Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7938.

op verzuim van inachtneming van dat voorschrift geen ongeldigheid der stemming is bedreigd, in ieder geval de bij de artt. 36 sqq. der statuten vastgestelde, in vergaderingen na te komen formaliteiten, moeten geacht worden alléén voor de in die artikelen genoemde vergaderingen geschreven te zijn en niet te gelden voor de zoo hoogst exceptioneele — gelijk hierboven reeds werd opgemerkt, met de in art. 10 al. 2 der wet bedoelde, geheel op één lijn te stellen — bijeenkomst, die 't hier betrof;

dat op deze zeer bijzondere vergadering waar, oók naar s Hofs meening, de tegenwoordigheid van het aangevallen bestuur zelfs niet wordt vereischt, ongetwijfeld geenszins in strijd, maar veeleer in overeenstemming met den geest der statuten werd gehandeld, toen er s c h r i f t e 1 ij k d. w. z. op een wijze die voor een vrije en zuivere stemming immers de meeste waarborgen opleverde, werd gestemd;

O. wat eindelijk het bezwaar sub 2°. aangaat, dat dit voor ongegrond moet worden gehouden, wijl het Hof, om de redenen hiervoren reeds uiteengezet, óók dit statutaire voorschrift, waarop buitendien al evenmin nietigheid bedreigd is, niet op het onderwerpelijk uitzonderingsgeval van toepassing acht;

dat overigens de benoeming van een nieuw bestuur in diezelfde bijeenkomst almede geheel was in den geest der statuten, die blijkbaar verlangen, dat in tusschentijdsche vacatures ten spoedigste zal worden voorzien, terwijl tegen zulk een onverwijlde voorziening als hier noodig was te minder bezwaar kon bestaan, nu, gelijk tusschen partijen is buiten geschil, de aan de leden voor de vergadering van 27 Mei tijdig uitgereikte oproepingsbrieven, als punt van behandeling mede inhielden het van de oppositie uitgegaan voorstel om het bestaande bestuur af te zetten en een nieuw te benoemen, en derhalve alle verrassing uitgesloten en behoorlijke voorbereiding tot het doen eener keuze mogelijk geweest was;

O. dat uit een en ander volgt, dat ook de tweede grief is ongegrond;

Ad III: O. dat die grief den Hove gegrond is voorgekomen;

O. dat art. 32 der statuten luidt: ,,het bestuur oefent toezicht uit over alles wat de exploitatie der fabrieken betreft en vertegenwoordigt de vereeniging zoo in als buiten rechten. Tot het voeren van rechtsgedingen is machtiging der algemeene vergadering noodig";

O. dat de geintimeerden wel zochten te betoogen, dat de laatste zinsnede van dit artikel ongeldig zou zijn, als in strijd met het derde lid van art. 9 der wet, maar dat volgens ?s Hofs gevoelen die strijd niet bestaat en eerstgenoemde bepaling aan de laatstgenoemde in 't minst niet te kort doet;

dat immers in beide voorschriften gansch verschillende zaken behandeld worden, daar in de wet uitsluitend bepaald wordt w i e de vereeniging, treedt zij in rechten op, vertegenwoordigt, terwijl in de statuten wordt vastgesteld wanneer de vertegenwoordiger in rechten zal mogen optreden;

dat het laatste met het eerste niets heeft uit te staan en die statutaire bepaling ten doel heeft, niet om de vertegenwoordiging van het lichaam in rechten aan iemand anders dan aan hel bestuur op te dragen, maar bloot om de bevoegdheid van het bestuur tot het voeren van rechtsgedingen, is art. 9 der wet in het midden gelaten en die anders o n beperkt zou zijn, te regelen en te beperken, hetgeen bij art. 1692 B. W. — blijkens art. jl der wet ten deze toepasselijk — bepaaldelijk wordt toegelaten;

