Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Getal ver oor de el in g en. De aandacht, werd gevestigd: op het groot getal veroordeelmgen, namelijk 107187 in zaken voor de Kantongerechten, 15912 voor de Rechtbanken en 898 voor de krijgsraden, te zamien 123997, zoadat •pGt. van de bevolking des Rijks veroordieelingen heeft ondergaan. In verband: hiermede rees de vraag of niet al te veel wordt geverbaliseerd! door de politiebeambten.

P r e mi e s t else 1. Hoezeer het premiestelsel in beginsel veroordeeld werd door de groot© meerderheid van de leden die zich ten deze uitlieten, erkenden velen hunner echter, dat het wenschelijk was uitzonderingen toe te laten. Schifting van omstandigheden, waarin premiën behoorden verboden en toegelaten te worden, kwam wenschelijk voor.

Men kon zich bij deze gelegenheid niet onthouden van zijne bevreemding uit te drukken over de wijze waarop een ambtenaar van het Openbaar Ministerie in het openbaar was opgetreden om critiek over de handelingen der gemeentelijke politie uit te oefenen.

Dienstwoningen voor Rij ks vel d wa c h te rs. Vele leden bleven aandringen op het inrichten der ledig staande tolhuizen tot rijksveldiwachterswoningen. Juist het wonen buiten de kom der gemeenten is in vele gevallen een voordeel. Met belangstelling werd; daarom uitgezien naar de uitkomst van het toegezegde onderzoek.

VlIIste Afdeeling.

Kosten der Rijkswerkinrichtingen.

Met belangstelling en waardeering nam men kennis van 's Ministers mededeeling omtrent het onderzoek te Veenhuizen en zijn voornemen om eene Staatscommissie in 't leven te roepen tot voorlichting in deze zooi belangrijke materie. Deze aangelegenliedd blijve derhalve met vertrouwen aanbevolen in 'si Ministers goede zorgen.

Met het oog op de oprichting van nieuiwe gestichten, welke noodig zullen worden bij de invoering der tuchtwet, werd gevraagd', of het niet aanbeveling zoude verdienen reeds nu onderzoek te doien naar particuliere inrichtingen bereid en geschikt om jeugdige veroordeelden op te nemen.

Aldus vastgesteld den 17den Januari 1903.

Van Lier.

Sassen.

Van Boneval Faurb.

Laan.

Van der Does de Willebois.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

(Raadkamer) .

Beschikking van den 18 December 1902.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Lieïsting. Raadsheeren, Mrs. : Jhr. B. g. de Jonge, A. p. Th. Eyssell, E. W. Guljjé, .A. M. vak Stipkiaan Ldïsciüs, A. Telders en Jhr. S. Laman Trip.

Ook bij staking van stemmen tusschen de gehoorde leden der familie staat tegen de voogdij benoeming ingevolge het 2e lid van art. 415 B. W. hooger beroep open.

Aan den JSoogen Raad der Nederlander],.

Geeft eerbiedig te kennen:

G. van Vliet, houthandelaar, wonende te Ouderkerk a/dl IJsel, ten deze te 'sGravenhage domicilie kiezende ten kantore van ondergeteekenden advocaat aan de Parkstraat n°. 28;

dat by, de hierbij o vergelegde beschikking vain den heer kantonrechter te Gouda ddi. 9 Oct. 1902 verzoeker en G. Bouthoorn te Woubrugge zijn benoemd' tot curator en toezienden curator over den onder curateelei gestelden A. van Vliet te Ouderkerk a/d. IJsel;

dat blijkens de hierbij overgelegde processen-verhaal van het verhoor dor bloedverwanten dd. 18 Sept. en 2 Oct. 1902 in familieraad! zijn verschenen vier bloedverwanten, van welk© twee de thuis benoemden en twee twee andere personen als curator en toazienden curator voordroegen;

dat dei Arrond. -Rechtbank te Rotterdam, nadat de gehoorde bloedverwant Inge m 't Hout heeft gevorderd, dat het procesverbaal van verhoor en benoeming aan de gemelde Rechtbank zouden worden ingezonden, bij. bare beschikking van 2/ Oct. 1902, welke hierbij wordt overgelegd heeft bevolen de oproeping der bloedverwanten van A. van Vliet ter raadkamer van die Rechtbank voornoemd op 28 Nov. 1902 — ten einde omtrent de benoeming vaneen ourator © n toezienden curatorte worden gehoord en zulks ondanks namens verzoeker daartegen ingediend request, waarvan een afschrift. hierbij wordt overgelegd;

dat verzoeker deiz© beschikking in strijd acht met. die wet. en daarvan bij Uwen Raad in cassatie komt en als middel van cassatie voorstelt:

