Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevel te verleenen tot den openbaren verkoop van eenige ten irequest© omschreven te Stiens gelegen, onroerende goedleren, behoorende tot dei gemeenschap, bestaan hebbende tusschen den eersten requestrant en zijne eehtgenoote T. IJskamp, aldaar overleden den 25sten Aug. 1900, op grond dat die goederen niet voor verdeeling vatbaar zijn en, om tot eene behoorlijke verdeeling te geraken, beboeren te -worden verkocht);

O. dat deze de strekking van het request is, ook al wordt daarin medegedeeld, dat de requestranten wenschen over te gaan tot scheiding en deeling van da nalatenschap van genoemde! T. IJskamp, welke trouwens zal moeten geschieden in Amerika, niet hier te lande;

O. dat de wet noch in art. 1122 B. W. noch elders den eompetenten rechter heeft aangewezen om het in dezen bedoelde bevel te verleenen, zood'at uit; andere bepalingen omtrent de competentie moet worden afgeleid welke de in dezen bevoegde rechter is;

O. dat hier sprake ite van deeling van in gemeenschap bezeten onroerende goederen in welk geval de wet (art. 129 in verband met art. 126 al. 10 B. R.) bepaalt dat die rechter bevoegdi is, onder wiens rechtsgebied de onroerende goederen gelegen zijn;

O. dat da in dezen bedoelde goederen blijkens dten inhomd van het request liggen te Stiens en alzoo in dit arrondissement, zooidat deze Rechtbank de in dezen bevoegde rechter moet geacht worden te zijn;

Gezien de artt. 1122 B. W., 129 en 126 B. R. en art. 7 dier wet houdende algemeene bepalingen dier wetgeving van het Koninkrijk ;

Accordeert het ten requeste gedaan verzoek;

Beveelt mitsdien den daarbij aangevraagden verkoop, met dien verstande dat in de gegeven omstandigheden die tegenwoordigheid van den toezienden voogd niet. wel mogelijk is;

Gelast dat die verkoop zal worden gehouden in het openbaar en volgens de plaatselijke gebruiken door het Ministerite van zoodanigen daartoe bevoegden notaris en op zoodanige® tijdi en plaats als door requestranten reeds is overeengekomen.

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

EENIGE BESCHOUWINGEN BIJ HET EINDE DES JAARS.

Al wordt het invullen van de tabellen der gerechtelijke statistiek wel eens een droog werk genoemd, toch komt men daarbij soms tot beschouwingen die eenigszins te denken geven. Zulks ondervond ik wederom toen ik als kantonrechter te Middelburg mij bij het einde van 1902 daarmede bezig hield betreffende de in dat jaar behandelde strafzaken in mijn kanton.

Toen nu de namen der beklaagden de revue passeerden kwamen die eener zekere categorie van onverbeterlijke dronkaards opdagen, welke, hoe dikwijls wegens openbare dronkenschap veroordeeld, steeds maar het voorrecht bleven genieten buiten de gevangenis te blijven, namelijk, die financieel genoegzaam gegoede lieden welke altijd vrijwillig de opgelegde boeten betaalden nadat zij in hunne onverschilligheid steeds verstek hadden laten gaan, voor hoedanige personen naar de uitlegging door den Iloogen Raad bij arrest van 11 Maart 1895 (W. v. h. R. 6641) aan art. 266 Strafvord. gegeven, het verstekvonnis nimmer onherroepelijk wordt, zoodat de recidive nimmer vat op hen heeft. Daartegenover ontmoette ik de namen van hen, die minder door de fortuin gezegend, niet bij machte waren de hun aanvankelijk opgelegde boeten op te brengen en nu als recidivisten van art. 453 Strafrecht van de eene 3 weken hechtenis in de andere gingen. Eene zoodanige bevoorrechting voor de wet van vermogenden boven onvermogenden doet het rechtsgevoel pijnlijk aan, zoodat de vraag oprijst of het niet hoogst wenschetijk is dat met eene verbetering van art. 266 niet worde gewacht totdat een nieuw wetboek ons zal hebben bereikt.

