Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En alsnu op nieuw recht doende:

1°. op de vordering in conventie:

Wijst, die toe tot. het bedrug waartoe de app., eischer in conventie, haar heeft verminderd;

Veroordeelt de geint., oorspronkelijk gedaagde in conventie, te betalen aan den app., oorspronkelijk eischer in conventie, de som van f667.70 verschuldigd ter zake voorschreven met de rente ad 6 pCt. 's jaars van den dag der dagvaarding af tot aan de voldoening;

Verklaart dit arrest uitvoerbaar bij lijfsdwang op de individueele leden van de handelsvennootschap onder de firma Ruys en Oo., en bij voorraad zonder borgtocht;

2°. op de vordering in reconventie :

Ontzegt die;

Veroordeelt de geint., oorspronkelijk gedaagde in conventie, eischeres in reconventie, in alle kosten van het geding tot hiertoe aan zijde van app., oorspronkelijk eischer in conventie, verweerder in reconventie, tot aan de uitspraak, met. inbegrip der verschotten, begroot in eersten aanleg op f 176.57 en in hooger beroep op f 198.05.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMKNTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Derde Kamer.

Zitting van den 12 December 1902.

Voorzitter, Mr. J. J. Ermerins.

Rechters, Mrs.: T. Henny en A. F en ten er van Vlissingen.

Artt. 57 en 58 W. v. K. — Syndicaat. — Handeling voor

gemeene rekening. — aansprakelijkheid der leiders

van het syndicaat tegenover derden. — handels-

schuld. — Lijfsdwang.

De vorming vctn een syndicaat, als zijnde eene associatie tot het aangaan van een of meer bijzondere of bepaalde handelsondernemingen, maakt uit een handeling voor gemeene rekening, als bedoeld bij de artt. B7 en 58 W. v. K.

Dergelijke handelingen voor gemeene rekening kunnen worden verricht onder een gemeenschappelijken naam; derden hebben alleen eene rechtsvordering tegen diegenen, met wie zij hebben gehandeld.

Ook waar de deelgenooten gezamenlijk zijn opgetreden vloeit daaruit voor hen, zonder uitdrukkelijk beding, geen hoofdelijke aansprakelijkheid voort.

Gebrs. Wiegman, gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam, eischers, procureur Mr. Attg. Philips Jr.,

tegen

F. van Giessen, wonende te 's Gravenhage; J. J. Blussé, wonende to Amsiteidani; Gl. H. H. van Tijen, wonende te Utrecht en kantoor houdende te Amsterdam, gedaagden, procureur Mr. D. E. Lioni.

De Rechtbank;

Gezien de stukken;

Gehoord den procureur der eischers in zijne mondelinge toelichting ;

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat eischers hebben gesteld dat de drie gedaagden te samen voor en ten behoeve van een naar hunne opgaven bestaand syndicaat, door hen genaamd heb „Mercure Syndicaat" (Croatische mijnen) waarvan zij zelve, volgens hunne opgaven, deelhebbers en de leiders zouden zijn, op den óden Maarb 1900 van eischers hebben ontvangen als voorschot eene som van f 20000;

dat tusschen eischers en gedaagden is overeengekomen, dat dit voorschot zou worden gerestitueerd na verloop van drie maanden, met nader te bepalen rente en provisie en bovendien met eene som van f 5000 en dat alzoo gemeld voorschot door de gedaagden zou gerestitueerd worden met f 25000, met rente en provisie; "

dat de termijn van restitutie en betaling van genoemd bedrag nader is bepaald op den 5den Juli 1900;

dat de drie gedaagden en wel elk hunner hoofdelijk en voor heb geheel, zich tegenover de eischers als borgen hebben verbonden om hetgeen de eischers uit welken hoofde of oorzaak ook te eeniger tijd mochten te vorderen hebben van heb Mercure Syndicaat (Groabische Mijnen) tot een beloop van f 25000 met rente en kosten op de eerste aanmaning te voldoen, als zullende het verschuldigde terstond op hen kunnen worden verhaald, zonder dat, eene voorafgaande ingebrekestelling van wien ook zal behoeven te geschieden, terwijl het bedrag der vordering van de eischers ook begenover dé gedaagden volledig zal bewezen warden doior een extract uib de boeken der eischers, door hen conform die boeken geteekend;

dat voormeld verschuldigd bedrag niettegenstaande alle minnelijke aanmaningen en niettegenstaande sommatie bij; deurwaardersexploiben van 1, 13 en 14 Febr. 1901, nieb is1 voldaan;

