Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd bevestigd een vonnis der Arrond. -Rechtbank te Amsterdam van 18 Nov. 1902, wa^ bijj hdj[ als schuldig'aan 1°. valsohlieid in geschrifte ; 2°. opzettelijk gebruik maken van lxet vaisehe geschrift als ware het echt en onvervalscht, uit welk gebruik eenig nadeel kan ontstaan, een en ander tweemaal gepleegd, terwijl nog geen vijl jaren zijn verloopen sedert de schuldige eene tegen Mem wegens oplichting uitgesproken gevangenisstraf geheel neef t ondergaan, met toepassing der artt. 225, 421, 56 en 57 Strafrecht, werd veroordeelt! tot °eene gevangenisstraf van 2 jaar en 6 maanden, met, last tot teruggave der valsche stukken als bij dat vonnis is bepaald.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. de Sayornin Lohman, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Als eerste middel van cassatie is door den wegens tweemaal gepleegde valschlieid in geschriften en gebruikmaking van een vaiscli stuk veroordeelden requirant voorgesteld: Schending der artt. 1 en 216 al. 2 Strafvordering, j°. art. 1 en 225 Strafrecht, doordat het Hof, bevestigende het vonnis der Rechtbank, requirant niet ontsloeg van rechtsvervolging omdat in de oorspronkelijke dagvaarding niet was te laste, gelegd dat de valschelijk opgemaakte geschriften waren bestemd om te dienen tot bewijs van eenig feit voor de rechtsverhouding van belang.

Dit middel komt mij ongegrond: vóór. Wel eischt de wet voor liet. misdrijf van valschlieid dat het valsche geschrift zekere eigenschappen heeft, maar aan den eisch van telastlegging daarvan wordt voldaan indien de omschrijving van het geschrift zoodanig is dat. liet bestaan dier eigenschappen er noodzakelijk uit volgt. Vermits zooals de Rechtbank te recht overwogen heeft de valsche geschriften in deze waren volgbriefjes, en volgbriefjes bestemd zijn om als bewijsstukken te dienen, is hier aan de wet voldaan.

Het tweede middel is: Schending van artt. 1 en 143 Straf vord. jo. artt. 1, 326 en 225 al. 2 Strafrecht, doordat het Hof de oorspronkelijke dagvaarding niet nietig verklaarde, als hebbende toch even goed, voor zooveel het in de tweede plaats te last gelegde feit betreft, kunnen concludeeren dat de elementen voor oplichting aanwezig waren als die welke uitmaken het feit, strafbaar geste'd bij art. 225 al. 2 Strafrecht.

De grondslag van dit middel ontbreekt daar in de telastlegging van gebruikmaking van een valsch volgbriefje tot verkrijging van afgifte der daarin genoemde goederen noch de elementen van oplichting noch dje van poging tot oplichting alle aanwezig zijn. En al ware het anders, daarmede zou nog niet een onherkenbaar feit zijn te last gelegd. De wet zelve erkent in art. 55 Strafrecht dat een feit in meer strafbepalingen kan vallen en geeft voor dat geval hare voorschriften; van nietigheid van dagvaarding kon dan dus .geene sprake zijn.

Het derde middel luidt: Schending en verkeerde toepassing der artt. 1, 391 en 403 Strafvord. doordat het Hof, bevestigende het vonnis der Rechtbank, o. a. recht deed op de bekentenis van req. o. a. vergezeld van eene nauwkeurige opgave van omstandigheden, bekend uit de verklaringen van J. P. R. (1. en J. P. v. d. H. als getuigen gehoord als de personen tegen wie die feiten zijn gepleegd, terwijl de valschelijk opgemaakte geschriften zijn geteekend respectievelijk J. P. R. v. (i., en K. v. d. H., bloemist.

Aan dit middel ontbreekt de feitelijke grondslag daar in het bevestigde vonnis noch van eene bekentenis noch van verklaringen van personen tegen wie h.et misdrijf gepleegd! is wordt gesproken, maar het bewijs, uit. aanwijzingen geconstrueerd wordt. Overigens is er geene reden om aan te nemen da,t het misdrijf, gepleegd met de volgbriefjes, zóo als zij ondeuteekend zijn, niet tegen de in het middel genoemde personen zou kunnen zijn gepleegd.