O. dat uit dit een en ander voortvloeit, dat het tegenwoordig bestuur — de geintimeerden — hetwelk, zooals tusschen partijen is buiten geschil en mitsdien ten processe vaststaat, hier in rechten is opgetreden zonder daartoe door de algemeene vergadering gemachtigd te zijn, o n bevoegdelijk optrad en daarom niet-ontvankelijk verklaard had behooren te worden in de ingestelde vordering;

O. dat een later, na het uitbrengen der dagvaarding, verkregen machtiging het begaan verzuim niet meer kon goedmaken en de onbevoegdheid dekken, vermits het in ons procesrecht een vaste rechtsregel is, dat de ontvankelijkheid eener actie moet worden beoordeeld naar den stand der zaken op het tijdstip van de dagvaarding;

O. ten slotte, dat, bij deze beschouwing van de zaak, buiten bespreking kan blijven hetgeen, naar aanleiding van de daaromtrent in 't vonnis voorkomende overwegingen, tusschen partijen nog is gedebatteerd met betrekking tot de vraag, of de oorspronkelijk gedaagden, nu appellanten, er wel belang bij hadden om zich op het ontbreken eener machtiging te beroepen, aangezien, althans naar het inzicht van 't Hof, in het voorliggend geval een onderzoek dienaangaande niet wordt vereischt, en, in. elk geval, van een zoodanig belang ook genoegzaam is gebleken;

O. dat het Hof op de voorafgaande gronden oordeelt, dat de appellanten met het aangevallen vonnis zijn bezwaard, dit dient te worden vernietigd, en de vordering alsnog niet.ontvankelijk verklaard moet worden;

Getzien art. 56 B. R.;

Recht doende in hooger beroep:

Verleent acte waarvan acte is gevraagd ;

Vernietigt het in den hoofde dezes vermelde vonnis waarvan appèl;

En opnieuw recht doende:

Verklaart de oorspronkelijke eischers, nu geintimeerden, niet ontvankelijk in de, bij de inleidende dagvaarding, door hen tegen de thans appellanten, oorspronkelijk gedaagden, ingestelde vordering;

Veroordeelt hen in de kosten van beide instantiën, aan zijde der appellanten, met inbegrip der verschotten, en tot deze uitspraak, begroot op f 168.00^ in eersten aanleg, en op f 198.50 in hooger beroep.

ACADEMISCHE LITERATUUR.

De leer der nulliteiten in het burgerlijk recht door J. A. van Hamel, YIII en 164 blz. 8vo. — Amsterdam, J. H. de Bussy, 1902.

, "Wat ik niet mooi -vind in deze mooie dissertatie, is de titel. In ue taal van het dagelijksch leven is .nulliteit" eene niet ongewone aanduiding van een heel onbeduidend persoon. Voor handelingen vindt men het woord niet gebezigd in onze wetboeken, en is het evenmin een algemeen gebruikelijke term m onze rechtstaal, die, anders niet afkeerig van vreemde uitdrukkingen, zich gemeenlijk bedient van het woord „nietigheid". De redenen, waarom de schrijver, blijkens de uiteenzetting op blz. 27, dit goed Hollandsche woord van den titel van zijn boek heeft gebannen, al komt het bijna op elke bladzijde daarvan voor, acht ik niet afdoende.

Dit over den titel, ik kom nu tot den rijken inhoud van dit proefschrift.

