Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de voorstellers beweren een practisch bezwaar verbonden ; immers de telkens veranderende samenstelling der Kamers maakt het uiterst moeilijk na verloop van eenigen tijd dezelfde rechters weer aan het wijzen van het vonnis te doen deelnemen. Doch ook al ware dit bezwaar te voorkomen, veel bedenkelijker is naar hun oordeel, dat het verbod om een rechter met het houden van het verhoor te belasten, den duur van het proces zeer verlengt. Wanneer drie rechters de enquête zullen moeten bijwonen, zullen daarvoor mindere dagen beschikbaar zijn dan wanneer één rechter voor de taak voldoende is; en zoo wordt de gang van het geding meermalen voor geruimen tijd onderbroken. Bovendien zal het dikwijls voorkomen dat op den voor de enquête bepaalden dag de getuigen niet kunnen verschijnen, — vooral in zeezaken zal dit het geval zijn — en een andere dag zal eerst over maanden kunnen worden aangewezen. Wanneer dan na zoo'n lang tijdsverloop de getuige eindelijk wordt gehoord, is zijne herinnering aanmerkelijk verzwakt en van hetgeen hg misschien vroeger zou hebben kunnen vertellen, is thans een belangrijk gedeelte uit zijn geheugen weggewischt. De slotsom van dit alles is, dat naar het oordeel der voorstellers het getuigenbewijs als bewijsmiddel veelal onbruikbaar wordt of geheel teloor gaat, tot schade eener deugdelijke rechtspraak.

Wij ontkennen de beteekenis van deze bezwaren niet, maar meenen dat de oplossing niet zal mogen worden gevonden door de loslating van een beginsel, dat niet slechts, zooals de voorstellers meenen, theoretisch juist is, maar veeleer om zijne groote practische beteekenis verdient te worden gehandhaafd en aan strenge toepassing behoort te worden geholpen. Wij aanvaarden die geliefkoosde maar weinig waarde hebbende tegenstelling tusschen theorie en practijk niet. Eene theorie, die den toets der practijk niet kan doorstaan, is ons van weinig waarde. Hier is het ons juist om de practijk te doen. Wij achten alleen bij stipte handhaving van het beginsel van art. 203 het getuigenbewijs een bruikbaar bewijsmiddel en weigeren om op verzoek van eene der partijen — de Rotterdamsche balie sprak nog van overeenstemming van de beide partijen en was dus minder radicaal — een der hechtste waarborgen voor eene juiste beslissing door den rechter te laten prijsgeven. Verbetering is noodig, maar niet ten koste eener goede rechtspraak.

De verbetering kan langs anderen weg worden verkregen. Bij de vaststelling van het in art. 203 opgenomen voorschrift hebben regeering en volksvertegenwoordiging, blijkens de gevoerde beraadslagingen (5), de zedelijke verplichting aanvaard om wanneer dit voorschrift de uitbreiding van het aantal rechters noodzakelijk zou maken, daartoe mede te werken. De Minister van Justitie heeft de Kamer met nadruk op dit zeer waarschijnlijke gevolg van het voorstel gewezen; Mr. de Savornin Loiima.n verwierp met beslistheid elk tegenargument aan de vermeerdering van kosten te ontleenen ; de Commissie van Voorbereiding nam akte van de [ministerieele verklaring, dat de regeering zich ondanks de mogelijke verliooging van uitgaven niet tegen het voorstel kantte en met volle kennis van zaken nam de Kamer dit aldus toegelichte voorstel aan. Indien dus ondanks de laatste uitbreiding krachtens de wet van 29 December 1899 het personeel der Rotterdamsche rechtbank niet talrijk genoeg is om de door de wet opgelegde taak met bekwamen spoed te vervullen en indien ditzelfde mocht gelden van de rechtbank te Am. sterdam en misschien nog van andere rechtbanken, welnu dan zal het gevolg van de in 1896 vastgestelde bepaling zonder aarzelen moeten worden aanvaard en door een voldoend aantal rechters de mogelijkheid van eene snelle en goede rechtspraak moeten worden gewaarborgd. De voorstellers meenen, dat door versterking van het rechterlijk personeel afdoende verbetering niet zal zijn te verkrijgen ; wij zouden meenen dat daardoor toch dit kan worden bereikt, dat de verschillende deelen van het proces sneller op elkander zullen volgen en dus tusschen enquête en uitspraak een veel korter afstand zal liggen ; dat voorts, wanneer een getuige op den bepaalden dag niet kan verschijnen, gemakkelijker een spoedige andere dag voor zijn verhoor zal kunnen worden gevonden ; dat aldus de getuige veel sneller dan thans over het door hem waargenomene zal worden gehoord. Al de bezwaren, door de voorstellers aangevoerd, zullen aldus een voor een of verdwijnen of zeer worden verzwakt. Natuurlijk zal om dat resultaat te verkrijgen, ook de medewerking van de leden der rechtbank noodzakelijk zijn. In het boven geciteerde voorbeeld

