Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v. S., vrij van de aanklacht niet te hebben voldaan aan de aanmaning bedoeld in art. 19 laatste lid der Leerplichtwet, strafbaar gesteld bij art. 24 dier wet, op grond dat het wettig en overtuigend bewijs niet was geleverd omdat liet deswege op den ambtseed opgemaakt ter terechtzitting voorgelezen procesverbaal van den arrond.-schoolopziener geene bewijskracht heeft.

In het vonnis werd1 te dien aanzien overwogen dat noch bij art. 28, noch elders in de Leerplichtwet is bepaald dat een door den arrond.-schoolopziener op zijn ambtseed afgelegde verklaring dat hoofden van openbare scholen hem, na aanmaning niet tijdig en volledig hebben ingezonden de lijsten en schriftelijke mededeelmgen in art.. 19, volledig bewijs dier omstandigheid oplevert, terwijl ook de bevoegdheid van arrond.-schoolopzieners tot het opmaken van processen-verbaal in zake overtredingen der Leerplichtwet niet voortvloeit uit art. 72 der wet tot regeling van het lager onderwijs, omdat de Leerplichtwet niet is eene verordening op het lager onderwijs en geenerlei regeling daarvan bevat.

Het tegen deze uitspraak door het Openbaar Ministerie ingesteld gewoon beroep in cassatie werd bij arrest van Uwen Baad van 3 Nov. 1902 niet-ontvankelijk verklaard.

De Procureur-Generaal bij' den Hoogen Baad, daartoe aangezocht door de Regeering, heeft gemeend door eene voorziening „in het belatig der wet" de vraag aan het oordeel van den Raad te moeten onderwerpen of het door den arrond.-schoolopziener opgemaakt ambt-seedig proces-verbaal constateerende de overtreding strafbaar gesteld m art. 19 j°. 24 der Leerplichtwet bewijskracht heeft.

Als middel van cassatie wordt daarom gesteld: „Schending door niet-toepassing van de artt. 19 en 24 der Leerplichtwet, j°. 8, n°. 7, 392 n°. 2, 401 Strafvord. en art. 72 der wet tot regeling van het lager onderwijs van 17 Aug. 1878 (Stbl. 127) waarvan de gewijzigde tekst is bekend gemaakt bij. Kon. Besluit van 10 Sept. 1901 (Stbl. 208).

De vraag of in de Leerplichtwet aan de bedoelde ambtseedige verklaring bewijskracht wordt toegekend, hangt samen met die of, buiten de bepaling van art. 28 dier wet, uit andere bepalingen blijkt dat ;ia,n de arrond. ^schoolopzieners eene bevoegdheid tot opsporing van de overtredingen dier wet is toegekend.

Art. 28 zelve toch beperkt de bewijskracht van de door den arrond. -schoolopziener opgemaakte processen-verbaal tot de aldaar omschreven ambtseedige verklaringen onder welke de overtreding van art. 24 j°. 19 laatste lid niet is genoemd. Vermits echter de Leerplichtwet, blijkens tal van bepalingen (men vergelijke artt. 4, 9—13, 15—22, 25 en 28) de zorg vooir de naleving harer voorschriften aan den arrond.-schoolopziener heeft toevertrouwd, kan deze niet beschouwd' worden te zijn eene zooidanige als bedoeld bij art.. 8 sub 7° Strafvord., zoodat alsdan de arrond.-schoolopziener als opsporend ambtenaar en dientengevolge bevoegd tot het constateeren der overtredingen van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt. Zijn amtbseedig procesverbaal zoude alsdan als wettig bewijsmiddel, erkend bij de artt. 392 en 401 Strafvord. gelden. Deze redeneering faalt echter indien men aanneemt dat in art. 8 sub 7 Strafvord. als eisch is gesteld eene uitdrukkelijke opdracht tot opsporing, in de bijzondere wet of verordening gegeven.

In de tweede plaats kan ter verdediging van heti middel van cassatie een beroep warden gedaan op art. 72 der wet tot regeling van het lager onderwijs, krachtens welk artikel de arrond. schoolopzieners bevoegd zijn tot het opmaken van processenverbaal van de overtredingen dier wet en van andere verordeningen op het lager onderwijs.

Is nu de Leerplichtwet eene verordening op het lager onderwijs ?