Eene tweede beschouwing betrof het misbruik hetwelk de wet toelaat te maken van het recht van verzet tegen een bij verstek gewezen strafvonnis.

Terwijl in het kanton Middelburg in vroeger tijd het verzet tot de zeldzaamheden behoorde, zoo telde ik voor het afgeloopen jaar niet minder dan 62 gevallen. De meeste van die in verzet gekomen veroordeelden, hoofdzakelijk reoidivisten van art. 453 Strafrecht, badden bij de vernieuwde behandeling ter terechtzitting eene volledige bekentenis van sohuld aan het hun ten laste gelegde afgelegd, waarna op de vraag waarom zij dan waren gekomen in verzet, in den regel werd geantwoord dat zij zich uitstel hadden willen verschaffen voor het ondergaan der hechtenis. Zonder twijfel heeft die zelfde reden ook gegolden bij die 15 personen, welke bij de hernieuwde behandeling eenvoudig weg zijn gebleven, zoodat hun verzet is vervallen verklaard. Dat misbruik van eene goede instelling, hetwelk niet alleen in mijn kanton doch ook elders schijnt ingeslopen te zijn, ontaardt in eene gewoonte, waardoor aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, die zoo noodig reeds al het mogelijke heeft verricht om door uitstel de veroordeelden te gerieven, veel onnut werk op den hals geschoven wordt, terwijl, waar de rechter gedurig wordt gedwongen goed gedaan werk weer eens over te doen, de rechtspraak tot eene bespotting wordt gemaakt.

Eene andere beschouwing weer betrof, dat onder de 1375 gewezen strafvonnissen niet minder dan 529 voorkwamen gewezen ter zake van „het zich in kenlijken staat van dronkenschap bevinden op den openbaren weg".

Niettegenstaande de bevolking op "Walcheren niet noemenswaardig was toegenomen, was dat cijfer van 529 weer 46 hooger dan in het voorafgegane jaar. Deze uitkomst was teleurstellend omdat ik anders had verwacht nadat omstreeks anderhalf jaar geleden, wegens de sterke toeneming van voormelde overtreding in dat kanton, werd aangevangen de straffen te dier zake te verzwaren door bij de eerste maal de boete van f 1, subsidiair 1 dag hechtenis, respectievelijk te brengen op f 2 en 2 dagen, met eene aanmerkelijke verzwaring der hechtenis in geval van recidive. Hierbij zij aangestipt dat, zooals van zelf spreekt, in bijzondere gevallen van deze op een tarief gelijkende regeling werd afgeweken.

Die min gunstige ervaring in verband brengende met het feit dat ieder jaar in ons Rijk op nieuw duizenden personen ter zake van openbare dronkenschap in de gevangenissen worden gebracht, zoo rees de vraag of al dat straffen van door den drank onverschillig geworden lieden wel ooit tot eenige afdoende verbetering kan leiden. Geeft het wetboek van strafrecht niet een vrij wat meer afdoend middel aan de hand waar in art. 252 wordt bepaald dat met gevangenis van ten hoogste 9 maanden of geldboete van ten hoogsten f 300 wordt gestraft hij die aan iemand die in kenlijken staat van dronkenschap verkeert bedwelmenden drank verkoopt of toe¬

dient ? Niettegenstaande zoodanige toediening en verkoop aan beschonken lieden op plaatsen waar gelagen worden gezet gedurig en dagelijks kan worden waargenomen, zoo is het, naar ik meen, eene zeldzaamheid dat een zoodanig misdrijf aan de berechting der rechtbanken wordt onderworpen.

Juist op plaatsen waar gelagen worden gezet is het dat voornamelijk de dronkenschap wordt gekweekt. Wordt den beklaagde ter terechtzitting gevraagd waar hij van daan kwam toen hij in kennelijken staat werd aangetroffen dan wees hij mij nagenoeg steeds op de kroeg.

