Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag, 15 Februari 4903

N° 7857

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VIJF ■ EN ' ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post ƒ21, behalve het Register. — Prijs der advertentiën, 1—6 regels f 1.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel T/h Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage C2e Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 2 Januari 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Conincx Luïstino.

Raadsheeren, Mrs. : Jhr. B. O. de Jonge, A. P. Th. Eyssell,

E. W. Guljé, A. M. van Stipriaan Luïscius, A. Telders

en Jhr. S. Laman Trip.

Uit de strekking der wet op het recht van successie en van overgang bij overlijden blijkt ten duidelijkste, dat zij voor het geval dat het hier geldt afgeweken is van den regel van art. 1129 B. Wonverschillig of deze eene deeling van eene nalatenschap of van eene huwelijksgemeenschap betreft, terwijl zelfs in art. 44 der wet die afwijking uitdrukkelijk uitgesproken is.

J. van der Heydën, landbouwer, wonende te Heiberg bij Epen,

gemeente Wittem, c. si, eischers, advocaat Jhr. Mr. E. N.

de BiIAUW,

tegen

Z. E. den Minister van Financiën, verweerder, advocaat Mr.

J. H. Telders, gepleit door Mr. W. Thorbecke.

De adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heeren!

Het lot van deze voorziening hangt af van het antwoord door U te geven op de vraag : of bij de toepassing van de bepalingen der wet van 13 Mei 1859, Stbl. n°. 36 op het recht vajii successie en van overgang biji overlijden, zooals die weit thans luidt, sedert de daarin laatstelijk bij de wet van 29 Januari 1898 Stbl. n°. 35 gebrachte wijzigingen art. 1129 B. W. eerugen invloed uitoefent?

Bij het beklaagde vonnis is die vraag in overéénstemming met de tegenwoordige meeining van. het Bestuur der Registratie ontkennend beantwoord, terwijl eischers in cassatie zich beroepen op de vroegere meening van heit Bestuur van oordeel zijn, dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De gronden, die voor de eene en voor de andere meening kunnen worden bijgebracht, zijn uitvoerig uitééngezet, zoowel in de ter eerster instantie gewisselde memoriën, als bij de voor Uwen Raad gehouden pleidooien; ik kan daaraan niets nieuws toevoegen en meen daarom te kunnen volstaan met eenei korte uitéénzetting der gronden, die miji er toe leiden, mij te vereeniigen met de, naar ik meen, voor liet eerst door den heer notaris A. Moll te Arnhem ontwikkelde, thans ook door het Bestuur der Registratie omhelsde en bij het aangevallen vonnis1 gehuldigde leer.

Die leer strookt ook m. i. geheel met dem geest en bedoeling der weti

Artikel 1 der Successiewet bepaalt, dat er onder den naam van recht van overgang eene belasting wordt, geheven o. a. van de waarde van alle onroerende zaken binnen het Rijk in Europa gelegen of gevestigd!, in vruchtgebruik of eigendom geërfd of verkregen wordende d oi o r het o v e r 1 ij d e n van iemand, die geen ingezetene is van het Rijk.

Ik kan in die bepaling, waarmede we in casu speciaal te doen hebben, niet anders zien, dan een gebod, dat er belasting zal worden geheven van de waarde van alle binnen liet Rijk gelegen onroerende goederen, die tengevolge van overlijden van een niet ingezetene overgaan in eens anders bezit.

Krachtens den bij ons ini art. 880 B. W. nedergelegden rechtsregel ,,le mort saisit le vif" heeft die overgang onmiddellijk en van rechtswege bij het overlijden plaats.

Hetgeen vroeger tot het bezit behoorde van deji erflater gaa t dus dadelijk bij. diens overlijden over op zijn erfgenamen; is er slechts één universeels erfgenaam, dan dadelijk voor het geheel, zijn er daarentegen meerdere erfgenamen dan op1 deze te zamen en voorloo'pig ,,pro indiviso".

Op dien overgang van rechtswege drukt de belasting.

Waaruit volgt, dat dé belasting eix articulo 1, 2° verschuldigd is, zoodra bij overlijden onroerende goederen, zooals in het artikel bedoeld, hetzij pro toto, hetzij pro indiviso van. eigenaar of bezitter wisselen.

Met dteize voor de hand liggende opvatting, waarbij; de belastingschuld ontstaat tegelijk en met den overgang van rechtswege, strooken nu m. i. die overige bepalingen der Successiewet ten volle.

