is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 65, 1903, no 7876, 27-03-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 50 Maart 1903

N° 7876

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VIJF -EN-ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

in i _ —

aa verschyni des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post ƒ2 1, behalve het Register. — Prijs der advertentièn, 1—6 regels M.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel y/h Gebr. Belinfante, te s Gravenhage Cle Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 23 Januari 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Lieïsting.

Raodsheeren, Mrs. : Jhr. B. C. de Jonge, A. P. Th. Eyssell, W. Guljé, A. M. vast Stipriaan Luïscitrs, A. Telders en Jhr. 8. Laman Trip.

Waar aan den directeur eener naamlooze vennootschap een beslissende eed is opgelegd, wel met vermelding van die qualiteit, maar uit hoofde dat het beweerde sluiten van een beding was een persoonlijk door hem verricht feit, is het al of niet voortduren van dal directeurschap op het oogenblik, waarop de eed zou worden afgelegd, eene voor de begrenzing van het rechterlijk gewijsde van eedsoplegging onverschillige omstandigheid, dieniets temaken heeft met „het onderwerp van het geding" in den zin van art. 1954 B. W.

De handelsvennootschap onder de firma „Nedërlandsche Zeepmaatschappij Griinwald Haantjes en Co.", gevestigd te 'sGravenhage, eischeresse, advocaat Mr. J. P. de Maak,

tegen

De naamlooze vennootschap onder de benaming „Koninklijke Nedërlandsche Grofsmederij", gevestigd te Leiden, verweer deresse, advocaat Mr. O. W. Sipkes.

De proc.-gen. Polis heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

A'del Hoog Achtbare Heerenl

Nadat bij Uw arrest van 1 Nov. 1901 (1) verworpen was het beroep in cassatie door de ook nu "weeir ais eischeresse optredende vennootschap ingesteld tegen het arrest door het Gerechtshof te 's Gravenhage den 13den Maart 1901 tusschen deze partijen gewezen, waarbij aan den directeur der geint. vennootschap, dus van de naamlooze vennootschap die thans verweerderesse is, C. Banger, een beslissende eed was opgelegd, heeft "eze naamlooze vennootschap voortprocedeerende gevraagd, dat bet Hoi het afnemen van den opgelegden eed; aan genoemde Honger te zijner woonplaats te Baarn zou opdragen aan den kantonrechter te Amersfoort, zulks op grond van ziekte van Donger, die het door hem afleggen van den eed' voor het Gerechtshof onuitvoerlijk maakte.

Tegen de toewijzing van dit verzoek verzette zich de eischeresse op grond dat Bonger niet meer is directeur der naamlooze vennootschap, dUs alle qualiteit mist om voor haar in rechte op te treden en ten haren behoeve eenigen eed af te leggen, daar hij thans evenmin voor haar verkrijgen kan door ''et afleggen van den hem in zijne voormalige hoedanigheid opgelegden eed, als hij haar kan verbinden door het niet afleggen daarvan. Het Hof heeft dat verzet ongegrond geoordeeld en liet verzoek toegewezen, en tegen die uitspraak is dit beroep ingesteld onder aanvoering van twee middelen, waarvan de ongegrondheid mij niet twijfelachtig voorkomt.

Bij het eerste wordt beweerd schending van art. 1954 B. W. en dë stelling van dit middel komt neer daarop, dat het Hof liet. gezag van het gerechtelijke gewijsde (d. i. van arrest waarbij1 de decisoire eed is opgelegd) heeft uitgestrekt buiten het onderwerp van het arrest, waarbij de eed was opgelegd aan B o ngers in hoedanigheid van directeur, zoodati door het verzet tegen de eedsaflegging van Bongers in zijn privé niet wordt opgekomen tegen den inhoud of het onderwerp van liet arrest. Het Hof beslist, dat de oplegging van den eed, aan den directeur der venna o t seh a, p C. Bonger, k e n n e 1 ij k li i e r o. p is gegrom d', dat het beding, Waarop appellante (nu eischeresse) zich beroept, is gesloiten tusschen deze en C. Bonger, directeur der naam l.o oze vennootschap; dat bij het arrest waarbij de eed is opgelegd het Hof zich alleen dan eene nadere beslissing heeft voorbehouden voor het geval die heer in gebreke moicht blijven den eed af te leggen, dat dit arrest is gegaan in kracht van gewijsdle, en daartegen niet meer kan worden °Pgekomen zooals appellante zijidelings beproeft, door zich tegen het afleggen van den ®ed door C. Bonger te verzetten. De strekking van het arrest is dus volgens 'sHofs opvatting, die, als zijnde van feitelijken aard, hier moet worden geëerbiedigd, dat de beslisSlng der zaak is afhankelijk gesteld van het al of niet afleggen van den eed door den heer Bonger en niet dloor dien heer, "l.its hij nog op het oogenblik der eedsafleg81n g directeur der naamlooze vennootschap ? ij ; bij het verzet werd dus wel degelijk opgekomen tegen het 10 kracht van gewijsde gegane arrest en art. 1954 B. W. kan dus ook niet zijn geschonden. «<*