zouden zonder groote moeite alle enquêtes en contraenquêtes door dezelfde rechters kunnen zijn bijgewoond en ook door hen het vonnis kunnen zijn gewezen, indien maar niet te streng aan de zoogenaamde «vrije week» ware vastgehouden. De Amsterdamsche rechtbank ziet in het behoud van die periodieke vierwekelijksche gedeeltelijke vacantie «eene andere dergelijke oorzaak» als waarvan art. 203 Rv. spreekt, en handelt daarmee naar ons gevoelen in strijd met wat de wetgever bedoelde. Hier moet het belang eener goede rechtspraak gaan boven het voordeel, voor de rechters gelegen in die stelselmatige, periodieke vrijstelling van het zittingnemen gedurende eene geheele week.

Met de uitbreiding van het rechterlijk personeel is echter o. i. niet alles {gedaan wat geschieden kan, om de uitstekende bepaling van art. 203 tot haar volle recht te doen komen. Onze wenschen gaan verder. Wij meenen, dat in zeer vele gedingen enquête en contra-enquête op eenen dag kunnen worden gehouden en dat derhalve de in art. 104 onderstelde mogelijkheid (6) tot regel behoort te worden verheven. Het bezwaar, dat men vooruit niet [kan nagaan wat in de enquête zal worden verklaard en dus waartegen het tegenbewijs zich zal moeten richten, achten wij in tal van processen allerminst overwegend ; zeer dikwijls zal de te verwachten bewijsvoering voldoende bekend zijn en kan men zijne eigene getuigen zonder bezwaar reeds tegen denzelfden dag oproepen. Men kent de feiten, waarover de enquête loopt en weet welke getuigen men zelf over die feiten kan doen hooren. De mogelijkheid, dat op die wijze enkele getuigen nutteloos worden gedagvaard, weegt niet zwaar. Ook kunnen de bedenkingen worden ondervangen door aan de bewijzende partij de verplichting op te leggen bij haar bewijsaanbod de te bewijzen feiten uitvoeriger en meer gedetailleerd te omschrijven dan thans geschiedt of die omschrijving aan de wederpartij een bepaalden tijd vóór de enquête te beteekenen. Natuurlijk zal den rechter de bevoegdheid moeten toekomen aan de tegenpartij, wanneer zij daartoe goede gronden geeft, een naderen en dan spoedigen dag voor het hooren van een of meer getuigen toe te staan. De enquête en contra-enquête op een dag zal de waarde van beide getuigenverhooren zeer verhoogen en eene zoo hoogst noodige confrontatie, allereerste voorwaarde voor het vinden der waarheid, toelaten. Thans staan de verklaringen van de getuigen in de twee verhooren eenvoudig tegenover elkander en ontbreekt elke poging om tusschen beide de waarheid te ontdekken.