Zoo spreekt art. 3 van het recht verschuldigd door en biji liet overlijden van den erflater.

Evenzoo' kan ik de artt. 10 en vlg., waarbij, db verplichting tot het doen van aangifte wordt geregeld:, in geen. anderen zin verstaan, dan dat daarbij die verplichting tot. het doen van aangifte wordt opgelegd aan allen, aan wiei door het overlijden de erfenis is opgekomen, op wie alzoo het bezit is overgegaan, onverschillig of zij die erfenis zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden, of wel die zelfs later mochten verwerpen.

Geheel in overeenstemming daarmede begint de termijn tot het doen van aangifte te loopen van den dag van overlijden en Wordt krachtens de artt. 23 en 25 de belasting gelieven naar de Waarde, die de onroerende goederen ten dage van het overlijden d. i ten dage van den overgang hadden.

Uit diit alles1 en nog uit meerder e andere in de wet voorkomende

bepalingen is het voor mijl duidelijk, dat de wetgever met belasting heeft willen tóeffen den overgang van rechtswege, die op het oogenblik van overlijden plaats heelt.

Waaruit volgt, dat indien op het oogenblik van overlijden onroerende goederen liet zij pro toto betzij pro indiviso in het, beizit van den erflater1 waren, die alzooi op zijn erfgenamen overgingen, het van stonde aan zeker is, dat daarvan recht van overgang te betalen zal zijn, al moge het dan nog volkomen on zeik er zijn, wie dat recht- te betalen zullen hebben.

Is ar slechts één universeel erfgenaam, dan bestaat die onzekerheid natuurlijk niet, ze rijst echter, zoodra er meerdere erfgenamen zijn, dan is wel isi waar dadelijk zeker wat overgaat, doch vooralsnog onzeker aan wie overgaat.

In zoodanig geval ontstaat er uit den aard der zaak een tusschentoestand, waarin de nalatenschap het gemeen, doch onverdeeld' eigendom der erfgenamen is.

Aan dien tnsschentoestand maakt de scheiding' een einde, welke scheiding echter geen de minste verandering kan brengen in den overgang van goed, die b ij, en d o o r het overlijden van rechtswege heeft plaats gehad.

Wel verre, dat deze opvatting zou, strijden met de bepaling van art. 1129 B. W. strookt zij m. i'. daarmede in allen deele.

Immers ligt juist in; de bepaling van art.. 1129 B. W., dkt de erfgenaam geacht wordt onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde of in de door hem ter gelegenheid van de boedelscheiding gekochte goederen, de erkentenis opgesloten, dat re veira die toebedeelde of gekochte goederen gedurende den tijd, liggende tusschen het overlijden en de boedelscheiding, het eigendom zijn geweest van de gezamenlijke erfgenamen.

Waar de nalatenschap aan eene pluraliteit van erfgenamen ten deel valt erkent het Burgerlijk Wetboek dus twee van elkander gemakkelijk te onderscheiden momenten:

1°. dat waarop de goederen, die te zamen de nalatenschap uitmaken van rechtswege uit het bezit van den overledene overgaan op diens: erfgenamen;

en 2°. dat waarop het gemeen bezit der erfgenamen plaats maakt voor het individueel bezit door ieder der erfgenamen van liet hem toebedeelde deel.

Met het laatstgenoemde moment houdt de successiewet zich niet op, omdat aan haar het begin sel ten grondslag ligt dat de belastings chuld in het eerste moment tegelijk bij' het overlijden ontstaat en op de gezamenlijke erfgenamen ieder voor zijn evenredig deel rustj onverschillig hoe de erfgenamen de nalatenschap later verdeelen en welk deel ieder hunner ten slotte mocht verkrijgen.

Voor toepassing van art. 1129 B. W. bij de heffing van het reoht van overgang is. bij die opvatting geen plaats, ook niet, wanneer, gelijk in het onderhavige geval, tot de door den erflater nagelaten goederen een onverdeeld gedeelte in een gemeenschap behoorde, geen scheiding kan immers het feit ongedaan maken, dat op liet oogenblik, waarop de doode de levenden, greep er een nog onverdeeld recht overging en de waarde van dat onverdeelde recht op datzelfde oogenblik door de belasting werd getroffen.

En alleen met dat feit houdt de successiewet rekening, terwijl het voor haar toepassing volkomen onverschillig isi, hoe de nalatenschap ten slotte onder de. erven verdeeld wordt.

Met art. 1129 B. W. had, en heeft de wet op het recht van successie en van overgang bij overlijden dn» niet te maken.

