Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het voorstel der ondergeteekenden gaat uit van de meening, dat gebroken dient te worden met iedere regeling, waarbij tot de verkiezing van de leden der Eerste Kamer anderen worden geroepen dan de kiezers voor de Tweede Kamer.

" Van de opdracht dier verkiezing aan de Provinciale Staten heeft de ervaring de nadeelen aan het licht gebracht. Wje zal betwisten, dat ten gevolge daarvan de keuzen voor de Provinciale Staten veelal minder werden beheerscht dooi- overwegingen, aan de provinciale belangen ontleend, dan door wenschen omtrent de samenstelling der Eerste Kamer?

Onder dit stelsel is voorts het recht der Kroon tot ontbinding van de Eerste Kamer feitelijk zonder beteekenis. Hoe zoude zulk eene ontbinding doel kunnen treffen, waar de Provinciale Staten niet ontbindbaar zijn?

Overbrenging' der verkiezing bij gemeenteraden of uit die raden samengestelde kiescolleges zoude de moeielijkheden slechts verplaatsen, niet opheffen.

Bovendien hebben a.1 dergelijke regelingen gemeen, dat zij vormen zijn van getrapte verkiezing, en als zoodanig onaannemelijk zijn te acliten. Het beginsel der rechtstreeksche verkiezing heeft, sedert het na feilen strijd zegevierde, zóó zeer post gevat in de nationale overtuiging, dat het thans eindelijk ook bij de samenstelling der Eerste Kamer toepassing behoort te erlangen. „Door directe, beter dan door indirecte verkiezing wordt de band tusschen volk, vertegenwoordiging en Regéering versterkt", schreven de heeren Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman en Mr. B.. J. Linteloo. baron de Gteer van Jutphaas, in hunne afzonderlijke Nota, gevoegd bij het Verslag der Staatscommissie voor Grondwetsherziening van 1883.

Ook de Eerste Kamer zij voortaan het directe uitvloeisel van de volkskeuze; de verkiezing van hare leden worde aan dezelfde kiesbevoegden als voor de Tweed© Kamer opgedragen.

De ondergeteekenden hebben gemeend, dit in het ontwerp op de eenvoudigste en duidelijkste wijze te kunnen uitdrukken, door in art. 80 üi de woorden „de leden der Staten-Generaal" zoowel de leden der Eerste als die der Tweede Kamer te omvatten.

Voor het overige .is, het voor ons land — waar staatsrechtelijk bevoorrechte klassen onbekend zijn en voor navolging van de inrichting van Hoogerliuis of Senaat volgens andere constituties over liet algemeen de voorwaarden ontbreken — de aangewezen weg, ten aanzien van de samenstelling der Eerste Kamer de historische lijn te volgen en zooveel mogelijk op het bestaande voort te bouwen.

Deze grondgedachte heeft ertoe geleid, dat volgens het onderhavige voorstel de onderscheidende kenmerken van de samenstelling der Eerste Kamer zijn gelegen :

1. in de inrichting van het verkiezingswerk op den grondslag der gewestelijke indeeling (gewijzigd art. 82);

2. in de verkiezing der led'en voor negen jaren met aftreding van een derde gedeelte om de drie jaren (ongewijzigd art. 91) ; en bovenal

3. in de verkiezing uit categorieën, waarvan de Grondiwet de omtrekken vaststelt, de nadere bepaling aan de wet overlatende (gewijzigd art. 90).

Eenvormige regeling, van de kiesbevoegdheid voor de beide Kamers belet niet, voor iedere Kamer de kiezers op verschillende wijze te groepeeren. Zoodoende schept men een waarborg te meei-, dat in de Volksvertegenwoordiging de richtingen en belangen in al hunne bescheidenheid tot hun recht kunnen komen. De band, reeds zoolang tusschen provincie en Eerste Kamer geknoopt, doet ter verkrijging eener bijzondere groepeering gereedelijk het middel aan de hand. Vandaar almede het voorstel tot behoud van de provinciale indeeling van het grondgebied voor -le verkiezing van de leden der Eerste Kamer.

Intusschen is in dit opzicht eene wijziging in art. 82 noodzakelijk, ten eindte de invoering van evenredige, vertegenwoordiging (zie hieronder n°. IV) mogelijk te maken. Voor de toepassing van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging mag het aantal der telkenmale te kiezen leden niet al te klein zijn. Met het oog daarop zijn de provinciën saamgevoegd tot vijf groepen, waarbij de verdeeling van het grondgebied over onze vijf gerechtshoven is gevolgd.