In een eerste uitgebreid „Inleidend Hoofdstuk" (bl. 1—34), bespreekt de schrijver: I. Beteekenis en omvang der nulliteitenleer, II. Het begrip nulliteitenrecht. Hij beperkt zijne stof tot „het begrip nietigheid" bij „private rechtshandelingen" in materieelen zin. Daarbuiten valt de nietigheid in formeelen zin (proceshandelingen, vonnissen, bewijsmiddelen), a fortiori die van „legislatieve handelingen". Het terrein is ook binnen deze begrenzing uitgebreid genoeg. (1) De heer v. H. betreedt het met groote strijdvaardigheid, waar hij al dadelijk zijn aanval richt tegen „de traditioneele leer" met hare onderscheiding tusschen nietige en vernietigbare handelingen, de eerste, die van den aanvang af een rechtsgeldig bestaan missen, de laatste, die, op de vordering van daarbij belanghebbenden, door den rechter moeten worden vernietigd. Die onderscheiding, gehuldigd door nagenoeg alle ÏTederlandsche schrij vers (2) op het voetspoor van de groote meerderheid der commentatoren van den Code Civil, zoude volgens den heer v.H. (bl.15) „'t eerst gemaakt zijn door Savigny, door Zachariae gevolgd", en (bl. 13) „eenigzins in Frankrijk „geïmporteerd door den Heidelberger professor, wiens leerboek „over den Code in Frankrijk gebracht is door de bewerking „van dAübry et Rau (1837) en de vertaling Massé et Yergé (1860)." Dit laatste begrijp ik niet al te best. Deel IY van Savigny's „System", waarin de §§ 202 en 203 over de „Ungültigkeit der juristisohen Thatsachen" voorkomen, versoheen in 1841, terwijl de eerste druk van Zachariae's „Handbuch" — hier komen in aanmerking Dl. I, § 37 en Dl. II, § 332 vgg.

— reeds in 1808 het licht zag. (3) Hoe kan men dan zeggen, dat v. Savigny door Zachariae is gevolgd?

Dit in het voorbijgaan. Het is betrekkelijk van minder belang, wie de onderscheiding tusschen nietige en vernietigbare handelingen, welke laatste eerst door eene rechterlijke beslissing de daarbij beoogde rechtsgevolgen derven, 't eerst gemaakt heeft. De groote vraag is, of deze onderscheiding juist mag heeten. Dit nu, het werd reeds opgemerkt, wordt door den heer v. H. ontkend. Eerst wordt zij nog eenmaal gekarakteriseerd in deze woorden (bl. 3): „ook aan de vernietigbare handeling kleeft een gebrek, doch in tegenstelling „met de nietige, bestaat zij aanvankelijk juist wel voor het „recht en heeft wel degelijk gevolgen, doch zij kan nietig „verklaard worden op verzoek van iemand, in wiens belang „de wet dit toestaat; en dan zal de werking, die zij reeds „had, zooveel mogelijk weer worden opgeheven". In tegenstelling van die vernietigbare handelingen noemt men dan nietig, die waaraan een essentieel bestanddeel der voorgenomen handeling geheel ontbreekt, b.v. een koop, waarbij de werkelijke wil om te koopen ontbreekt, of „een informeele schenking". Men zegt dan eenvoudig: „er is geen koop, er is geen schenking". Dat acht onze schrijver bepaald onjuist. „Het „maakt werkelijk een zonderlingen indruk" — aldus op bl. 7

— „wanneer men ziet, dat toch, tengevolge van die handelingen, de meest tastbare veranderingen in de private rijkdommen zijn gebeurd, die allen weer liun invloed gehad „hebben, — en een geleerd schrijver volstaat met het geval te „verklaren: „„es existirt überhaupt nicht"". In het Hollandsch heet dit (bl. 5) : „de nietige handeling bestaat juridisch niet". In tegenstelling daarvan, bestaat de vernietigbare 'handeling dan juridisch wèl en blijft zij haar rechtsleven voortzetten, haar eigen rechtsgevolgen hebben, totdat zij door een rechterlijk vonnis uit de wereld zijn geholpen, of, gelijk in ons B. W. (art. 1417 in verband met de artt. 1482 vgg.) voor verbintenissen met zooveel woorden wordt gezegd, zijn vernietigd of te niet gedaan. Deze tegenstelling nu wil er bij onzen schrijver niet in. „Een nietige rechtshandeling" — men noeme haar in de „traditioneele leer" nietig of vernietigbaar