Het tweede middel wijst als geschonden aan de artt. 59 initio sub 3 B. R, 161 Grondwet, 141, 247, 249 B. R.. 1829, 1844, i8fi0, 1968, 1971, 1981 en 1982 B. W., 44 W. v. K„ zulks omdat m het bestreden arrest de gronden der uitspraak wat de daadzaken en het recl tspunt betreft niet behoorlijk en ieder afzonderlijk zijn gemotiveerd.

(1) W. 7672.

Bed.

Het Hof had moeten onderzoeken, meent de eischeresse, a of de persoon in het arrest van 18 Maart 1901 genoemd als directeur der naamlooze vennootschap die hoedanigheid' nog bezat tijdens de incidenteele vordering dier vennootschap om, het afnemen van den eed op te dragen aan den kantonrechter; b of bij liet gemis van die hoedanigheid wel werd voldaan aan het vereischte, dat de eed persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde moet worden afgelegd of teruggewezen.

Het Hof behoefde niet te onderzoeken, of Bonger, toen opdracht van afneming van den eed aan den kantonrechter bij het Hof werd verzocht, noig directeur der vennootschap was, omdat bij het in kracht van gewijsde gegane arrest de eed was opgelegd aan den persoon van Bonger, en vermits van den eed van Bonger bij het in kracht van gewijsde gegane arrest van 18 Maart 1901 dë beslissing der zaak was afhankelijk gesteld, zoo zou het Hof de kracht der gewijsde zaak hebben miskend; indien het had gaan onderzoeken, of aan dat arrest nog wel uitvoering behoort te worden gegeven nu Bonger niet meer heeft de qualiteit die hij bezat toen hem de eed werd opgelegd.

Het middel kan dus niet opgaan; ook daarom niet, omdat tegen niet naleving van het voorschrift van art. 59 n°. 3 geene nietigheid is bedreigd, terwijl over niet motiveering niet is en niet zou kunnen worden geklaagd, en art.. 20 B. O. dan ook in het middel niet is genoemd.

Ik concludeer tot verwerping va.n het beroep met. veroordeeling van de eischeresse in de kosten.

De Hooge Raad enz. ;

Overwegende dat als middelen van cassatie tegen het arrest, den 2den April 1902 door het Gerechtshof te 's Gravenhage in deze zaak gewezen, zijn voorgesteld:

I. Schending van art.. 1954 B. W. door het gezag van een gerechtelijk gewijsde — waarbij eene eindbeslissing is gegeven voor het geval dat. aan een daarbij gedaan bevel t ot eedsaflegging door iemand in de bepaalde hoedanigheid van directeur eener naamlooze vennootschap is voldaan, en eene nadere beslissing is voorbehouden voor het geval dat aan dat bevel niet is voldaan — uit te strekken buiten het onderwerp van het arrest, meer bijzonder door aan de feitelijke toekenning bij zoodanig gewijsde van iemands hoedanigheid van directeur eener naamlooze vennootschap zoodanige kracht toe te kennen, dat zelfs tegen de tenuitvoerlegging van het bil! dat ge¬

wijsde aan iemand in die bepaalde hoedanigheid gegeven bevel tot eedsaflegging niet meer zou kunnen worden opgekomen ook bij gebleken verlies van die tijdens de uitspraak van dat gewijsde feitelijk veronderstelde hoedanigheid, en te beslissen, dat bij verzet tegen de eedsaflegging onder zoodanig geheel veranderde omstandigheden — bij verzet met andere woorden tegen de aflegging door eenen voormali gen directeur eener naamlooze vennootschap in privé van eenen aan hem in die bepaalde en vroeger bezeten hoedanighëidi opgedragen eed -— zoude worden opgekomen tegen den inhoud of het onderwerp van het gerechtelijk gewijsde;

II. Schending van de artt. 59 initio en sub 3° B. R., in verband met. 161 (oud 156) Grondwet, 141, 247, 249 B. R., 1829, 1844, 1850, 1968, 1971, 1981 en 1982 B. W., 44 W. v. K., door in het bestreden arrest, van 2 April 1902 de gronden der uitspraak, wat dë daadzaken en het rechtspunt betreft, niet behoorlijk en ieder afzonderlijk op te nemen;

door niet eerst en vooraf te onderzoeken:

a of de persoon in het arrest van 18 Maart 1901 genoemd als directeur der geint. naamlooze vennootschap, die hoedanigheid nog bezat tijdens dë incidenteele vordering der geint. naamlooze vennootschap om het afnemen van den eed op te dragen aan den kantonrechter;

b of, bij het beweerd, erkend' en dus te blijken gemis van de hoedanigheid, aan het wettelijk vereischte dat de gerechtelijke eed p e r s o o n 1 ij k of door eenen bijzonderen daartoe gemachtigde moet wordën afgelegd' of teruggewezen, wel wordt voldaan; doch door dadelijk en ineens de incidenteele vordering der verweerderesse in cassatie toe te wijzen en het op grond van de beide hierboven sub a en J genoemde ontkennend te beantwoorden vraagpunten bij wege van exceptie incidenteel voorgedragen verzet tegen de aflegging van den eed door eenen derde (d. i. C. Bonger in privé) of door eenen daartoe in ieder geval onbevoegden persoon, voorbij te gaan, althans den aard en de strekking daarvan niet behoorlijk te onderzoeken, en dat verzet ten. onrechte aan te merken als het opkomen tegen een gewijsde en het in verband te brengen met het. vragen van eene nadere beslissing als bedoeld in het. arrest van 18 Maart 1901 op grond van een in gebreke blijrven om den daarbij opgedragen eed af te leggen, hoewel door eischeresse in cassatie van een in gebreke blijven om den eed af te leggen zelfs niet eens was gerept, veelmin vooralsnog eenige nadere beslissing op grond van zoodanig in gebreke blijven was gevraagd, doch eenvoudig werd opgekomen tegen onwettige ten uitvoerlegging van een gewijsde door ongeldige eedsaflegging ;

O. dat, blijkens dën inhoud van het aangevallen arrest en hetgeen daarbij uit vroegere uitspraken in dit geding is overgenomen, vaststaat dat door de eischeresse in cassatie aan hare wederpartij, eene naamloo'ze vennootschap., was opgedragen een beslissende eed en dat, in gevolge die opdracht, het. Hof bij zijn arrest van 18 Maart 1901, welks kracht- van .gewijsde door de eischeresse ten grondslag van haar eerste middel wordt gelegd, is bevolen „dat door den directeur der geint.. vennootschap (de verweerderesse) C. Bonger ter terechtzitting van dit. Hof zoude worden afgelegd de bij dat arrest vermelde beslissende eed" ;

dat echter de verweerdëresse in cassatie, op grond dat ,,een wettig beletsel de aflegging van den eed voor het Gerechtshof onuitvoerlijk maakt incidenteel heeft geconcludeerd, dat het Hof het afnemen van den (voormelden) eed aan C. Bonger te zijnen woonhuize te Baarn zal opdragen aan den kantonrechter te

Amersfoort; dat hierop door de eischeresse incidenteel is geantwoord, dat zij zich voor zooveel noodig verzet tegen de aflegging, met conclusie dat het Hof dë gedane vordering zou verklaren niet ontvankelijk, immers die zou ontzeggen en dat het. Hof, o. a. overwegende, da.t zijn bevel van 18 Maart 1901 kennelijk hierop is gegrond, dat het te beëedigen beding, waarop dë eischeresse in cassatie zich heeft beroepen, ,,is gesloten tusschen deze en C. Bonger, directeur der ,geint. vennootschap", en rekenschap gevende van zijne bevinding eener onuitvoerlijkheid als bedoeld bij het 2de lid van art. 1981 B. W., bij, zijn aangevallen arrest heeft, beslist, da.t het. verzoek der verwerende vennootschap moet worden toegewezen en aan den rechter in het. kanton Amersfoort, heeft opgedragen „het. afnemen van den eed, waarvan de aflegging bij arrest van dit Hof van 18 Maart 1901 is bevolen, aan den directeur der geint. vennootschap (J. Bonger des noodig te zijnen woonhuize te Baarn" ;

O}, dat de eischeresse in cassatie bij dit beroep niet bestrijdt 's Hofs beslissing, dat het beding, waaromtrent zij aan de verwerende vennootschap eedsopdracht deed, is gesloten tusschen haar en meergenoemden C. Bonger, noch ook 'sHofs aannemen van omstandigheden, grond kunnende geven tot toepassing van het 2de en 3de lid van art. 1981 B. W., maar zij de aangevoerde schending van art. 1954 B. W. in hoofdzaak ontleent aan de bewering, dat op het oogenblik, waarop het verzoek tot toepassing van de laatstvermeld'e wetsbepalingen is gedaan, Bonger de hoedanigheid van directeur der verwerende vennootschap; heeft verloren; dat echter het aangevallen arrest geenerlei uitspraik omtrent dit punt bevat;

Q. voorts, dat zelfs indien uit het geheele beloop van 's Hofs arrest ware af te leiden, dat het Hof dit verlies had; aangenomen als een feit, toch onaannemelijk is de stelling dat dientengevolge het Hof geen opdracht tot het afnemen van dën eed aan O. Bonger kon doen zonder te gaan, met schending van art. 1954, buiten het onderwerp van zijn gewijsde omtrent die eedsaflegging;

dat immers, waar eischeresse aan de naamlooze vennootschap, tegen welke zij; procedeerde, had opgedragen den beslissenden' eed omtrent een beding, hetwelk zij beweerde gesloten te hebben met den persoon die toenmaals de directie van gezegde vennootschap voerde, en daaraan de bevoegdheid tot deze handeling ontleende en waar tot het afleggen van dien eed bij. onherroepelijk gewijsde die persoon was aangewezen, zulks; wel onder vermelding van zijn toenmalig directeurschap maar uithoofde dat het beweerde sluiten van het beding was een persoonbjk door Bonger verricht feit., het al of niet voortduren van dat directeurschap op het oogenblik, waarop hij den eed zou afleggen, onverschillig was voor de begrenzing van 's Hofs gewijsde van eedsoplegging en deze omstandigheid dUs niet te maken heeft met „het onderwerp van het geding" in den rechtskundigen zin, waarin die uitdrukking gebezigd wordt, in art. 1954 B. W. en in aansluiting daaraan dienst doet. tot de formuleering van het. eerste eassatiemiddel;

dat alzoo dit middel, als t?n onrechte over schending van dit artikel klagende, moet worden verworpen;

O. dat, de stand der zaak en zijne rechtsgevolgen, zooals die naar het. vorenoverwogene zijn geweest, medebrengt, dat het. Hof geen der bij het tweede cassatiemiddel aangehaalde artikelen kan hebben geschonden door niet te onderzoeken of te beslissen wat in dat middel onder a en b is omschreven en dus in zoover da.t middel reeds is; wederlegd;

dat evenmin cassatie kan volgen op grond van het. bovendien daarbij beweerd verzuim om de gronden van 's Hofs uitspraak omtrent de daadzaken en het rechtspunt behoorlijk en afzonderlijk op te geven, in strijd met art. 59 n°. 3 B. R. en art. 161 der Grondwet; dat immers in het. arrest, na vermelding der wederzijdsche incidenteele conclusiën met haren grondslag worden ontwikkeld de rechtsgronden op welke het Hof, met. afwijzing van de conclusie aan zijde der eischeresse in cassatie, toewijst het incidenteel verzoek der nu verweerderesse en bovendien dë evenvermelde wetsbepalingen tegen het verzuim, ware dat »epleegd', geene nietigheid bedreigen;

dat wijl overigens de feitelijke grondslag van hetgeen bij het tweede middel wordt, beweerd in het beklaagde arrest of in het geheel niet is te vinden, öf berust op verkeerde voorstelling van den inhoud daarvan, ook dat middel niet tot cassatie kan leiden.

Verwerpt het beroep en veroordeelt de eischeresse in de kosten van cassatie.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zit tin y van den 22 December 1902.

Voorzitter, Mr. J. J. van Geuns.

Raadsheeren, Mrs. : C. II. Star Bitsmann, B. Hulshoff.

Ch. Krabbe en Jhr. J. van Doorn.

Procureur-Generaal, Mr. R. Th. Bijleveld.

Wanneer behalve eene som van f 325 nog is gevorderd ontbinding der overeenkomst is deze rechtsvordering appellabel.

Tn casu was de verkooper niet in gebreke door het enkel verloop van den termijn van levering.

Eene veroordeeling strekkende tot ontbinding — zij het ook van eene handelsovereenkomst — met, vergoeding van