Schending en verkeerd!© toepassing van de arfct. 503, 415 B. W., omdat, dei Rechtbank meent., dat er termen bestaan heti procesverbaal van het bloedverwanten-verhoor op te zenden aan de Rechtbank, en voor deze: om andermaal dezelfde bloedverwanten te hooren, in 't. ge,val de benoemden door tw.e© der verschenen vier bloedverwanten zijn voorgedragen, hoewel die bevoegdheid slechts dan bestaat, wanneer de keus op eenen anderen persoon valt dan die door de meerderheid is opgegeven, welk geval zich liier niet voordeed';

dat verzoeker ter ondersteuning van dit middel eerbiedig verwijst naar cle beschikking van Uwen Raad dd. 1 Juli 1892, W. 6219 ;

dat toch de vraag, waarop bet hier aankomt deze is, of art;. 415 B. W. in difen zin te versteen is, dat, indien er1 geene meerderheid aanwezig is, steeds hooger beiroep is toegelaten, dan wel, of dit alleen toelaatbaar is, indien er eene meerderheid is, van wier gevoelen de kantonrechter is afgeweken;

dat naar de duidelijke letter der wet zeker1 alleen heb laatste het geval is, daar deze uitdrukkelijk voorschrijft, dat het hooger beroep alleen is toegelaten., indien de kantonrechter een ander persoon benoemt dan die door de meerderheid is opgegeven, en alleen door gewrongen en spitsvondige redeneering dei bepaling van toepassing kan worden geacht waar geen meerderheid aanwezig is;

1 dat bovendien in het aangehaalde arrest van Uwen Raad uitir drukkelijk wondt betoogd, dat da woorden der wet volkomen met © liet door den wetgever gevolgde stelsel te rijmen zijn, daar voij; gens het Nederlandsch recht die benoeming berust bij den reche ter en niet bij de familie, zoodat het volkomen in het stelsel e der wet pa-st, alleen in 't geval van botsing tusschen het gevoelen van den kantonrechter en d© meerderheid van den familieraad hooger beroep toe te laten;

1 Redenen, waarom verzoeker Uwen Raad eerbiediglijk verzoekt te vernietigen .de beschikking, waarvan cassatie en te verklaren dat er voor den kantonrechter geene termen bestonden de geh zegde processen-verbaal op te zenden noch voor de Rechtbank om de bloedverwanten op te roepen ten einde omtrent d© bei noeming van een curator en toezienden curator ter worden ger hoord.

i 't Welk doende enz.,

s L. Verschoor,

advocaat.

)

A n. t i d o t a a 1 request.

i

Aan den Iioogen Raad der Nederlanden.

Geeft eerbiedig te kennen:

Inge In 't Hout, vroeger zonder beroep, thans koopman te Apeldoorn, ten deze vertegenwoordigd' dooi- den ondergeteeken.de, advocaat by Uwen Raad;

diat hij heeft kennis, genomen van het aan Uwen Raad ingediend request, waarbij G. van Vliet beroep in cassatie instelt tegen de beschikking der Artrond. -Rechtbank te Rotterdam van 2/ Oct. d. j., waarbij een hernieuwd verhoor van bloedverwanten is bevolen, omtrent de benoeming van eenen curator en toezienden curator over A. van Vliet te Nieuwerkerk a/d. IJsel;

dat het bij dat request aangevoerde middel van cassatie stelt, dat de bevoegdheid der Rechtbank om andermaal dte bloedverwanten te hooren „slechts dan bestaat, wanneer dei keus op een anderen persoon valt dan dia door de meerderheid is opgegeven, welk geval zich hier niet voordeed";

dat. requestrant naar aanleiding dezer laatste woonden dei eenvoudig© vraag wensoht te stellen of soms. de keus van den kantonrechter wel is gevallen op den persoon, die door de1 meerderheid werd1 aangeduid?