— „is eenvoudig een onregelmatige handeling". Aan deze stelling, het eerst geformuleerd op bl. 19, hecht de schrijver zeer veel. Hij komt er telkens en telkens weer op terug. Zie o. m. bl. 32: „in het nulliteitenrecht worden om te beginnen „de onregelmatigheden aangewezen die in aanmerking komen, „en wordt dan verder uitgedrukt welke maatregelen het positieve recht voorschrijft tengevolge dier onregelmatigheden"; bl. 33: „als beginsel blijft dus staan, dat, wanneer het positieve privaatrecht eene handeling nietig verklaart, dit niet „den zin kan hebben van een veJklaring van niet bestaan, „doch slechts van een verklaring van gebrek kig„h e i d, tengevolge waarvan liet dan bij rechterlijk vonnis te „nemen maatregelen toelaat tegen de gevolgen van de han„deling"; bl. 119: „men vergeet te veel, dat nietigheid eener „handeling beduidt, dat zij is behept met onregelmatigheden „door het positieve recht". De schrijver zegt dan ook terecht aan het slot van zijn inleidend Hoofdst., dat met de conclusie waartoe dit leidt „dat een positiefrechtelijke nulliteitsbepaling „een onregelmatigheid in de handeling aangeeft, ten gevolge, „waarvan ingrijpen door de rechtsmacht mogelijk is, als roode „koord door dit proefschrift (loopt) eene bestrijding van de „leer der non-existentie met al hare consequenties".

Bij dit slot van Hoofdst. I sluiten zich aan de aanvangswoorden van Hoofdst. II (bl. 35—67) „Het nulliteitenrecht „omvat dus niets dan maatregelen door de rechtsmacht getroffen on er is nooit nietigheid zonder rech„terlijk vonni s". (4) Het opschrift van dit Hoofdst. luidt: „Beginselmatige uiteenzetting der wijze van ingrjjpen „door de rechtsmacht in de burgerlijke nulliteitsgevallen". Afd. I geeft een overzicht en kritiek der traditioneele opvattingen tusschen nietigheid en vernietigbaarheid, Afd. II eene zeer belangwekkende historische verklaring van het beweerde verschil der rechterlijke werkzaamheid in beide gevallen, terwijl Afd. III het betoog traoht te leveren van „de eenheid der begrippen „„nietigheid"" en „„vernietigbaarheid"", ook naar Nederlandsch recht".

Hoofdst. III (bl. 68—94) bevat onder het algemeene opschrift „De aanleiding tot het ingrijpen door de rechtsmacht.

• Op formeel verzoek of reeds ambtshalve" drie afdeelingen: I Beginselmatige en kritische beschouwing van het onderscheid tusschen absolute en relatieve nietigheid, II Ontwikkeling in de wetenschap van de leer der relatieve nulliteit, III Absolute en relatieve nulliteit, in den Code en in het Burgerljjk Wetboek. Het geheele Hoofdstuk is dus gewijd aan de ingrijpende onderscheiding tusschen absolute en relatieve

O). Ik bepaalde mij dan ook tot een onderdeel der door den schrijver behandelde stof in mijn academisch proefschrift ad locum C. C. Neerl. de obligationum nullitate earumque rescissione, verdedigd te Leiden en uitgegeven te 's-Gravenhage in 1852, besproken door Mr. J. Kappeijne van de Coppello in Themis, XI (1852), bl. 449—460.

(2) Ook door Kappeijne, Themis, t. a. p.

(3) Voor mij ligt de vijfde door Dr. A. Anschütz bewerkte uitgaaf (Heidelberg, 1853).