Op welke gronden eischers hebben geconcludteerdi bob veroordeeling van de gedaagden bij vonnis uitvoerbaar bij; voorraad zonder borgstelling en wat den gedaagd© G. W. H. van Tijen betreft bij lijfsdwang en wel elk hunner hoofdelijk en voor het geheel, echter zoo dat doioir de betaling van een, de anderen zullen zijn bevrijd, om aan de eischers te betalen de som van f 25000 met de rente daarvan ad 5 pCt. per jaar, van af den oag der dagvaarding tot de voldoening en zulks tegen kwijting en teruggaaf der aan de eischers in onderpand gegeven drie aandeelen, elk ad f1000, nominaal, in de Nederlandsche Croabische Mijnbouwmaatsehappii, gevestigd' te Amsterdam ©n in de kosten der procedure;

?' ^ ^ gedaagden hebben geantwoord:

dat inderdaad is gevormd en dus bestaat een syndicaat onder den naam van het. Mereuur-8vndicaat, ten doel zich stellende het verkrijgen en weder van de hand doen eener kwikzilvermijn in Croatie;

dat dei heer P. P. Wiegman in dit syndicaat heeft deelgenomen voor f 20000 op de voor alle deelnemers geldende voorwaarden, te Weten:

restitutie van het bedrag zijner pa-rtic:patie, vermeerderd met 25 pCt. premie plus rente en provisie;

dat de gedaagden erkennen voor deze restitutie borg te zijn gebleven ;

dat hetgeen meer of anders bij dagvaarding is gesteld, wordt ontkend ;

dat de gedaagden als borgen tot betaling worden aangesproken ;

dat voor het rechtsgeldig bestaaal van een borgtocht wordt vereisebt een hoofdverbintenis en een principale debiteur;

dat een en ander vereischte in casu ontbreekt, omdat een syndicaat, als zoodanig en zander meer (met name het Mercuur Syndicaat) geen rechtspersoon is;

dat de gedaagden subsidiair vorderen, dat de eischers alvorens hun beweerde schuldvordering verdeelen, en deze verminderen zullen tob het aandeel van elk hunner;

dab in geen geval eenige verooideeling, uitvoerbaar bij lijfsdwang, kan w orden uitgesproken ;

da.t de bij dagvaarding, genoemde aandeelen elk f 10000 (niet f 1000) groot zijn;

Concludeerende gedaagden tot afwijzing der vordering cum expensis;

O. dat eischers bij repliek nog hebben aangevoerd dat zij geenszins betwisten het door de gedaagden gestelde iedt:

„dat zij, gedaagden, hebben gevormd een syndicaat onder den naam van Mercuur Syndicaat";

dat. het onwaar is dat de eischers hebben deelgenomen in dat syndicaat op de door gedaagden bij' antwoord genoemde voorwaarden ;

dat. eischers, ten bewijze van de juistheid der door hen gestelde feiten, een zevental schrifturen in het geding brengen;

dat, waar personen een syndicaat vormen, die personen gelden ontvangen als voorschob aan dab syndicaat en daarvoor persoonlijk beekenen, reeds uit die feiten volgt, dab zij gehouden zijn dat voorschot en de daarbij; bedongen premie te restitueeren en het feit, dab zij zich verbonden hoofdelijk en elk | voor het geheel om liet door dat syndicaat verschuldigde terug te betalen, het bestaan dier verbintenis bewijst en tevens aantoont, dat zij is eene hoofdelijke verbintenis van de debiteuren;

dat de gedaagden erkennen dat bedongen was een premie van 25 pCt., makende over f20000 de som van f5000 en ook dit premiebeding door de overgelegde stukken wordt bewezen;

dat het hier betreft een handelsschuld en de gedaagden optraden als bankiers, en de gedaagd© van Tijen, bovendien gedurende 1900 was en nog is handelaar of commissionair in fondsen;

per&isteerende eischers bij hunne in prima genomen conclusiën;