De langere zittingsduur en de geleidelijke vernieuwing, volgens liet geldende art,. 91, hebben de strekking, mede te werken tot verwezenlijking van het doel, waarmede de Eerste Kamer is ingesteld: waar noodig, ter toetse te brengen, of een door de Tweede Kamer aangenomen voorstel van wet steun vindt in denkbeelden, die door-werkten bij de bevolking, dan wel daartoe besloten werd onder den drang van eene wellicht voorbijgaande strooming.

Het, belang dezer beweegreden erkennende, hebben de ondergeteekenden geen afdoe,nden grond gevonden, wijziging in de bestaande regeling voor te dragen. Gevaar voor niet gewettigden tegenstand der Eerste Kamer tegen de invoering van wenscheiijke hervormingen is daarvan in hun stelsel niet te duchten. Het recht der Kroon tot ontbinding der Eerste Kamer -— thans eene wel in naam bestaande, maar in werkelijkheid ijdele bevoegdheid — zal beteekenis verkrijgen.

Eindelijk: de vereischten voor de verkiesbaarheid!.

Aan de beperking der verkiesbaarheid in hoofdzaak tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen ontleent de Eerste Kamer een eenzijdig plutocratisch karakter, terwijl voorts een groot vermogen, ruime inkomsten of op weelderigen voet ingerichte levenswijze op zich zelf niet, het, vermoeden wettigen voor de aanwezigheid! der eigenschappen, in de leden van dezen tak der Volksvertegenwoordiging gevorderd.

In de plaats van een hoogen census als eenigen, of althans overwegenden maatstaf trede eene regeling, die meer rechtstreeks afgaat op het doel en aldus zich voortbeweegt in de richting, waarin de Grondwetgever van 1887 reeds eene schrede zette, toen hij de verkiesbaarheid, uitstrekte tot hen, die „eene

of meer hüoge en gewigtige openbare betrekkingen beklee-

den of bekleed hebben".

Het, voorstel, waarbij naar zulk eene regeling is gestreefd,, wortelt in de overtuiging, dat ook in de toekomst de Eerste Kamer moet blijven eene vergadering van aanzienlijken. Niet echter in den engen zin eener aristocratie van geboorte, van fortuin, of van hooge, in de staatkundige of ambtelijke loopbaan bereikte rangen, maar in de ruime beteekenis, waarin .daaronder worden begrepen allen, die op het uitgestrekte veld van den m aatsc h appel ijken arbeid of in den dienst van het algemeen bolang tot; „aanzien" zijn gekomen.

Van de drie categorieën, uit welke, volgens het voorstel, de verkiezing zal geschieden, omvat de eerste degenen, die reeds het vertrouwen hunner medeburgers verwierven en als leden der Staten-Generaal, der Provinciale Staten of der besturen van grootere gemeenten deelgenomen hebben of deelnemen aan wetgevenden arbeid of van nabij bekend werden met de eischen van eene deugdelijke vervulling der bestuurstaak.

Die deelneming en bekendheid af te leiden uit, het bloote feit der benoeming, zou te ver gaan. Gevorderd zal moeten worden een lidmaatschap van zekeren duur. Bepaling van dien duur

worde overgelaten aan den gewonen wetgever, die voor de verschillende colleges eeri. verschillenden tijd kan vaststellen.

Dat met betrekking tot de gemeenten hier zekere grens is in acht te nemen, ligt voor de hand. Ook hier blijft de nadere bepaling van het bevolkingscijfer aan da wet voorbehouden. En vermits het lidmaatschap van het college van dagelijksch bestuur uit het. ten deze bedoelde oogpunt meer beteekenis heeft, d'an het enkele lidmaatschap van den gemeenteraad', zal ook ten aanzien van het zielental der bevolking de wet knnnen, zooi niet moeten onderscheiden.

De tweede categorie; wordt gevormd door hen, die wegens hunne kunde en ervaring, hunne talenten of hunne toewijding aan de openbare belangen op den voorgrond zijn getreden, die m de samenleving „eene aanzienlijke plaats innemen of ingenomen hebben".

Langs dezen weg zullen tot zitting nemen in de Eerste Kamer geroepen kunnen worden de meest bevoegde vertegenwoordigers van landbouw en industrie, van handel en scheepvaart, kortom, zooals het artikel het in één woord samenvat, van al de verschillende takken der „volksnijverheid".