Ik concludeer tolt verwerping van het beroep.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgesteld bij memorie :

I. Schending der artt. 1 en 216 al. 2 Strafvord. in verband met de artt. 1 en 225 Strafrecht, doordat het Hof, bevestigende het vonnis der Rechtbank, req. niet ontsloeg van rechtsvervolging, omdat in de oorspronkelijke dagvaarding niet was ten 'aste gelegd, dat de valschelijk opgemaakte geschriften waren, bestemd om te dienen tot bewijs van eenig feit voor de rechtsverhoudingen van belang ;

subsidiair II. Schending van de artt. 1 en 143 Strafvord., in verband met de art. 1, 326 en 225 al. 2 Strafrecht, doordat het Hof de oorspronkelijke dagvaarding niet nietig verklaarde, als hebbende toch evengoed, voor zooveel het dn de tweede plaats ten laste gelegde feit betreft, kunnen concludeeren, dat, de elementen voor oplichting aanwezig' waren als die welke uitmaken liet feit strafbaar gesteld bij art. 225 al. 2 Strafrecht ;

subsidiair III. Schending en verkeerde toepassing der artt. 1, 391 en 403 Strafvord;., doordat het Hof, bevestigende het vonnis der Rechtbank, o. a.. recht deed op de bekentenis van req., o. a. vergezeld van eene nauwkeurige opgave van omstandigheden bekend uit de verklaringen van J. P. R. G. en J. P. v. d. H., als getuigen gehoord als de personen tegen wie de feiten zijn gepleegd, terwijl de valschelijk opgemaakte geschriften zijn geteekend resp. a J. P. R. v. G., b K. v. d. H., bloemist:;

Overwegende dat req. heeft terechtgestaan ter zake, dat hij, te Amsterdam valschelijk heeft opgemaakt 1°. op of omstreeks 18 Juli 1902 een geschrift luidende: „Gelieve voor mij mede te geven een hark, een grasschaar en 2 snoeimessen „K. v. d. H., bloemist" en 2°. op of omstreeks 21 Juli 1902 een geschrift luidende: „Gelieve voor mij mede te geven een rozenschaar en 2 snoeimessen. J. P. R. v. G.", met het oogmerk om deze geschriften als echt, en onvervalscht te gebruiken, uit welk gebruik nadeel kon ontstaan, hebbendé hij dan ook opzettelijk gebruik gemaakt van die valsche geschriften als waren deze echt en onvervalscht, door het eerstgenoemde op 18 Juli 1902 te Amsterdam aan J. C. B. en het laatstgenoemde op 21 Juli 1902 te Amsterdam aan E. J. G. aan te bieden telkens om. daardoor afgifte te verkrijgen van de in gezegde geschriften vermelde goederen, uit welk gebruik nadeel kon ontstaan, zulks alles onder de nader omschreven verzwarende omstandigheid van herhaling van misdrijf;

O. ten aanzien van het eerste middel dat dit is onge grond;

dat toch blijkens den voormelden, inhoud der beide geschriften deze, zooals door de Rechtbank te recht werd aangenomen, strekten tot bewijs van opdracht tot het voor de respectieve onderteekenaars in ontvangst nemen der daarin vermelde goederen ; dat, waar de bestemming om tot bewijs van eenig feit te dienen noodwendig uit den inhoud der dagvaarding voortvloeit, de wet geenszins vordert de afzonderlijke vermelding

dezer omstandigheid, vereischt voor de strafbaarheid eener handeling als valschlieid;

O. ten aanzien van het tweede middel, dat ook dit niet tot cassatie kan leiden; dat toch, al ware requirants beweren juist, dat de onderhavige dagvaarding een feit ten laste legt waarin zoowel de elementen, van liet misdrijf van oplichting als die van het misdrijf bij art. 225 2de lid 'Strafrecht gesteld, begrepen zijn, dan nog daaruit alleen zou voortvloeien dat het feit onder meer dan ééne strafbepaling valt, doch geenszins d'at de omschrijving van het feit, niet: zou voldoen aan de vereaschten van art. 143 Strafvord. ;

O. ten aanzien va.n het derde middel, dat dit feitelijk is ongegrond daar de Rechtbank het bewijs der ten laste .gelegde feiten aanneemt op grond van de in onderling verband en samenhang beschouwde aanwijzingen, voortvloeiende uit de erkentenis van den beklaagde en de in liet vonnis opgenomen verklaringen der getuigen in verband met het oordeel der Rechtbank omtrent de meergemelde geschriften en hun inhoud;

dat, voor zoover req. mocht bedoelen te beweren, dar de Rechtbank uit de verklaringen der gehoorde getuigen geen aanwijzingen mocht putten, de vraag of eene ter kennis van den rechter .gebrachte daadzaak, gebeurtenis of omstandigheid eene aanwijzing oplevert in den zin van art. 406 Strafvord., staat ter beoordeeling van den rechter die over de feiten oordeelt en niet van den rechter in cassatie;

dat mitsdien ook dit middel niet kan leiden tob cassatie; Verwerpt het beroep.