(4) Ik spatieer.

nietigheid. De laatste neemt de schrijver niet alleen aan in de gevallen, waarin de wet de vraag uitmaakt door bepaalde personen aan te wijzen, die de nietigheid kunnen inroepen, maar, als ik hem wel vat, is het volgens hem den reohter overgelaten om, bij gebreke van zoodanige aanwijzing, uit het motiet der nietigheid, waar zij „klaarblijkelijk in een particulier belang is voorgeschreven" (bl. 86), te besluiten, dat zij slechts relatief is. Zoo ziet hij alleen betrekkelijke nietigheid in overeenkomsten, met veronachtzaming van art. 470 B. "W. aangegaan (bl. 91, 94), en in handelingen, door den voogd voor den minderjarige verricht zonder inachtneming der bijzonderlijk daartoe voorgeschreven formaliteiten (bl. 90). Tot gelijk resultaat kwam ik reeds in mijn proefschrift (5). Daarentegen vereenigt hij zich niet (bl. 111) met mijne in de Themis van 1854 (bl. 417—430) breedvoerig verdedigde meening, dat handelingen door den voogd verricht zonder naleving van de artt. 451 vgg. B. W. niet zijn radicaal nietig, maar slechts vernietigbaar op de door of van wege den minderjarige ingestelde vordering. Trouwens mijne meening, van welker onjuistheid ik altijd nog niet overtuigd ben maar waarover ik hier niet in nadere ontwikkeling treed, werd vroeger reeds bestreden door Prof. Land (B. W. III, 1, bl. 410) en door Mr. E. Belinfante in zijn verdienstelijk Proefschrift over Ongeldigheid van rechtshandelingen (Leiden, 1901), bl. 119—122.

Hoofdst. IY (bl. 95—118) heeft tot opschrift „Speciale beschrijving der middelen, waardoor het ingrijpen van de rechtsmacht verzocht wordt, — bijzonderheden over den oorsprong van het onderscheid tussohen nietig en vernietigbaa r". Speciaal worden besproken I. lïomeinsch recht, II. de ontwikkeling van het Fransche recht, III. de nulliteitsmiddelen in het Nederlandsche recht. Hoofdst. V (bl. 119—134) handelt over „Het onmogeljjk worden van het ingrijpen door de rechtsmacht — Convalescentie", Hoofdst. YI (bl. 135—159) over „De gevolgen van het ingrijpen door de rechtsmacht krachtens de nulliteitsbepalingen", Hoofdst. YII (bl. 160—164) eindelijk over „Samenhang van andere rechtsgevolgen met die „van het burgerlijk nulliteitsrecht — textueele en virtueele „nulliteit".

Ik moet het laten bij deze zeer summiere inhoudsopgaaf. In meer bijzonderheden te treden laat mijn bestek niet toe, veelmin met den schrijver een debat te aanvaarden over de grondgedachte van zijn werk in het inleidend Hoofdstuk uiteengezet, al heeft hij mij van haar juistheid niet overtuigd. Enkele grepen dus slechts in de rijke stof, die ik natuurlijk niet wil doen doorgaan voor eene ook maar eenigszins volledige bestrijding van des schrijvers stelsel. Daartoe zou eene verhandeling noodig zijn van niet veel geringer omvang dan die van den heer van Hamel.

„Een nietige rechtshandeling is eenvoudig een onregelmatige „handeling". Om nu niet te spreken van een ontelbaar aantal voorschriften van processueelen aard, welker niet-naleving eene handeling onregelmatig maakt, maar in het stelsel deiwet èn meermalen krachtens eene uitdrukkelijke wetsbepaling haar nietigheid niet medebrengt, rijst de vraag, hoe men met de vooropgezette stelling staat tegenover een groot aantal vormelijke bepalingen voor acten van den burgerlijken stand en notarieele acten, welker inachtneming zeker voor de regelmatigheid der akten een vereischte is, maar die, haar sanctie vindende in straf of verplichting tot schadevergoeding van den ambtenaar, die de acte verlijdt, met de geldigheid of zelfs met de authenticiteit der akte niet in verband staan ? Om nog één voorbeeld te noemen uit het B. "W. De voogd, die in het geval van het eerste lid van art. 449 B. W. de beschikbare gelden van den minderjarige niet belegt op de in het tweede lid van dat artikel voorgeschreven wijze, begaat zeker, van het wettelijk standpunt gezien, eene onregelmatigheid in zijn beheer, maar wie zal, met het oog op het derde lid, kunnen beweren, dat die door de wet gewraakte geldbeleggingen nietig of vernietigbaar zijn ?