Wordt krachtiger tegen kroeghouders en consorten opgetreden, telkens wanneer art. 252 niet wordt nageleefd, dan zou naar mijne bescheiden meening meer dan thans het kwaad in het hart worden aangetast en aan den drankduivel een sterk wapen worden uit de hand geslagen.

Middelburg, 8 Januari 1903. van dek Miedek".

Mijnheer de Redacteur,

Het „lid der Rechtbank quem noscis" geeft eene voorstelling van feiten, die „inter muros" zouden zijn voorgevallen, welke alleen in nuanceering verschilt. Een strijd daarover zal het rechtsgeleerd publiek geen belang inboezemen. Intusschen handhaaf ik de mijne als de juiste.

De geproduceerde stukken zijn onvolledig, omdat daaraan ontbreekt de overgelegde schriftelijke verklaring van den curandus, dat hij met het request volkomen bekend was en dat uitdrukkelijk als het zjjne erkende en goedkeurde.

Gaat het nu aan dat de Rechtbank een dergelijk door den rechtzoekende uitdrukkelijk als het zijne erkende request „buiten beschikking stelt" ?

En is ook het standpunt juist en in overeenstemming met onze wetgeving, dat eene Rechtbank inneemt, die p r o p r i o m o t u gaat onderzoek doen naar de verhouding tusschen procureur en cliënt, op de wijze waarop oudtijds het onderzoek naar de zuiverheid des geloofs werd ingesteld ?

Mij dunkt, art. 267 W. v. B. R. geeft een duidelijk antwoord.

De behandeling, mij in raadkamer door de Rechtbank aangedaan, acht ik onrecht. Tegen dat onrecht kan de prooureur niets doen, zoo lang de antiquiteit blijft bestaan van een procuraat, gesteld onder de disciplinaire macht van de Rechtbank. Wordt het niet tijd, Mijnheer de Redacteur, dat de procureurs als zoodanig worden afgeschaft en hunne functien opgedragen aan den advocaat ? De onafhankelijkheid van den advocaat zal toch wel mede behooren tot de kostbaarste waarborgen voor recht en vrijheid. Die onafhankelijkheid wordt den advocaat gewaarborgd door zijn forum. Onzin is het — ik ken er geen ander woord voor — dien advocaat weer onder den naam van procureur te brengen onder de discretionaire macht van een rechtscollege.

Hoogachtend

Alkmaar, 11 Januari 1903.

Uw dw. dien. W. C. Bosman.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Biji Kom. Besluit van 12 Januari 1903, n°. 8, is1 benoemd! tob griffier bij het Kantongerecht te- Sn eek. Mr. F. K. Dorama, thans kantonrechter-plaatsvervanger, advocaat en procureur te Sneek.

— Bij Kon. Besluit van 13 Januari 1903, n°. 10, is de heer Mr. W. A. P. F. L. Winckel, viloe-president van het Hooggerechtshof van Nederlandlsich-Indië, benoemd tot president van dat college.

— Bij Kon. Besluit va.n 13 Januari 1903, n.°. 23, is benoemd tot raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam, Mr. S. Sleeswijk, thans .rechter in da Arrond'. -Rechtbank aldaar.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

Politierecht.

Mijnheer de Redacteur!

Beleefd verzoek ik u het onderstaande in uw blad op te nemen.

Sedert eenigen tijd werd herhaaldelijk door alleen zijnde vrouwen en meisjes geklaagd, dat zij op den Hoogen Rijndijk, meestal tegen een uur of zes 's avonds werden aangesproken door een manspersoon, die vroeg om mee te mogen loopen of het een en ander voor haar te dragen.

Hedenavond is deze persoon door den gemeenteveldwachter van Ringelenstein aangehouden, terwijl hij een dertienjarig meisje aansprak. Voor mij geleid verklaarde hij geen andere bedoelingen te hebben, dan gezelschap op zijn wandeling te zoeken en erkende de persoon te zijn, die op verschillende dagen der vorige en van deze week het den alleenloopenden vrouwen had lastig gemaakt

Aangezien hij beloofde zulks niet meer te zullen doen, zal ik voorloopig zijn naam niet noemen, doch heb ik hem naar het politiebureau van Leiden laten brengen opdat men hem aldaar ook kon leeren kennen.