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

REACTIE.

De lezers van het W. v. h. /?., die vroeger eenige aandacht mochten hebben geschonken aan de artikelen, door mij in dat blad gewijd aan de wet Hartogh, toen zij nog in den staat van ontwerp verkeerde, en meer bepaald aan de hoofdartikelen van W 6417 en H . 6636, zullen wel begrijpen, welke overwegende bezwaren er bij mij bestaan tegen het onlangs bij de 1 weede Kamer ingekomen voorstel van wet van den heer van Raalte c. s. ( W. 7903.)

Breede uiteenzetting dezer bezwaren is te minder noodig omdat ik mij geheel vereenig met het hoofdartikel van W. 7908, waarin dit voorstel reeds op afdoende gronden werd bestreden, evenals vroeger het adres der Rotterdamsche balie van gelijke strekking door mijn onmiddellijken opvolger als redacteur in het hoofdartikel van W. 7702.

^ at ik daaraan nog heb toe te voegen is weinig, maar wensen ik toch niet terug te houden. Het gezag van een zoo degelijk en praktisch zoo ervaren jurist als de heer van Kaalte en van zijne vijf geachte medestanders is van dien aard. rat mofo .

mug wuraen. wat daartegen eeniggewicht in de schaal kan leggen.

Het nieuwe wetsvoorstel reageert niet alleen tegen de procesnovelle van 1896, maar zelfs tegen het wetboek van 1838, dat de opdracht van getuigenverhooren aan een recliter-commissaris beperkte tot zaken van gewone behandeling en haar dus uitsloot bij de summiere proces-orde, die langzamerhand de gewone geworden was bij schier alle rechtbanken (lj. Nu zoude men allicht meenen uit het feit, dat de zoogenaamde gewone behandeling al meer en meer uitzondering, de summiere daarentegen regel was geworden, de gevolgtrekking te mogen opmaken, dat hetzelfde verschijnsel zich noodwendig moest voordoen bij de getuigenverhooren voor een rechter-oommissaris in tegenstelling van die voor de rechtbank, recht doende in burgerlijke zaken, in pleno. Bij deze schijnbaar on wederleg-bare gevolgtrekking werd echter alleen rekening gehouden met de wet, niet met eene ondanks het stellige voorschrift der wet hier en daar ingevoerde gewoonte om ook in zaken van summiere behandeling het getuigenverhoor aan een rechter-commissaris op te dragen (2). Deze met de wet strijdende gewoonte heerschte reeds vele jaren voor de invoering der wijzigingswet van 1896 te Rotterdam. Daar moesten dus de in de toelichting van het voorstel van Raalte o.s. breed uitgemeten praktische bezwaren om in den regel alle getuigenverhooren ter terechtzitting te houden zich vooral doon gevoelen, en het is dus wel verklaarbaar, dat het voorstel om het theoretisch door de heeren voorstellers als juist erkende beginsel eenvoudig n», hnnrd te wernen. ten «„Ho

verder geen last te hebben van de praktische bezwaren, waarop men bij de toepassing van dat beginsel in de thans geldende wet is gestuit, ook komt uit Rotterdam. Intusschen Rotterdam, hoe belangrijk ook om zijn handel en verkeer, is niet gansch Nederland, en het is dus, hoe men over de zaak zelve denken moge, eene leemte in de memorie van toelichting, dat men, daarin, waar blijkbaar het oog alleen gevestigd was op de praktijk bij de Rotterdamsche rechtbank, niets vindt omtrent de ervaring, gedurende de laatste zes jaren (3) bij de overige 22 rechtbanken opgedaan.

De kern van het voorstel is gelegen in art. 200 A: „Bij het vonnis, waarbij een getuigenverhoor wordt bevolen, kan op verzoek van een der partijen of ook ambtshalve worden bepaald, dat het verhoor zal plaats hebben voor een rechtercommissaris".