Tot eene bevestigende beantwoording komt men, indien men de Leerplichtwet beschouwt als uit te maken een gedeelte van de van Rijkswege gegeven regeling van het lager o nderw ij s, welke sedert 1 «Tan. 1901 gevormd wordt èn door de wet op het lager onderwijs èn door de voormelde wet te zamen. In dat geval zonde het onderwerpelijik proces-verbaal als constateerende eene overtreding van eene verordening op het lager onderwijs, wettig bewijsmiddel zijn.

Hiertegen kan echter worden aangevoerd dat de woorden „verordeningen op het lager onderwijs" ter omschrijving van de bevoegdheid van den schoolopziener tot opsporing van strafbare feiten, reeds in art. 62 der wet van 13 Aug. 1857 (Stbl. 103) voorkwamen en in die wet, in verband met haren titel en considerans bezwaarlijk in anderen zin kunnen verstaan worden dan „verordeningen die haar ontstaan te danken hebben aan de in art. 194 der toen geldende Grondwet gegeven opdracht tot regeling van het onderwijs. Vermits de bepaling van genoemd art. 62 bij de herzieningswet van 17 Aug. 1878 (Stbl. 127), in het tegenwoordig art. 72 is behouden gebleven, zal aan die uitdrukking dezelfde beteekenis moeten worden toegekend. Dat nu de Leerplichtwet eene verordening op het lager onderwijs is in den zin waarin d'eze uitdrukking, als gezegd in art. 72 deiLager onderwijswet moet worden verstaan, kan worden betwijfeld, op grond zoowel van den titel van eerstgenoemde wet houdende bepalingen tot regeling van den leerplicht, als van haren considerans, waarin evenmin naar art. 192 d'er tegenwoordige Grondwet wordt verwezen als van regeling van lager onderwijs sprake is.

Mijn requisitoir strekt daartoe dat de Hooge Raad vernietige in het belang der wet, het vonnis door den kantonrechter te Gorinchem op den 17den Juni 1902 in deze zaak gewezen en zal verstaan dat het te wijzen arrest geen nadeel kan toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.

De Hooge Raad enz. ;

Gezien het arrest van den Hoogen Raad van 3 Nov. 1902 (1), waarbij de Ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongerecht te Gorinchem niet-ontvankelijk is verklaard' in het door hem tegen genoemd vonnis ingesteld beroep in cassatie;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld:

Schending door niet toepassing van de artt. 19 en 24 der Leerplichtwet, j°. 8 n°. 7, 392 n°. 2, 401 Strafvord. en art. 72 der wet tot regeling van het -lager ondierwijs van 17 Aug. 1878 (Stbl. n°, 127) waarvan de gewijzigde tekst is bekend, gemaakt bij1 Kon. Besluit van 10 Sept. 1901 (Stbl. n°. 208) ;

Overwegende dat bij het vonnis, waartegen dit beroep i® gericht, het hoofd eener openbare lagere school is vrijgesproken van de aanklacht van niet te hebben voldaan aan eene aanmaning, hem düor den schoolopziener gedaan ingevolge art. 19, laatste lid der Leerplichtwet;

dat deze vrijspraak hierop berust, dat het door den schoolopziener op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal, waarbij het telast gelegde feit is geconstateerd, geen bewijskracht heeft, omdat noch bij art. 28 noch elders in de Leerplichtwet is bepaald', dat zoodanig proces-verbaal volledig bewijs oplevert en de bevoegdheid der arrond'.-schoolopzieners tot het opmaken van processen-verbaal wegens overtredingen der Leerplichtwet niet

(1) W. 7830. Red.