O. dat de gedaagden onder persistit bij hunne bij antwoord genomen conclusiën, voor dupliek nog aanvoeren:

dat de juridische opvattingen der eischers omtrent een syndicaat en hen die daaraan deelnemen, niet worden aanvaard;

dat de producties der eischers bewijs opleveren voor de stellingen der gedaagden;

O. dat de procureur van de eischers bij pleidooi nog akte heeft gevraagd dat hij zijne conclusie in dier voege wenscht te wijzigen, dat, in plaats van drie aandeelen elk ad f 1000, worde gelezen „drie aandeelen elk ad f 10000";

O. ten aanzien van het recht:

dat uit de door eischers overgelegd© stukken, welke allen door gedaagden erkend zijn, blijkt:

1°. dat in het eind van Februari of het begin van Maart 1900 d«ï gedaagden als leiders van een syndicaat onderhandelingen voerden met eischers ter verkrijging van Imantieele hulp;

2°. dat gedaagde van Tijen bij schrijven van 3 Maarb 1903 den inhoud van een deswege gesloten overeenkomst resumeerende, aan eischers bevestigt dat deze deelnemen in het Mercuur Syndicaat, voor een maximum bedrag van f20000 onder nader opgegeven voorwaarden;

3°. dat eischers bij: schrijven van 5 Maart 1900, uitdrukkelijk verklaren met den inhoud van het hiervoren vermeld schrijven niet accaord te gaan en daar tegenover hunne opvatting van de gesloten overeenkomst weergeven in deze woorden,:

„U wordt als leiders van liet voornoemd (Mercuur) Syndicaat een cr©diet bij ons geopend voor den tijd van drie maanden tegen nader overeen te komen provisie- en interest.

„Als waarborg geeft u daarvoor in onze handen drie aandeelen ieder groot f 10000 in de Nederlandsche Croatische Mijnbouwmaatschappij, terwijl U en de heeren J. J. Blussé en F. van Giessen zoo gezamenlijk als ieder voor zich voor de richtige terugbetaling der opgenomen som plus interest en een provisie en een bonus van f 5000 borg blijven";

4°. dat de gedaagde van Tijen bij missive van denzelfden datum daarop antwoordt:

„In bezit Uwer geëerde van heden ga ik met uw schrijven accoord";

5°. dat de beide quitanties weteekend zijn door alle drie de gedaagden en elk inhouden erkenning van ontvangst van f 10000 „als betaling op hun" (der eischers) „voorschot aan het Mercuur Syndicaat,";

dat tut den gezamenlijken inhoud dier stukken ten duidelijkst© blijkt., dat het verweer van gedaagden, ais zouden eischers hebben deelgenomen aan het syndicaat en diis niet gerechtigd zijn om rauwelings het, door hen gefourneerde geld op te vorderen, afe in strijd met de feiten, moet worden verworpen;

dat integendeel door eischers, tegenover de door gedaagden gedane ontkenbenis, door de hierboven aangehaalde correspontie zelfstandig bewijs is geleverd van hunne posita, voor zooverre die in de eerste twee „aangeziens" hunner conclusie van eisch zijn opgenomen ; .