De bevoegdheid tot delegatie is hier niet van eeniee voor¬

waarde afhankelijk gesteld. Op verzoek van een der partijen of zelfs ambtshalve kan de rechtbank geheel ad libitum beve]eIJ' 'lat het getuigenverhoor, waarover drie rechters zullen hebben te oordeelen, zal plaats hebben voor één rechter die zelfs niet een van die drie behoeft te zijn (4). „De onafwijsbare consequentie van het ni e u w e art. 200A moest Z1Jt"'ooa ee,nvoudig een schrap werd gehaald door het geldende art. Mó, bepalende, dat inzoover mogelijk, het vonnis wordt gewezen alleen door de reohters, die tegenwoordig waren bij het verhoor. De heeren voorstellers dachten daarover echter anders. Zij laten art. 203 op het papier wat het is, alleen

M at? pnngi°? ™n .d(fe reserve: „behoudens het bepaalde... bij ai t. 200 A . Nu is het echter voor een ieder duidelijk, dat deze nieuwe reserve aan het geheele artikel allen gezonden

(1) Zie daarover het hoofdartikel van W. 6357: Statistiek over eene praktische vraag.

(2) Ygl. daarover het hoofdartikel van W 6417

v„n%|)eTuifl8qfi -iStbL 103> trad krachtens K. B.

m p , ; l6), m WMking den len Jan. 1897.

i( ^ mTi het Handelsblad van 15 Juni,

Avondblad, 3e Blad ala amendement op het voorstel, voor dat wanneer de omstandigheden, nu reeds in de wet genoemd, er zich met tegen verzetten, de rechter-commissaris, voor wien het vei oor plaats vond, ook tot het vonnis moet medewerken. We is daarin eenige verbetering gelegen, maar niet van dien aard om voor mij het voorstel aannemelijk te maken.

zin ontneemt. Immers art. 203 is niets anders dan de belichaming van het beginsel, dat in het nieuwe art. 200 A volkomen wordt prijsgegeven. Wat beteekent een waarbore-, dat imreval

een verhoor voor de rechtbank wordt gehouden, de kamer, die het vonnis wijst, moet zijn samengesteld uit dezelfde rechters, die bij het verhoor tegenwoordig waren, indien het deirechtbank volkomen vrijstaat het verhoor op te dragen aan één rechter, zoodat ten minste twee van de drie rechters, die medewerken tot het vonnis, de getuigen niet zagen en niet hoorden ?

Het behoud van art. 203 op het papier heeft slechts inzoover eenige waarde, dat nu niet alleen de memorie van toelichting, maar ook het wetsontwerp zelf getuigt voor de juistheid van het in dat artikel uitgedrukte beginsel, al blijft het dan ook bij dat getuigenis.

De praktische bezwaren tegen de consequente toepassing van het door de wet van 1896 niet eerst ingevoerde, maar als regel erkende beginsel, bezwaren, die vooral te Rotterdam zwaar sohijnen te wegen, zal ik niet ontkennen, maar opheffing dezer bezwaren is mogelijk zonder het beginsel zelf op te offeren. Dit is reeds aangetoond in het hoofdartikel van IV. 7908. Veel heb ik daarbij niet te voegen.

Bjj de regeling van het getuigenverhoor in de wet van 1896 heeft men, het ontwerp van 1865 slechts ten deele volgende, ook slechts half werk verricht. Het beginsel van dat ontwerp, dat behoudens de gevallen, waarin delegatie van het verhoor om bijzondere redenen toegelaten is (B. II T. II Afd. VII § 5), het verhoor steeds plaats heeft voor de rechters, die het vonnis wijzen, zoude in de lijst, waarin het in dat ontwerp was omvat, veeleer tot bespoediging dan tot vertraging van den afloop van het proces hebben geleid.

Vooreerst. „Het tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten". Zoo luidt het laatste lid van het eerste artikel over het getuigenverhoor, art. 26 B. II, T. II Ontwerp 1865. Nu vindt men gelijke bepaling ook wel in den aanhef van art. 104 van het geldende wetboek, maar het verhoor voor het tegenbewijs wordt daar gescheiden van het verhoor voor het bewijs, en bij de rechtbanken worden daarvoor dan ook steeds verschillende dagen aangewezen, wat aanleiding geeft tot veel vertraging, waardoor ook de opsporing der waarheid niet wordt bevorderd, gelijk reeds is aangetoond in het hoofdartikel van W. 7908. Geheel anders was het dan ook volgens het Ontwerp 1865. De partij, aan wie het bewijs van ter zake dienende en afdoende feiten bij interlocutoir was opgelegd, zoowel als hare wederpartij waren bevoegd om getuigen tegen denzelfden dag te doen oproepen. Er was maar één verhoor, onverminderd de bevoegdheid der wederpartij om, wanneer de verklaringen der tot het bewijs gehoorde getuigen daartoe bepaald aanleiding gaven, de voortzetting van het verhoor in eene nadere terechtzitting te vorderen ten einde nieuwe getuigen te doen hooren (5).