voortvloeit uit art. 72 der wet tot regeling van het lager onderwijs, daar de Leerplichtwet niet is eene verordening op het lager onderwijs en geenerlei regeling daarvan bevat;

dat deze beslissing onjuist is, voor zooverre betreft art. 72 der wet op het lager onderwijs;

dat toch bij dat artikel de arrond.-schoolopzieners bevoegd worden verklaard tot het opmaken van proces-verbaal van de overtredingen van genoemde wet en van andere verordeningen op het lager onderwijs ;

dat het woord „verordeningen" zoo ruim moet worden opgevat, dat daaronder ook wetten begrepen zijn, gelijk volgt uit de aangehaalde woorden zelve, waar ook dte wet op het lager onderwijs onder de verordeningen begrepen wordt;

dat, indien men het woord „verordeningen" aldus verstaat, daartoe ook de Leerplichtwet behoort, als regelende de verplichting van hen, dié met de zorg van een kind belast zijn, om te zorgen dat aan dat kind voldoende lager onderwijs verstrekt wordt;

dat reeds de wet van 17 Aug. 1878 in de artt. 80—82 voorzieningen omtrent dit onderwerp bevatte; en de vraag, in hoeverre de wetgever leerplicht behoorde op te leggen, herhaaldelijk is ter sprake gekomen bij de opvolgende herzieningen der wet op het lager ondterwijs ;

dat zoo de wetgever er later de voorkeur aan gegeven heeft, het- onderwerp bij eene zelfstandige wet te regelen, dit biji het beoordeelen van de strekking dier regeling geen invloed kan hebben;

dat in onderscheidene artikelen (21, 25, 28) dezer wet sprake is van processen-verbaal door de arrond.-schoolopzieners op te maken, maar de bevoegdheid daartoe hun nergens uitdrtikkelijk gegeven wordt;

dat- deze weglating zich alleen verklaren laat door de omstandigheid da-t de wetgever uitging van de onderstelling, datdie bevoegdheid eldlere, dat is in art. 72 der wet op het lager onderwijs, gegeven wa®, en ten aanzien van den leerplicht alleen op enkele punten nadere uitwerking en regeling behoefde;

Q. eindelijk meer bepaald ten aanzien van liet in deze toepasselijk art'. 19 der Leerplichtwet;

Vooreerst dat dit artikel eene uitwerking bevat van de algemeene verplichting, in art. 73 der wet op het lager onderwijs op de hoofden der scholen gelegd, op welke -laatste verplichting art. 72 derzelfde wet ontwijfelbaar van toepassing is; en

ten andere, dat het niet aannemelijk is d'a-t, terwijl bij art-. 28 aan de verklaringen der arrond.-school opzieners onder zekere omstandigheden bewijskracht verleend wordt ten aanzien van feiten, die hun niet door eigen wetenschap bekend zijn. hunne processen-verbaal geene bewijskracht zouden bezitten ten aanzien van andere feiten waaromtrent dit wel het geva-l1 is; dat het middel van cassatie dtas gegrond: is;

Vernietigt het in deze zaak gewezen vonnis van den kantonrechter te Gorinchem van den 17den Juni 1902 in het belang der wet;

Verstaat dat dit arrest geen na-deel kan toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.

ARROMDISSEMENTS-RECHTBAMEN

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 3 Februari 1903

Voorzitter, Mr. A. E. Croockewit.

Rechters, Mrs.: H. A. van Rees en Jhr. R. O. van Holthe tot Echten.

Wanneer de rechter door de dingtalen niet te weten komt, ivelke de handelsoperatiën zouden zijn geweest, die gesteld ivorden op last en voor rekening van den gedaagde te zijn verricht, moet hij den eischer ambtshalve nietontvankelijk verklaren in zijn eisch.

De Commanditaire Bankvereeniging va-n Es & Co., gevestigd te 's Gravenhage, eischeresse, procureur Mr. R. T'. de Wijs, advocaat. Mr. A. Slotemaker,

tegen

A. van Hoften, wonende te 's Gravenhage, gedaagde, procureur en advocaat Mr. J. D. Veegtüns.

De Rechtbank enz. ;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken;

Ten aanzien van de daadzaken:

Overwegende dat de eischeresse stelt-, dat- zij in de jaren 1898, 1899, 1900 en .1.901, op last en voor rekening van den gedaagde heeft gekocht en verkocht diverse fondsen en heeft verricht diverse handelsoperatiën, volgens tusschen partijen gemaakte overeenkomst ;

dat eischeresse te dier zake a-ls saldo- van de tussohen haaien gedaagde gemaakte en aan het- hoofd dter dagvaarding geplaatste rekening-courant heeft- te vorderen f31665.42;

dat gedaagde met de voldoening van- dat bedrag in gebreke blijft, niettegenstaande minnelijke aanmaningen en sommatie;