Vervolgens degenen, die op het gebied van eeredienst, kunst of wetenschap tot aanzien zijn gekomen.

En eindelijk ook zij, d'ie als voormannen in het vereenigingsleven, als leiders van vereenigingen, aan het; algemeen belang of het belang van bepaalde maatschappelijke kringen gewijd, door het vertrouwen van talrijke groepen der ingezetenen eene aanzienlijke plaats in het volksleven innemen. Zij zijn, op hun gebied, met de behoeften en belangen der bevolking bekend. Op hunne deelneming aan eene wetgeving, bestemd om, daarin te voorzien, moet worden prijs gesteld. Althans de mogelijkheid daartoe moet worden geopend.

Tot nadere aanwijzing van de vereischten voor de rangschikking onder deze categorie zal de wetgever kenmerken hebben ta bepalen. In de wijze, waarop hij zich van deze opdracht te kwijten en aan de grondwettige gedichte vorm te; geven heeft, moet zijne vrijheid van beweging geëerbiedigd worden.

De derde categorie bestaat uit degenen, die in het Rijk of in da koloniën en bezittingen in andere werelddeelen eene der openbare betrekkingen bekleeden of bekleed hebben, welke bij de wet worden aangewëzen. Van „hooge en gewigtige" word't niet meer gesproken. Zich rekenschap gevende van den geest, die het nieuwe artikel 90 bezielt, zal de wetgever, ook zonder soortgelijke bijvoeging, daarin voldoenden leiddraad vinden bij zijne, aanwijzing.

Het verband der onderdeelen van het artikel zal, naar de ondergeteekenden vertrouwen, ertoe leiden, dat de toegang tot de Eerste Kamer zal openstaan voor al die; elementen, die, op grond van de hiervoren ontwikkelde denkbeelden, verkiesbaar behooren te zijn.

III. De staatkundige onbevoegdheid der vrouw is nóch uit het oogpunt van rechtvaardigheid, nóch uit, het oogpunt van liet publiek belang- te verdedigen en mag dus; niet worden bestendigd. Met betrekking tot het recht der vrouw, aan de verkiezingen deel te nemen, is hierboven onder I reeds het noodige opgemerkt. De Grondwet mag echter, naar het oordeel der ondergeteekenden, evenmin een beletsel vormen tegen d!e verkiezing van eene vrouw tot lid van een der vertegenwoordigende lichamen. Waar tot dusver vrouwen in openbare betrekkingen optraden of aan den arbeid van ambtelijke of vrijwillige commissies voor maatschappelijke doeleinden deelnamen, is voldoende o-ebleken, dat de vrouw voor den man niet onderdoet in geschiktheid ter behartiging van algemeene belangen.

IV. De verkiezingen dienen, ook naar de meening der ondergeteekenden, zoodanig te worden ingericht, dat daardoor wordt, gewaarborgd eene samenstelling van de vertegenwoordigende lichamen, zoo nauwkeurig mogelijk in overeenstemming met de betrekkelijke getalsterkte der groepen, waarin de kiezers zich verdeelen — groepen, die zich kunnen vormen óf naar gelang van staatkundige richting, óf ter behartiging van bepaalde maatschappelijke, zedelijke of stoffelijke belangen, óf met het, oog op de afvaardiging' van bepaalde personen.

Over de practische uitvoerbaarheid van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging moge door sommigen nog twijfel worden cekoesterd, nauwelijks kan worden betwist, dat zoodanig stelsel in het algemeen de voorkeur verdient boven het thans in Nederland geldende meerderheidsstelsel.

Eene wijze \an verkiezing, waardoor in kleine districten bij meerderheid afgevaardigden worden aangewezen, kan geschikt zijn voor de vorming van een college, geroepen de bijzondere belangen van de onderscheidene gedeelten des lands in verband met elkander te regelen — zij leidt, niet tot de samenstelling van Staten-Generaal, die, volgens het voortreffelijk woord der Grondwet „het; geheele Nederlandsche volk" vertegenwoordigen.

Terwijl, bij de toenemende ontwikkeling van het politieke leven, de groepeering dei" kiezers naar gelang van hunne staatkundige richting bij; de verkiezingen steeds grooter rol speelt,, wordt het al scherper als onrecht gevoeld, dat aanzienlijke minderheden van invloed verstoken zijn. In streken, waar d,e minderheid niet durft hopen, in afzienbaren tijd' meerderheid te worden, ontstaat onverschilligheid bij minderheid en meerderheid befiide.

