Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dens voormeld voorbehoud, op het bestaand hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Hooge Raad enz.;

no dat noch bij de aanteekendng van het beroep,

o inaderhand door of van wege den req. eenige gronden voor flat beroep zijn aangevoerd;

J- ambtshalve, dat bij, het beklaagde vonnis, met vernietigmg van liet vonnis door den kantonrechter te Maastricht in eersten aanleg gewezen en vrijspraak van het meerdere der aanKacht, als wettig en overtuigend bewezen is aangenomen, dat c e req. op 4 Sept. 1902 heeft toegelaten, dat in de gemeente i aastricht in de voor het publiek toegankelijke localiteit zijner leröerg, waarvoor geene vergunning tot den verkoop, van sterken drank in het klein is verleend, aan de aldaar aanwezige bezoekers H. G. S. en P. J. U. sterke drank in het klein, ieder in een glaasje van minder dan 2 liter inhoud, is toegediend;

dat het bewijs dezer feiten o. m. is ontleend aan eene ter terechtzitting in eersten aanleg voorgelezen ambtseedige verklaring van den Burgemeester van Maastricht, inhoudende dat door Burgemeester en Wethouders dier gemeente noch aan req., noch aan eenig ander persoon vergunning is verleend tot den verkoop van sterken drank in het klein in het perceel, gelegen aan de Baschstraat 106 te Maastricht;

dat hierdoor art. 401 Strafvord. verkeerdelijk is toegepast; dat toch dit artikel, blijkens het stelsel der wet, bevestigd door den hiistorischen oorsprong van liet artikel zelf, alleen op het oog heeft zoodanige openbare bescheiden {authentieke akten), die, aangemerkt, als schriftelijke getuigenissen een volledig bewijs opleveren van de door den ambtenaar uit eigen waarneniing geconstateerde feiten;

dat het derhalve in zijne toepassing is beperkt tot de verklaringen, verbalen en relazen, welke, opgemaakt door de ambtenaren, ingevolge art. 8 Strafvord. hetzij door dat wetboek zelf hetzij door bijzondere wetten of verordeningen belast met het opsporen van strafbare feiten, bestemd' zijn om daarvan te doen blijken;

dat daaronder in geen geval behooren verklaringen als de ten processe overgelegde^ omdat, ook al gaan zij uit van eenen burgemeester met het opsporen van strafbare feiten belast, zij niet behelzen de vermelding van een door dien Burgemeester waargenomen feit, maai* eene opgave omtrent hetgeen door Burgemeester en Wethouders al dan niet verricht is;

dat bij de ^ Drankwet aan het, College van Burgemeester en Wethouders is opgedragen het verleenen van vergunningen tot den verkoop van sterken drank in het klein en daarvan te doen büjken bij akten die als authentiek behooren te worden aangemerkt; dat die opdracht mede omvat dé opdracht om schriftelijk te doen blijken, of eene ingevolge de wet te nemen beschikking al dan niet genomen en in schrift gesteld is; dat derhalve door in plaats van zoodanige verklaring van Burgemeester en Wethouders de ambtseedige verklaring van den Burgemeester als wettig bewijs voor het ontbreken der vergunning aan te nemen art. 400 Strafvord. is geschonden en art. 401 verkeerd toegepast;

Vernietigt, het vonnis, door de Arrond.-Rechtbank te Maastricht den 30sten Dec. 1902 in deze zaak gewezen, met instandhouding echter van de daarin vervatte gedeelte,lijke vrijspraak en van de daarbij uitgesproken vernietiging van het vonnis van den kantonrechter aldaar van 20 Nov. bevorens;

En voorts, recht doende krachtens: art. 106 R. O. :

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch orn, behoudens voormeld voorbehoud, op het bestaand hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 23 Maart 1903.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

' c Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, Jhr. P. R. Feith, A. J.

Clant van der Mijll, Jhr. D. G. van Teylingen, Jlir. W. s H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen.

t

Vernietiging van het bestreden arrest, omdat daarbij onder

de bewijsmiddelen voorkomt de verklaring van een we- \ gens zijn jeugdigen leeftijd niet onder eede gehoorden getuige.