„Nietig', of „vernietigbaar". Men weet reeds, dat het goed recht dezer onderscheiding door den schrijver wordt ontkend, ook volgens de Nederlandsche wet. Nietig in den zin van niet bestaande voor het recht is in de leer van den heer v. H. niet eene enkele, zij het dan ook nog zoo „onregelmatige" handeling, al erkennen zij, die er anders over denken, — in de door mij gespatieerde woorden —, dat die „non-existentie" zich alleen voordoet in „den juridischen hemel" (bl. 8). Yoorts die andere stelling, welke daarmede parallel loopt: rer is nooit nietigheid zonder rechterlijk vonnis" (bl. 35). Ik heb voor meer dan eene halve eeuw het tegendeel verdedigd in mijn academisch proefschrift, op het voetspoor van von Savigny en Win dsc heid, en ben nog niet bekeerd tot de door den heer v. Hl met onmiskenbaar talent verdedigde leer.

Indien ik bij onderhandsch geschrift, zij het in den bij art. 982 B. "W". voorgeschreven vorm, maar buiten de daar gestelde grenzen over mijne nalatenschap heb beschikt, zeker dan valt het na mijn dood aan het licht gekomen feit, dat ik dit papier met eigen hand heb volgeschreven, gedagteekend en onderteekend, niet weg te cijferen, maar dat feit mist elk rechtsgevolg. Als niettemin A. of B., in dat stuk als erfgenaam ingesteld, „onder dien titel" in het bezit is der geheele of gedeeltelijke nalatenschap, dan zal deze door den werkelijken erfgenaam van hem kunnen worden opgevorderd met de actie van art. 881 B. "W., zonder dat daarbij of vooraf de vernietiging of nietigverklaring van het nietswaardige stuk, waaraan de gedaagde zijn beweerd recht meent te kunnen ontleenen, behoeft te worden gevorderd. Geheel anders bij een bij notarieele acte verleden openbaar of een behoorljjk gedeponeerd olographisoh of geheim testament, wanneer bij het verlijden, het opmaken of het dépot de eene of andere volgens art. 1000 B. "W. op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteit is verzuimd. Hoe men ook denke over deze en andere verwante vragen, b.v. over die, welke zich kunnen voordoen bg de revindicatie van een door den gedaagde uit kracht eener informeele schenking bezeten goed, men behoeft waarlijk niet te zijn een virtuoos in wat de schrijver (bl. 60) noemt het „over 't algemeen laakbare woord — manoeuvreeren" om bij de erkende onvaste terminologie van onze wet in haar stelsel aangaande de nietigheid der verbintenissen, juister gezegd eigenlijk der overeenkomst als bron van verbintenis, duidelijk het onderscheid tusschen nietige en vernietigbare handelingen te zien. "Wanneer art. 1417, de inleidende bepaling van T. IY, B. II B. W. „de nietigheid of de tenietdoening" opnoemt onder de wijzen, waarop verbintenissen te niet gaan, dan begrijp ik niet, dat die woorden, juist of onjuist gekozen, naar iets anders kunnen verwijzen dan naar het rechtsmiddel, omschreven in de 8e Afd. van denzelfden titel, dat is de reohterlijke uitspraak, waarbij op de vordering van de daar aangewezen personen binnen den daar gestelden tijd verbintenissen kunnen

(5) Bl. 15, noot 22, en bl. 59 vgg.

Sluiten