Geestesstroomingen van groote maatschappelijke beteekenis, die in het geheele tand verbreid, maar in geen district krachtig genoeg zijn om daar de; meerderheid te verwerven, kunnen ondei de heerschappij van het meerderheidsstelsel slechts toevalligerwijze in 'sLands vergaderzaal vertegenwoordiging vinden.

Een niet minder bedenkelijk gevolg van dit stelsel is, dat het aan eene staatkundige partij soms de; gelegenheid onthoudt, hare beste mannen in de Volksvertegenwoordiging te brengen.

Aan al deze bezwaren komt de evenredige vertegenwoordiging te gemoet'. Zij ontneemt aan den strijd de onnoodige scherpte, zij wekt vertrouwen in de vertegenwoordiging, zij brengt rustigheid ook in krachtige beweging.

En wat hier meer in het bijzonder met het oog op de samenstelling der Staten-Generaal werd gezegd, geldt in hoofdzaak evenzoo voor de vertegenwoordiging in provincie en gemeente.

De ondergeteekenden zijn overtuigd, dat bij eene, herziening der Kieswet, zooals die door de aanneming van hun voorstel noodzakelijk zal worden, liet denkbeeld van evenredige vertegenwoordiging behoort te worden verwezenlijkt. Volgt nu hieruit, dat zij moeten in overweging geven, dit in de Grondwet gebiedend voor te schrijven? Deze vraag beantwoorden de ondergeteekenden ontkennend'. De bestudeering van het, vraagstuk deievenredige vertegenwoordiging en de ervaring, elders te dién aanzien opgedaan, hebben vóldoende bouwstof geleverd om, met groote kans op welslagen, hier te lande eene wettelijke regeling te ondernemen; doch zij hebben nog niet een zoo. vasten grondslag gelegd, dat een imperatief Grondwetsartikel daarop te bouwen zou zijn. Zulk een voorschrift zou óf door vage algemeenheid practische beteekenis missen, óf bij meer gedetailleerde omschrijving opnieuw een struikelblok kunnen worden op den weg var; den toekomstigen wetgever. Vandaar dat, het onderhavige, wets¬

voorstel zich ertoe moet bepalen, de hindernissen weg te nemen, die de werkzaamheid des wetgevers op dit gebied zouden kunnen bemoeilijken. Daarom wordt voorgesteld, uit; art. 81 der Grondwet' te doen vervallen het voorschrift, dat, voor de verkiezing van de leden der Tweede Kamer het Rijk in kiesdistricten m o e t warden verdeeld — met dien verstande echter, dat, zoo dergelijke verdeeling wordt behouden, deze bij de wet; moet worden geregeld1. Daarom wordt vorder voorgesteld eene wijziging van art. 82, welke hierboven onder II reeds is toegelicht.

De ondergeteekenden hebben de vraag overwogen, of ter wille van de invoering der evenredige vertegenwoordiging art. 96, 4de lid, der Grondwet moet worden gewijzigd of afgeschaft. Het is niet te ontkennen, dat bij de inrichting van een evenredigheidsstelsel de toepassing van deze, bepaling eenige moeilijkheid kan veroorzaken; men kan daarbij niet te werk gaan op de wijze, waarop in dergelijk stelsel pleegt te worden geregeld; de voorziening in vacatures, door overlijden of bedanken ontstaan. Intusschen zijn 4e ondergeteekenden van oordeel, dat, het voorschrift van art. 96, 4de lid, niet kan worden ontbeerd. Noch de bepaling, die het lidmaatschap doet verliezen, noch de mogelijkheid van herkiezing mag, naar hunne, meening, worden opgeofferd. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging behoort zóó te worden gekozen en kan ook zeer wel zóó worden gekozen, dat; toepassing van art. 96 mogelijk blijft.

De ondergeteekenden meenen, dat door de bovenstaande beschouwingen tevens de verschillende artikelen genoegzaam zijn toegelicht.

Alleen worde nog het volgende aangeteekend.

Art. 82 bis. Nu deze bepaling zoowel op de Eerste als op de Tweede Kamer betrekking heeft, behoort zij een afzonderlijk artikel te vormen.