J. v. d. K., oud 38 jaren, koopman, geboren te Zeist, wonen- o

de te Soest, is requirant van cassatie tegen een arrest van het a

Gerechtshof te Amsterdam van 16 Dec. 1902, waarbij werd ver- jj

nietigd een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Utrecht van ll

27 Oct. 1902, waarbij req. van het hem ten laste gelegde werd a

vrijgesproken en bij welk arrest voorts req. als schuldig aan Ji

heling, zes malen gepleegd, met toepassing der artt. 416 en 57 0,

Strafrecht, werd veroordeeld tot eene gevangenisstraf van één p

jaar, met last tot teruggave der stukken van overtuiging als 0,

in het arrest is vermeld. y

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. de m Savornin Lohman, en het beroep namens d'en req. was toegelicht door Mr. L. W. van Gigch, advocaat te Amsterdam, z( heeft de adv.-gen. Ort de volgende conclusie genomen: y

w

Edele Hoog Achtbare Heeren, President én Raden! er

Het eenig bij pleidooi voorgesteld middel van cassatie luidt: sc

Schending van de artt. 391, 392 1°, 396 in verband met de kc

artt. 164 1°, 407 1Q Strafvordering. W

De grond tot cassatie wordt volledig aangewezen in de bij hi, het middel gegeven toelichting, daarin bestaande dat in de óe

overweging van het bestreden arrest eene aanwijzing is geput st]

uit de verklaring van den getuige T. M. A. B*. vermeld sub in

in de 4de overweging, niettegenstaande uit het proces-verbaal be

der terechtzitting van de Arrond.-Rechtbank te Utrecht dd. lat

^0 Oct. 1902 büjkt dat die getuige („van beroep scholier") we- ge

eens zijn jeugdigen leeftijd (13 jaren) buiten eedeis gehoord, de

erwijl voormelde aanwijzing, blijkens de 8ste overweging van na

et, bestreden arrest behoort tot de bewijsmiddelen waardoor me

Iequirants schuld als bewezen is aangenomen. dei

Deze grond vindt steun in het aangehaald proces-verbaal der de

erechtzitting waaruit blijkt dat de bedoelde persoon buiten hoi

ede is gehoord en in de aangehaalde overwegingen van het ste

arrest, waaruit blijkt dat van diens verklaring is gebruik ge- (

maakt als ware het wettig bewijsmiddel, — zoodat verniet,igmer nie

v;tn het arrest zal moeten volgen. ~ (

Conclusie tot vernietiging van het arrest en verwijzing der gel

zaak naar een aangrenzend Gerechtshof ten einde op het be- del

staand hooger beroep op nieuw te worden berecht en afgedaan. en

te De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi:

Schending van de artt. 391, 392, 1°, 396 in verband met de 3p, artt. 164, 1°, 407, 1° Strafvord., door in de 6de overweg;ng van »r het bestreden arrest eene aanwijzing te putten uit de verklaring van den getuige Th. A. M. R., vermeld sub c in de 4de overti- weging, niettegenstaande uit het proces-verbaal der terechtzitin ting van de Arrond.-Rechtbank te Utrecht van 20 Oct. 1902 in- blijkt, dat die getuige („van beroep scholier") wegens zijn jeuglat digen leeftijd (13 jaren) buiten eede is gehoord, terwijlvoorite melde aanwijzing, blijkens de 8ste overweging van het bestreter den arrest behoort tot de bewijsmiddelen, waardoor requirants ïr- schuld als bewezen is aangenomen;

ge Overwegende dat req. heeft terechtgestaan ter zake: dat hij, Ier op verschillende nader aangegeven tijdstippen te Soest telkenmale opzettelijk rijwielen, door V. aan de nader aangeduide er personen ontvreemd, van genen met de wetenschap daarvan ?r- heeft gekocht;

at dat het Gerechtshof het bewijs: der ten laste gelegde feiten 1-) geleverd acht op grond van de in het arrest vermelde bewijsi2n middelen;

sn dat, nu onder die bewijsmiddelen mede is opgenomen de verklaring van den getuige Th. A. M. P„. zooals die blijkens, het proces-verbaal der terechtzitting van de Arrond.-Rechtbank te ;d Utrecht van 20 Oct. 11. was afgelegd;

>P dat evenwel blijkens dit verbaal de genoemde getuige, oud 13 jaar, buiten eede is gehoord op grond van zijn jeugdigen leeftijd ; !g dat alzoo voor de samenstelling van het bewijs is gebruik gee maakt van een onwettig bewijsmiddel, zoodat het middel is

gegrond, en het arrest behoort te worden vernietigd; i- Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van > 16 Dec. 1902 tegen req. gewezen;

k Recht doende uit kracht van art. 106 R. O.;

:t' Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's Gravenhage, ten e einde op het bestaande hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

n

T-

r- ARRONDISSEMEIsTS-RECHTBANKEN.