De Burgemeester, van Zoeterwoude, J. H. Slicher.

Zoeterwoude, 8 Januari 1903.

Yan geachte zijde wordt onze aandacht gevestigd op bovenstaand ingezonden stukje, voorkomend in het Leidscli Dagblad van 9 Januari j.1. De inhoud geeft eene aardige illustratie aan onze laatste hoofdartikelen en doet ons eene zeker nog al zonderlinge toepassing kennen van het ongeschreven politierecht, die, zooals ons bij de toezending van het stukje werd geschreven, voor elk Nederlander, die zijne vrijheid liefheeft, in hooge mate verontrustend is.

Die overbrenging naar het Leidsche politiebureel ten einde aan de Leidsche politie het voorrecht te gunnen van de kennismaking, met den op damesgezelschap gesteld zijnde wandelaar kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op de wet maar evenmin steun vinden in de noodzakelijke vervul¬

ling der aan de politie opgedragen taak. Waaaeer de betrokken persoon meer gezind om dames te begeleiden dan om door de politie te worden begeleid, zich tegen zijne overbrenging naar Leiden gewelddadig had verzet, zou de justitie moeite hebben gehad de rechtmatigheid van de ambtsuitoefening te redden. RED.

ADYERTENTIEN.

TE KOOP Jour Temisrai vaa werbaartdea

Een compleet ex. Mr. C. Asser Burg. Wetboek met

6 supplementen Rombach Een ex. Mr. J. A. Levy de Koophandel met 1—11 supplementen compleet voor f 25 in plaats f 68,

Brieven onder letter A bureel van dit blad.

Een jong Mr. in de Rechten op proefschrift gepromoveerd wenscht als volontair werkzaam te zijn op een advokatenkantoor te Amsterdam.

Brieven franco onder n° 45 Alg. Adv. Bui'. SIKKEN, Paleisstraat 29.

GEZOCHT

een compleet Exemplaar van het Weekblad van het Recht.

Aanbiedingen met prijsopgaaf onder No. 69 a. li. Advertentiekantoor van J. H. DE BUSSY, Bokin 60 Amsterdam.

Boekhandel v/h GEBR. BELINFANTE N V. den Haag.

BE NEBEBLANBSCÏÏE WETBOEKES

VAN

OÏÏDEMII-LIPMAI

(Verwijzingen, Inleidingen, Literatuur)

VIJFDE DRUK door

Mr. P. BAUÜUIKT

Prijs, in linnen gebonden, f 4.90.

Elk deeltje van deze uitgave is ook afzonderlijk ingenaaid verkrijgbaar.

Burgerlyk Wetboek geb. fl.75 ingen. fl.25

Wetboek van Koophandel, Faillisse-

mentswet enz ,, 1.75 ,, 1.25

Wetboek van Burg. Rechtsvordering ,, i.75 „ 1.25 Wetboek van Strafvordering, Recht.

Organisatie enz ,, 1.75 „ 1.25

Wetboek van Strafrecht, Grondwet enz „ 1-75 „ 1.25

Bij de Uitgevers dezes is verschenen :

Onderzoek naar het Vaderschap

Beschouwing omtrent den waren zin van art. 342, al. 1 B. W.

den Nederlandschen Vrouwenverenigingen ter overweging aangeboden

door

JSm*. ROCHUSSEB!

Lid van den Raad van State

Prijs f2.50 Rij de Uitgevers dezes zijn verschenrn :

SOHBT8

van het

Romeinsche Erfrecht,

door

Jhr. Mr. Tj. A. M. X. Ifumalda van Ey$inga<

Pr\js f 1.00.

Overziclit

van het

Romeinsche Erfrecht,

door

Mr. M. MENDELS.

Prijs f 2.25.

Gedrukt bij F. J. BE LINT ANTE voorh: A. D. SCHINKEL'

Sluiten