Op enquête en contra-enquête volge dan tevens onmiddellijk de toelichting door partijen, in overeenstemming met het juiste beginsel, neergelegd in § 370 der Duitsche Civilprozesordnung. De conclusies na enquête kunnen in de meeste gevallen best worden gemist en zonder eenig bezwaar kunnen de pleiters onmiddellijk na den afloop der getuigenverhooren aan de rechtbank de resultaten der wederzijdsche verhooren voordragen en toelichten. Wat in strafzaken mogelijk is, kan ook in de civiele procedure geschieden. Natuurlijk ook hier slechts als regel; over de noodzakelijkheid van eene te maken uitzondering beslisse de rechter. Alleen op deze wijze zal aan het burgerlijke proces wat meer leven worden ingegoten dan thans daaraan eigen is; de verhooren voor het rechterlijk college zullen waarde en beteekenis erlangen, ook voor ieder der bijzittende rechters, die zal doordrongen blijven van het bewustzijn, dat wat hier wordt verklaard, hem straks bij zijne beslissing zal moeten leiden en er dus zijne gansche aandacht aan zal schenken. Aan onze tegenwoordige enquêtes in burgerlijke zaken ontbreekt alles, wat haar een onmiddellijk voelbaar belang verleent; slechts langs den hier aangegeven weg verkrijgt het getuigenbewijs in burgerlijke zaken de waarde, die het moet hebben en worden de bezwaren ondervangen, die de heeren van Raalte c. s. door een onjuist gekozen middel willen opheffen.

Toen door het Ontwerp-Hartogh in zijn eersten vorm het getuigenverhoor voor den rechter-commissaris algemeen werd mogelijk gemaakt, werden daartegen in W. 6417 ernstige bedenkingen aangevoerd. Thans, nu Mrs. v. Raalte c. s. tot dat oorspronkelijke voorstel willen terugkeeren, sluiten wij ons aan bij de bezwaren, destijds door den uitnemenden woordvoerder der redactie ontwikkeld. Met hem zijn wij van oordeel, dat «het belang eener goede rechtspraak, die eischt dat althans in eerste instantie de rechters die recht doen op de verklaringen van getuigen, dezen hooren en zien niet mag worden opgeofferd.»

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 30 Maart 1903.

Waarnemend voorzitter, Mr. A. A. de Pinto. Raadsheeren, Mrs. : Jhr. P. R. Feith, Jkr. B. C. de Jonge,

A. J. Clant van der MuiiL, Jhr. D. G. van Teyungen,

Jhr. W. H. de Savornin Lohhan en A. P. L. Nelissen.

Aniblshalve-vernietiging van het bestreden vonnis wegens onduidelijkheid der feitelijke beslissing.

De Officier van Justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, is requirant van cassatie tegen een vonnis van genoemde Rechtbank van 24 Dec. 1902, waarbij-, met vernietiging van het vonnis door den plaatsvervaagenden rechter in het 4de kanton van het arrondissement Amsterdam op 31 Juli 1902 gewezen tegen G. M., wed. van J. S., oud 52 jaren, van beroep logementhoudster, geboren te !N ijkerk en wonende te Amsterdam, is verklaard, dat de haar ten laste gelegde feiten rechtens bewezen en dat zij door haar zijn gepleegd, doch dat die feiten niet strafbaar zijn, waarop zij is ontslagen van alle rechtsvervolging te dier zake.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jür. Feith, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

Jidel Hoog Achtbare Heeren)

Aan de gerequireerde, die door de Rechtbank te Amsterdam in hooger beroep is ontslagen, van rechtsvervolging, was bij introductieve dagvaarding te last ge-legd: dat zij op Donderdag 3 Juli 1902 des namiddags te ongeveer tien uur in het door haar gehouden en ook te harer beschikking staande logement in perceel n°. 79 aan den Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam tegen betaling van één gulden vijftig cents — in ieder geval uit winstbejag — aan een man en eene vrouw (genaamd enz.) het gemeenschappelijk en gelijktijdig gebruik van kamer n°. 3 met bed en toebeliooren heeft afgestaan terwijl zij wist — althans zeer goed begreep —■ dat diie personen aldaar onderling ontuchtige handelingen wilden plegen.

