluiten