Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEJF

De meest belangrijke beperking van het wijzigingsrecht zoekt Mr. Drost in art. 1356, 3° B. W., hetwelk voor iedere overeenkomst een „bepaald onderwerp" eischt. Indien nu in de statuten wijzigingen konden worden gebracht, waardoor het doel der vennootschap werd veranderd, zoude de overeenkomst van toetreding tot zoodanige vennootschap een bepaald onderwerp missen en dus onbestaanbaar zijn. Ik acht dit betoog uiterst gezocht. Als men deelhebber wordt van een naamlooze vennootschap, treedt men zeer b e p a a, 1 d e 1 ij; k toe tot die vennootschap, zooals zij thans bestaat of overeenkomstig de statuten kan worden gewijzigd. Indien toch mogelijkheid van wijziging van liet doel der vennootschap het onderwerp der overeenkomst onbepaald maakt, waarom dan niet wijziging van eenige andere bepaling der statuten, bv. die betreffende de hoegrootheid van het kapitaal? En hoe, indien de statuten verandering van het doel der vennootschap toelaten? Is zoodanige vennootschap dan onbestaanbaar? De Staatscommissie dacht hier, terecht, anders over, daar zij in haar ontwerp verandering van het vennootschappelijk doel, Vehoudens beding van het tegendeel, veroorlooft.

Mijns inzien bestaat er ook urft constituto geen reden tot beperking van de macht der algemeene vergadering ten deze, tenzij de statuten zelve zulks mochten voorschrijven. De deelhebber treedt toch toe tot eene naamlooze vennootschap, welker statuten in het algemeen wijziging toelaten, en hij onderwerpt zich dus Inj voorbaat aau die latere wijzigingen. Het maken van uitzonderingen kan slechts worden gemotiveerd met een beroep op eene reservatie mentalis van den aandeelnemer ten opzichte van het ongewijzigd blijven van sommige der bepalingen. Maar van welke ? van die betreffende het doel, van die betreffende de winstverdeeling of van nog andere? Daarvoor is geen regel te geven en het is dan ook beter den koninklijken weg niet te verlaten en den aandeelhouder gebonden te houden aan zijn uit.gedrukten wil, waardoor hij zich aan eventueele statutenwijzigingen, zonder uitzondering, onderworpen heeft.

Het vierde hoofdstuk handelt over het „recht van deelneming aan de algemeene vergadering", en wel voornamelijk over liet stemrecht. Terecht, m. i. komt schrijver tot de conclusie dat ons wetboek, in tegenstelling met de tegenwoordig gevolgde praktijk, stemrecht voor eiken aandeelhouder niet gebiedend voorschrijft, al verschil ik met hem van meening over de wenschelijkheid om bij herziening dat recht in onze wet te schrijven. Indien men slechts de kleinen aandeelhouders op het voetspoor der Franscho wet, het recht vau collectieve representatie toekent, zie ik in beperking van het stemrecht tot de bezitters van een bepaald getal aandeelen geen bezwaar.

Het uiterst belangrijke „recht op dividend" wordt besproken in Hoofdstuk V (pg. 92—122). Van zoodanig recht kan, meent schrijver, alleen sprake zijn indien de statuten regelen omtrent de winstverdeeling bevatten, een deel van de winst dus speciaal voor de aandeelhouders reserveeren. Anders kan van zoodanig recht alleen de rede zijn, nadat de algemeene vergadering den aandeelhouders eenige uitkeering heeft toegekend. In het eerste geval echter is het recht op dividend van de beslissing der vergadering onafhankelijk en ontstaat, zoodra door de goedkeuring der balans winst, is geconstateerd. Quid, indien wordt nagelaten een balans op te maken? Ook dan geeft Mr. Drost den aandeelhouder het recht zijn aandeel in de winst op te vorderen. In theorie ongetwijfeld juist.! doch deze actie zal, daar de deelhebber in dat geval bestaan en bedrag der winst moet. bewijzen, in de praktijk meestal niet wel mogelijk zijn.

Een kort woord wijdt schrijver aan het; „recht op overschot bij liquidatie" (Hoofdstuk VI lig. 122—131). waarbij hij onder meer de sedert de Rijnspoorweg-liquidatie betwiste vraag bespreekt, of na terugbetaling der door aandeelhouders gestorte bedragen het overschot, moet worden verdeeld naar rato van het nominaal dan wel van het gestort bedrag der aandeelen. Ik sluit mij aan bij schrijvers bestrijding van het ook door den Hoogen Raad gehuldigde laatste stelsel. De houders van nietvolgestorte aandeelen dragen door hun stortingsplicht g e 1 ij k e aansprakelijkheid voor den gang van het bedrijf als de houders van volgestorte aandeelen, die bij het dividend voor die meerdere storting vergoeding vinden; er is daarom geen reden om beide groepen bij verdeeling van het overschot niet gelijk te behandelen.

De in het laatste achttal bladzijden besproken „andere" rechten der aandeelhouders zijn meerendeels voor het Nedeiiandsche recht zonder belang. Slechts de vraag of statuten en algemeene vergadering het recht van den aandeelhouder om zyn aandeel over te dragen, mogen beperken, is bij de bekende uitgifte van preferente aandeelen door de „Koninklijke" petroleummaatschappij ter sprake o-ekomen. Dat de statuten zelve die beperking kunnen inhouden, geeft schrijver toe; het recht der algemeene vergadering om later de statuten in dien zin te wijzigen, ontkent hij. De gronden voor dit laatste, in verband met art. 42 K. AV.., blijken niet.

Ongaarne missen wij onder deze „andere rechten' de behandeling van de rechten, die den aandeelhouders tegenover oprichters en uitgevers van een prospectus toekomen; hetgeen hieromtrent in den laatsten tijd is geschreven, heeft dit onderwerp geenszins uitgeput.

Het meeningverschil, dat op meer dan een punt tusschen schrijver en mij. bestaat, belet intusschen niet dat wij zijn arbeid als een belangrijke bijdrage tot het vennootschapsrecht waardeeren, niet het minst, omdat van menige bladzijde van zijn boek een krachtige aandrang tot herziening der bestaande wetgeving uitgaat. Als1 van bijna elk geschrift over het recht der naamlooze vennootschappen, is ook van zijn werk dit de moraal. En terecht! De achterlijkheid onzer wetgeving maakt het iederen schrijver tot plicht het „ceterum censeo eener herziening op dit punt te doen hooren. Reeds sedert 1890 slaapt het ontwerp der Staatscommissie, hetwelk in menig opzicht een uitstekende basis tot wetswijziging geeft. De Regeering bedenke dat slaapziekte licht een letaal verloop heeft, en wachte dus niet te lang.

Amsterdam. Mr. L. E. Visser.

(1) Mr. Drost gewaagt op pg. 10 van een heerschend. meeningsverschil over de vraag of de bestuurders eener naamlooze vennootschap organen dan wel lasthebbers zijn. Wat civielrechtelijk de positile van een orgaan is, is mij, niet duidelijk; het komt mij voor dat die positie slechts als lastgeving zal zijn te construeeren. Trouwens het verschil loopt over de vraag of de overeenkomst tusschen bestuur en vennootschap die van las tgeving dan wel die van huur en verhuur van diensten is.

WETTEN, BESLUITEN, CIRCULAIRES ENZ.

(Staatsblad 110. 101). WET van den 11 den April 1903, tot aanvulling en wijziging van liet Wetboek van Strafrecht.

Wit WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Okanje-Nassau, enz., en'z., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren, lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij, in overweging genomen hebben, dat het wensehelijk is het Wetboek van Strafrecht op enkele punten aan te vullen en te wijzigen;

Zoo is het, dat. Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel i.

Artikel 284 van voormeld Wetboek wordt, gelezen als volgt: Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die een ander door geweld of eenige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of eenige andere feitelijkheid. gericht hetzij; tegen dien ander, hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen. niet te doen of te dulden;

2°. hij die een ander door bedreiging met. smaad of smaadschrift dwingt, iets te doen, niet- te doen of te dulden.

In het geval onder 2°. omschreven wordt het misdrijf niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien het gepleegd is.

Na artikel 426 van voormeld Wetboek wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 426bi.s. Hij die wederrechtelijk op den openbaren weg een ander in zijne vrijheid van bewegir belemmert of met een of meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarden wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft, volgen, wordt gestraft niet hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Artikel II.

Na artikel 358 van voormeld Wetboek worden drie nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 358bis. De ambtenaar of eenig in het openbaar spoorwegverkeer voortdurend of tijdelijk werkzaam gesteld persoon, niet behoorend'e tot liet personeel van een spoorweg, waarop uitsluitend met. beperkte snelheid wordt vervoerd, die, met bet oogmerk om in de uitoefening van eenen openbaren dienst of in het, openbaar spoorwegverkeer stremming te veroorzaken of te doen voortduren, nalaat of, op wettig gegeven last, weigert, werkzaamheden te verrichten, waartoe hij zich uitdrukkelijk of uit kracht van zijne dienstbetrekking heeft verbonden, wordt aestraft. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of «eldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Artikel 358ter. Indien twee of meer personen ten gevolge van samenspanning het misdrijf plegen in het vorig artikel omschreven, worden de schuldigen, /oomede de leiders of aanieggers der samenspanning, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 358qua,ter. Indien het oogmerk, bij artikel 358bis omschreven, wordt, bereikt, wordt gevangenisstraf opgelegd, In het geval van artikel 358bis van ten hoogste een jaar; in het geval van artikel 358ter van ten hoogste vier jaren.

Artikel 380 van voormeld' Wetboek wordt gelezen als volgt:

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 359, 363, 364, 366, 373 laatste lid, en 379 eerste lid, omschreven misdrijven. kan ontzetting van de in artikel 28 nos. 3 en 4, bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 358bis, 358ter en 358quater omschreven misdrijven, ontzetting van de in artikel 28, nos. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

S1 o t b e p a1 i n g.

Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te 's Gravenhage, den llden April 1903.

WILHELMINA.

T>e Minister van Justitie,

,1. a. loeff.

Uitgegeven den llden April 1903. T)e Minister van Justitie, J. A. Loeff.

benoemingen, verkiezingen enz.

Bij Kon. Besluit van 7 April 1903, n°. 51, is aan W. A. Kleyn van de Poll', op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als kantonrechter-plaatsvervanger in het kanton Harderwijk, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten.

— Bij Kon. Besluit dd. 9 April 1903, n°. 79, is aan Mj\ J. A. M. M. Pijl®, op zijn daartoe gedaan verdoek, met ingang van 1 Juli e. k„ eervol ontslag verleend als rechter in de Arrond'.-Rechtbank te Maastricht.

—- Bij Kon. Besluit dd. 11 April 1903, n°. 8, is aan a. j. j. van Stevn, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als kantonrechter-plaatsvervanger in het kanton den Helder, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten.

a d verten tien.

Weekblad van het Recht

te koop gevraagd van 1884 tot en met 1898.

Adres no. 2776 bureel van dit blad.

Bij de Uitgevers dezes is verschenen :

Dogmatische Rechtswetenschap

DOOR

Mr. M. E. MEIJERS.

Prijs f2.—.

Léon's Rechtspraak.

Elk gedeelte van deze Verzameling is afzonderlijk bjj de Uitgevers dezes verkrijgbaar tegen de volgende prijzen:

Tweede Druk.

1 (Mr. E. L. van Einden, Staatsrecht) f 3.75

le—15e vervolg op idem 66.—

II le afl. (Mr. E. L. v. Einden, Recht. Org ) 4 —

II 2e en 3e afl. (Mr. C. Asser, Burg. Wetb.) 25.—

le—6e suppl. op idem, door Mr. J. Rombach ... 19.60

II 4e afl. (Mr. J. A. I.evy, Koophandel) 10.25

le—11e supplement op idem 13.25

II 5e afl. (Mr. W. van Rossem Bz., Burg. Rechtsv.) 22.50

le en 2e supplement op idem 4.25

II 6e afl. (Mr. A. Teixeira de Mattos, Strafvorder.) 20.—

le—3e supplement op idem 3.50

II 7e afl. le uitg. (Mr. E. L. v. Emden, Code Pénal) 7.50

II 7e afl. 2e uitg. (Mr. J. van Praag, Strafrecht) ... 1.—

II 8e afl. (Mr. J. v. Praag, Herzien Wetb. v. Strafv.) 1.50

III le afl. (H. G. W. Briedé, Grondbelasting) 2.—

III 2e afl. (id. Personeele belasting) 4.50

III 3e afl. (id. Recht Patent) 6.25

Derde Druk.

I le afl. (Mr. J. A. Levy, De Grondwet) f 3.25

I 2e afl. (Mr. H. Vos, De Gemeentewet) 10.—

I 3e afl. (Mr. N. Cramer, De Fabriekswet) 1.—

I 4e afl. (id., De Begraafwet en Ziektenwet) 1.25

I 5e afl. (id., De Armwet) 1.50

I 6e afl. (Mr. J. Limburg, De Drankwet) 1.—

I 7e afl. (id., De Onteigeningswet) 2.—

I 8e afl. (Mr. N. Cramer, De Jagtwet) 1.50

I 9e afl. (id., De Veeziektenwet) 0.75

I 10e afl. (id., De Onderwijswetten) 3.—

II 7e ad. (Mr. J. W. Belinfante, Strafrecht) 4.60

III 4e o.'l. (N. Koomans, Recht Zegel) 1.75

III 5e afl. (Mr. Micheels, Wet Notarisambt enz.) 3.—

III 6e afl. (van Walsem, Wet Vermogensbelasting) 6.25

Bij de Uitgevers dezes is verschenen :

Onderzoek naar het Vaderschap

Beschouwing omtrent den waren zin van

art. 342, al. 1 B. W.

den Nederlandschen Vrouwenverenigingen ter overweging aangeboden

door

Jhr ROCHUSSEfi

Lid van den Raad van State

Prijs f 2.50 Bij de Uitgevers dezes ziet het licht:

Ouderlijk gezag en voogdij.

Wetsontwerp en Memorie van Toelichting 1897 f 0.50

Tweede Ontwerp en Toelichting 1898 . . 0.75

Verslag der Tweede Kamer en R.egee-

ringsantwoord met nader gewijzigd wetsontwerp ■ . . . . . l. — Rechtstoestand Onechte Kinderen, Ontwerp 1898 0.50

Verslag Tweede Kamer en Regeerings-

aniwoord 1899 0.80

Mr. J. P. Moltzer. Welke aanspraken behoort het onechte kind op grond zijner afstamming

van rechtswege te kunnen doen gelden? . 0.50

Rochussen (Jhr.) Onderzoek naar het Vaderschap 2.50

Ontwerp Burgerlijk Wetboek le boek, 2 dn geb. 7.—

Idem. h" boek *1 dln geb. .... 4.80

Idem. 4e boek titels 1—6 .... 1.50 Opzoomer's Burgerlijk Wetboek. Deel I-— XIII

en Alg Bepalingen 78.10

Oudeman-Lipman. Burgerlijk Wetboek, 5" herziene en vermeerderde druk, opnieuw bewerkt door Mr. P. Baudmn, ing, f l .'25, geb. 1.75 Léon's Bechtspraak op het Burgerlijk Wetboek, "2® druk door Mr. G. Asser, met 6 vervolgen door Mr. J. Rombach . . . 44.60 H. M. .1. Wattel, Inleiding tot de beoefening

van het Burgerlijk Wetboek . . 8.— Burgerlijk Wetboek (tekst uitgave) bevattende de artikelen, zooals zij nog luiden, en zooals

zij gewijzigd zijn, ing. f 0.90, geb. . . 1.25

Gedrukt by F. J. BELINFANTE voorh: A. I). SCHINKEL- I

Sluiten