dat het antwoord op die vraag natuurlijk geen ander kan zijn dan: „neen, dei kantonrechter benoemde niet den persoon, die door de meerderheid' was aangeduid" ;

dat requirant van cassatiei nu waarschijnlijk aanstonds aan dit antwoord zal willen toevoegen: ,, maar dit kon ook niet, want er was geen meerderheid en dus kon de kantonrechter niet beinoemen een persoon, die door de meerderheid' was aangeduid" ;

dat het echter naar requestrants bescheiden meening niet de vraag is, wat wel kon of wat niet kon, maar wat er gebeiurd is, en dat. nu vaststaat d'at de kantonrechter niet benoemde een persoon, die door die meerderheid was aangeduid, tevens vaststaat, dat zich hier niet voordbet het geval, waarin volgens de eerste zinsnede van art. 415 B. W. de benoeming dadelijk van kracht zou geweest zijn;

dat onder die uitdrukking „dadelijk van kracht zijn" wel niet anders verstaan kan worden, dan een© uitsluiting van hooger beroep, doch d'at dan ook hiér, waar het niet geldt eene benoeming, welke door de wet dadelijk van kracht wordt verklaard, hooger beroep moet zijn toegelaten. (Zie ook Land I pas- 382 n°. 4);

dat dit te meer klemt, waar naar de vaste rechtspraak van Uwen Raad vatbaarheid voor hooger beroep regel «n uitsluiting van hooger beroep uitzondering is, zoodat regelen welke die uitsluiting behelzen steeds zeer strikt zijn toe te passen en uit te leggen;

dat trouwens de wet zelve in art. 53 sub 6 B. R. hoogeire voorziening tegen eene voogdij-benoeming in den regel mogelijjk acht, immetrs om geen© andere reden de voorloopige ten uitvoerlegging daarbij heeft kunnen voorschrijven;

dat. het aan requestraint hot zij mat alle bescheidenheid gezegd vreemd voorkomt, dat waar, ■ naar niet wel vooir tegenspraak vatbaar is —• eene benoeming als in het onderhavige geval ni©t valt onder de eerste zinsnede van art. 415 en d!us de daar voorgeschreven uitsluiting van hooger beroep niet geldt, men toch tracht ook voor dit geval dat hooger beroep als uitgesloten te beschouwen;

dat als argument hiervoor wordt aangevoerd, dat. de tweede zinsnede van dat artikel slechts de procedure regelt voor het. geval de kantonrechter van de meerderheid afweek;

dat. naar requestrants bescheiden meening hieruit, alleen zou zijn af te leiden dat dan in het onderhavige geval (naar de 1 Hooge Raad het in 1892 uitdrukte: „het gewoonste geval") die i vorm van procedure niet zou mogen worden gevolgd', maar de < gewone beroep-procedure volgens art. 345 B. R. zou zijn tie volgen, welk artikel echter in heb cassatiemiddel niet is aange- < haald, terwijl dit ook blijkbaar niet gericht is tegen den vorm., 1 waarin in dit geval heb hooger beroep bij den hooigeren rechter < werd aanhangig gemaakt en door dezen ontvangen; 1

dat echter aan requestraint minder juist- voorkomt eenei wets- 'c uitlegging, waarbij, men vooreerst moet aannemen dat de wet- j c geven het „gewoonste" geval over het hoofd zag, hetgeen bovendien feitelijk niet juist is, omdat, de Regeering, die het artikel toelichtte, toonde wel degelijk de procedure van de tweede zinsnede ook op dat geval toepasselijk te achten (zie Noordziek 182j, II pag. 345 en 182 2/3 I pa.g. 210) immers door den Minister in de n zitting van 29 Maart 1823 het volgende werd gezeigd: d