dat nu de vorming van een syndicaat, als: zijnd© ©en© associatie tot het aangaan van een of meer bizondere of bepaalde handelsondernemingen, uitmaakt eene handeling, voor gemeene rekening als bedoeld bij de artt. 57 en 58 W. v. K. ;

dat dergelijke handelingen voor gemeene rekening kunnen worden verricht onder een gemeenschappelijken naam,, gelijk daartoe in casu is gebruikt de naamj ,,Mercuur Syndicaat", doch desniettemin blijkens de uitdrukkelijke bepaling van art. 58, derden alleen een rechtsvordering hebben tegen diegene der deelgenooten, met, wie zij gehandeld hebben;

dat, zoo die deelgenooten al gezamenlijk zijn opgetreden, gelijk hier het geval is geweest, dit voor ieder hunner nog niet schept, een solidaire verbintenis voor het, geheel der aangegane verplichtingen, daar immers de wet, hieromtrent niets bepaalt, en geene verbintenis wordt verondersteld hoofdelijk te zijn;

dat alzoo zonder uitdrukkelijk beding dienaangaande terecht door de gedaagden zoude kunnen worden, volgehouden, dat van ieder hunner slechts het, één derde van het thans geëischte bedrag kan worden gevorderd';

dat echter de door de gedaagden nader aangegane overeenkomsten, zoowel in de stukken als aan het hoofd; der overgelegde akten, verkeerdelijk borgstelling genaamd, in die verhouding ëen verandering hebben gebracht, daar elk der gedaagden zich daarin hoofdelijk en voor het geheel verbond voor de richtige nakoming van de verplichtingen, daar het Mercuur Syndicaat, d. w. z. door dien gedaagde gezamenlijk met zijn beide medehandëlende medeveimooten aangegaan;

dat gezegde akten, immers inhouden de uitdrukkelijke wilsverklaring van de gedaagden om hoofdelijk verbonden te zijn voor wat anders slechts van ieder hunner pro, rata parte, kon worden gevorderd, en daarmede aan de voorwaarde van art. 1318 B. W. is voldaan;

O. dat, de, gedaagde van Tijen is gedagvaard als en niet heeft ontkend te zijn. commissionair d. w. z. koopman;

dat — waar een koopman deelneemt aan handelingen voor gemeene rekening', waarvan de wet zelve zegt, dat zij betrekking heben op handelsondernemingen, en die dan ook in het Wetboek van Koophandel zijn geregeld — de daaruit voor hem voortspruitende schulden moeten worden beschouwd als handelsschulden ;

dat alzoo ten aanzien van den gedaagde van Tijen termen aanwezig zijn het in deze te wijzen vonnis uitvoerbaar ook bij lijfsdwang te verklaren;

Recht doende:

Veroordeelt de gedaagden, en wel elk hunner hoofdelijk en voor het geheel, echter zoo, dat door de betaling van één de anderen zullen zijn bevrijd, om aan de eischers te betalen, tegen kwijting en teruggaaf der aan de eischers in onderpand gegeven drie aandeelen, elk a.d f 10000, nominaal iin de Nederlandsch Croatósohe Mijnbouw Maatschappij, de som van f 25000, met de rente daarvan ad 5 pCt. 's jaars van af den dag der dagvaarding (31 Oct. 1901 wat betreft den eersten gedaagde, 28 Oct. 1901, voor den tweeden en derden gedaagde) tot den dag der voldoening;

Verklaart tot zooverre dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zonder borgtocht en wati den derden gedaagde betreft, biji lijfsdwang;

Veroordeelt de gedaagden in de kasten van dit, geding, aan de zijde van eischers tot aan deze uitspraak b©grooti op f 200.

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

EEN STAP VOORWAARTS.

Mijnheer de Redatcteur!

Met bijzonder genoegen las ik uw hoofdartikel in W. 7908, terecht door u betiteld met „een stap achterwaarts". Met u hoop ik dat het beginsel „de rechter oordeele slechts op getuigenissen, voor hem zelf afgelegd" zal gehandhaafd worden. En maken de omstandigheden 't noodig het getuigenverhoor op te dragen aan een enkelen rechter, welnu dan aanvaarde men de consequentie en ga een stap verder en drage ook de beslissing, die er op volgen moet, op aan dienzelfden rechter. Hen die tegenstanders zijn van den unicus judex zij opgemerkt dat zoodra een getuigenverhoor bevolen wordt de rechtskwesties gewoonlijk reeds beslist zijn door het interlocutoir; dat dit het geschil beperkt tot een enkele feitelijke vraag en dat er voor een juiste beslissing van die vraag meer waarborg te vinden is in den eenen rechter die het getuigenverhoor leidt dan in drie die het niet hebben bijgewoond.