Op deze gronden acht ik het aangevallen vonnis juist gewezen en het daartegen aangevoerde middel ongegrond, immers is geen der bij het middel genoemde artikelen bij 1-et vonnis geschonden of verkeerd toegepast.

Mitsdien strekt mijne conclusie, tot verwerping dier voorziening o. e.

De Hooge Raad enz.;

Overwegende dat tegen het tusschen partijen gewezen vonnis van de. Arrond.-Rechtbank te Maastricht van 14 Nov. 1901 als middel van cassatie is voorgesteld:

Schending of verkeerds toepassing van de artt. 183, 208. 210 2_l1 en 1129 B. W., 1, 2, 3, 10, 11, 23, 43, 44, 54 en 62 van de wet van 13 Mei 1859 (Stbl. n°. 36), gelijk die artt. zijn gewijzigd' bij art. 1 der wet van 28 Mei 1869 (Stbl. nu. 95), art. 3 dier wet van 9 Juni 1878 (Stbl. n°. 95), de artt. 1, 2 en 4 der wet van 31 Dec. 1885 (Stbl. n°. 263), art. 2 der wet van 24 Mei 1897 (Stbl. np. 154) en art. 1 der wet van 29 Jan. 1898 (Stbl. n°. 35) en voorzooveel noodig van de artt. 6 en 7 der wet van 15 Mei 1829 (Stbl. n°. 28) houdende Alg. Bepp. der Wetgeving van het Koninkrijk, doordien bij: het. beklaagde vonnis op verschillende zelve met de aangehaalde: wetsbepalingen strijdig© gronden is aangenomen, dat die bepaling van art. 1129 B. W. bij dé toepassing der Successiewet niet in aanmerking mag worden genomen terwijl zulks wellicht juist moge zijn ten aanzien van de scheiding en deeling van de nalatenschap' des erflaters tusschen diens erfgenamen voor de vraag wat ieder hunner heeft: verkregen van hetgeen de erflater heeft nagelaten, doch uit igeen enkele wetsbepaling volgt of mag worden afgeleid, dat, waar de erflater bij; zijn overlijden deelgereic'htigd© was in eenige gemeenschap en deze na zijn overlijden, doch vóór de bij de: Successiewet opgelegde aangifte' geischeiden wordt, voor de vraag die in casu moest worden Deslist, wat de erflater heeft nagelaten en bepaaldelijk of hij al dan niet goederen tot die gemeenschap behoorende doch aan anderen toebedeeld, geheel of gedeeltelijk, heeft nagelaten, art. 1129 voor de toepassing der Successiewet, buiten werking' zou zijn gesteld, met dit gevolg, dat een deel der goederen, waarvan de erflater krachtens art. 1129 gerekend Wordt den eigendom nimmer tie hebben gehad, toch zou moeten worden beschouwd als door zijn overlijden te zijin verkregen;

O. daaromtrent:

dat blijkens het bestreden vonnis de vordering der eischers strekte tot terugbetaling van f 1698.24 voor recht van overgang

door hen onder protest van ongehoudenheid, en met: voorbehoud om het als onverschuldigd terug te1 vorderen, betaald;

dat mede blijkens het aangevallen vonnis tusschen partijen is onbetwist, dat d'e vader van eischers, niet ingezetene van het Rijk op 8 April 1900 in België is overleden; dat deze déi eischers als zijne erfgenamen bij versterf heeft nagelaten, dat. zijne eclitgenoote bij zijn overlijden im leven was en dat. hij met haar in gemeenschap van winst en verlies' gehuwd was; dat bij: zijn ovei-lijden onroerende goederen binnen het Rijk in Europa gelegen, als winst der gemeenschap' aanwezig waren, tot de helft waarvan de vrouw en tot de wederhelft waarvan de eischers gezamenlijk gerechtigd waren; dat op 25 Oct. 1900 bij: notarieel© akte die gemeen,schap is verdeeld' tusschen de. weduwe en de. kinderen en na bepaling der waarde van de: onroerende goederen deze aan de weduwe: zijn toebedeeld onder verplichting harerzijds om aan hare acht kinderen — de eischers — dé helft dier waardie (na eene reprise:) uit te keeren; dat hierop de eischers eene memorie van aangifte ter zake van den overgang hebben inged'ienid met kennisgeving van de plaats gehad hebbende deeling en bewering dat ton gevolge van deze geen overgangsrechten verschuldigd waren;

dat door den fiscus evenwel recht van overgang gevorderd en door eischers, onder bovengenoemd voorbehoud voldaan is;

