Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die 60 wagons slechts 10 wagons geleverd heeft, geen acht geslagen heeft op de aanmaning toit spoedige levering der resteerende wagons en ook, na bij exploit van 16 Oct. 1931 te zijn gesommeerd om alsnog binnen acht dagen te leveren 50 wagons, ieder van circa 6000 K.G-. van bovengemeld strop, na die sommatie geen stroo meer geleverd heeft, door welke wanpraestatie appellante schade heeft geleden en nog lijdt;

O. dat de gedaagde, thans geïntimeerde, in hoofdzaak heeft geantwoord, dat hij erkent in de maand September 1900 met. de appellante te zijn overeengekomen om haar te leveren 60 wagons hulzenstroo ad circa 6000 kilogram per wagon, te leveren franco te Gerresheim a contant tegen een prijs van 4.40 mark of f 2.64 per 100 K.G. ; dat echter de appellante in de door haar ingestelde vordering tot ontbinding dier overeenkomst is niet-ontvankelijk, althans die vordering is ongegrond, omdat daaraan geene behoorlijke in verzuimstelling is voorafgegaan ; dat toch het exploit van 16 Oct. 1901, waarop de appellante zich beroept, niet is eene behoorlijke sommatie, waaruit voor den geïntimeerde irt verzuimstelling kon volgen, en wel omdat, bij die sommatie tot levering geene betaling of bereidverklaring tot betaling van den koopprijs werd aangeboden; dat dit ontbreken van een aanbod van betaling zich te meer doet gevoelen, waar geïntimeerde destijds, blijkens exploit van sommatie zijnerzijds den 23 Oct. 1901 beteekend, zich reeds over wanbetaling van den kooppdijs voor geleverde goederen had te beklagen; dat dus de geïntimeerde niet behoorlijk in verzuim is gesteld;

O. voorts, dat de oorspronkelijke gedaagde, thans geintimeerde, eisch doende in reconventie, zijnerzijds heeft gevorderd ontbinding van voormelde overeenkomst met. schadevergoeding wegens wan. praestatie aam zijde van de appellante, en zulks op grond, dat den 23 Sept. 1901 door gedaagde aan eischeresse ingevolge meergemelde overeenkomst is geleverd een wagon hulzenstroo, wegende circa 6000 K.G., van welke levering de' gedaagde den 23 Oct. 1901 nog geene betaling, zelfs nog geene opgave van het netto gewicht bij aankomst, had ontvangen; dat gedaagde bij exploit van 23 Oct. 1901 de eischeres tot betaling heeft gesommeerd, op welke sommatie echter geene betaling is gevolgd, zoodat de eischeres in verzuim is in de nakoming harer verplichtingen ;

O. dat de appellante op den eisch in reconventie nog heeft doen zeggen, dat zij op 24 Oct. 1901 aan v. B. eene remise heeft gezonden voor het bedrag van den koopprijs van den. op 23 Sept. 1901 door v. B. aan haar geleverden wagon stroo en dat die rémise ia handen van v. B. is gekomen den 25 Oct. 1901, biedende zij aan een en ander door getuigen te bewijzen, zoodat appellante deswege, tijdens het instellen van den eisch in reconventie (28 Xov. 1901), niets meer aan den eischer in reconventie schuldig was;

dat bovendien de sommatie van 23 Oct. 1901 ten kantore van Mr. F. Verscheure te Roermond beteekend, niet tot inmorastelling kon dienen, omdat het domicilie door eischeres bij de inleidende dagvaarding gekozen ten kantore van haren procureur, zich niet verder uitstrekt dan tot den eisch in conventie ;

O. dat de eerste rechter, bij het vonnis waarvan beroep, den eischi in conventie niet-ontvankelijk heeft verklaard, op grond dat, nu de eischeres bij hare sommatie tot levering, dd. 16 Oct. 1901, geeme. betaling heeft aangeboden, noch zich bereid verklaard heeft om den koopprijs te betalen tegelijk bij de levering, de gedaagde door die sommatie niet werd in gebreke gesteld;

O. dat bij dat vonnis ten aanzien der reconventie werd verstaan, dat de reconventioneêle eischer met goed gevold bij ziin vermeld exploit- van 23 Oct. 1901 de. recotiventipneed Waagde tot betaling van den op 23 Sept, 1901 geleverden doch niet betaalden wagon stroo kon doen sommeeren aan het door deze bii laar exploit van 16 Oct. 1901 gekozen domicilie, zijnde ten kantore van Mr. F. Verscheure te Roermond, terwijl de reconventioneel gedaagde, thans appellante, tot ,het door haar aangeboden, hierboven omschreven bewijs door getuigen werd toegelaten vermits uit die feiten, zoo bewezen, zoude kunnen Wijken, dat zii zich tijdig van hare mora heeft gezuiverd;