Dit uiteen te zetten was echter niet hoofddoel van dit stukje. Doch ik wilde, in aansluiting aan het laatste gedeelte van uw artikel, de aandacht nog eens vestigen op de noodzakelijkheid van een eenvoudiger proces-orde voor de eenvoudige zaken.

In een rapport, het vorig jaar geschreven voor het middenstands-congres, heb ik o. a. gewezen op de wenschelijkheid om enquête en contra-enquête op denzelfden dag te houden en dan tevens de gelegenheid te geven voor de pleidooien; en het verheugt mij dat gij, M. d. R., die meening thans met uw gezag komt steunen. Doch ook dit onderdeel is er slechts een der vele die vereenvoudiging kunnen en moeten ondergaan. Ons proces-recht lijdt aan een omslag die slechts voor weinige processen reden van bestaan heeft. De gewone, meest voorkomende zaken konden langs veel eenvoudiger weg een snelle en toch even deugdelijke beslissing vinden. Doch dit doel wordt niet bereikt door hier of daar een kleine vereenvoudiging aan te brengen, hoewel ze dankbaar kan worden aanvaard op afbetaling. Daarvoor is 't noodig ons procesrecht aan een verjongingskuur te onderwerpen, is noodig een hervorming die ons een eenvoudige prooes-orde brengt voor de gewone, meest voorkomende zaken.

In mijn bovenbedoeld rapport heb ik getracht de hoofdgegebreken van ons geldend stelsel uiteen te zetten voor leeken en den weg aan te geven waarlangs de gewenschte verbetering kan worden bereikt. Dat rapport heeft een onderwerp van discussie uitgemaakt op het middenstands-congres, onder kooplieden, en de wensoh naar snel recht is door hen duidelijk genoeg uitgesproken. Het komt mij echter zoo wenschelijk voor dat, de mannen van het vak, de juristen zich eens ernstig gaan zetten voor de taak, de inderdaad moeilijke taak, een eenvoudiger procesgang te vinden die ons wat nader brengt tot het al te ver verwijderd ideaal „snel recht". Wilt gij mij toestaan, M. d. R., daarover het debat te openen in dit blad door het stelsel dat ik aanbeval dezer dagen eens kortelijk voor uwe lezers te ontwikkelen?

Wellicht kunnen wij den stap achterwaarts verhoeden en een flinken stap voorwaarts helpen voorbereiden.

Amsterdam, 17 Juni 1903. Z. van den Bergh.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. Besluit, van 20 Juni 1903, n°. 54, is:

1°. aan de na te noemen leden van colleges van regenten over dé na. te melden gevangenissen op hun daartoe aan Ons gedaan verzoek, een eervol ontslag verleend uit die betrekking, onder dankbetuiging voor de daarin bewezen diensten, als aan :

Mr. H. J. H. Modderman, lid van heb college van regenten over de gevangenissen te Alkmaar ;

Mr. T. 8. Tromp, lid van het college van regenten, over de gevangenissen te Zutphen;

F. A. van Braam Houckgeest, lid en voorzitter van het college van regenten over het huis van bewaring, voorloopig tevens hulpstrafgevangenis te Dordrecht;

A. H. W. van. der Vegt, lid van heb college van regenten over het huis van bewaring te Zienkzee;

2°. benoemd;:

a tot lid van het college van regenten over:

de gevangenissen t© Alkmaar, Mr. J. J. Carsten, officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank aldaar;

II. de gevangenissen te Zutphen, Mr. E. van Rijiokevorsel, substituut-officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank, aldaar, en Mr. H. Ch. Pennink, voorzitter van den raad van beroep, en recht er-plaatsvervanger in de Arrond'.-Rechtbank aldaar;

III. het huis van bewaring, voorloopig tevens hulpstirafg©vangenis te Dordrecht, J. 1>. A. Wijers, koopman, wonende aldaar;

IV. het huis van bewaring te Zierikzee, Mr. J. E. J. M. van

Sluiten