Op welke gronden zij vordert veroordeeling van -gedfeiagde om haar te betalen f31665.42 met renten en kosten;

O- dat de gedaagde, concludeerende als aan het slot van zijne conclusie staat vermeld, heeft geantwoord, dat ter zake van na te noemen posten in de rekening-courant aan het hoofd deidagvaarding vermeld' in 1899 en over eenige der posten in 1900 aan eischeres geen rechtsvordering toekomt-;

dat dit zijn de posten van 1899 in gedaagde» debet 31 Oct. aan report saldo Brussel f441.92; 18 November aan dito saldo Londen f4613.51; 1 Dec. dito dito Brussel f23.95; 15 Dec. dito dito Londen f9165.96; 29 Dec. dito dito Londen f 11801.07 en 31 Dec. rente f 110.59 en in gedaagd'es credit: 27 Oct. per report saldo Londen f 557.08; 1 Dec. dito dito Londen f2387.45; per diff commissie f30.16; 19 Dec. diff. report saldo Londen f 174.20; 30 Dec. report saldo Brussel f2835.15 en 31 Dec. rente f29.65;

dat deze posten en alle posten o-ver 1900 de uitkomsten zijn van tussohen partijen gedreven spel in of tusschen hen aangegane weddingschappen op den koers va-n effecten, aan buitenlandsche beurzen verhandeld wordende, des dat eischeres na eiken volgenden rescontredag aan gedaagde zou uit-keeren hetgeen die effecten door rijzing van den koers mochten blijken meer waard te zijn geworden of wel van gedaagde zou ontvangen het- bedrag, waarmede de waarde daarvan door daling va-n den koers mocht- blijken te zijn verminderd, telkens met- debitêering van gedaagde voor commissie of courtage en eventueel

met zijne crediteering voor het bedrag der inmiddels op die effecten uitgekeerde dividenden;

dat dat spel of die weddingschappen werden gegoten in den vorm van schijnkoopen, reporteeringen en schijnverkoopen van de bedoelde effecten, doch werkelijke aankoop van die effecten nimmer plaats vond, terwijl nimmer levering werd beoogd; dii-tdit laatste te meer blijkt, waar bij levering van de meest Australische aandeelen, waarin het beursspel tusschen partijen gedreven werd, overschrijving va-n die aandeelen op naam van gedaagde vereischt. zou zijn geweest, waarvan nimmer sprake is geweest, tusschen partijen en van welke kosten ook niet; blijkt uit de rekening va,n eischeres; dat dan ook werkelijke verkoop van die effecten noodt plaats had; dat. eischeres wel in Juni 1900 heeft, doen somm-eeren om haar te doen weten waar zij op dien dag te Londen zekere effecten kon overbrengen, met aanzegging dat- zij. biji gebreke daarvan tot verkoop ter beurze zou overgaan en aan gedaagde een paar dagen later kennis heeft gegeven van de beweerde opbrengst van fictieven verkoop, maar die schijnexploiten het. beursspel niet in reëele handelstransactiën konden veranderen;

dat hij ontkent dat eischeres als commissionair in effecten of als lasthebber heeft gehandeld;

dat. trouwens ook ter zake -lastgeving- tot spel of weddenschap door de wet geen rechtsvordering wordt, toegekend;

dat na. verwijdering van de rekening-courant van de posten, die betreffen uitkomsten van spel en weddingschap, de stand van de rekening wordt als in de conclusie van antwoord, nader gespecificeerd en het. resultaat daarvan is, dat aan gedaagde nog toekomt f 1477.06, zoodat in geein geval deze iets aan eischeres schuldig is, deelende gedaagde nog mede dat hiji niet opkomt tegen een post va-n vóór 16 Oct. 1899, omdat toen eene verrekening tusschen partijen plaats had; da-t- hiji niet schrapt een postje 23 Nov. 1899 f 1.75, omdat dit een reëele affaire was en er een abuis in de rekening-courant- is, waartegen gedaagde niet opkomt- omdat daar, schoon het bedrag juist, sprake is van aankoop van 10000 D. Com. Florida, hetgeen moet zijn 20000 D. Com:. Florida;