O. dat de oorspronkelijke eisclieres zich tegen dit vonnis met dagvaarding harer wederpartij, tijdig in hooger beroep heeft, voorzien en bi) eene schriftelijke memorie zijne hieronder te bespreken grieven, zoo in conventie als in reconventie, heeft ontwikkeld, terwijl de oorspronkelijke gedaagde, bij een schriftuur van antwoord, de juistheid van de beslissingen des eersten reekters heeft staande gehouden;

O. dat daarna de zaak van weerszijden i.s bepleit en aan het Hor ter beslissing overgegeven;

En ten aanzien van het recht:

sli^inw'tinC'?.nne,ot(t-°rief iTan aPP6"ante gericht is tegen de beten onrechte di»*v n& j6'1. r?P neerkomt, dat de eerste rechter grond Stij fe Ximatfe '-ft verklaard, op

boden; dk Lh S^mid^lT^ f™ " T

geïntimeerde, maar te Gerresheim moest ^ van den

afweging van het op de „ ' ,est w°rden betaald na

betaling behoeft te geschiedfn voTcteTl vermits geene

voor de geldigheid der n ®L . n 6VfTg en dat het der actie^ot oirtbinding' ontvajnkeljjkheid

komen onverschillig was of bij de uitgebrachti ^°1_

ïSS"'-""l,s "• -««p' s

,'ï, lï,"

dat bij de onderhavige overeenkomst, wat de leverin» betreft' was bepaald: „te leveren franco te Gerresheim"; dat wel dé

FÏÏZS&P J'Jne m.!mori? hooger beroep beweert, dat te oèrr^ ° ' TC0 öerreshenn" niet zoude beteekenen, dat daarbiToveTv fJorden fleverd> docl1 dat de geintimeerde

fien-esheirn" w „ ' met is geconditioneerd „franco nen slaan niaa" "'riJe.?n °P betalen van vracht zou kunren franco' te Ge'r.-Üw "J 1>rima lw,eft gestold : „te leve-

gemeld bedino- fw ' 611 ï naar 'sHofs oordeel door even- ,

w-as aangewezen1- 6'm ondubbelzinnig als plaats van levering

O. verder, dat rr f I

dat de onderhavige l.-n • evenzeer als vaststaande aanneemt, < O. toch, dat hoewel It»1! geslo!;en tegen betaling a contant; ] gerept, de geintimeerde zutl dagvaarding niet wordt ; appellante dit niet alleen nLü u ft gesteld en de

«ij bovendien, door op de ' tegengesproken, maar s

taling, dadelijk — o-eliik ?ii 1 ar gencbte sommatie tot be- 1 geboden _ a"an def ïeitLeeTdert t6 beW«Ze" heeft aa»" = heeft toegewezen, dat de verkoon w?m'S0 ^ zenden, implicita s

O. dat- hieruit al dadelijk volgt d^t a. contaijt; hoefde te leveren dan tegen betalim- f:.ft geïntimeerde niet be- < dat uitstel van betaling was toegestaan en d ^ T* beweerd- c oordeel is, dat de appellante, tot leverina "U j VM1 ^ aanbod van gelijktijdige bektag1 gemtimeerde aannam, die de wet dezen 2t ojfeft.^" de" ® O. da. dit te meer klemt, waar de geintimeerde vólgens de a

' overeenkomst het verkochte goed naar het buitenland vervoeren e en aldaar leveren moest en dat in casu te minder van den ge intimeerde kon worden verlangd, dat hij aan de sommatie zoude , gevolg geven en zoude leveren, zonder eenige zekerheid van gelijktijdige betaling te zullen ontvangen, nu, zooals mede ten e processe vaststaat, de appellante, tijdens het uitbrengen dier sommatie, den haar op 23 Sept. 1901 geleverden wagon stroo t nog niet aan den geintimeerde had betaald en zij daardoor getoond had haren betalingsplicht niet nauwgezet na te komen ; O. dat het Hof mitsdien met den eersten rechter van oordeel ' 1S.' dat' geintimeerde door dé ten deze uitgebrachte sommatie met behoorlijk is in gebreke gesteld, zoodat deze grief is onge3 grond en de vordering in conventie terecht is niet-ontvankelijk , verklaard;