De Rechtbank heeft overwogen dat door de bijgebrachte bewijsmiddelen het te laste gelegde bewezen is met uitzondering van het aan het slot der dagvaarding vermelde weten of begrijpen, maar verklaart aan het einde van baar vonnis niettemin de telastgelegde feiten zonder uitzondering bewezen. In het vonnis is nu niet aangegeven waardoor bewezen is hetgeen in de bedoelde overweging door de daarbij aangehaalde middelen niet bewezen is verklaard; ten opzichte van de beslissing over liet hierbij betrokkene gedeelte der dagvaarding is het dlus niet met redenen omkleed, zoodat het vernietigd zal moeten worden.

Mocht de Rechtbank bedoeld, hebben uit te drukken dat de telastgelegde wetenschap in het geheel niet bewezen is geworden, dan had zijl de gerequireerde in zooverre moeten vrijspreken, maar dan had haar ontslag van, rechtsvervolging niet moeten berusten op de onverbindbaarheid van het toepasselijke art. 183 der Alg. Politieverordening, maar daarop dat hetgeen van de dagvaarding overbleef niet viel onder de bepaling van dat artikel, daar d'e kern der overtreding, het geven van gelegenheid tot het onderling plegen van ontuchtige handelingen er niet in is uitgedrukt.

Dat ik mij overigens met de motiveering van het ontslag van rechtsvervolging in het vonnis niet kan vereenigen blijkt uit mijne heden in de zaak van G. R. genoimene conclusie.

Ik concludeer tot vernietigftig van het vonnis ambtshalve, en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter berechting en afdoening op het bestaande hooger beroep.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending door niet-toepassing van de artt. 183 en 194 Alg. Pol.verord. van Amsterdam, vastgesteld door den Raad dier gemeente den 26sten Maart 19Ö2 en afgekondigd den 5den Mei d. a. v., in verband met d'e artt. 214 en 257 Strafvord. ;

<Overwegende ambtshalve:

dat aan de gerequireerde is ten laste gelegd, dat zij op 3 Juli 1902 in het dooi- haar gehouden logement in perceel n°. 79 aan den N. Z. Voorburgwal te Amsterdam tegen betaling van f 1.50 aan een met name genoemde man en vrouw het gemeenschappelijk en gelijktijdig gebruik van kamer n°. 3 heeft afgestaan, terwijl zij wist — althans zeer goed begreep — dat die personen aldaar onderling ontuchtige handelingen wilden plegen;

dat hieromtrent bij het beklaagde vonnis wordt, overwogen, dat de aan gerequireerde ten laste gelegde feiten rechtens zijn bewezen alsook dat zij zijn gepleegd1 door de gerequireerde, echter met deze uitzondering, dat niet bewezen is dat zij wist, dat de bedoelde personen op bedoelde kamer ontuchtige handelingen wilden plegen ;

dat het vonnis ten slotte inhoudt de beslissing, dat, de aan gerequireerde ten laste gelegde feiten rechtens zijn bewezen en door haar gepleegd;

dat door deze beslissing in verband met de voormelde overweging niet duidelijk is, of onder het bewezen verklaarde mede behoort, de wetenschap, dat, bedoelde personen ontuchtige handelingen wilden p'egen, of dat zij, dit heeft begrepen, en indien een van beide het geval is, op welke gronden die beslissing berust;

dat derhalve het vonnis in zooverre niet naar den eisch der wet, met redenen is omkleed, zoodat daardoor de artt. 221 en 223 Strafvord. geschonden zijn ;

Vernietigt mitsdien het vonnis, door de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam op 24 Dec. 1902 in deze, zaak gewezen, met, instandhouding echter van de daarbij uitgesproken vernietiging van het in eersten aanleg gewezen vonnis;

Recht doende krachtens art. 106 R. O. :

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam om onder voormeld voorbehoud op het, bestaande hooger beroep te worden berecht en, afgedaan.

(5) Belinfante t. a. p. bl. 98—105.

(6) Zie bij Hartogh en Cosman, Toelichting op de wet van 7 Juli 1896, bl. 34 en 35.

Sluiten