„Mais son choix sera-t-il défimitif et irrévocable ? Oui s'il a j' adopté 1'avis da trois ooi «piatre paren ts ou alKés. emtefndus; .at cela parait. conforme a la railson et la justice. Le juge a'rt-il z cho'isi une personae- non désignée par trois membres de 1'assem- 4 blée de familie la voitx d'un seul memhre suffiti pour que le pro- . S cès-verbal etc."; en waarbij men vervolgens de eerste zinsnede moet lezen, niet zooals zij, werkelijk luidt, maar alsof er bij- v stond: „en evenzeer wanneer er geen meerderheid is"; 4

dat eene dergelijke aanvulling varfeen zeer duidelijk en voor h geen tweeërlei opvatting vatbaar wetsvoorschrift als de eerste ® zinsnede van art. 415 is, alleen omdat de te volgen vorm van 1 procedure in de tweede zinsnede, wanneer men dien erg op den ^ keper beschouwt, niet geheel met' de eerste zinsnede overeen- v" stemt, aan requestrant niet als eene juiste wetsuitlegging voor- 11 komt; _

dat al evenmin de opdracht dooi- den rechter van dia datieve voogdij, die bij ons Burg. Wetboek is aangenomen, tot eene andere beslissing kan leiden, waar niet ontkend kan worden dat men aan de familieraden een grooten en regelmatigeri invloed heeft willen blijven toekennen (cf. Asser p. 173) en art, 415 al. 1 dan ook slechts in één geval aan die benoeming o-nmidm i d d e 11 ij k e kracht heeft willen .geven, nl. wanneer dte® kantonrechters keus. overeenstemt met de meerderheid in den familieraad, wat precies het omgekeerde is van wat req. van cassatie stelt, nl. dat het- stelsel der wet zou zijn, alleen hooger

t- beroep toe te laten in het geval van botsing tusschen liet ge-

ft voelen van den kantonrechter en de meerderheid van den famii-

i- lieraad;

ï- dat requestrant overigens met bescheidenheid wijst op het ar-

i'1 tikei van wijlen Mr. P. van Bemmelen in Rechtsgeleerd' Maga-

;- zijn 1892, pag. 494, waarin glashelder het onhoudbare der stel-

n ling van req. van cassatie wordt aangetoond;

Red'enen, waarom hij Uwen Raad eer-biedig verzoekt het. inge-

t steld cassatieberoep ta verwerpen.

n 's Gravenhage, 11 Nov. 1902.

k W. Th. G. van Doorn,

ï- advocaat.

Conclusie van den proc. -gen. Polis : De Procureur-Generaal;

Gezien vorenstaand verzoekschrift, de daarbij overgelegd© stukken en het ingediende antidotaal request;

Overwegende dat zich in deze niet voordoet het geval van art. 415, 2de lid B. W., vermits hier door den kantonrechter tot curator en toezienden curator zijn benoemd de personen welke dooi- twee van de vier gehoorde bloed- en aanverwanten waren opgegeven, zoodat de Rechtbank zich van dei beoordeeliing van } de ® deze gedane benoemingen behoorende te onthouden, ook met bevoegd; was die oproeping van de bij den kantonrechter ge' hoorde bloed- en aanverwanten om over de benoeming van een curator en toezienden curator te warden gehoord te bevelen; dat het middel steun vindt in de jurisprudentie van den Hoógen ' Raad nedergelegd in het arrest van 1 Juli 1892 (Rechtspraak Dl | 161 § 48) (1); *

Ln zich met dat arrest in alle opzichten vereenigende, heeft de eer, ondier verwijzing naar Opzoomer Dl. II, blz. 321. noot 3, te cancludeeren tot vernietiging van de beklaagde beschikking. Parket, 13 Nov. 1902.

De Hooge Raad enz.;

Gezien bovenstaand verzoekschrift, de daarbij overgelegde stukken en het ingediende antidotaal verzoekschrift; °

Gezien de op eerstgenreld verzoekschrift gestelde conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van de beklaagd© beschikking;