11 ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM.

>t

e Vijfde Kamer.

Zitting van den 8 Mei 1903.

Voorzitter, Mr. G. W. Baron van Imhoff.

! Rechters, Mrs.: P. Coxinck Westenberg en Jhr. W. C. Quarles van Ufford.

L Opruiing.

De Rechtbank enz. ;

'de stukken, onder welke de dagvaarding naanens den t Oincier van Justitie op den lOden April 1903 beteekend aan: i. v. d. G., geboren te A. 13 Febr., wonende te H., van beroep privaat docent aan de Gemeente Universiteit te A. ; Gehoord de voorlezing van het bevel van de Raadkamer dei zer Rechtbank, waarbij de zaak van den beklaagde naar de terechtzitting is verwezen, en het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, waarbij de beschikking der Rechtbank is goedgekeurd ;

Gehoord de aanklacht van den Officier van Justitie tegen voornoemden beklaagde, volgens zijne opgaven genaamd1: F. v. d. G., oud 44 jaren, van beroep privaat docent,, geboren te A., 13 Febr. en wonende te H. ; ,

Gehoord de ter terechtzitting onder eede afgelegde getuigen- : verklaringen;

Gehoord het requisitoir van den Officier van Justitie, daar- 1 toe strekkende dat de beklaagde worde schuldig verklaard aan i de feiten, hem bij dagvaarding ten laste gelegd, daarstellende: i ,,net in het openbaar mondeling to>t eenig 1 strafbaar feit opruien"-

en dientengevolge veroordeeld tot gevangenisstraf voor den ( tijd van negenmaanden-

Gelet op de verdediging, door en ■ namens den beklaagde in het midden gebracht; j

Overwegende da,t de beklaagde is gedagvaard ter zake: l

„dat hij in den avond van 23 Febr. 1903 te Amsterdam in eene, in het lokaal „Handwerkers Vriendenkring" gehouden r openbare en voor een ieder regen een entree, van 10 cents toegankelijke, door de Amsterdamsche afdeelmg van den Bond van 1: Miliciens en oud-Miliciens belegde protest,vergadering in zake k het oproepen van de lichtingen 1900 en 1901, tot het talrijke b aldaar aanwezige publiek, waaronder ook eenige matrozen der u Nederlandsche Koninklijke Marine, gehouden rede, sprekende d onder meer over de, kort te voren in Nederland plaats gegre- 1< pen werkstakingen, in verband waarmede die lichtingen waren b of zouden zijn opgeroepen, met, en door de daarbiji door hem d verdachte, uitgesproken woorden: jj

„In de groote eenheid behoort ook te worden opgenomen de n massa van het proletariaat, dat de wapens draagt,. r,

„Ook het leger moet op onze hand zijn. Het is thans niet d [ moeilijk meer om de soldaten te overtuigen in welke rich- hi ting z,ij moeten schieten, als er geschoten moet worden. Ook hi W'J zijn voorstanders van het gezag, vrienden van discipline, te en als den soldaat geboden wordt „ schiet", zeggen wij niet te „schiet niet", maar schiet naar den kant waar of waarheen ge- d( schoten moet worden. Wij verzoeken de soldaten beleefd, te di tomen aan den kant, waar zij moeten staan, aan onzen kant. zi hler"™ep<m niet "de ™peI1S neer"> maar „de wapens

althans met en door woorden van, gelijken zin, beteeikenis en be streKKing, m het openbaar dé Nederlandsche militairen tot het pi