O. dat daarop eischeres heeft doen zeggen, dat alle op de rekening-courant voorkomende posten het gevolg zijn van orders door gedaagde aan eischeres gedaan, welke door eischeres reëel zijn uitgevoerd ; dat zij, aanbiedt alle gestelde posita, inzonderheid de werkelijke uitvoering van alle van den gedaagde bekomen orders, zoowel uit hare boeken als door andere bescheiden te bewijzen, van welk bewijsaanbod gedaagde akte heeft gevraagd ;

O. dat de gedaagde daarop nog heeft, doen zeggen, dat gedaagde geen koopman is en eischeres tegenover gedaagde» verweer niet kan worden toegelaten tot. bewijs door boeken, te minder waar eischeres volstrekt niet gewoon was aan gedaagde eenige levering van effecten op crediet te doen;

O. dat. partijen daarop de zaak nader mondeling hebben doen toelichten ;

In rechte:

O• dat de -gedaagde betwist eenige posten van de door eischeres ten grondslag van hare vordering gelegde zoogenaamde rekening-courant en wel op grond dat die posten zouden zijn het eindresultaat va-n tusschen partijen gedreven spel en weddenschap, van welke weer, ingeval zij niet- wordt, weerlegd, het -gevolg is, dat de overblijvende posten der rekening geen saldo ten \ oordeele van eischeres opleveren en dus de ingestelde vordering in geenen deele rechtvaardigen;

O. dat deze posten slechts zijn omschreven, behalve door verschillende bedragen door de woorden „report saldo- Brussel" en „report saldo Londen";

dat het dus duidelijk is dat die rekeningsposten bevatten telkens liet eindresultaat van te Brussel en Londen voorgevallen zaken;

dat uit den eisch verder blijkt, dat die zaken waren volgens den eisch, koop en verkoop van diverse fondsen op last en voor rekening van gedaagde door eischeres of diverse handelsoperatiën door eischeres op last. en voor rekening van gedaagde gedaan ;

dat evenwel daaruit niet blijkt, welke de van andere feiten onderscheiden rechtsfeiten waren die ten grondslag van den eisch zijn gelegd;

dat wel is waar de gedaagde daarop geen aanmerking maakte en dus geacht, kan worden bekend te zijn met de feiten, die de bedoelde resultaten hebben bewerkt-, maar dit niet wegneemt, dat ter beoordeeling van het. tusschen partijen bestaande geschil over den aard van de handelingen, die de bedoelde resultaten bewerkstelligden, ook de rechter moet weten welke feiten door die eischeres gesteld worden als de oorzaken van de vermelde resultaten;

dat immers de rechter èn moet beoordeelen of d'e gestelde feiten het. gevraagd gevolg wettigen èn moet beoordeelen of het antwoord van den gedaagde eene ontkentenis van de posita- van den eisch bevat en in hoeverre zulks het geval is, dan wel of de weer een middel van niet-ontvankelijkheid vormt, èn moet in de gelegenheid zijn om, zoo noodig, zelfs ambtshalve bewijs te kunnen opleggen, welk een en ander niet kan geschieden, waar gelijk in casu niets anders wordt gesteld dan dat op een bepaalden tijd handelsoperatiën op last- en voor rekening van gedaagde zijn verricht door de eischeres in een met name genoemde stad en dat die handelsoperatiën een bepaald aangegeven nadeelig of voordeelig saldo1 hebben opgeleverd, zooda.t. de rechter niet te weten komt, ook niet. door de verdere dingtalen, welke die handelsoperaties zouden zijn geweest;

dat alzoo ambtshalve op deze gronden de eischeres in haren eisch moet. worden niet-ontvankelijk verklaard ;

Recht doende:

Verleent akte, waarvan akte is gevraagd ;

Verklaart de eischeres niet-ontvankelijk in hare vordering; Veroordeelt de eischeres in dè kosten der procedure, tot aan deze uitspraak aan zijde van gedaagde begroot op fl29.97^.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 15 October 1902.

Voorzitter, Mr. P. J. Bijleveld Rechters, Mrs,: R. L. Scholten en F. A. Eggers.

Art. 93 w. v. K.

Art. 93 W. v. K. bedoelt niet af te wijken van de gewone regelen, voor het bewijs vastgesteld, maar bepaalt slechts dat, door de aanneming van het goed en de betaling van het vrachtloon, de rechtsvordering, ter zake van

Sluiten