Artt. 127, 143. Voor de toelichting van deze artikelen kan worden verwezen naar hetgeen hierboven in het algemeen omtrent de kiesbevoegdheid is gezegd. Ten overvloede zij nog herinnerd, dat dé overeenstemmende' formuleering van het eerste lid der artt. 80, 127 en 143 en dé verwijzing in liet tweede lid van de artt. 127 en 143 naar het 2de en 3de lid van art. 80 geenszins noodzakelijk medebrengt, dat de Kieswet, met betrekking tot de verschillende vertegenwoordigende lichamen geheel identieke bepalingen zou moeten bevatten. Zooals reeds werd opgemerkt, zou men bij. voorbeeld, ten aanzien van de kiesbevoegdheid der vrouw aan art. 143 reeds dadelijk eene ruimere toepassing kunnen geven dan aan art,. 80.

Art. 128. De wijziging, in dit artikel aangebracht, is een natuurlijk gevolg van de veranderde regeling der verkiezing van de leden der Eerste Kamer.

Drucker.

Bos.

Fokker.

Ketelaar.

Marchant.

Nolting.

Pijnacker Hordijk.

Van Raalte.

Smidt.

iiUOUlÜ KAAD DKK N El )lüKIjAN J )KN.

Burgerlijke Kamer.

(Raadkamer).

Beschikking van den 15 Januari 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefstixo.

Raadsheeren, Mrs. : Jhr. B. 0. de Jonge, A. P. Tii. Eyssei.i.,

E. W. Guljé, A. M. van Stipriaan Luïscius, A. Tei.ders en Jhr. S. Laman Trip.

Niet ontvankelijk is hel beroep in cassatie van den verzoeker tot nietig verklaring der inschrijving van een handelsmerk tegen de. beschikking, waarbij die nietigverklaring, zij het dan op andere dan de door den verzoeker aangevoerde gronden jis uitgesproken, ook al mochten die gronden onjuist zijn.

Aan den Hoogen Baad der Nederlanden.

Geeft eerbiedig te kennen:

de naamlooze vennootschap „Vereenigde Zeepfabrieken", gevestigd te Rotterdam, ten deze domicilie stellende te 's Gravenhage aan het Spui n° 31, ten kantore harer .gemachtigde Mr. L. A. Micheels, advocaat bij Uwen Raad;

dat requestrante zich den 29sten iviei 1902 bij request heeft gewend tot de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage met verzoek nietig te verklaren de inschrijving van een handelsmerk, welke ten name van den gerequestreerde P. Hamel te Amsterdam, in November 1901 onder n°. 16060 is geschied bij het Bureau voorden Industrieelen Eigendom te 's Gravenhage;

dat, dit, verzoek steunde op den feitelijken grondslag:

dat dit merk in hoofdzaak overeenstemt met dat waarop requestrante voor dezelfde waar, zijnde wasch- en poetsmiddelen, door eerste gebruik en eerste inschrijving uitsluitend recht had;

dat de Rechtbank voornoemd bij beschikking van den 14den Nov. 1902 (waarvan de expeditie hierbij wordt overgelegd) de nietigverklaring van bedoeld merk heeft uitgesproken;

dat niettemin requestrante bezwaard is door die beslissing en daartegen zich bij deze in cassatie voorziet;

•dat immers de Rechtbank niet eene beslissing heeft gegeven op de zaak, door requestrante aangebracht, doch wel over een geval, dat niet, aan haar oordeel was onderworpen ;

dat de Rechtbank toch in stede van de overeenstemming dér merken te onderzoeken, zich de vraag heeft gesteld, of het' merk van gerequestreerde is een merk in den zin der wet, en die vraag ontkennend beantwoordende, op dien grond het merk van gerequestreerde heeft nietig verklaard;

dat echter onze wet niet kent. de nietigverklaring van een inschrijving op grond, dat bet; merk niet voldoet aan de eischen, door de wet aan een merk gesteld ;

dat de inschrijving trouwens een merk niet stempelt tot een merk in den zin der wet en er een groot aantal merken bij het Bureau voor den Industrieelen Eigendom ingeschreven staan, die in wettelijken zin geen merken zijn;

dat de inschrijving van dergelijke (quasi) merken geenerlei rechtsgevolg heeft, dus onschadelijk is en niemand behoefte heeft om daartegen op te komen (vgl. Mr. Z. van den Bergh ..Het rechtsgevolg der inschrijving van fabrieksmerken" in Reehtsgel. Magazijn 1894);

Sluiten