KerWMeIeilSl 1 j d°0r heni> beklaa®de> vermelde of blijkbaar pi ril geI?=6nheden> uitdrukkelijk weigeren of opzettelijk na- sc laten de orders van dengenen, die boven hen gesteld is. te zo

den°dien^tenf0H na" k komen of een ander misdrijf tégen br ^ j6 f^dinatie te plegen; tot het, deserteeren co naar den vijand of tot eenig ander misdrijf van desertie met

rVr "ten"™8 ^ Wa;Pe"en> of wel tot llet plegen van eenig an- lej

aer, ten aanzien van het misdadige, met voormelde misdrijven lis

de meeste overeenkomst hëbbend misdrijf, in de crimineele Wet- rei

Krijgsvolk te lande en te water strafbaar ge- en

steid, neett ongeruid ; da

O. ten aanzien van de door beklaagde's raadsman bewee.-de

nietigheid der da,gvaarding; we

dat in deze a,an den beklaagde in de eerste plaats is te laste Uil

gelegd, dat lnj, door het bezigen van de bij, dagvaarding bepaal- kw

dehjk aangehaalde woorden tot strafbare feiten heeft opgeruid die

t-n de dagvaarding slechts subsidiair de te last legging be- on

vat, dat hij dit feit zou gepleegd hebben „met en door wooreid den van gelijken zin, beteekenis en strekking";

nu' waa? in <Je eerate Plaat» op den grondslag der dagde vaardmg te onderzoeken is, of het primair te laTte gelegde an la bewezen en dit primaare volkomen duidelijk en benaald is ng zoodat de beklaagde zich daarop onbelen3 heeKnnen

Tt" re^r^d^ ^ Vaagh6ld der subsidiaire telast-

- - 8ëing de dagvaarding, die m het primaire eene duidelijke 102 „opgave van het feit, behelst, niet nietig kan maken zulks ig- ti minder, waar mogelijker wijze een onderzoek daaromtrent M- tengevolge van den uitslag van het onderzoek omtrent het nrire- ïnaire zal komen te vervallen, terwijl eerst dan, wanneer liet lts primaire onbewezen mocht blijken, te overwegen zou zijn of de

dagvaarding voor het overige nog een behoorlijken feitelijken tnji grondslag voor een vruchtbaar onderzoek zou aanbieden • n- dat dus de voorgestelde exceptie waar, als gezegd dé daede vaaiding eene behoorlijke opgave van het te laste gelegde feit in bevat, moet worden verworpen;

O. dat de getuigen R. en B., volgens, hunne verklaringen ter 311 terechtzitting hebben gehoord, dat de beklaagde op tijd en plaats isi- en onder de omstandigheden bij, dagvaarding vermeld, in de daar bedoelde door honderden bezochte vergadering tot het pu:r- bliek onder meer en met bijzonderen klem heeft gesproken de et woorden: „Ook het leger moet op onze hand zijn. Wij moeten te niet, zeggen „schiet niet, als er geschoten moet worden, maar wij zeggen „schiet, naar den kant waar geschoten moet wor13 den". W ij zeggen niet „de wapens neer", maar „de wapens hier".

; op welke woorden applaus en ook gesis uit het publiek volgde; e- dat de bovenaangehaalde woorden, op tijd en plaats en onder is de omstandigheden als voormeld, blijkens de verklaring van den getuige Q. en den inhoud van diens ambtseedig proces-verbaal n ook door dezen uit beklaagde's mond zijn gehoord, terwijl hij volgens zijne verklaring daaraan had hooren voorafgaan, dat.de beklaagde de laatste werkstakingen, speciaal die der spoorwegn beambten besprak als blijk van de macht der arbeiders en de n kracht hunner solidariteit en bovendien den beklaagde hoorde zeggen: „Wij moeten trachten het leger door zachten drang op onze hand te brengen. Het is niet zoo moeielijk meer de soldaten te overtuigen, als er geschoten moet worden, dat, te doen 111 de goede richting. Wij zijn voorstanders van het gezag en vrienden van discipline", als ook: „Wij: verzoeken den soldaten beleefd te komen aan onzen kant", waarna beklaagde voloens getuige nog sprak over de Commune en betoogde, dat bij"die gelegenheid een deel van het leger aan den kant van het proletariaat had gestaan en de Commune het anders niet zoo, lans zou hebben uitgehouden;

dat de getuge P., als verslaggever in de meerbedoelde vergadering tegenwoordig, omtrent beklaagdes bewuste rede heeft verklaard, dat deze, sprekende over de spoorwegstaking, wees op de kracht van het gemeenschappelijk optreden der arbeiders, ^ betoogde, dat die éénheid ook wenschelijk was onder het proletariaat, dat de wapenen draagt,, en daarna voortging in deze woorden:

„Het is niet zoo moeilijk meer, de proletariërs te overtuigen, in welke richting zij moeten schieten, als er geschoten moet, worden. Ook wij zijn voorstanders van gezag en discipline en i dus, als er gecommandeerd wordt „schiet", zeggen we niet „schiet niet" doch schiet in de goede richting". Wij verzoeken i den soldaten beleefd te komen aan onzen kant. Wij zeggen niet „de wapens neer", doch „de wapens hier", waarna be-

- klaagde er op wees, dat de kapitalisten niet moesten vergeten de les, die zij 30 jaren geleden bij: gelegenheid der Parijsche

■ Commune hadden ontvangen, toen er zooveel soldaten in de rijen der arbeiders (of wel aan den kant der Cbmmune) hadden gestaan;

dat ook door den getuige d. J., mede als verslaggever in de bewuste vergadering- tegenwoordig, uit beklaagdes mond de hiervoren uit de verklaring van getuige P. aangehaalde woorden zijn gehoord, echter met deze uitzonderingen dat hij zich niet herinnert de woorden: „In de groote éénheid behoort ook te worden opgenomen de massa van het proletariaat, dat de wapenen draagt" en ook niet „als er gecommandeerd! wordt schiet" doch alleen „als er geschoten moet, worden" en even min:^ „Wij verzoeken den soldaten beleefd te komen aan onzen kant", hebbende overigens ook deze getuige gehoord, dat de beklaagde, er vervolgens op wees, dat de kapitalisten zich de dagen der Commune moesten herinneren, toen ook militairen aan den kant der proletariërs hadden gestaan;

dat de beklaagde ter terechtzitting onder meer heeft, erkend in zijne bij bedoelde gelegenheid uitgesproken rede gezegd té hebben:

„In de groote eenheid behoort ook te worden opgenomen de massa van het proletariaat, dat de wapens draagt";

O. dat door de verklaringen der genoemde getuigen, wat d'e laatstelijk aangehaalde woorden betreft ook dt»or beklaagdes erkentenis in verband met de verklaring van getuige P. en wat het te last gelegde opzet betreft,, mede door de aanwijzingen uit de verklaringen dier getuigen voortvloeiende, in haar onderling verband beschouwd, de aan den beklaagde te laste gelegde feiten en zijne schuld daaraan wettig n overtuigend zijn bewezen, echter met deze uitzonderingen, dat onbewezen is dat beklaagde de woorden „als den soldaat geboden wordt'' heeft geuit, zoodat daarvoor te verstaan is : „als er geschoten moet worden", en dat de beklaagde niet heeft gezegd: „Wij roepen hen niet toe", maar „Wij zeggen niet"; en voorts met dien verstande, dat hij militairen (immers „proletariërs" behoorende tot „de massa der proletariërs, die de wapens draagt") heeft opgeruid om bij, gelegenheid te weigeren of opzettelijk na te laten, de orders hunner supérieuren t,e gehoorzamen of na te komen en om desnoods met medeneming van wapenen, tot de vijanden van het, bestaande gezag over te loopen welke misdrijven in dei bij dagvaarding genoemde wetboeken strafbaar zijn gesteld ;

O. dat dë beklaagde wel is waar, iedere bedoeling om tot het plegen van strafbare feiten aan te zetten heeft ontkend en beweerd, in zijne rede slechts het oog te hebben gehad op eene propaganda, die beoogt, langs geleidelijken weg de maatschappij tot eene socialistische te liei-vormen, daar in zoodanige maatschappij het leger als machtsinstrument aan socialistische zijde zou staan en mits van socialistische beginselen doordrongen, onbruikbaar zou zijn gemaakt om als machtsinstrument bn eene contra-revolutie van kapitalistische zijde dienst te doen •

dat het echter in dit stelsel — volgens hetwelk immers het leger per se het, instrument zou zijn van den verwachten socialistischen Staat — geen zin heeft, zich, gelijk beklaagde in zijne rede deed, te richten tot eene enkele maatschappelijke groep, en niet eens tot het leger in zijn geheel, doch tot een deel daarvan, te weten: „de wapendragende proletariërs";

dat bovendien beklaagdes uitgangspunt, de bekende spoorwegstaking, welke hij verheerlijkte, als voorbeeld van <?eleidehjke en ordelijke oplossing van een maatschappelijk vraagstuk kwalijk dienst kon doen en integendeel als een voorbeeld va.n dienstweigering op groote schaal en van een onwettigen aansW op het verkeer, den indruk moest wekken, dat de beklaagde

Sluiten