O. dat de tweede grief van appellante betreft de beslissing in ■< reconventie, voor zoover daarbij is aangenomen, dat de sommatie van geïntimeerde van 23 Oct. 1901, hoezeer beteekend niet aan appellante zelve, doch ten kantore van Mr. Verscheure te Roer, mond, eene behoorlijke ingebrekestelling opleverde, bewerende > _ appellante, dat vermits ten dage waarop die sommatie beteekend , is, de appellante nog geene actie had ingesteld, het door haar bij hare sommatie den 16 Oct. 1901 gekozen domicilie ten kantore i van Mr. Verscheure, alleen betrekking kon hebben op het onder- werp van dat exploit, namelijk de levering van 50 wagons hulzenstroo, niet op vroegere leveringen en voor deze verschuldigde gelden;

O. daaromtrent, dat blijkens het ten pr&cesse overgelegd exploit ; van 16 Oct 1901, geregistreerd enz., de appellante, zooals het m dat stuk luidt: „ten deze domicilie stellende ten kantore van Mr. t. Verscheure, advocaat en procureur te Roermond", den geïntimeerde sommeerde tot levering van 50 wagons stroo krachtens tusschen partijen gesloten overeenkomst, zijnde dezelfde als de in dit geding bedoelde; .

O. dat alzoo de appellante in dat exploit voor de nakoming dier overeenkomst domicilie koos ten kantore van Mr. Verse ïeuie voornoemd en dat daarom* de geintimeerde, toen hij. bij net namens ham uitgebracht exploit van 23 Oct. 1901 zijnerzijds sommeerde tot betaling van hetgeen hij uit hoofde dier overeenkomst te vorderen had on dus evenzeer nakoming dierzelfde overeenkomst vroeg, hij volkomen bevoegd was om, gelijk hij deed, a exploit te doen beteekenen aan het te dier zake door de appellante zelve gekozen domicilie;

[' ''a't derhalve ook deze grief is ongegrond;

. dat tegen het door de Rechtbank aan dei appellante opgej!gd getuigenbewijs noch door de appellante, noch door den geïntimeerde, die trouwens niet incidenteel appelleerde, eenige gnet is aangevoerd, zoodat dit bewijsmiddel kan blijven gehandaa cl, terwijl het Hof met den eersten rechter van oordeel is, dat zoo appellante er in slaagt te bewijzen wat haar bij het

b!"W is °pgele,gd> zij voldoende zal hebben & , a zij zich tijdig van hare mora heeft gezuiverd;

Up deze gronden recht doende:

Verklaart de door appellante aangevoerde grieven ongegrond;

ven^r bi , bT:pen Vrnis' 200 in conventie als in recon^ bpmlirnr „r efSf ajn eersten rechter eene nieuwe dag-

6SiyS5M«f —h" x

Jr ^ C'6 "!J'ar den rechter van eersten aanleg, om

verdei en op de hoofdzaak te worden beslist;

eroor eet. de appellante in de kosten in hooger beroep gevaL

opn'f 104 66 VftB n geinti,neer lfc tot dit arrest begroot

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

AHRONDISSEMENTS-REGHTBANK TE ROTTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 20 October 1902.

Voorzitter, Mr. S. Qratama Wz.

Recliters, Mrs.: G. W. Baron van der Feltz en C. O. Seöhrs.

Art. 727 B. W.

De ei (dienstbaarheid van uitzicht en licht kan verkregen ivo) en door verjaring tengevolge van liet hebben van ramen m strijd met de artikelen 693 en 694 B. VV.

Daar de wet niet omschrijft xvat onder die erf dienst baarheid verstaan moet worden, moet daaromtrent te rade ivorden gegaan met de opvatting van het dagelijksch leven.

De eigenaar van het dienstbare erf is dan beperkt in zijn bevoegdheid om naar goedvinden te bouwen, niet omdat zijn verplichting bestaat in niet bouwen, maar wegens zijn verplichting om het servituut te dulden.