Ten andere, en dit is van nog veel meer belang. Art. 202 Rv. luidt thans: „Na afloop van het getuigenverhoor of indien het achterwege blijft, bepaalt de regter den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen". Nu wordt voorgesteld achter de woorden „bepaalt de regter" in te voegen de woorden : „en in het geval van art. 200 A de regtercommissaris". Overigens blijft het artikel onveranderd. Daarentegen bepaalt art. 56 T. II B. II Ontw. 1865: „Na den afloop van het getuigenverhoor worden partijen in dezelfde of in de volgende teregtzitting toegelaten tot de mondelinge toelichting van het gehouden verhoor, en tot het nemen van nadere conclusiën zoo daartoe gronden zijn".

Het behoeft geen breed betoog, dat dit voorschrift om meer dan één reden de voorkeur verdient boven de geldende rege-

img. mei «.neen worat aaaraoor ae vertraging in den loop der procedure door het incident van enquête, met besparingvan tijd en geld, tot het minimum gebracht; maar nog veel grooter is het voordeel, door de memorie van toelichting (6) geschetst in deze woorden: „mondelinge behandeling, niet weken en maanden nadat het verhoor heeft plaats gehad naar aanleiding van een stom verbaal, dikwijls voor een anderen regter dan die de getuigen heeft gehoord, maar onmiddellijk of zoo spoedig mogelijk na den afloop van het verhoor, onder den nog levendigen indruk van het gesproken woord". Zoo is het sedert de invoering van het Fransohe reeht in strafzaken, waarom zoude het nu, bijna een eeuw later, eindelijk niet eens zou moeten en kunnen worden in burgerlijke zaken f

Ware door den heer van Raalte c. s. opheffing der praktische bezwaren, welke de tegenwoordige regeling van het getuigenverhoor, die, ofsohoon een stap op den goeden we» slechts half werk is, in haar toepassing bij een of meer rechtbanken vond, geheel in de boven aangewezen richting van het Ontw. 1865 gezocht, volgaarne zoude ik mij met hun voorstel hebben vereenigd, ook dan wanneer de aanneming daarvan had moeten leiden tot uitbreiding van het personeel bij sommige rechtbanken, wat ik echter niet geloof. Nu daarentegen het voorstel niets anders is dan „een stap achterwaarts", die missohien zoo kwaad niet past in het stelsel van ' het verouderde wetboek van 1838, ofschoon het zelfs daartegen réageert, maar die volkomen in strijd is met de nieuwere in wetboeken van onzen tijd uitgedrukte denkbeelden op het gebied van het procesrecht, hoop ik van harte, dat de Tweede Kamer aan het voorstel haar goedkeuring zal onthouden.

Met eene nieuwe codificatie van ons burgerlijk procesrecht die ons voor goed zou verlossen van het wetboek van 1838' met zijne onmogelijke indeeling, heel zijn papieren winkel en al zijn formalisme mogen wij ons niet vleien, nu minder nog dan in 1865/67, toen het regeeringsontwerp van een nieuw in vijf boeken verdeeld Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij den Raad van State aanhangig werd gemaakt maar dat is nog geen reden om bij de partieele wijziging van een belangrijk onderdeel van ons burgerlijk proces „een stap achterwaarts" in plaats van een stap voorwaarts te doen in de goede riohting.

A. A. d. P.

HOOGK RAAD. — BULLETIN.

(Strafkamer).

Voorzitter, Mr. J. J. van Mekrbkkï.

Zitting van Maandag, 22 Juni.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. J. M. P., tegen een vonnis van, de Rechtbank te 's Gravenhage.

(5) Artt. 26, 31, 32 in verband met] art. 51 B. II] T. II Ontw. 1865. Vgl. de toelichting van art. 26 (Uitg. Belinfante bl. 149). '

(6) Uitgave Belinfante, bl. 148,

Sluiten