dat de eischers in eersten aanleg hebben beweerd, dat de plaats geliad hebbende deeling door dei werking van art. 1129 in verband met de artt. 183. 208 en vlg. B. W. ten gevolge had dat de onroerende goederen geacht moesten worden niet te hebbén behoord' tot de. nalatenschap van hunnen vader en dat zij dan ook onverplicht waren recht van overgang daarvan te betalen;

dat de Rechtbank déze bewering onjuist geacht era aan eischers hunne vordering ontzegd heeft;

dat de eischers door deze beslissing de in het middel genoemde artikelen en in het bijzonder art. 1129 B. W., geschonden of verkeerd toegepast achten, maar ten onrechte omdat dei wet op liet recht van successie en van overgang bij' overlijden onder de hier bestaande omstandigheden aan art. 1129 B. W. heeft gederogeerd voor bepaling van d!e fiskale aanspraak op betaling van rechten;

dat volgens de wet de rechten van den fiscus alleen en uitsluitend bepaald worden naar toestanden, die op heti oogenblik van overlijden in werkelijkheid bestaan;

dat de vader dier eischers: bij zijn overlijdbn als: bestanddeel van zijn vermogen bezat de: helft in de winst, die die gemeenschap van winst: en verlies had opgeleverd, en deae bij, zijn dood op aijne erfgenamen Overging;

dat nu aan het recht van overgang onderworpen zaken dooiden overledene nagelaten, worden aangewezen op het oogenblik van het overlijden, wat reeds beslist wordt d'oor art. 1 der Successiewet dat bepaalt: ,,Er wordt, onder den naam van recht. va.n overgang eens belasting geheven van de waarde: 2°. van alle onroerende zaken binnen het Rijk in Europa gelegen, of gevestigd, in vruchtgebruik of eigendom verkregen wordende door overlijden van iemand', die geen .ingezeten is van het Rijk" : dat verder biji art. 2.5 voor de bepaling van de waarde voor db regeling van het recht van overgang verwezen wc*rdt naar art. 23 n°. 1 a en c en hierbij uitdrukkelijk gezegd wordt, dat de nagelaten goederen worden geschat op hunne waarde: , ,ten dage van het overlijden" ;

dat aan deze regeling geen uitvoering gegeven zou kunnen worden indien eene scheiding en deeling invloed; kon uitoefenen op den belastingplicht, daar baten kunnen zijn toebedeeld, die tusschen den tijd van overlijden en scheiding in de plaats gekomen zijn van baten der nalatenschap en die dus ten dage van het overlijdén daarin niet gevonden werden ;

dat trouwens uit de. strekking der wet ten duidelijkste blijkt, dat zij: voor het geval dat het hier geldt afgeweken is van dbn rechtsregel bij art. 1129 gegeven, onverschillig of deze eene deeling van eene nalatenschap of van eene huwelijksgemeenschap betreft, en zelfs in een der bepalingen der wet te weten in art. 44 die afwijking uitdrukkelijk uitgesproken is;

dat het toch niet aannemelijk is1, dat in eene fiskale wet het aan den wil van deelgerechtigden zoude zijn. overgelaten om de belasting al of niet tei betalen, wat echter het geval zoude zijn indien men zich diaarvan bevrijden, kon door aangifte te; doen na de scheiding; dat kon deze invloed uitoefenen op den belastingplicht, in de wet bepalingen verwacht zouden worden om bij aangifte vóór de scheiding onbillijkheden ten gevolge harer werking ingetreden, op te heffen, hoedanige bepalingen in dé wet niet te: vinden zijn;

dat alzioo het voorgestelde middel niet kan leiden tot cassatie; Verwerpt het beroep;

Veroordeelt de eischers in de kosten in cassatie gevallen.

Kamer Tan Strafzaken.

Zitting van den 29 December 1902.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbf.ke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, Jhr. P. R. Feith, A. J.

Clant van der Mï.tli,, Jhr. D. G. van Teylingen, Jhr. W.

H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen.

De dagvaarding, inhoudende, dat beklaagde, als getuige onder eede gehoord, opzettelijk valschelijk in strijd met de waarheid aflegde de daarin vermelde verklaring, geeft te kennen, dat die verklaring opzettelijk valsch onder eede werd afgelegd.

Waar de dagvaarding aldus aan de vereischten van art. 207 Strafrecht voldoet, wordt voor eene veroordeeling wegens meineed niet gevorderd eene afzonderlijke moti-

Sluiten