F. 1. F. de Vetter, eischer, grondeigenaar wonende te Rotterdam, advocaat en procureur Mr. M. T. r® Baat,

tegen

1°. R. D. J. Kieselbach, wonende te Rotterdam; 2°. H. Wien. hoven, gedaagden, wonende te Rotterdam, advocaat en pro- ( cureur Mr. E. Jacobson. \

IJe Rechtbank enz.; j

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien; s

de, st™kken van het geding alle. voor zooveel noodig i

geregistreerd;

Ten aanzien der feiten: a

staalTd'atdat blijkens de stukken tusschen partijen vast-

Bovmar,c * 6 fls°ber is eigenaar van het pand en erve aan de ^

Sectie T ?aa' no' 'e Rotterdam, kadastraal bekend als a

den ziin' P;^mnier' -^3, groot 86 centiaren, terwijl de gedaag- a

Korte hJT™ van 'le*' Pan(J en erve en open plaats aan de j

Sectie I §s laat no. 32 te Rotterdam, kadastraal bekend als v

dat h^t Tmer,i337' Sroot 1 are 64 centiaren;

zijde nnmili ÏÏ eigendom van den eischer aan de achter- b

a-èdaaoden '' 1 grenst aan het voormelde eigendom van de 1

zich in hire"!1661'* m bijzonder aan de open plaats webce 3

strekt • ' engte om de volle breedte van eischer's pand uit b

den acht'1 r-a"!!!11 achtergevel aan eischer's perceel zich bevin- r onpiidraiienrl 6n' waai'van drie in den kelder met naar binnen

van iizeren 1 6 ,Yensters, drie in de eerste verdieping, voorzien z

vensters,' twee In"'d eTeneen^ .met naar b"™en openslaande 1,

schuivende vensters; ^rd'epmg met naar boven open- o

dat gedaagden in de maand April 1901 op de onen nlaats d aan hun perceel planken hebben doen stellenTuist vX de drie p

sn. onderste ramen in de muur van eischer's perceel zóódanig dat

9- door die drie ramen geen uitzicht genomen, nöch licht noch

le lucht verkregen kon worden voor de tot bakkerij eener coofi-

li seursaffaire ingerichte kelderverdieping aan eischers's perceel; n O. dat de eischer verder heeft gesteld, dat het voormelde

,r onroerend goed van de gedaagden althans de daartoe behoorende

0 open plaats is belast met de erfdienstbaarheden van uitzicht en }. van licht, en van lucht ten behoeve van het onroerend goed ; van den eischer; 6

d dat van die voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden e blijkt door een achttal ,n den achtergevel aan eischers voor■- meld pand bestaande vensters of ramen, welke daarin sedert li meer dan dertig jaren onafgebroken aanwezig zijn ^eweest •

dat de boven reeds omschreven handeling van "gedaaeden n zijn onrechtmatig en de eischer daardoor groote schade lijdt • e dat eischer gerechtigd is te vorderen dat de door de gedaas n den te weeg gebrachte ongeoorloofde toestand ophoude en aar

de gedaagden aan hem zijn schade zullen vergoeden • e op alle welke gronden de eischer heeft gevorderd dat bij vonj nis dezer Rechtbank zal worden verstaan voor recht dat het j kadastrale perceel der gemeente Rotterdam Sectie i' nonimer e 1337 voor zijn geheel althans de daartoe behoorende open plaats is belast met de erfdienstbaarheden van uitzicht en van licht en van lucht ten behoeve van het kadastrale perceel dier gee meente Sectie I. nonimer 1343; dientengevolge de bovengemelde handelingen van de gedaagden zullen worden verklaard t onrechtmatig, en de gedaagden zullen worden veroordeeld om fc binnen vier en twintig uren na de beteekening van het in deze , te wijzen vonnis op te ruimen al hetgeen door hen als bovenge, meld is verricht en geplaatst en daargesteld; wijders de eischer _ zal worden gemachtigd om bij gebreke daarvan die opruiming ? zelf te mogen bewerkstelligen desnoods met behulp van justitie en^ politie ten koste van de gedaagden ,welke kosten zij zullen hebben te betalen op de quitantiën van degenen die voor de ; opruiming zijn gebezigd; vervolgens de gedaagden zullen wor-

1 den veroordeeld om aan den eischer te vergoeden alle kosten, f schaden en interessen door hem tengevolge van hunne onrechtmatige handelingen reeds geleden en nog te lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alles met verklaring dat het vonnis zal zijn uitvoerbaar bij voorraad zonder borgtocht en ook bij lijfsdwang, voor zoover de kosten, schaden en interessen, de som van f 150 te boven gaan, alles met veroordeeling van de gedaagden in de proceskosten;'