Overwegende dat blijkens de daarvan opgemaakte processen verbaal, naar welke in de bestreden beslissing van de Arrond.Rechtbank te Rotterdam, eerste kamer, van den 27sten Oct. 1902 wordt verwezen, de kantonrechter te Gouda, over den onder eurateele gostelden A. van Vïieit te Ouderkerk a/d. IJsel heeft benoemd een curator en een toazienden curator in overeenstemming meti het gevoelen van twee der vi©r geraadpleegde bloed- en aanverwanten, doch in strijd met het gevoelen der twee overige, die in onderlinge overeenstemming anderen daarvoor hadden aangewezen;

dat dei Rechtbank bij dte bestreden beschikking op grond dei' haar door den kantonrechter gedane mededeeling, dat een dier gehoorde verwanten de inzending van het. proces-verbaal aan de Rechtbank had gevorderd, heeft bevolen, dat dtei bij; den kantonrechter gehoorde bloed1- .en aanverwanten zouden worden opgeroepen, ten einde omtrent de benoeming van een curator en toezienden curator te worden gehoord .en dat hiertegen het middel is gericht, hetwelk berust op dte stelling, diat, waar ten deze de keuze van den kantonrechter niet was .gevallen op een anderen persoon, dan di© door de meerderheid der verschenen verwanten was opgegeven omdat er geene meerd'erheid bestond, het tweede lid van art.. 415 B. W. niet was toepasselijk;

O. dienaangaande, d'at dte in deze; bepaling voorkomende woorden. „eenen anderen persoon dan die door dei meerderheid is opgegeven" heenwijzen naar de bewoordingen van het eerste lid: „den persoon welke, dooi- de meerderheid! der ledten van de familie is aangeduid", gelijk blijkt zoowel uit den verkorten vorm der aangehaalde woorden van het tweede lid als. uit de aanvangswoorden van datzelfde lid!: „indien daarentegen";

dati derhalve dei woorden: „eenen anderen persoon dan die door da meerderheid is opgegeven" be teekenen : eenen anderen persoon, dan die, waarvan het. eerst© lid. spreekt, en de strekking van het tweede lid is, om voor alle andtere gevallen dan, diite van het eerste lid, dati is: voor alle gevallen, waarin het hooger beroep openstaat, den vorm daarvan te: regelen;

dat dte stelling, waarop het middtel rust, ook daarom is onaannemelijk, omdat naar die. stelling, niettegenstaande het. eerste lid van art. 415 bepaalt, dat de benoeming dadelijk van kracht zal zijn wanneer is benoemd' dei persoon die dbor de meerderheid (dat is: de volstrekte meerderheid) deir leden van de familie is aangeduid toch het hooger1 beroep zou zijn uitgesloten en mitsdien de benoeming van kracht, zou zijn, wanneerdie voorwaarde; niet aanwezig is ;

dat overigens, tenzij,, wat hier niet het geval is, de bewoor| dingen der wet bepaaldelijk daartoe noodzaken, de wetgever niet kan worden gerekend een stelsel tei hebben gewild, waarbij juist dan, wanneer dte strijd het scherpst i^, en, gelijk bij voogdijbenoieiningen zoo menigmaal geschiedt, twee verwanten van vaderszijde en twee verwanten van moederszijde tegenover elkander staan, het hooger beroep zou zijn uitgesloten.

dat mitsdien, het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

Bij, dit. in raadkamer gewezen arrest der burgerlijke kamer wordt juist het tegendeel aangenomen van de, beslissing der vaoant.ieka,mer van 1892 bij arrest van 1 Juli van dat jaar, W. 6219. 's Hoogen Raads nieuwe teer vindt steun bij Land. t. a. p. in het antidotaal request, met dte ouda leer vereenigd°n zich Diephuis, Systeem, V, bi. 340, 341, Opzoomer, II, bl. 341, 42, noot 3, Asser, Handt. I, bl. 389, 390. In het'ontwerp dei' Staatscommissie voor de herziening van het B. W. wa.s voor de; thans door den H. R. in anderen zin dan vroeger besliste vraag geen plaatsi. Immers in Boek I van dat ontwerp is art. 415 B. W. geschrapt, terwijl volgens art.. 507Jnieuw reoht tot hooger beroep ook tegen de benoeming van voogden of curators zonder eenige beperking wordt toegekend aan den verzoeker aan den benoemde, aam hen, die gehoord' zijn, en zelfs aan 'hen, die het recht hadden om gehoord be worden. Vgl. de toelichting van dit artikel (M. v. T., bl. 273) en art.. 2 der wet van 18 Aorü 1874, Stbl. n°. 68.

(1) W. 6219, reedfe aangehaald in het verzoekschrift Red.

Sluiten