O. dat de gedaagden hebben geantwoord dat hunne door nen erkende, bovenomschreven handeling — waarbij de planken in geenen deele in eischers muur drongen, maar enkel tegen dien muur aangesteld werden en hunnen steun vonden in latten die werden gestut tegen den grond van het perceel van gedaagden, zoodat de geheele stelling in geen enkel opzicht het perceel van gedaagden overschreed — niet anders is dan eene volgens alinea 2 van art. 626 B. W. volkomen geoorloofde uitoefening van hun eigendomsrecht, waarmede zij op hun eigen perceel zijn gebleven en alzoo daarin niets onrechtmatigs is "ge-

dat de eischer ten betooge dat de handeling van gedaagden wèl onrechtmatig was, beweert dat het perceel van gedaagden, althans de daartoe behoorende open plaats is belast met de erf' dienstbaarheden van uitzicht en van licht en van lucht ten behoeve van het perceel van eischer; dat de gedaagden zulks o n t kennen ;

dat de eischer stellende dat hij de door hem beweerde erfdienstbaarheden zou hebben verkregen door verjaring, daarvoor aanvoert, dat in den achtergevel van zijn perceel a'cht ra. men zijn en dat die ramen daarin sedert meer dan dertig jaren onafgebroken aanwezig zijn geweest;

dat gedaagden hun perceel nog geen volle twee jaren in eigendom hebben, en alzoo niet weten of die ramen daar sedert meer dan dertig jaren onafgebroken aanwezig en aldus ingericht geweest zijn, zoodat zij zulks moeten o n t kennen ;

dat echter, tok wanneer zoude vaststaan dat die' ramen daar sedert meer dan dertig jaren onafgebroken aanwezig en aldus ingericht geweest zijn, alsdan daarmede voor des eischer's erf door verjaring enkel zoude kunnen zijn verkregen de erfdienstbaarheid welke bestaat:

voor het heerschend erf in het recht om die aldus ingerichte ramen in zijnen muur te hebben en te houden en daardoor licht en lucht te scheppen van — en uit te zien over — het lijdend erf zoolang zich daartoe de gelegenheid aanbiedt;

en voor het lijdend erf in de verplichting om die van de voorschriften der artt. 693 en vlg. B. W. afwijkende'ramen in dien muur te dulden;

dat nu op deze erfdienstbaarheid, aangenomen dat ze bestond in elk geval door de gedaagden geen inbreuk zoude zijn gemaakt, daar zij immers de ramen volkomen ongedeerd hebben gelaten;

dat evenwel hetgeen de eischer voor zijn erf door verjarino' verkregen wil hebben, en waarop hij zijne ingestelde vordering wil gronden, is eene geheel ander erfdienstbaarheid namelijk eene die bestaat: '

voor het heerschend erf in het recht om ten eeuwigen dage van het lijdend erf licht en lucht te scheppen en daarover vrij uit te zien, en in verband daarmede in het recht om op het lijdend erf alle inrichtingen waardoor een en ander zou verminderd worden, te beletten;

en voor het lijdend erf in de verplichting om niet te bouwen of althans met zóó te bouwen dat licht, lucht en uitzicht vroi het heerschend erf door den bouw verminderd zotóen worden • dat deze laatste erfdienstbaarheid, bestaande in de verplichting om iets niet te doen, eene geheel andere is dan die be staande in de verplichting om de ramen te dulden ( principieel m art. 722 B. W. daarvan onderscheiden) en behoort tot de onzichtbare erfdienstbaarheden, onder welke zij in alinea 3 van art. 725 met zooveel woorden wordt genoemd;

dat eene onzichtbare erfdienstbaarheid, naai' art 593 eeen voorwerp van bezit kan opleveren en in verband daarmede in art. 746 m tegenstelling van art. 744 wordt bepaald dat ze alleen bij eenen titel kan worden daargesteld, maar door ver

wo"dfk verkregen; ^ ^ °nheuSeliJke ^n niet kan

dat dit ook zeer juist is, want dat, ware het anders alsdan het gevolg zou wezen dat voor den eigenaar van een'erf het \eZ 79«eRenwr toekomende en door de wet in artt. 626 al.

bnnwl i^' gewaarbo,rgde recht om naar goeddunken te bouwen, zoude kunnen verloren gaan door daarvan gedurende r ïg jaren geen gebruik te maken,hetgeen met vaststaande rechtsbeginselen m strijd zoude zijn;

dat derhalve die erfdienstbaarheden, welke de eischer voor zijn perceel door verjaring wil verkregen hebben en op welke hij zijn beweerd recht op wegneming van de door de gedaagden op hun perceel gemaakte stelling uitsluitend grondt — juist door verjaring niet kunnen worden verkregen en de gedaas den alzoo in het hun toekomend wettelijk recht om op hun perceel naar goeddunken te bouwen en te timmeren in geen

Sluiten